GC #116

Op dit singeltje van Morc Tapes wordt er diep in de blues gegaan, door op de ene kant Boduf Songs en op de andere Jessica Bailiff. Uiterst traag, met de volle aandacht en meer dan liefdevol pakt Boduf Songs oftewel Mat Sweet het nummer ‘Decapitation Blues’ aan, met slechts gitaar en stem. Zes zinderende minuten van voorzichtig, rudimentair gefluister op door tremolo voortwiegende gitaargolven vinden zo hun weg naar het ontvankelijke hoofd – afgehakt of gewoon geboeid luisterend… Jessica Bailiff maakt een gestripte versie van ‘Lakeside Blues’, waarbij een zachtjes kreunend orgel de zang optilt, een dof klapje hier en daar wat suggestie van vooruitgang wekt, en de zang lijkt weg te zweven naar hemelse sferen. De 7” is een opmaat voor de Europese tour van deze twee artiesten die hun roots in drones en folksongs hebben, en smaakt zeker naar meer.

Blank Realm uit Brisbane verrast ons. Overrompelt ons eigenlijk met hun derde langspeler. Die twee voorgaande platen van dit kwartet hoorden we niet, maar lang zullen we dat niet uitstellen. Al zal het niet eenvoudig worden om die op de kop te tikken. Ze verschenen namelijk in kleine oplages op Not Not Fun, en de paar singles die Blank Realm al liet persen voor hun eigen Negative Guest- label, zijn al helemaal hopeloos. Gelukkig komt dit ‘Go Easy’ wel onze contreien opgewaaid. Van zodra de plaat inzet met ‘Acting Strange’ is er maar één bandnaam die als vergelijking opwelt: Royal Trux. Rommelige postpunk, een bewust jengelende zangeres (Sarah Spencer), die weliswaar minder zwoel klinkt dan Jennifer Herrema (maar dat is bijna niet te doen) en gitaren die kronkelen en sneren als die van Neil Hagerty. Niet verwonderlijk dat we hier en daar ook aan het vroege werk van Pussy Galore denken, waar Hagerty bij speelde. En de naam natuurlijk van de beide zangers: meestal zingt Sarah, maar ook Daniel neemt een deeltje voor zich, en beiden heten Spencer, geen familie van Jon. Wat we niet horen is de adoratie voor The Rolling Stones, die Royal Trux wel had. Blank Realm is meer een band die houdt van artpunk in de stijl van Pere Ubu of The Work. Niet elk nummer zit verscholen onder bergladingen fuzz, al laat de band zich in afsluiter en titelnummer ‘Go Easy’ eens goed gaan. Daartussen hebben we een waaier aan acidrock gehoord, nu eens ingehouden dan weer volledig loos gaand. Die afwisseling laat horen dat Blank Realm meer is dan een band die slechts één trucje kent. Een leuke ontdekking.

