GC #116

‘Ten tijde van de piramideshows voelden we dat we vijf jaar voor waren op de rest’, liet Thomas Bangalter, één tweede Daft Punk, onlangs optekenen in het magazine Mixmag. Vandaag zijn we ruim vijf jaar later en kunnen we niet anders dan Bangalter gelijk geven. Zo schurkt het debuut van het Britse duo Letherette bij momenten wel heel erg dicht aan tegen het geluid van de Franse robots anno 2007, luister maar naar ‘D&T’ of ‘Warstones’. Op ‘I Always Wanted You Back’ en ‘Cold Clam’ verkent Letherette de paden van de instrumentale hiphop, en zijn Madlib en wijlen J Dilla plots niet veraf. Met de frivole, vocale deephouse van ‘Restless’ vist dit tweetal dan weer in de vijver van Disclosure. Uiteraard haalt iedere artiest wel ergens zijn inspiratie, maar Letherette had toch iets meer moeite mogen doen om zich een eigen identiteit aan te meten. Wie het niet al te nauw neemt met originaliteit, vindt in dit debuut best een onderhoudend album. Wie een hekel heeft aan gratuit gejat, grijpt beter terug naar de originelen.

Krap een half jaar geleden was er de release van ‘Growing Seeds’, het tweede album van Lust For Youth. Ondertussen verscheen er ook nog een 12inch, ‘Chasing The Light’. Nu is er al een nieuw album, getiteld ‘Perfect View’. Deze hoge productie kan natuurlijk omdat Lust For Youth voornamelijk het project is van de Zweedse producer Hannes Norvide. Sinds een aantal jaar opereert hij vanuit Kopenhagen en voor deze groep krijgt hij ook de hulp van Loke Rahbek (Sexdrome , Vår …), oprichter van het zeer interessante Posh Isolation label. Wat op ‘Growing Seeds’ al merkbaar was, wordt hier helemaal doorgetrokken. Het debuut werd gekenmerkt door zware elektronische noise. Op de opvolgers trekt hij meer en meer de kaart van noise, syntpop, coldwave en post-industrial. Deze plaat is zelfs nog iets dansbaarder dan de vorige. De plaat klinkt ook alsof ze uit de jaren 1980 komt, de ietwat doffe klank, de strakke beats, de kenmerkende synthgeluiden. Lust For Youth is Electronic Body Music voor een nieuwe generatie. Hoewel ze laten ook iets licht binnen zoals in het onderkoelde gloedvolle ‘Breaking The Silence’. Andere hoogtepunten zijn het lichtelijk trippy ‘Barcelona’ of het heerlijk uitgesponnen titelnummer. Een acht minuten durende trip die ons doet dansen aan de rand van de afgrond. We zijn er na al die crisisjaren nog net niet ingetuimeld. De creatieve bron van Norvide kent voorlopig ook nog geen crisis. Die draait op volle toeren, met telkens een meer dan degelijk resultaat.

Sonny Smith uit San Francisco is een veelzijdig schrijver. Behalve liedjes schrijft hij namelijk net zo goed kortverhalen en theaterstukken. We beperken ons hier uiteraard tot zijn liedjes en komen tot de vaststelling dat ‘Antenna To The Afterworld’ een compleet andere plaat is dan zijn voorganger ‘Longtime Companion’. Op die vorige poogde Smith de breuk met zijn vriendin, een relatie die ettelijke jaren stand hield, te verwerken. Hij deed dat door liedjes te maken die uitermate veel country in zich droegen. Daar is op ‘Antennna To The Afterworld’ nog maar heel weinig van terug te vinden. Sonny verkiest deze keer het psychpopgenre, wat goed aansluit bij het verhaal dat hij wil vertellen. Smith ziet zich op deze plaat namelijk als een buitenaards wezen dat de planeet aarde komt verkennen. De wrange humor waarmee hij onze planeet vanuit dat standpunt observeert, is niet alleen geslaagd maar past goed bij de elf nummers. Al is het uiteindelijk niet het SF-thema dat domineert, maar de verwerking van het overlijden van een goede vriend. Het is een weinig opbeurend gegeven dat Smith met zijn band in fragiel overkomende songs vat. In ‘Palmreader’ en ‘Girl On The Street’ klinken zowaar echo’s door van vroege New Order, zeker in bas en drums. Daarbovenop komt de ietwat nasale stem van Smith en de plaat knipoogt zowaar naar de jaren 1980. Toch is het niet allemaal nostalgie. ‘Antenna To The Afterworld’ toont gewoon nog een ander aspect van Sonny Smith, die met elke plaat wel een andere stijl hanteert. De lo-fi aanpak is wel gebleven, al is die wel gepolijster dan bijvoorbeeld Jonathan Richman, bij wiens werk een aantal liedjes (‘Natural Acts’) dicht aanleunen.

