GC #116

Elk jaar is het zomer. Soms een paar weken later omdat de winter liever terug valt in de herfst, maar elk jaar zijn er een paar dagen, soms weken, bij hoge uitzondering ook maanden dat het kwik boven de 25 graden stijgt en de hemel strak blauw opentrekt. En elk jaar laten dan hordes studenten hun pen en boeken vallen om de studiehal te verruilen voor het stadspark bij u om de hoek, het strand of het terras. Schaars gekleed, de dames dit jaar in spijkerstofonderbroekjes, zuigen zij stiekem aan een pretsigaret of elkaar en delen zij goedkope wijn uit kartonnen pakken. Elke jaar het volle onbevangen leven, vrij en vrijend. En elk jaar is er een band die daar muzikaal perfect op aansluit, met onbevangen rammelpop, een rauw randje punk, een golfje surf en heerlijke meezingrefreintjes. Mikal Cronin zal voor velen deze zonneschijn-het-leven-is-zo-fijn powerpop leveren, maar ook ‘Empire’ van GRMLN past bij deze vrijheid als wit bier bij de broeierige zomeravond. Luchtig en catchy, vanaf de eerste toon materiaal om nee te zingen en op te heupwiegen. Weinig originele tonen, iedereen die Teenage Fanclub, Fountains Of Wayne en meer van de mid-jaren 1990 powerpop en poppunk kent, weet waar de mosterd te vinden is. Maar dat waren ook geen bijster originele bands en daar trokken we ons toen ook vrij weinig van aan. Dus waarom zouden we GRMLN daar nu wel op af moeten rekenen? Zeker omdat ‘Empire’ vol staat met bijtende hooks en riffs die uit het bad van lo-fi zo je audiogeheugen in kruipen. Volgend jaar met de komst van de zomer vast weer vervangen door een volgende band die donders goed klinkt onder de grote gele bol, maar voor nu het prima geluid bij die paar dagen onbevangen vrijheid, aangejaagd door de zon. 

Les Aprés L’Amour Sonnes was de oorspronkelijke groepsnaam van deze psychedelische rockband uit Kopenhagen. Het pad van dit project loopt echter allesbehalve over een bloementapijt. Het ontstond in 2007, waarna een eerste single verscheen die hen in 2009 op Roskilde bracht. De boel viel echter al snel uiteen en alleen Hans Beck bleef nog over. Hij liet de moed echter niet zakken, zette door en slaagde erin, ondanks de drukke bezigheden van elk groepslid, in de lente van 2011 een tweede single te lanceren. Het label had geduld, zoveel zelfs dat Bad Afro kon wachten tot nu alvorens Telstar Sound Drone eindelijk met een langspeler komt opdraven. Gitarist Mads Saaby en drummer Hans Beck zijn immers voortdurend op de hort of albums aan het inblikken voor en met Baby Woodrose. Dat is meteen het perfecte aansluitingspunt om het geluid van dit trio, zanger en gitarist Sean Jardenbaek vervolledigt het trio, te duiden. Opener ‘Through The Back Of Your Head’ klinkt als vroege Spacemen 3, een referentie die tegenwoordig veelvuldig opduikt maar hier zeker op zijn plaats is. Telstar Sound Drone maakt namelijk verslavende, drugsgerelateerde en diep in fuzz gedrenkte psychedelische rock met veel ruimte voor gitaardrones (het magistrale ‘Feels Like A Ride’), die geen seconde verveelt. Een paar gastbijdrages (Christian Norup van Highway Child en Kåre Joensen van Baby Woodrose op bas en op gitaar Hobbitten van Spids Nøgenhat) maken het feestje compleet.