Emika verbaasde in 2011 met haar debuut ‘Emika’. De Tsjechische artieste was daarvoor vooral bekend om haar geluidsobservaties. Op haar tweede album ‘DVA’ (Tsjechisch voor ‘twee’) vergeet ze haar beatexperiment om zich te werpen op elektronische singer-songwriter. En daar schuift ze aan in het illustere ‘net niet’-rijtje. Natuurlijk zijn we kritisch. Want zo slecht is de eerste song ‘Young Minds’ niet. Licht dubby ritmes en een twijfelend verleidende zang. Maar vanaf opvolger ‘She Beats’ hoor je dat ze veilig speelt. Vage duistere elektro, van alle blijdschap ontdane popsongs, lichtjes aansluitend bij gotische elektroclash. Op ‘After The Fall’ getuigt ze beïnvloed door witch house te zijn. Maar het is allemaal te berekend. Emika is dan ook sound-designer en niet zomaar een zoveelste Miss Kittin. Natuurlijk hangt ze nog steeds eenzelfde dystopisch, ontgoocheld wereldbeeld aan en herneemt ze even haar vorm op ‘Sing To Me’. Maar echt beklijven doet ze niet. Waarom de rest van de wereld haar ‘Wicked Game’ (oorspronkelijk van Chris Isaak) wel plots opmerkt en brandmerkt als single, blijft een grote vraag. Het symfonische ‘Dem World’ getuigt bijvoorbeeld veel meer van eigenzinnigheid en karakter. Maya Jane Coles daarentegen lijkt wel de hitparade na te streven ook al is ‘Comfort’ niet het alles verpletterende debuut dat je van haar zou verwachten na bijvoorbeeld ‘Get Away’ of de wereld op zijn kop zettende ‘DJ Kicks’-plaat. Op ‘Comfort’ grijpt ze als vanouds naar de house uit de jaren 1990, maar zet ze dermate in op vocalen, dat de beats naar de achtergrond worden verwezen en ze twijfelt tussen een clubgeluid, een fuifmoment of huiskamer-house. De single ‘Everything’ deed haar nog even kant kiezen voor het popgeluid van The Knife. Openingstrack ‘Comfort’ is het verplichte vocale house-nummer dat weliswaar inslaat als een bom maar te gewoontjes klinkt. Een truc die ze tot vervelens toe herhaalt op elk nummer en iedereen geboren voor 1990, een irritant déja-entendu-gevoel doet krijgen. Het is wanneer Maya Jane Coles de donkerste registers opentrekt zoals bijvoorbeeld op ‘Burning Bright’ of ‘Blame’ ze verplichte zaterdagmiddagkost lijkt te worden. Een wereld die nooit je Gonzo (circus)-dienaar beroerde, maar ongetwijfeld elke discotheek in rep en roer weet te zetten. Is het slecht? Nee, maar hier bewijst ze ook dat de jaren 1990 haar te nauw aan het hart liggen om echt te durven verbazen. En dat deed Maya Jane Coles als jonge debutante wél op haar eerste 12inches.

Chris Flemmons kunnen we heel moeilijk als een productieve songschrijver bestempelen. De vorige plaat van zijn The Baptist Generals, ‘No Silver/No Gold’, dateert namelijk van tien jaar geleden. De groep werd in 1998 opgericht door Flemmons en drummer Steve Hill, die later bij John Zorns Cobra zou gaan spelen, en Flemmons in 2007 in de steek liet. Meteen kwam ‘Dog’ uit, om daarna een paar jaar stilte in te lassen. Toch laat de bedrijvige muziekscene in Denton, Texas hem niet los, en in 2002 volgt een ep, gevolgd door voornoemd album. Dat album sloeg gensters met zijn doorwrochte liedjes, geschoeid op een leest van dronken folk en country. Pers en publiek waren wild enthousiast en de bende kon uitgebreid op tournee. Een opvolger kwam er echter niet, al probeerden Flemmons en zijn kompanen het wel in 2005. Hij vond de liedjes echter niet goed genoeg en gooide de hele zwik in de prullenmand. Nu is hij blijkbaar wel tevreden, uitermate tevreden zelfs, want het album ‘Jackleg Devotional To The Heart’ staat boordevol verslavende en hypnotiserende liedjes die in hun genre weinig concurrenten kennen. De lo-fi aanpak werkt, al is dat er absoluut niet aan te horen. Het gaat over de aanpak, niet het resultaat. Stuart Sikes (Cat Power, White Stripes) zorgt voor een rijk en sfeervol geluid dat de lo-fi behoorlijk opsmukt. Flemmons stem, nogal eens neigend naar die van Neil Young, sleept ons zijn leven in, waar de zon op de lakens aan de wasdraad voldoende kan zijn om hem uit zijn dagdagelijkse lethargie te halen. In een tijd dat bands snel uit de geheugens verdwijnen om plaats te maken voor alweer iets nieuws en anders, verrassen The Baptist Generals vriend en vijand voor de tweede keer in hun carrière. Mooi zo.

