GC #116

Sodeknetter wat dekt deze naam de lading perfect! The Black High, nou inderdaad eerst word je van je sokken geblazen, dan het zwarte gat in gemieterd en dan slaat het heftig in je bol. Een Belgische uitvinding, uit Antwerpen zelfs, verrezen uit de as van zoiets als Greasemonkey en The Mooze Men – jaja de mannen hebben duidelijk geen moeilijkheden om hun activiteiten van treffende labeltjes te voorzien… De stonermetal van het viertal bonkt en beukt, zuigt en zwiert en is spaarzaam met de klappen en akkoordenschema’s, alles tot meerdere eer en glorie van de verzengende riff, de fatale klap, de botste bang en het grootse gebaar. In slechts een paar nummers tijd zet The Black High zich op de kaart, zonder veel poespas maar met een stevige dosis psychedelica, een zwelgend, groezelig geluid en maniakale passie. Heerlijk, even zo doorgaan aub!

Midnight Faces is een nieuw bandje, een duo, waarvan beide leden al een behoorlijk indrukwekkende carrrière achter de rug hebben. In het indie annex folkwereldje dan toch. Mathhew Warn maakt al van in zijn kindertijd muziek. Eerst met jeugdvriend Jonny Pierce, met wie hij als The Drums zelfs een album voor Columbia maakte. Op zijn twintigste begon hij met Josh Tillman (Fleet Foxes, Father John Misty) het instrumentale postrockcombo Saxon Shore. Twee albums, geproduceerd door Dave Fridmann (MGMT, Flaming Lips) en drie ep’s volgden. Philip Stancil, het andere lid van Midnight Faces, maakt ook al muziek sinds zijn kindertijd, maar speelde alleen maar in kleine onbetekenende bandjes, tot nu toe dan toch. Deze ep laat namelijk horen dat de combinatie van deze twee mannen leidt tot indiepopliedjes die aangenaam in de oren klinken. Folk is het niet, wel poppy indierock waar vooral de stemmen hemels klinken. Op deze ep staan vier nummers plus een eerder overbodige remix van ‘Feel This Way’, die een voorsmaakje geven van het album ‘Fornication’ dat deze zomer in de schappen zal liggen. Met producer Jason Martin (The Drums, Cold War Kids) zal het album ongetwijfeld zomers, quasi perfect en aanstekelijk gaan klinken. We voelen ons bijna jong genoeg om weer eens een festivalletje te doen, waar dit soort bandjes op hun best zijn. We zien er maar van af en draaien het schijfje nog een keer.

Lang niks van Wixel gehoord. Maar nu is Wim Maesschalck – uit Zaventem City – helemaal terug met een cassette op Jorkskred, het label van de Amsterdamse grafisch designer / kunstenaar Louis Reith. Maesschalck kreeg van zijn vrouw een Revox B77 bandopnemer cadeau en ging er meteen mee aan de slag. Vervolgens vloog de bandopnemer in de fik. Al wat overbleef waren de tapes, waarvan Maesschalk deze ‘Revox Tapes’ brouwde. Het resultaat – een tape op 77 exemplaren (u hebt ‘m?) – bevat negen instrumentale composities, vol mooie gesatureerde klanken, voorzichtig aangezette akoestische gitaren, licht-industriële geluiden, en (veel) ruis. Hier en daar een verdwaald omgevingsgeluid ook – als Maesschalck die roepende kinderen al niet met opzet opgenomen heeft, kunnen we ons niet anders dan voorstellen dat hij handenwrijvend tot de vaststelling is gekomen dat ze op zijn opnames waren beland.
Hoogtepunten? Door ‘Five Chord Waltz’ en ‘Chord Shimmer’ klinkt de melancholie van Mount Eerie… Het zal wel aan dat orgel en die mineur-toonaard liggen. Op ‘Gtrs + Sticks’ is de bandrecorder het opvallendst aanwezig, niet alleen door ruis, maar ook door het soms half wegvallen en verspringen van geluid: analoge glitch. En afsluiter ‘Melancholische Waltz’ doet dusdanig zijn naam eer aan, dat we bij een eerste beluistering gezworen zouden hebben dat het pianowerk gesampled was van Tom Waits‘ ‘Franks Wild Years’.
Lof is ook op zijn plaats voor de vormgeving van Louis Reith: zelfs het briefje met de downloadcoade is een mooi ding – elke code werd handmatig met een een ouderwetse typemachine op een schoon gedrukte inlay getikt. Het slechte nieuws: al voor het ter perse gaan van deze Gonzo (circus) was de tape uitverkocht en het lijkt er niet op dat er een herdruk komt. Het goeie nieuws: op wixel.bandcamp.com/music kunt u voor een schamele vijf euro alsnog een digitaal exemplaar op de kop tikken.
Een comeback op 77 exemplaren, heet dat eigenlijk ook een comeback?