Flip Kowlier en kompaan Buyse zijn nooit echt heel productief geweest. En dat hoeft ook niet. Als de heren er zin in hebben, hoe zelden dat ook mag zijn, komt er steeds iets moois bovendrijven. Vaste DJ 4T4 weet perfect welk soort deuntjes zijn maten nodig hebben om telkens opnieuw verrassend uit de hoek te komen. ‘Stuntman’, de vorige langspeler van de West-Vlamingen (afkomstig uit Izegem), werd overal grijsgedraaid. ‘ Colaboraciones Espectaculares’ is een tussendoortje van zes nummers dat bij ons, zelf de eerste levensjaren gewoond hebbende in het gehucht Emelgem, gelegen tussen Izegem en Ingelmunster, in goede West-Vlaamse aarde valt. Het is vooral leuk dat we een aantal woorden horen die we al jaren zelf niet meer hadden gebruikt. ‘Carnassière’ bijvoorbeeld, dat in correct Nederlands ‘boekentas’ betekent. Bovendien heeft ’t Hof voor vijf van de zes nummers een resem gasten uitgenodigd waarmee werd samengewerkt. De nummers verbouwend, elementen toevoegend en weglatend zet elkeen zijn beste voetje voor om het gezellige feestje dat de zes songs uitstralen, verder op te leuken. Jef Neve, Steak Number Eight,het Leuvense dubstepcollectief AKS (Addicted Kru Sound) en Safi En Spree fleuren samen met de jonge wolven Ni Exp, Vrulst & Botn en Walter Ego de songs op. Zo heeft elk nummer wel iets mafs te bieden, zodat ook zij die het sappige West-Vlaams niet begrijpen, deze plaat kunnen appreciëren en met volle teugen kunnen genieten. Het wordt zomer, het mag wel eens wat minder beladen en heavy klinken. Humor blijft belangrijk natuurlijk, ook in de titels. ‘Teletitmachine’ kent als compagnon ‘Niemand’, aja, het was alleen het trio zelf. Onnozele grapjes, maar bij ’t Hof Van Commerce worden die getolereerd, passen perfect bij het imago en de liedjes, die het tijdens concerten allemaal zeer goed zullen doen. De bende had er alvast lol in. Nu u nog.

Met deze korte plaat gaat componist en multimediakunstenaar Marcus Fjellström voort volgens de koers van voorgaande platen als ‘Schattenspieler’ en ‘Library Music 1’. ‘Epilogue -M-’ bevat zes composities die (wederom) sterk refereren aan muziek voor spannende bioscoop- en televisiefilms in het griezel- en thrillergenre en zijn voorzien van kraak en ruis waarmee de sfeer van daadwerkelijk oude opnamen wordt versterkt. Zoals de plaat opent: allereerst een plots, stevig gekraak, alsof de naald op een ver uit het archief opgediept stuk vinyl daalt. Dat het stuk ‘Dance Music 3’ heet, zou de luisteraar op het verkeerde been kunnen zetten, want met de krakende en uptempo ritmes die inzetten, zijn weliswaar swingend, maar het is toch een dance macabre. Het geluid is gruizig, licht galmend en weemoedig. Die klanksfeer kenmerkt ook de overige composities. ‘Sinneslöschen’ maakt gebruik van een herhaald pianoloopje, snerpende geluiden, strijkerspartijen, paukenslagen, en al die instrumentale mogelijkheden die bij en spannende of unheimische filmscène uit de kast worden getrokken. Elders liggen lagen van fluisterende en piepende tonen, sissende cimbalen en doffe tromslagen, jagende percussie en repetitieve vioolpartijen over elkaar. Alles is door Fjellström voorzien van een kraak als van oud vinyl en een ruis en galm alsof het uit duistere diepten komt. Het werkt, dat moet gezegd. Anderzijds: met het laag over laag leggen en het stapelen van geluiden zijn de composities erg vol en de variatie klein. Een prima cd, zij het dat ze voor degenen die de Zweed al enige tijd volgen weinig verrassingen brengt. Het begeleidend grafisch werk van Bas Mantel is een meerwaarde. De ontwerper heeft de composities grafisch geïnterpreteerd in een soort sterrenstelsels in combinatie met – vermoedelijk – bestaand beeldmateriaal voor de verpakking en twee dubbelzijdig gedrukte posters.