Still Corners mag dan wel de band zijn van Greg Hughes, het is het etherische, sensuele en tegelijkertijd licht weemoedige, onderkoelde en ietwat afstandelijke stemgeluid van Tessa Murray dat met zowat alle aandacht gaat lopen. Meer nog dan op de beloftevolle voorganger ‘Creatures Of An Hour’ uit 2011, lijkt het dromerige en cinematografische geluid op ‘Strange Pleasures’ te zijn gecentreerd rond haar vocale bijdrages. De taken zijn nochtans netjes verdeeld: Hughes schreef muziek en teksten én speelde alles zelf ook in. Murray beperkt zich tot zingen. Het klinkt dan een beetje oneerbiedig om hem in haar schaduw te zetten. Doen we ook niet want zonder zijn hand zou Still Corners – een halte in de luwte tussen shoegaze, dreampop en een onderstroom van new wave en sixtiespop – het zoveelste indiebandje zijn met een zangeres met een mooie, expressieve stem. Die denigrerende omschrijving gaat niet op voor ‘Strange Pleasures’, dat ten opzichte van ‘Creatures Of An Hour’ een flink stap vooruit is, zeker wat de kwaliteit en de verbeeldingskracht van en in de composities betreft. Die zijn bovendien meer gefocust en minder vrijblijvend. ‘The Trip’ zet meteen de toon: het openingsnummer is een betoverende prelude voor een vijfenveertig minuten durende zweefvlucht naar het imaginaire territorium van Cocteau Twins, Beach House en het veel te ondergewaardeerde Portal. De afsluitende titeltrack, met zijn uitgesproken dansritme, sequences en subtiele groove, suggereert ten slotte een mogelijke volgende stap in de ontwikkeling van Still Corners. Je kan immers niet blijven teren op de erfenis van Cocteau Twins.

De vier jaar na het verlaten van The Micronauts heeft George Issakidis gevuld met software te ontwikkelen voor audiovisuele live performances en exposities. De Parijzenaar komt dan na al die tijd met een album, waar ook nog eens iemand als Speedy J aan meedoet – als je het vinylexemplaar hebt tenminste. Zowat iedere track heeft als ondergrond een struikelend ritme dat doet denken aan de onbeholpen uitbarstingen van een compleet stonede rockdrummer, maar waarmee Issakidis waarschijnlijk wil aantonen dat-ie niet van de straat is. Die lauwloene riddems worden dan vervolgens opgepept met nog wat kleffe elektronicablurps uit het potje, en dat is het dan zo’n beetje. Als je huilend aan het einde van het album bent beland, gooit de Franse producer er nog een schepje bovenop en verzuipt het nummer ‘In Love’ (je zal het object van aandacht maar zijn) in zoveel pathetische bombast dat het nu echt lachwekkend wordt. Wat een gruwelijk, opgeblazen en achterhaald gedrocht dit Karezza, gauw doorspoelen. Spaar jezelf en je geloof in muziek.

Onlangs verscheen er op Unsounds een prachtplaat: ‘Live At Café Oto’ van Lean Left. Een knap staaltje beukwerk van The Ex guitars, drummer Paal Nilssen-Love en saxofonist Ken Vandermark. The Ex guitars zijn de gitaristen van, je raadt het al, The Ex: Andy Moor en Terrie Ex. ‘Gored Gored’ is een ingekrompen versie van dat kwartet, namelijk Nilssen-Love en Terrie. Ingekrompen wil gelukkig niet zeggen minder. Wel wil het zeggen hetzelfde. Of althans, er mist natuurlijk een saxofoon en een gitaar, maar aan kracht en rauwheid boet de plaat niet in. Nilssen-Love legt een strakke, krachtige basis neer waar Terrie overheen dendert. De cd is een opname van een liveoptreden en bestaat uit een lange voortdenderende set van een goede veertig minuten. Hier en daar hoor je in het optreden een kleine cesuur waar ruimte is voor applaus. Buiten die rustpunten is er weinig plek voor subtiliteit of ingetogen improvisaties. De rustige momenten waarop Nilssen-Love geen harde klappen uitdeelt, klinken nog steeds fel door de snerpende gitaar van Terrie. Daardoor zijn er bijna geen punten waarop de plaat kalmeert, de muziek blijft voortstuwen tot het einde. En dat einde valt plots uit de lucht.