Als een verloren gewaande boezemvriend keert Mark van Hoen als Locust terug met een nieuwe plaat. Twaalf jaar mocht het duren na ‘Wrong’ (2001), al bracht de Brit als van Hoen recentelijk nog twee platen uit. Het kan verkeren, in de jaren 1990 lag de wereld aan zijn voeten toen hij daverend begon met Seefeel en als Locust in 1994 twee instant klassiekers afleverde: ‘Natural Composite’ en ‘Weathered Well’. Ook onder de eigen naam verschenen mooie releases waarop wegen van ambient, techno en donkere elektronica elkaar prachtig en indrukwekkend kruisten. Het leek slechts een kwestie van tijd voordat hij plaats mocht nemen in de galerij der groten. Maar voordat hij definitief kon worden opgetekend in de canon van de onvergetelijke elektronica, bleek rond het millennium de overstap naar een triphop georiënteerd geluid funest. Het leverde hem weliswaar een toer met Massive Attack op, maar daarna bleef het stil, lang stil. En zo goed als toen mocht het nooit meer worden. Dat gevoel blijft enigszins ook op ‘You’ll Be Save Forever’ overheersen: een samenwerking met Louis Sherman waar nieuw en oud materiaal cumuleert tot een geheel van elektro-akoestiek, popvocalen, triphop, ambient en warme elektronica. Van Hoens eigen deken van elektronische melancholie is er weer mooi overheen gelegd, maar de triphop waarmee ‘You’ll Be Save Forever’ is dicht geplamuurd, is net zoals op alle platen die van Hoen sinds 2000 uitbracht, eerder een beperking dan een verrijking te noemen. Dat maakt de terugkeer van Locust ietwat generiek en voorspelbaar, zonder écht te worden overrompeld door de schitterende elektronica die hij ongetwijfeld nog steeds in de vingers heeft, maar hier een te kleine rol krijgt toebedeeld. Moge deze recensie vooral een aanzet zijn om de eerdere discografie van Locust eens goed uit te pluizen, ondertussen hopen we op een spoedig beter weerzien met van Hoen.

Gek genoeg bestaat The Dope uit Rudi Maier en Franz Neugebauer uit Berlijn. De heren zijn namelijk netjes in Beieren opgegroeid en de dope uit de naam verwijst naar het beschermde natuurgebied Döpe in Mecklenburg, dus zo’n vaart loopt het allemaal niet met de drugsassociaties. De muziek die de gitarist en drummer brouwen, is vaak ook nog eens superclean, al wordt een stevige dot noise en gekte zeker niet uit de weg gegaan. Het duo schippert tussen aangename pop en hectische shoegaze die hier en daar van experiment en complexe ritmes aan elkaar hangt, maar toch altijd nog een duidelijke structuur bezit. De zang doet terugdenken aan het vrolijke begin van de psychedelische popcultuur uit midden jaren 1960, maar de door krachtige elektronische klanken bijgestane gitaar en drums zeker niet. Alles bij elkaar botst de muziek van The Dope aan alle kanten, maar klinkt hun zoektocht door de muziekgeschiedenis van de afgelopen vijftig jaar nergens geforceerd, ook al ligt het er in een track als ‘Strawberry Fields’ (ja die) wel erg dik bovenop. Gek en geniaal toppertje!