Pianist Chris Abrahams was ooit bezig aan de zijde van Aussie bands The Triffids en The Lime Spiders en speelde in het arenacircuit met Midnight Oil, maar zijn actieterrein is doorgaans dat van de marge. Hij is een mede-oprichter van het in experimentele kringen legendarische The Necks, een trio dat een patent heeft op majestueuze en minimalistische improvisaties van marathonlengtes, en houdt er bovendien een productieve carrière op na buiten die band. Zo is dit na ‘Throw’ en ‘Play Scar’ al zijn derde soloplaat voor Room40 en kon je hem het voorbije jaar ook horen op duoreleases met Alessandro Bosetti, Lucio Capece, en Magda Mayas. De aanpak durft daarbij erg verschillen, van vrij conventionele akoestische spielereien tot elektro-akoestische uitdagingen voor de doorzetters. Met vier taaie brokken die geen spaander heel laten van de gemiddelde associaties, kiest ‘Memory Night’ resoluut voor die laatste categorie. Vanaf ‘Leafer’ kom je immers terecht in een loodzware, nachtelijke ambiance die veertig minuten aangehouden wordt. Wat er precies gaande is, wordt nooit duidelijk. Piano, orgel, oude synths, percussie, samples en allerhande digitale bewerkingen leiden samen tot klanksculpturen die kunnen muteren van sinister minimalisme tot versmachtende chaos. Doet de opener nu en dan denken aan de mishandelde piano-ingewanden van Daniel Menche of de staalplaten van FM Einheit, dan is het elektronische geritsel en klokkengelui van ‘Bone And Teem’ al net zo spookachtig. De abstracte elektronica krijgt de overhand op ‘Strange Bright Fact’, waarin een conventioneel pianogeluid even mag opdoemen als een fata morgana om vervolgens plaats te ruimen voor het gekmakende getwitter van dozijnen overvolle volières. Roterend metaal, digitaal geknisper en pulserend gerammel waarin de piano soms volledig naar het achterplan verbannen lijkt. Ongemakkelijk en op het randje van irriterend, maar bijna even hypnotiserend als het werk van The Necks.

Zeldzaam zijn de keren dat je door een nieuwe artiest direct compleet omver wordt geblazen en we prijzen ons gelukkig dat we deze ervaring hebben bij de Amerikaanse multi-instrumentaliste Emily Wells. De 32-jarige heeft in haar thuisland reeds een aardige discografie opgebouwd, maar ‘Mama’ is haar Europese debuut en we vragen ons af waarom het in godesnaam zo lang heeft moeten duren. Pluspunt is dat er een bonus cd bij zit met akoestische herinterpretaties van dezelfde nummers als op de plaat. Normaal gesproken zijn akoestische versies vaak niet meer dan dat, maar Wells zorgt voor een compleet andere wereld op dit extra schijfje, waardoor het veel meer is dan een leuk extraatje. Ze zingt met een tijdloze stem die van troost lijkt te verhalen, maar onderhuids broeien haar intelligente teksten. Terug naar de gewone versie van de plaat. Wells grossiert in herhalende songstructuren, voornamelijk op tekstueel vlak, die echter geen moment een gevoel van verveling oproepen, maar juist krachtig ons mee haar wereld in slepen. Die wereld bestaat uit een werkelijk fijn amalgaam aan genres die perfect in elkaar overvloeien: neoklassiek, folk, indie, hiphop. Referenties als Andrew Bird en Joanna Newsom geven een goede indicatie, maar doen tegelijk afbreuk aan de eigenheid van Wells. Luistert u eens naar ‘Let Your Guard Down’, dat als een mooi ijkpunt van haar kwaliteiten kan worden beschouwd. Melancholische pianoklanken omgeven door unheimisch vioolspel, waarin we ronddolen zonder ergens thuis te zijn. We wanen ons in de wereld van The Woogies van schrijfster J.L. Warren, mijmerend over mogelijke monsters, terwijl Wells bijna berispend zingt “baby you let your guard down”. Prachtig.

Op het gerenommeerde label voor elektroakoestica Empreintes Digitales is het eerste soloalbum van Martin Bédard verschenen. Deze Canadees componeerde de afgelopen decennia zestien werken waarvan er vijf op deze schijf staan. Je zou ze kunnen beschouwen als de hoogtepunten uit zijn oeuvre tot nu toe. In de Sound in Space competitie (USA, 2011) behaalde hij een tweede prijs; daarnaast viel hij in de prijzen op de Canadian Electroacoustic Community’s Times Play competitie (Canada, 2005).
Waar een componist van elektroakoestisch werk in Nederland de werken van Dick Raaijmakers, Ton Bruynel, Kees Tazelaar op zijn nachtkastje heeft liggen, mag een Canadees het doen met Yves Daoust. Bij hem studeerde Bédard dan ook vijf jaar, aan het conservatorium in Montréal. Toch zullen onze Nederlandse helden ook overzees bekend zijn, de invloeden lijken duidelijk.
De thema’s op Topographies zijn de emoties en de relationele geschiedenis van een locatie. Als uitgangspunt neemt Bédard opnames op locatie – voor dit album onder andere oude gevangeniscellen. Dan gaat de meester aan het werk en brengt muzikale en theoretische verdieping aan. Het resultaat is het overpeinzen waard: een veellagig hoorspel, dan eens rustig en ijl, dan weer intens en compact. De opnames lijken door een digitale versnipperaar te zijn gehaald met als resultaat abstracte dierengeluiden los van ruimte en tijd. Toch raak je steeds dieper verstrikt in het verhaal over die bepaalde locatie.
Het klinkt afwisselend als de filmmuziek bij een timewarp en als een locomotief in volle vaart. Wanneer het repetitief en haast ritmisch wordt, waan je je in een op hol geslagen nummer van Kraftwerk. Je denkt klanken te herkennen uit het dagelijks leven: keukengerei, metaal, steen, bewegende apparaten, plonzen in water, maar die dienen meer als metafoor dan als herkenningspunt. Luister en onderzoek!