Buffoon is de groep rond Peter Vleugels. De ‘normale’ line up van Buffoon bestaat, naast Vleugels, uit Niels Hendrix (Fence) en Dave Schroyen (Evil Superstars, Millionaire, Creature With The Atom Brain), Deze ‘Chromoscope’ is echter een bijna solo-onderneming, waarop Vleugels collage-gewijs aan de slag gaat met opnames die hij tussen 1990 en 2012 maakte: laptop-opnamen, viertrack-opnamen, Hi8-cassette-opnamen en dictafoonopnamen.
Het opzet doet denken aan Guided By Voices‘ ‘Suitcase’ – een plaat bestaand uit waardevolle restjes, die anders toch maar eeuwig op het schap zouden blijven liggen. In tegenstelling tot Robert Pollard gaat Vleugels wél nog aan de slag met zijn opgeviste flarden. Van de 28 verschillende titels die we op de hoes vinden, heeft Vleugels twee mooie collages gemaakt – elk nét een vinylkant lang. Ook de geluidsmanipulatie verraadt dat ‘Chromoscope’ zijn oorsprong heeft in de jaren 1990: er wordt lustig aan de pitch-knop gedraaid, soms in meerdere richtingen tegelijkertijd. In die jaren 1990 mocht een lofi-geluid immers nog uit een dictafoon komen, in plaats van uit een peperdure digitale lofi-plugin. En ‘Original field monkey recordings’ ging je ook nog gewoon zelf maken in Peru, in plaats van een abonnement op een digitale geluidenbank te nemen. We hopen van harte dat Vleugels zijn aapje ter plaatse is gaan opnemen.
Het resultaat is een, nu eens gepijnigde, dan weer grappige, tegelijkertijd schizofrene én monomane plaat.
We horen echo’s van het debielste (en dus het beste) van Ween, de collagepop van Solex en van het vaderlandse lofi-enigma Sue Daniels (naar verluidt een fictief personage, eind jaren 1990 gecreëerd door Rudy Trouvé, Elko Blyweert en Mauro Pawlowski). Elke kant van de vinylplaat eindigt overigens op een fijne locked groove, zodat je niet uit de zetel moet als je dat niet wil.

The New Dominion is een melodieus klinkende deathmetalband uit Tilburg die met ‘Procreating The Undivine’ aan zijn tweede album toe is sinds de band er in 2006 aan begon. In 2009 verscheen hun eerste langspeler ‘…And Kindling Deadly Slumber’ op Neurotic. Een mooie springplank voor een toernee met Pestilence, dat na vijftien jaar stilte nieuw leven werd ingeblazen, en de Noorse band Vreid. Door de vele bezigheden van de groepsleden (carrières en zo), werd een rustpauze ingelast, al kan het kwartet het niet laten om toch steeds bij elkaar te komen om nieuw werk voor The New Dominion te maken. Drummer Yuma Van Eekelen speelt daarenboven ook nog eens bij Brutus, Exivious, Rentap en een tijdje bij Pestilence. Het voordeel dat het allemaal niet zo snel hoeft te worden ingeblikt, is de kwaliteit van het gros van de nummers. Technische death metal is het, met uitstekende grunts van Bart Schoorl en inventief gitaarwerk van Tom Adams en Michiel Oskam. De band strikte tevens enkele gasten, waaronder Niels Adams (Prostitute Disfigurement) en mannen met ervaring bij Cynic en Textures. Schoon volk waarvan we ook behoorlijk wat verwachten. Die verwachtingen worden slechts gedeeltelijk ingelost, omdat we eigenlijk maar de helft van de songs echt super vinden. Het openingstrio is zeer vette death metal die teruggrijpt naar Cannibal Corpse. Daarna wordt het minder tot tenenkrullend als de band het geweld laat rusten en begint te experimenteren met progrock en verstilling. Plots gaat het weer beter, en is de afsluiter een absolute kraker in het genre. Vermoedelijk laat de band die tragere nummers op een podium gewoon achterwege en is het van begin tot eind headbangen geblazen. Wij slaan die nummers voortaan ook over, en genieten van de vier supersongs die we hoorden passeren.