De vorig jaar overleden componist Simeon ten Holt was de man achter ‘Canto Ostinato’, een revolutionair muziekstuk uit eind de jaren 1970. Dat werk bestaat uit 106 loops die herhaald kunnen worden zoals de uitvoerende musici dat willen. De muzikanten stellen ook nog de accenten, frasering, dynamiek en hier en daar de volgorde vast, zodat iedere uitvoering een uniek karakter heeft. Door het karakter van de compositie en de herhalingen wordt het stuk ingedeeld bij minimal music. Harpiste Gwyneth Wentink en elektronicaman Wouter Snoei gingen voor ‘Canto Ostinato Audio Visual’ met elkaar aan de slag en maakten zo een fascinerende mix van repetitieve harpklanken en gelaagde elektronica. Het prachtige resultaat is een fijnzinnige, wat dromerige mix die consequent tot het einde volgehouden wordt. Live worden ze bijgestaan met visuals van Arnout Hulskamp, maar bij dit album is met de ogen dicht ook al genoeg te genieten.

Marcus Wormstorm doet in Europa nog geen belletje rinkelen – tenzij je goed naar de teksten van Die Antwoord hebt geluisterd – maar wordt in zijn thuisland Zuid-Afrika niet alleen als producer maar vooral ook als deejay enorm geliefd. Samen met zijn echtgenote heeft hij zich geschaard achter het project Biblo.tv, een verzameling van ‘library music that doesn’t suck’. Muzak in zijn dagdagelijkse arbeid, maar op het – reeds vorig jaar in Zuid-Afrika verschenen – ‘Not I, But A Friend’ gaat Wormstorm met een fikse lading ambient, klassiek en elektronica aan de haal. Het resultaat is een collectie tijdloze met jazz doorspekte soundscapes. Soms verdwijnt al eens een track in het ijle, als variante op het voorgaande thema. Dan weer beklijft Wormstorm. Met ‘Lilian’ bijvoorbeeld. Een aardig stukje op klarinetten gebaseerd drama dat angstig de plaat opent met een fluisterende vrouwenstem. Het klinkt als de introductie van het klassiek orkest dat Wormstorm in zijn plaat heeft verstopt. Een paukenslag, houten blazers die plots inzetten, een op hol geslagen piano. Ook ‘Cine’ wordt gewenteld in het warme houten geluid, een onbegrijpbare mannenstem en een tierlantijntje dat de boel samenhoudt. Ook al drijft de plaat op hetzelfde idee, de momenten dat Wormstorm naar de duisternis op ‘Strangely, Slowly’ grijpt, of modern klassiek imponeert met ‘Red Queen’, laat hij zijn waar talent zien. Spijtig dat hij er zo zuinig mee omspringt. Het maakt ‘Not I, But A Friend’ tot net dat leuke plaatje om af en toe eens te beluisteren in plaats van er echt in te verdwalen.

Cocktails en Korgsynthesizers, we hadden het slechter kunnen treffen. David Tonkin (Isomer), pianist Cameron T. Brew, en Ben Taylor (Shifting Shelves) openen een loungebar waar enkel foute uniformen en totale naaktheid toegestaan zijn. Uiteraard is roken niet verboden in deze vreugdedivisie, en als we onze ogen tot spleetjes knijpen, zien we scènes uit ‘the Night Porter’. Een zekere David Lynch zal eveneens de oren spitsen. Het doorrookte roodfluwelen kamertje combineert lounge en jaren 1950 kitsch met het instrumentarium en vocabularium uit het martial/neofolk genre. Vrienden van het huis zijn bijvoorbeeld John Murphy (Knifeladder maar beter bekend als live percussionist van Death In June), die in ‘And She Hit Me’ over huishoudelijk geweld zucht. Er is nog meer liefdespijn, niet iedereen brengt het er levend vanaf, en zelfs Cupido is niet veilig. ‘Bonjour Tristesse’! De sfeer die deze cd oproept, doet sterk denken aan de albums van Boyd Rice And Friends, en nu het duiveltje uit het doosje is, kunnen we meteen ook onthullen dat de Boydscout eigenhandig voor het hoogtepunt zorgt door in een gastbijdrage over een Coco Loco te filosoferen: ‘Drink one too many, and you could end up in jail, married or dead.’ Eigenlijk is dat drie keer hetzelfde, maar we zullen deze oneliner eeuwig koesteren.