Howard Stelzer en Frans de Waard werken sinds 1996 al regelmatig samen, al is dit slechts hun tweede gezamenlijke ‘langspeler’ (na de eerste, ‘Torn Tongue’, in 2002). De samenwerking zet zich primair voort op basis van ‘her-gebruik’ van bepaald eerder gezamenlijke werk. Ditmaal is zelfs hun gehele samenwerkingsgeschiedenis als basismateriaal gebruikt. Of het hiermee samenhangt of niet, wat onmiddellijk opvalt is het verschil in sonische densiteit tussen ‘Pink Pearl’ en eerder werk. Waar voorgaand werk grilliger was in haar dramatische ontwikkeling is Pink Pearl meer statisch van opbouw: zo werpt de eerste track de luisteraar direct zonder pardon midden in wat wel een feniksnest lijkt, gevlochten van sonisch prikkeldraad; een toxische kluwen – over-verzadigd, explosief en van de hoogste instabiliteit – die het sensorium net niet/net wel overbelast, deze vervolgens toch in kritische toestand doet overgaan en tenslotte meesleurt in een zelf-geïnduceerde vernietiging. En zo ongeveer gaat het over de gehele cd voort. Dat wil niet zeggen dat hier sprake is van iets dat ook maar lijkt op monochromie, of dat deze ‘beschrijving’ hierboven zelfs maar voor de eerste track enigszins ‘duurzaam’ is. Integendeel: bij het (her)beluisteren van deze cd ontstaan juist steeds nieuwe ervaringen. Hetzelfde proces wellicht – van het (her)scheppen door (her)beluistering – dat aan de basis ligt van het werk van Stelzer en de Waard zelf? Maar tevens een karakteristiek van een werk dat – enerzijds – op psychisch en emotioneel vlak zo abstract is, zo wars is van enige definieerbare kenmerken van wat voor ‘humanisme’ doorgaat en zo expliciet is gefundeerd op direct materiële en pragmatische grondslagen en principes dat de cognitie, bij gebrek aan handvaten en herkenningstekens, ieder conceptueel of narratief kader ontbeert; en – anderzijds – ook een werk dat in haar onmiddellijkheid zo een directe stimulus-respons oproept dat iedere onderscheidingsmogelijkheid tussen het fysiek en de psyche wordt opgeheven.