Over de titel van hun vorige plaat – ‘As High As The Highest Heavens And From The Center To The Circumference Of The Earth’ – struikelen wij nog geregeld. Hoewel, we zijn er al in geslaagd hem feilloos uit te spreken. Die plaat uit 2011 schopte het moeiteloos tot ons eindejaarslijstje. Compleet overrompeld als we waren door de harde, slepende en melodieuze sound van de band uit Dallas, Texas. Het was dan ook uitkijken naar een opvolger voor dat album. En die is er nu. Op deze derde plaat diept het trio haar kenmerkende geluid uit tot ongekende hoogtes. Met dank aan producer Matt Pence (Centro-Matic) die de band ook al bijstond op hun vorige album. Opener ‘Creeper’ start nog wat aarzelend, maar dat wordt snel goedgemaakt. De drums van Timothy Starks klinken dreigend als voorheen. In ‘Fourth Teeth’ eist de stem van bassiste Nicole Estill een hoofdrol op. ‘Hoping for tranquillity …’, fluistert ze in onze oren terwijl de gitaren uithalen en de drums donderen. In dat nummer is er ook weer die samensmelting met de stem van frontman Dan Phillips. Kalmte wordt ons misschien niet gegund. Maar gelukkig wel nog vijf nummers waarin de groep haar meesterschap toont. Een plaat die balanceert op de grenzen van slowcore, shoegaze en stonerrock. Een dat net als het vorige zich moeiteloos zal nestelen in ons eindejaarslijstje.

De vier langharige mannen van het Japanse Church Of Misery hebben opnieuw een stel seriemoordenaars opgeduikeld die hen inspireerden tot het maken van nieuwe doommonsters. Initieel was oprichter en bassist Tatsu Mikami een hevige fan van thrash metal, die hij speelde met de band Salem. Hij raakte echter uitgekeken op het genre en wilde zijn helden, waaronder Black Sabbath, Saint Vitus, November, Leaf Hound en Blue Oyster Cult, eren en meer die muzikale richting uitgaan. Church Of Misery was geboren (1995) en sindsdien maakt hij met zijn maten riffgeoriënteerde doomrock waarin behoorlijk wat psychedelica zit verweven. De obsessie met het dagelijkse leven van allerlei seriemoordenaars is altijd de rode draad doorheen het werk van deze Japanners geweest, en met uitzondering van ‘One Blind Mice’, een cover van de progrockband Quartermass, heeft elk nummer opnieuw een berucht individu als onderwerp. In opener ‘B.T.K.’ horen we al meteen dat jaren 1970 heavy rock dé muzikale invloed is van dit album. Snel is het niet, echt donkere doom ook al niet (met uitzondering van de onderwerpen natuurlijk). Machtige riffs daarentegen krijgen we in overvloed naar het hoofd geslingerd. Het zijn riffs die als het ware een slachting aanrichten, soms op een bijna funky manier. Het is de stevige rock van de jaren 1970 die op superieure wijze opnieuw tot leven wordt gebracht, terwijl ‘Lambs To The Slaughter (Ian Brady/Myra Hindley)’ of ‘Dusseldorf Monster (Peter Kurten)’ verhalen over de moorden die werden gepleegd. ‘Thy Kingdom Scum’ is ongetwijfeld één van de beste, zo niet het beste, Church Of Misery-album tot nu toe. Eentje waar de jonge snaken in het genre alleen maar van kunnen dromen.