Carpet is een band uit Augsburg die op zoek is gegaan naar een combinatie van stoner en jazz en daar nog behoorlijk in is geslaagd ook. Bands op Denovali hebben altijd wel een aparte insteek, al is de sfeer van de meeste platen die worden uitgebracht aan de donkere kant. Die stoner is eigenlijk voornamelijk een omschrijving die in de promoblaadjes terug komt, want zelf horen we daar weinig van terug. Het is eerder melancholisch aandoende rock die wordt vermengd met speelse jazz, waarboven een ingetogen stem wat doet denken aan poppy bandjes uit de jaren 1980 die experimenteerden met jazz. Denk aan Carmel, Latin Quarter en nog zo wel een paar waarvan de naam ons nu even ontsnapt. Carpet begon als het soloproject van Stephan Maximillian, maar hij heeft intussen wat bevriende zielen overgehaald om tot zijn band toe te treden, waardoor Carpet voor deze plaat een kwartet is. Naast het doordeweekse instrumentarium van elke band, horen we ook vibrafoon, klarinet, saxofoon, mellotron, xylofoon, klarinet, Moog, klokkenspel, piano, orgel en accordeon. Die veelheid aan instrumenten helpt mee om de liedjes in te kleuren en de jazz de overhand te doen nemen op de licht psychedelische insteek. Heel soms dreigt Carpet af te glijden naar zweverige en tenenkrullende progrock, maar de muzikanten weten dit net voldoende te doseren om niet in de openstaande kuil te vallen. ‘Elysian Pleasures’ is een zeer geschikte schijf om als achtergrondmuziek op te zetten in een praatcafé. Niet te opdringerig zodat iedereen naar wellust kan tateren en meer dan goed genoeg om naar te luisteren als de gesprekspartner maar blijft zeuren en de aandacht afleiding nodig heeft. In een aantal nummers, in ‘For The Love Of Bokem’ bijvoorbeeld, komen flarden orkestrale Frank Zappa bovendrijven, die de diversiteit nog verhogen.

Een zandstorm schijnt je als een ramp in slow-motion te overvallen, zoals die je langzaam in het duister hult. Zo merkte Lucrecia Dalt bij haar verblijf in Barcelona hoe de crisis alles in haar omgeving langzaam veranderde. Langzaam en toch plotseling, want opeens is alles anders. Je kunt niet meer op dezelfde manier naar je omgeving kijken en dat merkte ze aan iedereen. Het geeft de sfeer van Dalts tweede Europese album ‘Commotus’ af en toe iets onheilspellends.
De stuwende basgitaar suggereert een niet al te zware tred, maar wordt gecombineerd met een bewust en mogelijk ietwat bezwaard gemoed. Af en toe wordt de basstroom onderbroken, valt een nummer zoals ‘Esplendor’ opeens in stukken, maar het volgende moment pakt Dalt de draad van het nummer weer met enig optimisme op. Hoewel haar muziek bij vlagen zo toegankelijk klinkt als pop, toch past het zich niet aan aan conventies en behoudt daarmee het vermogen te verrassen. Lucrecia Dalts imaginaire landschappen vol loops, elektronische geluiden en af en toe een dromerige stem wekken het vertrouwen, dat er nog veel interessants van haar te verwachten is.