Het muziekgenre exotica is rond 1957 ontstaan. Zo’n kleine vier decennia later duikt het weer op als lounge zijn intrede doet. Sindsdien worden muzikanten cq arrangeurs als Martin Denny, Arthur Lyman en Esquivel als grote namen beschouwd binnen dit genre. Dat exotica nog leeft bewijzen deze drie albums die elk op een volkomen eigen manier omgaan met het genre.
De Engelse gitarist Mike Cooper maakt al muziek sinds 1957. Hij heeft zich gespecialiseerd in de lap steel gitaar, ook wel Hawaiian gitaar genoemd. In 2004 bracht hij het album ‘Rayon Hula’ uit, waarop een soort collagemuziek staat vol samples van Arthur Lyman. Zijn nieuwe cd ‘White Shadows In The South Seas’ is een logisch vervolg hier op. Het album opent heel vredig met kwetterende vogelgeluiden uit een tropisch oerwoud, waarbij zich een wiegend voortkabbelend melodietje voegt. De tweede track klinkt al minder exotisch en op het derde nummer ‘White Shadows’ heeft de elektronica het helemaal overgenomen. Mike Cooper is een meester in het samplen en loopen van exotica thema’s. Daartussen en overheen speelt hij Hawaiian gitaar. Telkens hoor je op de achtergrond zijn field recordings van tropische vogelgeluiden. Hij noemt zijn muziek “ambient electronic exotica”. Het blad The Wire spreekt in dit geval over “contemporary exotica”. In ieder geval bewijst veteraan Mike Cooper met zijn aparte benadering dat exotica niet oubollig behoeft te zijn. De Zweedse band Ixtahuele maakt geen gebruik van elektronica. In hun instrumentale songs kijken ze verder dan Hawaï, naar exotische plaatsen als Micronesië, Paaseiland of de Caraïben. Ze doen dat sterk in de traditie van Denny. Dat betekent veel warme klaterende marimba’s, vogelgeluiden en onderkoelde pianothema’s. De openingstrack ‘Black Sand’ leunt sterk aan tegen Martin Denny’s versie van ‘Quiet Village’. Zo staan er nog een paar Hawaï-achtige composities op. Maar ‘Dengue Fever’ doet bijvoorbeeld erg aan een merengue denken en in ‘Orust Luau’ klinkt Zuid Amerika flink door. Kortom Ixtahuele maakt exotica avant la lettre dat ze kundig met andere stromingen mengen. De exotica van de Mexicaanse bandleider en componist Esquivel (1918-2002) wordt Space Age Pop genoemd. Hij werkte het liefst met grote orkesten en onconventionele instrumenten als de lap steel gitaar of theremin. Ook gebruikte hij, in zijn verder geheel instrumentale muziek, graag vocale koortjes die af en toe “pow pow” of “boing boing” zongen. Hiernaast experimenteerde hij naar hartenlust met stereo-effecten. Producer en labelbaas Gert-Jan Blom had al lang de wens muziek van Esquivel te laten uitvoeren door een groot orkest. De Berlijner Stefan Behrisch heeft speciaal op zijn verzoek nieuwe partituren gemaakt, gebaseerd op originele opnamen. Het resultaat is te vinden op ‘Perfect Vison’ waarop het Metropole Orkest zich uitleeft in 21 composities die ooit, tussen 1958 en 1967, zijn opgenomen door Esquivel. Alles klinkt glashelder. De blazers schieten de speakers uit, de koortjes vliegen je om de oren en links en rechts hoor je in het stereobeeld steeds andere dingen. Kortom dichter kun je de ‘King Of Space Age Pop’ niet benaderen!

Collega (swat) is in deze kolommen al lyrisch over de heruitgebrachte samenwerking van GNOD met spacerockers White Hills. Midden augustus verschijnt dan ook nog het nieuwe album ‘So You Are … So You’ll Be’: een nieuw meesterwerk in de ondertussen haast onoverzichtelijke discografie van het New Yorkse duo David Weinberg en Lynnea Scalora ofte Ego Sensation. Het eerste wat we horen zijn warrige computergeluiden in ‘InWords’. Gelukkig volgt al snel het heftige, gruizige ‘In Your Room’. Opgevolgd door de spaced out drone ‘The Internal Monologue’ dat verwijst naar werk van trippers Tangerine Dream. Na dit relatieve rustpunt mag Weinberg zijn Hawkwind-fixatie weer lustig botvieren in het titelnummer. Na een kort intermezzo, ‘OutWords’, is het de beurt aan het hoogtepunt van de plaat. In ‘Forever In Space (Enlightened)’ komt alles samen. De spacerock van Hawkwind en de krautritmes van Can en Neu! vormen een onontkoombare potpourri. Acht minuten trippen op de planeet White Hills. Afsluiten doet de plaat met het synthgedreven ‘MIST (Winter)’ waar wij in het begin zelfs menen flarden Kraftwerk te herkennen. Kan ook aan ons liggen. Ons devies: ‘Space out and wake up at the other end of the universe’ met deze nieuwe White Hills.

Twee bands die mooie platen maken in het iets te weinig bedreven genre van de barokke folk. Loch Lomond is het losvaste project van Ritchie Young, die zich door een sterk wisselende groep musici laat begeleiden, waarvan de bekendste wel Peter Broderick en diens zus Heather Broderick zijn. De band maakt prachtige filmische, georkestreerde folk, waarin de ene keer frontman Young sterk centraal staat, maar waarin hij ook soms helemaal verdwijnt, om plaats te maken voor zangeressen Brooke Parrott en Jade Brings Plenty (opmerkelijke naam, inderdaad) of instrumentale intermezzo’s door multi-instrumentalist Jason Leonard. Hierdoor verveelt de band zelden, wat nogal eens een gevaar is bij dit soort muziek. Muziek waar het vakmanschap vanaf staat, in de lijn van The Decemberists en Bon Iver, vol barokke strijkarrangementen en gelaagde composities, die telkens net iets verder gaan en beter uitgewerkt zijn dan die van het gemiddelde folkbandje. Ook de Deense band Cody kijkt niet op een viool meer of minder. Dat is slim, want het basisgeluid van de band is niet zo bijzonder, met de wat omfloerste stem van frontman Kaspar Kaae en de soms iets te nietszeggende melodieën. Maar vrijwel ieder nummer neemt net als je het niet verwacht een vlucht naar een prachtig refrein of een grootse, georkestreerde brug. Met wat Arcade Fire-bombast en subtiele elektronica hier en daar maakt de band zo telkens iets moois en hartverwarmends van wat in de handen van een ander vrij saaie liedjes geweest waren. Waarmee ze uiteindelijk in de omgeving van bands als The National en Fleet Foxes terecht komen. Loch Lomond en Cody bewijzen zo dat ook in de folk een beetje ambitie niet kwaad kan, en dat het loont om iets verder te gaan dan een simpel melodietje te spelen op je banjo.