Nathan Latona, Nick Reinhart en John Clardy vormen sinds 2004 het trio (ook tijdelijk een kwartet) Tera Melos. De band uit Sacramento, Californië werd oorspronkelijk ingedeeld bij math rock, maar is dat etiket stilaan ontgroeid. Het is niet dat de typische elementen, een festijn aan riffs en polyritmiek, van dat genre helemaal zijn verdwenen. Toch schuift Tera Melos stilaan op naar ietwat gewonere rock met meer aandacht voor het liedje waarin al eens een refreintje mag zitten. We dachten bij het beluisteren van ‘X’ed Out’ onmiddellijk aan Yo La Tengo, minus de fixatie voor The Velvet Underground. Ook die band maakt poppy liedjes, waarin bij momenten rijkelijk wordt geëxperimenteerd, maar deinst er ook niet voor terug noisy stukken te incorporeren waarin een duidelijke popstructuur ontbreekt en waarin de gitaren naar hartenlust mogen gieren. Zo ook bij Tera Melos. Het zorgt ervoor dat de band geen pure math of noiserock maakt, maar ergens zweeft tussen die genres en de meer experimentele pop. De eerste keer dat de twaalf liedjes passeren, lijken ze allemaal eerder inwisselbaar en maken ze maar weinig indruk. Dat gebeurt ons net zo goed met platen van Yo La Tengo, waarvan we uit ervaring weten dat we ze geregeld opnieuw luisteren en ze alsmaar beter blijken te vinden. ‘X’ed Out’ is er ook zo eentje, eentje die wat moet rijpen, een eindje aan de kant blijft liggen en dan plots een herontdekking meemaakt. Ze blijven een beetje onder de radar, maar soms zijn dat de beste bands en platen.

Het vierde album van het uit Portland afkomstige collectief Parenthetical Girls is eigenlijk helemaal geen nieuwe plaat. Het kwartet, bestaande uit songschrijver Zac Pennington, Jherek Bischoff, Amber W. Smith en Paul Alcottt, koos ervoor om de reeks ep’s die ze sinds 2010 hebben uitgebracht, te verzamelen. Vijf stuks waren dat, die telkens ‘Privilige’ als hoofdtitel meekregen. De ondertitels: ‘Pt. I: On Death & Endearments’, ‘Pt. II: The Past Imperfect’, ‘Pt. III: Mend & Make Do’, ‘Pt. IV: Sympathy For Spastics’ en ‘Pt.V: Portrait Of A Reputation’. Zoals de titels reeds aangeven, hebben de bandleden niet echt een vrolijke kijk op het bestaan. Dat zou ook een beetje misstaan bij de behoorlijk zeurderige stem van Pennington, die nauw aanleunt bij die van Morrissey. Ook de liedjes zelf zitten helemaal gebeiteld in het firmament van The Smiths. Hier en daar verschijnt een stip Depeche Mode, maar de boel opvrolijken doet deze vergelijking ook al niet. De liedjes op zich zitten zeer degelijk in elkaar, er is een bepaalde verwantschap met Xiu Xiu, waarmee ze bijvoorbeeld een single deelden met covers van … The Smiths. Jamie Stewart van Xiu Xiu werkte al eerder met de band bij het inblikken van platen, en Parenthetical Girls maakte ook al een plaat vol covers van Kate Bush. Ze pogen divers te klinken, gebruiken een waaier aan instrumenten, maar de stem van Pennington is dermate bepalend dat we bij deze muziek alleen maar achterom kunnen kijken, naar lang vervlogen tijden en gebeurtenissen. Op vinyl verschenen de vijf platen in beperkte oplage, die uiteindelijk in een schitterend vormgegeven box konden belanden. (Bij de cd hoort eigenlijk tevens een dvd, maar zoals dat gaat in promoland: geen benul hoe het eruit ziet.) Liefhebbers van eerder genoemde bands zullen smullen van deze liedjes, wij verkiezen de originelen.