‘Clubbing is Loneliness’, het zou de ondertitel kunnen zijn van ‘Nocturnes’, het tweede album van de Britse zangeres Little Boots. Op de opvolger van haar debuut ‘Hands’ uit 2009 duikt Victoria Hesketh aan de hand van Tim Goldsworthy (UNKLE, Mo’ Wax en DFA Records) met haar aanstekelijke disco-elektropop in de eenzaamheid van de nacht. Een aanstekelijke dansplaat die volledig is opgebouwd met uit geluiden die zo uit de dance-clubs van de jaren 1990 lijken te zijn geplukt. Hiermee lijkt Little Boots een plaats te zoeken tussen de meer poppie kant van Róisin Murphy en Kylie Minogue, verleidelijke elektropop bedoeld om op te  dansen, soms met een lichte hang naar jazzy funk. Een stuk kaler dan haar debuut, maar vooral ook een veel coherenter geheel, met een duidelijke desolate zaterdagavond-alleen-dansen-en-gezien-worden-sfeer die over de hele plaat hangt. Niet alleen in het geluid, maar ook in de thematiek blijft Hesketh dicht bij de nacht, haar romantiek, haar liefdes en haar afzondering. Openend met de hang naar escapisme in ‘Motorway’ trekt zij van daar langs dansvloer romantiek in ‘Beat Beat’ en vastlopende romantiek in ‘Strangers’ tot simpelweg wegzakken in de dans zelf in de gejaagde dansvloer kraker ‘Crescendo’ waar zij de opbouw van de dance zelf lijkt te bezingen. Strooiend met pakkende pophooks lijkt zij zich (en haar co-writers met haar) klaar te maken om de na vier jaar van relatieve stilte in ieder geval de Britse hitparades weer te bestormen. Maar vooral om deze zomer op menig dansvloer te weerklinken met beats waar in het enkel jezelf verliezen is. Even in innige omhelzing met de beat, de dans en een warme vlaag van eenzaamheid. 

Een techno-veteraan en -onderzoeker slaan de handen in elkaar. De Nederlander Speedy J gaat een alliantie aan met de Italiaan Lucy. Het levenskind wordt gedropt op Stroboscopic Artefacts en daarmee kruipt het label nog dieper de abstracte donkerte in. Het duo, dat zich even Zeitgeber laat noemen, zoekt naar nieuwe technoritmes en speelt intussen met je hoofd. ‘Body Out/Body In’, treffender kan je het niet verwoorden. De 12inch is dan ook de perfecte introductie tot de plaat. Dansvloertechno op ‘Body Out’ met een ritme dat net naast de maat klopt, terwijl in de achtergrond disharmonische galm krioelt. De absolute tegenpool siert de B-kant. Geen ritmes op ‘Body In’ maar een langzaam opgebouwd geruis, doorspekt van white noise en uitmondend in een ongrijpbaar stukje ambient. Het is de startknop voor de bijhorende plaat ‘Zeitgeber’. Openingstrack ‘Closely Related’ zuigt en stuwt. Het is de hartslag van Zeitgeber. Maar ook het begin van een fascinerende abstracte elektronica-trip dat met het knetterende ‘These Rythms’ de zoektocht van het duo aangeeft. Er wordt gezocht en gegraaid. Texturen worden laag na laag opgebouwd en afgebroken. Een constante, de rest dwaalt en raakt zoals ‘Skin’ snijdt en ‘None Of Their Defects’ met je aan het dansen gaat in een weerbarstige groove. ‘Now Imagine’ speelt met je perceptie. Een razend ritme, plotse felle geluiden als opstijgende vliegtuigen en een ambient tripje terwijl het ritme hardnekkig vasthoudt. Pure verwarring, die af en toe grondig verstrooid wordt. Alle registers los, moet het duo gedacht hebben. Het knoeit met je hoofd en je benen. En dat doet ook het langzaam insluipende ‘Before They Wake’. De roes van ‘Zeitgeber’ wanneer alle chaos verdreven is. Simpele eenvoud die tijdsgenoten Miles en Metasplice ook waarderen. Een laatste prikkel wordt uitgedeeld op het wonderlijke ‘Display 24’. Eindigen in schoonheid heet het soms ook. Het moment waarop Lucy en Speedy J elkaar glunderend aanstaren en Zeitgeber, het liefdeskind, de perfectie uitdaagt.