‘Krake’ is het Duitse woord voor octopus. Het heeft tentakels om zich vast te zuigen en laat steeds zijn sporen na. Tijdens de zomer belanden restanten wel eens op je tapasbord. Maar in Berlijn verbinden ze er net dan een kleinschalig, uitdagend elektronisch muziekfestival aan. Terwijl de namen voor de nieuwste editie binnensijpelen, knipoogt ‘Krake 001’ naar het voorbije jaar. Omdat plaatjes luisteren leuker is dan voorbije festivalaffiches lezen. De plaat legt met zijn donkere atmosferische drones van Thomas Köner, Shrubbn!! en Dadub, de mechanische ritmes van Perc en Swarm Intelligence en melancholische eenzame ritmes van Lakker en Goner de smaak van de curatoren bloot. Gevestigde namen staan zuignappen in mekaar met nieuw talent. Grootmeester Pole schittert bovenaan met zijn minimale ‘Wipfel Dub’. En de luisteraar bezwijkt, vastgekneld in de greep van de zuigende tentakels, langzaam verdrinkend. De enige vraag die rest: koop ik de plaat of toch maar meteen een kaartje?

Mooi. Triest. Somber. Indrukwekkend. Nico. Het zijn slechts een paar van de duidende termen die meteen in ons hoofd opkomen als we ‘Do You Burn?’ voor de zoveelste keer zijn rondjes laten draaien. We krijgen namelijk geen genoeg van dit werkje van het uit Minnesota afkomstige Powerdove. Spaarzame maar daadkrachtige muzikale begeleiding ondersteunt de stem van Annie Lewandowski, de dame die met haar stem zo’n indruk op ons weet te maken. We denken aan de status van ‘The Marble Index’, één van de solowerkjes van Nico, en zetten deze cd zowaar op hetzelfde niveau. Lexandowski maakte voorheen deel uit van The Curtains, een groepje rond Chris Cohen die filmisch geïnspireerde instrumentale muziek maakte. In 2007 begon ze solo. Dat vroege werk is te beluisteren op de ep ‘Live From The Maybeck House’ uit 2010. Ondertussen verzamelde ze muzikanten om zich heen, en nam ze ‘Be Mine’ op, dat in 2009 via Circle Into Square het levenslicht zag. De muzikanten van toen werden vervangen door John Dieterich (gitaar, bas) die we kennen van Deerhoof en de Fransman Thomas Bonvalet, actief als L’Ocelle Mare en hier op een ruim instrumentarium actief. Met harmonica, banjo, handen en voeten, stemvorken, fluitjes tot een gitaar aan toe, legt hij kleine accentjes in de liedjes die aan het brein van Lewandowski ontspruiten. Niet dat de dame haar liedjes helemaal uitschrijft. Het mooie eraan is dat er ruimschoots plaats is om te improviseren, waardoor elk liedje heel spontaan klinkt. Geïmproviseerde verstilling bedwelmt ons elke keer opnieuw. Dertien heel gevarieerde liedjes die allen weten te overtuigen en uitnodigen om ze telkens opnieuw te beluisteren. Uitzonderlijk is dat, in deze tijden van overdaad.