Het Poolse Krakau fungeert als thuisstad en inspiratiebron voor drie artiesten uit Oekraïne. Op basis van de opvallend kleurrijke buitenmaatse hoes van deze cd, zou je denken dat Polen verborgen koraalriffen herbergt, maar van zodra we op play drukken, worden we brutaal uit onze droom gehaald. De plaatselijke Muziekacademie stelde oude analoge synthesizers en modulaire systemen ter beschikking, die drievoudig worden vervormd en in typische Kotra stijl aan microscopische flarden worden gehakt. Sommige tracks doen dan ook denken aan een hommel die vastzit in het ene, en een wesp die aanval lanceert op het andere oor, iets dat ons de laatste tijd steeds vaker overkomt. Maar omdat Krakau ook beweegt en slaapt, worden ook melodieuze echo’s van onversneden synthesizerklanken toegevoegd, net als nerveuze glitch met minimale technoambities. Zavoloka, Kotra, en Dunaewsky69 tekenen hier samen een stadskaart die vooral drukte, onrust en zenuwachtige beweging oproept. Maar wie vertrouwd is met de output van huislabel Kvitnu, zal me bijtreden dat dit eerder aan de aard van het beestje ligt, dan aan de invloeden van Krakau. Sluit dezelfde artiesten een weekje op in pakweg Baardegem, en het resultaat zal wellicht niet anders klinken.

Heruitgaves van behoorlijk obscure platen uit een ver verleden zorgen soms voor aangename verrassingen. Het Tjechische Olympic is er zo eentje. De band werd genoemd naar de Praagse club Olympik waar ze in de eerste helft van de jaren 1960 veelvuldig concerteerden. De leden speelden eerder in andere bands maar besloten om met Olympic geen covers van Westerse artiesten te brengen. Eigen werk met voornamelijk teksten in de eigen taal onderscheidde de band meteen van de rest. Ze waren een van de eerste Tjechische bands met een vinylsingle, en in 1968 kwam hun eerste volwaardige album uit. Met uitzondering van een korte rustpauze in de jaren 1990 bestaat Olympic nog steeds, al waren er regelmatig bezettings- en koerswijzigingen. De compilatie ‘Everybody!’ concentreert zich echter op de vroege output van Olympic, toen de groep voornamelijk de toen in zwang zijnde beatmuziek maakte. In kennerskringen wordt de periode 1965-1971, waaruit de 24 liedjes stammen, als de klassieke tijd voor Olympic beschouwd. Blazers, een piano die extra sfeer toevoegt, het grappige accent en de afwisseling maken dit tot een leuke verpozing. Een waaier aan invloeden, gaande van The Beatles tot Fats Domino, waaraan telkens een eigenwijze draai wordt gegeven, zorgen ervoor dat ondanks de veelheid aan nummers, de cd toch blijft boeien. Alleen de obligate neusfluiten en andere oosters aandoende geluidjes zijn er teveel aan. Gelukkig zijn die slechts sporadisch aanwezig en is dit voor collectioneurs een makkelijke manier om kennis te maken met het werk van Olympic.