De tijd dat Ghostface Killah met ‘Supreme Clientele’ zijn laatste essentiële album afleverde, ligt inmiddels dertien jaar achter ons. Sindsdien bracht het innemende Wu-Tang Clan-lid met de regelmaat van de klok platen uit waarop hij gevaarlijk dicht tegen gladde r&b aanschurkte, of die gewoon ondermaats waren. Op ‘Twelve Reasons To Die’ heeft de gemaskerde rapper de grote vorm weer te pakken. De plaat brengt het verhaal van Ghostface Killah die tot leven komt om de maffiafamilie DeLuca te wreken nadat die zijn alter ego Tony Starks om het leven bracht. Vooral op de tweede helft van dit album, als Ghostface het overneemt van de DeLuca’s, horen we opnieuw de hongerige, doortrapte rapper die we zo lang moesten missen. Een pluim op de hoed van de relatief jonge – vierendertig lentes – producer Adrian Younge die Ghostface Killah hier ter zijde staat en de Italiaanse maffiasfeer van de jaren 1960 weet op te roepen met een liveband, inclusief blazers en strijkers. Wu Tang-broeder RZA had eveneens een hand in de productie. Net zoals de muziek die hij schreef voor de soundtrack van ‘Kill Bill’, laat hij de invloed van grootmeester Ennio Morricone uitlekken op onder meer ‘The Center Of Attraction’, ‘Enemies All Around Me’ en ‘The Rise Of The Ghostface Killah’. Enig minpuntje: als je clan raspaardjes als GZA, Raekwon en Method Man telt, waarom laat je dan starre knollen als U-God en Killa Sin opdraven? We zullen maar geloven dat die eerste druk in de weer zijn met het nieuwe Wu-Tang Clan album dat er dit jaar nog zou komen.

Helaas. Lumerians uit Oakland is een van die vele en tegenwoordig welig tierende bands die meesurfen op de kosmische golf die ooit gestart werd door Hawkwind en Spacemen 3 en vervolgens het Heelal werd ingestuurd door Wooden Shjips en Moon Duo, maar zelf nauwelijks een rimpel in het oppervlak weet te maken. Denk dus aan ritmische spacerock opgesmukt met een tikkeltje krautrock en Afrobeat, maar dan zonder de intensiteit en het vermogen de luisteraar écht mee te voeren naar een andere plaats zoals de hierboven opgesomde trendsetters. Dat ze naast Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse psychedelica uit de jaren 1960 en 1970 onverbloemd Can, Neu! en oude Sonic Youth als directe invloeden citeren, zet jammer genoeg geen zoden aan de dijk. Dat is helaas praat voor de vaak. Meer dan een stek in de subtop van het genre lijkt er voor dit viertal niet te zijn weggelegd. Niet dat ze met ‘The High Frontier’ een draak van een album hebben gemaakt. Helemaal niet en met ‘The Bloom’ of ‘Smokies Tangle’ redden ze de spreekwoordelijke meubels nog enigszins, maar we worden hier eerlijk gezegd koud noch warm van, een gevoel van vrijblijvendheid dat ook hun recente liveshows niet konden wegnemen. Driewerf helaas dus.

Even viel de link met het Nederlandse Parne Gadje, maar Gadje Scum uit Gent is toch net weer iets anders dan de weirde zigeunerband onder aanvoering van bandoneonspeler Marc Constandse. Bij de Vlaamse band komen ook wat balkanbeats voorbij, maar dub en drum ’n bass zijn toch echt de voornaamste ingrediënten. De helft van het zestal muzikanten is blazer, aan de andere kant is de elektronica ruim vertegenwoordigd en zorgen een gitaar en rap nog voor wat extra afwisseling. De vier tracks lijken grotendeels uit jams te zijn ontstaan en missen daardoor een sterke en dwingende opbouw, maar de puntig spelende blazerssectie stuurt kundig en zeker alles bij, zodat een vaste koers wordt gevaren en het geheel nergens richtingloos klinkt. Uiteraard zijn de drums ingeblikt, maar zo klinken ze ook nog eens en dat is toch wel jammer te noemen. De rap weet de juiste snaar te raken met accenten en articuleren en dat zorgt weer voor leven in de brouwerij. Een sterke start!