Bijna dertig jaar na de oprichting van My Bloody Valentine, Jesus And Mary Chain en een kwart eeuw na het ontstaan van Slowdive valt het geluid van Beliefs nauwelijks meer verrassend te noemen. Het Canadese kernduo van de band heeft zicht overduidelijk laten inspireren door het romantische geluid van samensmeltende gitaar- en melodielijnen dat deze bands eind jaren 1980 en begin jaren 1990 reeds in hun meesterwerken uiteenzette. Inspireren, schrijven we, niet kopiëren. Beliefs kan zich met ‘Beliefs’ namelijk eenvoudig meten aan deze ‘genre definiërende’ albums, zet je met een zelfde gemak op een droomwolk en blaast je dan met een wind aan gitaren even sterk kabbelend door je eigen droomlandschap. Dit ook omdat de basis niet alleen terug te brengen is tot de Britse shoegaze, maar ook de meer hoekige jaren 1990 noiserock, zoals dat op het eerdere werk van stadsgenoten Sloan, in het vol wollige gitaarmatras zijn geweven. Pakkende popmelodieën worden aangevuld met tegendraadse dissonanten waarin de mysterieuze zangwijzen bijna weg zijn gemoffeld. Gevolg is een voortdurende tensie waarmee een van de spannendere shoegaze platen van de laatste jaren wordt neergezet.

De zoon zal altijd gebukt gaan onder de eeuwige oneerlijke vergelijking met de vader. Zelfs nu Femi Kuti al in de vijfitg is zal de vergelijking met de legendarische Fela Kuti (zie ook de recensie hierboven) onvermijdelijk zijn. Laten we de vergelijking echter kort en bondig houden: de jongste plaat van Femi Kuti mist de diepte en intensiteit die het werk van zijn vader zo kenmerkte. Toch is ‘No Place For My Dream’ een aanwinst voor het afrobeat genre en mogen we blij zijn dat Femi zich niet zo makkelijk van zijn dromen laten wegjagen. In de titeltrack zingt hij “they said there’s no place for my dream / why don’t you face reality”. De realiteit echter was de afgelopen tien jaar maar miserabel voor Femi (dood van zijn moeder, scheiding van zijn vrouw, negatieve persaandacht in zijn thuisland Nigeria, de algehele toestand van de wereld), maar gelukkig heeft hij samen met zijn band The Positive Force een niet aflatende aandrang deze ellende om te zetten in iets positiefs door middel van zijn muziek. En die is verdomde fijn te noemen. Blazers, percussie, gitaarriedeltjes en de klank van de stem van Femi dragen allemaal bij aan een ongedwongen muzikale sfeer die lijnrecht tegenover de teksten lijkt te staan. Op dat vlak vlak doet Femi af en toe aan iemand als Max Cavalera denken, die dezelfde simpele bewoordingen gebruikt om een (wellicht naïeve?) blik te werpen op alle misstanden in de wereld. Femi keert vaak terug naar dezelfde woorden als ‘poverty’, ‘corruption’ en ‘hungry’ en daardoor ligt de boodschap af en toe een beetje te veel boven op de muziek. Maar is het eerlijk om zijn teksten vanuit ons veilige Westerse perspectief zo te benaderen? Misschien is juist de simpele en naïeve blik die we nodig hebben om te zien wat er daadwerkelijk aan de hand is en er niet langer aan voorbij te gaan. Met nummers als ‘The World Is Changing’, ‘No Place For My Dream’ en ‘Wey Our Money’ zorgt Femi Kuti er alleszins voor dat we zijn wereld ingezogen worden. Een wereld waarin er genoeg zaken gebeuren om je kwaad over te maken. Genoeg om je voor op de barricades te werpen. Maar gelukkig ook genoeg fijne muziek die als tegenwicht kan fungeren voor de wereldse ellende. Swingende protestliederen, opdat we dansend kunnen demonstreren.

De opvolger van het in 2010 verschenen ‘Unsilent Death’ van het Amerikaanse (Californië) Nails is zowaar nog harder, sneller en slopender dan reeds het geval was. Twee van de tien nummers klokken meer dan een minuut. Bij het luisteren naar deze agressieve brok herrie, gedrenkt in de hardste soorten –core naar keuze, lijkt het wel alsof afsluiter ‘Suum Cuigue’ langer duurt dan al het voorgaande samen. Tja, de plaat moest allicht toch enige duur kennen, want wat ons betreft mogen ze dat nummer er gewoon afkeilen. Het duurt te lang in vergelijking met de rest en kan ook minder boeien. Edoch, zelfs met dit naar Nailsnormen mindere nummer beuken ze elke concurrentie de vergeetput in. Samen duurt het plaatje zeventien meedogenloze minuten, minuten waarin grindcore, death metal en hardcore in al zijn vormen tot een ongehoorde brutaliteit worden samengebald. Kurt Ballou (Converge, Black Breath, High On Fire) blikte de boel in en zal ongetwijfeld ook een stevige bolwassing hebben gekregen. En dat komt zeker niet alleen maar door Todd Jones, die zijn stembanden martelt tot ze aan gort zijn geschreeuwd. De overige bandleden doen namelijk net hetzelfde. Alles moet kapot, moet naar de hel. ‘Abandon All Life’ is een uitstekend middel om alle opgekropte en opgelopen frustratie van een dag onder mensen af te reageren.