Piano Interrupted is een duo bestaande uit Tom Hodge op piano en Franz Kirmann die het geluid van de piano door zijn laptop haalt. Het studioproject is in de loop der jaren uitgegroeid tot een live band, met Greg Hall op cello en Eric Young op percussie. De mastering van dit album werd gedaan door Nils Frahm (Ólafur Arnalds, F.S. Blumm) die door het kwartet min of meer wordt beschouwd als een vijfde lid. Verrassend genoeg is er dan ook nog een link met Tunesië, omdat Piano Interrupted ooit uitgenodigd was om de filmscore te maken voor een documentaire over Hedi Jouni, de Frank Sinatra van Tunesië. Samples van diens werk zijn voor zo’n drie composities gebruikt op ‘Two By Four’, en dat zijn dan ook gelijk de meest swingende van het vijftien tracks tellende album. Het is een haast adembenemende ervaring om de muzikanten van Piano Interrupted op hun zoektocht door filmische sfeerstukken, soundscapes, gemuteerde melodietjes en dromerige pianopartijen te horen worstelen, en daar altijd het beste uit naar boven te halen. Wat Piano Interrupted maakt, is van een zodanige klasse dat we daar nog wel eens veel meer van zouden kunnen gaan horen.

Een van zijn favoriete albums is ‘One Word Extinguisher’ van Prefuse 73 en dat hoor je. Net zoals Prefuse 73 speelt Kelpe met hiphop-ritmes, kosmische geluiden en weeft hij klanktapijten waar geluiden hoppen en springen, botsen en knotsen en schuiven over gladde beats. In tegenstelling tot zijn ouder werk, schept Kelpe op zijn vierde worp een warme analoge, goudgekleurde wereld die heerlijk klinkt wanneer de zon schijnt, maar soms ook ten onder gaat aan zijn propvolle hoeveelheid geluid, melodieën en chaos. De single ‘Answered’ – dat ‘Fourth: The Golden Eagle’ afsluit – werd het startschot voor de plaat. Het is het meest indrukwekkende nummer dat samen met openingstrack ‘Astromology’, de perfecte blauwdruk is voor de glitchhoppende en polyritmisch verstrooiingen. Het bokst op tegen het Brainfeeder-leentje-buur van ‘Beaks of Eagles’ en het op videogames geïnspireerde ‘Superzero Theme’. Het is een overschot aan geluiden en indrukken waarbij de synth-afficiando’s de riedeltjes willen ontrafelen. Kelpe stelt al zijn speelgoed tentoon aan de liefhebber. Soms hectisch, dan weer ambienthip op ‘Nice Eyes In My Size’ en dromerig op ‘Single Stripe’. Ideeën ten over en daar heb je als luisteraar een enorme luistertrip aan. Eentje die soms wel meer enerveert dan intrigeert.

Uit Koblenz, Duitsland komt het indierockgezelschap Blackmail, dat sinds 1993 actief is. De titel van het nieuwe album dat het kwartet maakte, is behoorlijk misleidend, want eigenlijk is dit inmiddels de achtste studioplaat. De reden om het album ‘II’ te noemen, ligt elders. Op de vorige plaat, ‘Anima Now!’ uit 2011, werd zanger Aydo Abay om persoonlijke redenen vervangen door Mathias Reetz en dat gaf toch een ietwat andere klankkleur aan de liedjes. Veel bekendheid buiten de landsgrenzen heeft het kwartet tot op heden nog niet geoogst. In filmkringen duikt de naam al eens op, omdat ze samen met Lee Buddah de soundtrack maakten voor ‘Off Beat (Kammerflimmen)’ uit 2004 van de hand van Hendrik Hölzemann. De nieuwe plaat zal weinig verandering brengen voor Blackmail. Daarvoor bevat de cd te veel stereotiepe indierockliedjes, van naar ballades neigende liedjes tot wat steviger rockers die een beetje weg hebben van Filter. De band probeert wel afwisseling in te bouwen, en komt zelfs met strijkers en blazers aandraven voor het nummer ‘Sleep Well, Madness’. Het grote nadeel voor een band als deze is dat er veel te veel groepjes zijn die in hetzelfde vaarwater platen maken en er eigenlijk geen nummers op staan die er echt bovenuit steken. De betere middelmaat die kan dienen als opwarmer in de vroege namiddag op een zonnige festivalweide is wat voor Blackmail is weggelegd.