Animal Kingdom komt uit Londen maar krijgt er geen voet aan de grond. De Britten vonden hun debuut ‘Signs And Wonders’ nochtans best te pruimen, maar ze vonden er voor de opvolger geen label. In de Verenigde Staten loopt het voor dit indiegezelschap een stuk vlotter. Ergens is dat wel een beetje vreemd, want de alternatieve popliedjes die Richard Sauberlich (zang, gitaar en piano), Hamish Crombie (bas) en Geoff Lea (drums) maakten, zijn toch wel typische Britse muziek. Voor ‘The Looking Away’ koos de band ervoor om een elektronische toets toe te voegen en dat is een zeer positieve verbetering. Het brengt hen verder weg van de Britse indiepop en de liedjes gaan meer richting etherisch klinkende pop die de weg naar perfectie zoekt. De stem van Richard klinkt eigenlijk heel erg vrouwelijk. Bij de meeste liedjes dachten we eerder aan een lieflijke sirene dan aan een jongeman die zingt. De dromerige sfeer zit al van bij opener ‘The Wave’ meteen goed. Het liedje klinkt bovendien behoorlijk aanstekelijk en al zijn we geen grote liefhebbers van de modale pop, het blijft in ons hoofd rondspoken. ‘Glass House’ is er nog zo eentje. Elf droompopliedjes verzameld op één album, dat eigenlijk een jaar geleden al in de Verenigde Staten verscheen maar nu toch een kans krijgt op het vasteland. En dat is maar goed ook. De vele liefhebbers van Snow Patrol, Sigur Rós, Maximo Park en Mercury Rev moeten deze plaat tot zich nemen. De afwisseling van up- en downtempo liedjes zit goed, er staan een paar leuke meezingers en net zo goed ballades op. Het plaatje klopt, de Britten hadden het mis en krijgen nu een herkansing.

Eind 2006 dreef James Holden met ‘The Idiots Are Winning’ een wig tussen voor- en tegenstanders. Op dat debuut ging de Border Community-baas immers erg expressief te werk: bijzonder plastisch schetste hij wilde en onbeheerste impressies. Een minutenlange stilte werd gekoppeld aan beenharde techno en paranoïde bleeps. Zeven jaar later meet de Brit zich nog steeds diezelfde punkatittude aan, maar hij weet zich veel genuanceerder uit te drukken. Zo kent ‘The Inheritors’ een rijkere textuur dan het debuut. Meer dan vijfenzeventig minuten lang begeestert Holden met analoge synthesizers, gitaren, blazers (het jazzy ‘The Caterpillar’s Intervention’) en opvallend weinig beats. Holden heeft begrepen dat de regeerperiode van de pure minimale techno voorbij is, met de dansvloer heeft ‘The Inheritors’ dan ook nog maar weinig affectie. Geïsoleerde panden en verduisterde plekken vormen de nieuwe biotoop. ‘Delabole’ creëert nog wel de illusie van vreugde, maar is in realiteit een beklemmende angstdroom. Iets vrolijker zijn de copieuze, smeuïge synths van ‘Blackpool Late Eighties’ die sinds Ford & Lopatin en Symmetry weer helemaal in zijn. Wie nu opnieuw luistert naar ‘The Idiots Are Winning’, hoort dat de beperkingen van toen zijn weggewerkt. Was dat debuut een voorhamer die je gewelddadig neerhaalde, maar die je evenzeer kon ontwijken, dan is ‘The Inheritors’ een sluipend virus dat eenieder onderhuids bekruipt. Willen of niet, ondergaan zal je.