Op tournee gaan onder de noemer The Stooges brengt heel wat meer op dan de hort opgaan onder de naam Iggy Pop. Sinds het overlijden van Ron Asheton in 2009 is het zelfs, zoals het ooit ook was, opnieuw Iggy & The Stooges. James Williamson is terug en Mike Watt is ondertussen een vast onderdeel van de bezetting geworden. Drummer Scott Asheton is er uiteraard ook nog steeds, en saxofonist Steve MacKay, die er bij was op het legendarische album ‘Fun House’, mag ook weer hier en daar een toefje toevoegen. Met een bezetting als deze zou een mens toch iets mogen verwachten. Maar het loont nauwelijks de moeite, behalve voor de obligate fan van Iggy Pop. ‘The Wilderness’ uit 2007 was al niet bijzonder, en dat is met ‘Ready To Die’ absoluut niet anders. Eigenlijk zou Pop met The Stooges zich gewoon moeten houden aan de drie klassieke albums. Ook op het podium, want iedereen zit toch te wachten op ‘I Wanna Be Your Dog’ en dat soort oerpunkklassiekers. Pop heeft zelf voldoende schitterend materiaal gemaakt voor concerten onder eigen naam, zelfs met Williamson maakte hij een machtig goede plaat:’Kill City’. ‘Ready To Die’ bevat namelijk vooral nummers die in zijn oeuvre onder eigen naam passen, zoals trage liedjes als ‘Unfriendly World’ en afsluiter ‘The Departed’ bijvoorbeeld. Bij het meermaals beluisteren van de cd kunnen we alleen concluderen dat ‘Ready To Die’ op het niveau zit van bijvoorbeeld ‘Zombie Birdhouse’, ‘New Values’ of ‘Soldier’. Platen uit Pops solocarrière die na verloop van tijd toch goede nummers blijken te bevatten. Zo’n album is dit, en dus absoluut geen concurrent voor de drie klassieke Stooges-platen. Droppen die naam als het om nieuw werk gaat. Punt.

Wolken van geluid waarin het heerlijk dromen is zolang je er met je hoofd middenin zit. Marsen Jules en de gebroeders Alam ontwikkelen hun klanken tussen ambient en jazz in een rustig tempo. In een zo rustig tempo dat sommigen er bij in slaap zullen vallen. Anderen zullen het gehaaste tempo van deze maatschappij waarin elke seconde een boodschap digitaal verstuurd en verwerkt moet worden, aan de kant kunnen schuiven en kunnen genieten. De geïmproviseerde performances van het Duitse trio moeten eigenlijk live worden ervaren in combinatie met de visuals zoals Jules bij zijn solowerk ook een prominente rol geeft. Nu hun muzikale samenwerking voor het eerst op cd is gezet en alleen het geluid kan worden waargenomen, wordt de atmosfeer van soundscapes benadrukt zoals die al ook op de albums van Jules klinken. Desalniettemin is het een plaat die geroemd mag worden. Per nummer wordt met een beperkt instrumentarium gewerkt. Elk onderdeel dat bijdraagt aan het totaal is hoorbaar. Elke klank is puur en staat centraal naast een weinig andere klanken. Muzikale thema’s ontbreken of zijn zo uitgestrekt dat je haast niet merkt wanneer het thema zich weer herhaalt. Klankkleuren komen minutieus maar zeker niet altijd in harmonie samen. Het hele album overheerst het gevecht tussen spanning en ontspanning. De sfeer in ‘OEillet Parfait/OEillet Sauvage’ wisselt van ontspannen tot stekelig, maar is altijd contemplatief. Uitgestrekt en tegelijkertijd vol, voelt het als een ervaring tussen ‘Quattuor Pour Le Fin Du Temps’ van Messiaen en ‘Without Sinking’ van Hildur Gudnadottir. De zware aanzet op de piano in ‘Excalibur’ voelt als een trage versie van de ‘Gnossienes’ van Erik Sati. Ook elders is de sfeer broeierig en onderhuids. Donkere trage comtemplatieve ambient om goede ideeën bij te laten ontluiken.