Terug naar de indierock van de jaren 1980 en 1990 meldt Coliseum ons op hun vierde album. De tijd toen Dischord nog een en ander in de pap had te brokken, en bands als Jawbox en Fugazi niet alleen goede platen maakten, maar ook de wereld rondtoerden en nog succes kenden ook. Net als bijvoorbeeld Girls Against Boys (luister ‘Love Under Will’), een band die ook weerklinkt in de sound van Coliseum. Het trio, bestaande uit gitarist/zanger Ryan Patterson, bassist Kayhan Vaziri en drummer Carter Wilson, komt uit Louisville, Kentucky, verbergt echter een heel negatief wereldbeeld onder de aanstekelijke indierocksongs. Patterson stelt leven en dood in vraag, het nut van zinloze gesprekken of net zo zinloze religie die beiden nergens toe leiden en gewoon overbodig zijn. Hij doet het met een soms zwoele stem, een beetje als die van Scott McCloud (Girls Against Boys, Soulside), die bij momenten behoorlijk misleidend overkomt. Uiteraard is het niet allemaal kommer en kwel, en kan er met afsluiter en prijsnummer ‘Fuzzbang’ zelfs een kwinkslag af. Toch gaat het nummer ook over het einde der tijden, maar misschien gloort ergens toch een beetje hoop. Het zijn echter niet de teksten, maar de wijze van zingen en bovenal een hele resem uitermate geslaagde gitaarriffs die dit album boven de middelmaat doen uitstijgen. Ze zitten mooi verpakt in pakkende rocksongs en zijn tegelijk de instigator van diezelfde songs. ‘Sister Faith’ is ongetwijfeld de beste van Coliseum tot nu toe, eentje die mooie herinneringen oproept aan meerdere concerten van Girls Against Boys. Zo goed is deze plaat.

Patrick Cremer heeft zowaar de rust in het geluid gevonden, want ‘Blingsanity’ is stukke vriendelijker dan de herrie die de Duister in het verleden maakte. Hij produceerde in de jaren 1990 gabber als E-De-Cologne en werd beter bekend in digital hardcore-kringen als onderdeel van EC8OR. Op Alec Empire’s DHR-label volgden talloze platen van zijn hand vol met ontplofte amenbreaks, punk-samples en gabberbeats. De liefhebbers van toen moeten ongetwijfeld nog steeds gniffelen om de hoes van ‘Hitler 2000’: de plaat die in de platenzaak waar ik destijds werkte de etalage om diverse redenen niet mocht halen. Zijn uitstap naar overstuurde Atari-8bit-elektro leverde het geliefde cultalbum ‘Horrible Plans of Flex Busterman’ op, nog altijd een must voor een ieder die de chiptunes van nu net even te lullig in de oren vindt klinken. Na de ineenstorting van de digital hardcore verdween Catani van het toneel en keert en na jaren ogenschijnlijke stilte terug met ‘Blingsanity’. Bling? Inderdaad, Catani speelt met het hiphop-genre en levert een instrumentaal album af met zware en lichtvoetige breaks die met wisselend resultaat zijn uitgewerkt. Oude school hiphop, acid, distorted dub, Timbaland-achtige breaks en B-film samples rollen voorbij. Op grond van zijn eerdere werk zou je een loodzwaar geluid verwachten, maar de Duitster laat vooral veel melodie, speelse ritmes en toegankelijke breaks horen. De plaat komt daardoor opvallend vaak in de buurt van de ritmes die in de hiphop-popcultuur eindeloos worden hergebruikt, totdat Catani sporadisch over de scheef gaat met absurd aangezette akkoorden. Parodie of niet, ‘Blingsanity’ is net niet gek genoeg om als treffende persiflage uit de verf te komen. En Catani’s instrumentale hiphop is her en der meer dan geslaagd, maar kent helaas evenveel oppervlakkigheden om echt te kunnen plezieren.

Bij Dead Mind Records verschenen onlangs drie ep’s vol met noise. Weinig informatie, geen toelichtingen, hier en daar een artiestennaam, verder alleen zes kanten noise. De eerste kant die ik op de platenspeler leg, is ‘Deformation Receiver’ van Astro, oftewel Hiroshi Hasegawa uit Japan. Er komt een constante bak ruis met hoge voorbij schietende glissandi op mij af. Op de b-kant, ‘Hurricane Crash’ is de bak ruis nog harder. Daaroverheen klinken ondefinieerbare tonen in de hoogte, alsof een orkaan in een paar minuten een metalen constructie omver trekt. Na twee kanten sonisch geweld dringt de vraag zich toch weer op: waarom zou iemand hier naar luisteren? Omdat het je uit je comfortabele luisterhouding trekt en je daadwerkelijk laat luisteren. Wat ik hoor, is elke luisterbeurt weer anders. Door de ongestructureerdheid ga ik op zoek naar herkenbaarheid en hoor ritmes en klanken die misschien verscholen zitten in de muziek. Of misschien bedenk ik ze er zelf bij. Repeterende blokken noise verworden tot ritmes en in massa’s frequenties ontstaan melodische patronen. De nieuwe structuren en vormen die zich telkens aandienen houden het luisteren spannend.
Nu de tornado van Astro langs mijn oren is getrokken en is gaan liggen, is het de beurt aan Kazumoto Endo & Kazuma Kubota met ‘Gyoen Bedieningshendel’. Ze maken gebruik van veel onderbrekingen van hun sonische aanval. Hoewel dat ruimte lijkt te bieden om de oren tot rust te laten komen, vergt het juist meer aandacht. Het geluid wordt schokkerig en geeft geen enkele mogelijkheid om vat te krijgen op wat ik hoor. Daardoor ontstaan er geen fictieve ritmes of tonen, alleen maar korte uitbarstingen van noise. Endo & Kubota overbelasten mijn oren, ze nemen mijn zenuwen volledig in beslag en zoeken de grenzen op van wat nog aangenaam is om naar te luisteren. Waar ik bij de meeste noise door een overstromende geluidsmassa mijn eigen structuren ga horen wordt elk stukje houvast mij hier ontnomen. K2’s ‘Variation: Pianoise’ herbergt niks van de piano in zich, waaraan hij zijn bronmateriaal ontleent. Heel af en toe lijkt er een fragment van het originele instrument door te klinken, maar een tel later verdwijnt het onder een bak bewerkingen in een mist van geluid. ‘Piano For Sadists’ onderwerpt mij aan een gehoorbehandeling. K2 spuit mijn oren leeg en na zes kanten agressie blijf ik stomverbaasd achter met het constante getik van de uitloopgroef.
Voor wie de plaatjes de kans geeft, staat een waanzinnige kanalisering van noise te wachten. Muziek die niet appelleert aan het bekende, maar je in wervelwind van klank stort. Zeker deze drie korte ep’s geven een gevarieerd geluid van wat noise te bieden heeft en hoe muziek je omver kan blazen.

Het is me wat vandaag de dag. We worden zowaar bekogeld met artiesten en platen die in de psychrockhoek horen of zouden horen. Zo is het ook gesteld met het uit Detroit afkomstige Human Eye. Debuteren doet het kwartet al lang niet meer. Het is reeds het vierde album van het collectief dat wordt aangevoerd door Timmy Vulgar. Psychedelica is de bandleider Vulgar absoluut niet vreemd. Hij runt net zo goed Timmy’s Organism, waarmee de bluesy kant van het genre wordt verkend en hij maakte deel uit van het eerder punkrock gerichte combo Clone Defects. Hij, en zijn maten, zijn aldus niet nieuw in het genre. Human Eye is eerder een bende goed gedrogeerde acidrockhabitués die heel goed weten hoe ze de jaren 1960 en de jaren 1970 kunnen misbruiken om er brokken groovy en noisy psychrock mee in elkaar te draaien, die in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw lekker fris klinkt. De boel klinkt geregeld zwaar overstuur, maar daar hebben we persoonlijk geen bezwaar tegen. Hoe verder we luisteren, en zeker naar het einde van de plaat toe, hoe duidelijker de punkrockinvloeden worden en de boel lekker alle meters in het rood jaagt en het instrumentarium aan gort wordt gespeeld, de orgeltjes en stemmen incluis. Geslaagd is ook hoe ze een basgeluid, herinnerend aan dat van Black Sabbaths Geezer Butler, weten te incorporeren in hun totaalgeluid zonder dat het als een tang op een varken slaat. Human Eye heeft nog steeds een fascinatie voor sciencefiction maar weet het op deze plaat beter te doseren, een beetje als de nummers zelf die al eens een rustig moment kennen en niet de hele tijd de kaart van woeste punkrock trekken. ‘4: Into Unknown’ is aldus de evenwichtigste plaat die het talentrijke collectief tot nu toe maakte.