Het trio Marvin uit het Franse Montpellier heeft uiteindelijk toch nog een opvolger gemaakt voor ‘Hangover The Top’. Greg, Fred en Emilie houden van toeren en vanop een podium hun verschroeiende sets over het aanwezige publiek te storten. Maar ze waren het beu om altijd maar opnieuw diezelfde songs te moeten spelen. Niet dat ze die niet graag spelen of dat ze die liedjes plots minder goed zouden vinden. Ze waren ze gewoon een beetje beu en besloten om toch een nieuwe plaat vol nieuwe songs te maken. Kunnen ze weer helemaal uit hun dak gaan tijdens hun liveshows. Daar hoeft op basis van de negen nieuwe songs niet aan te worden getwijfeld. ‘Tempo Fighting’ begint nog behoorlijk rustig en er duikt zelfs een stem op, al zit die ver in de achtergrond gemixt. Het is een song om het feest op gang te trekken, dat vanaf ‘Automan’ helemaal losbarst. Op een paar opzwepende kreten na gaat Marvin helemaal de weg op van vroege Trans Am en daar is niets mis mee. Electro en opzwepende rock met hier en daar een lichte toets noiserock zijn voldoende ingrediënten voor behoorlijk dansbare electrorock. In ‘Un Chien En Hiver’ klinken ze als een bende galopperende veulens die met hun energie geen blijf weten, incluis als paardenhoeven huppelende drumbeats. De energie straalt van de plaat af, en die lijkt ook op het einde van de rit niet opgebruikt. Feestvarkens die de combinatie van rock en electro en een band als Holy Fuck weten te smaken, zijn het doelpubliek van ‘Barry’. Of pik het quadrofonische project ‘La Colonie Des Vancances’ op, waarbij Marvin, Pneu, Papier Tigre en Electric Electric elk een hoek van de zaal innemen en tegelijk aan het musiceren slaan.

Hidden Masters is een collectief uit Glasgow dat een heel eigenzinnige versie van psychedelische popmuziek brengt. Recent werden ze uitgenodigd om mee te werken aan de plaat ‘Marble Downs’ van Trembling Bells. Dat is de band rond drummer Alex Nielson, die we kennen van zijn indrukwekkende bijdrage aan Six Organs Of Admittance en Richard Youngs. Op die plaat is tevens Bonnie “Prince” Billy te gast, waarop zelfs één klassieker van Palace wordt gespeeld (‘Riding’). Een mooi opstapje ter promotie van het eigen debuut, dat is duidelijk. De drie van Hidden Masters zijn meesters in harmonieuze samenzang, die de band wel heel erg richting de jaren 1960 duwt. Voeg daar psychedelisch aandoende gitaarsolo’s aan toe, een orgeltje dat weggelopen lijkt bij Iron Butterfly, een rist effecten die vooral in acid folk worden gebruikt en de keuze om zich niet tot één stijl te beperken, en het debuut van Hidden Masters wordt een behoorlijk eclectische plaat. Pop, gospel, rock-‘n-roll, folk, prog, psychedelica, acid folk en soms zelfs wat garage vechten om voorrang bij een geluid dat de vloeistofdia’s aan onze netvliezen plakt. Meerdere keren denken we aan The Move en The Hollies, bands uit lang vervlogen tijden die hier met heel veel begeestering opnieuw tot leven worden gebracht. ‘There Are More Things’ is halfweg de plaat een tijdloos nummer dat als perfect voorbeeld kan dienen van tot wat deze Hidden Masters in staat zijn. De afwisseling en het doorgedreven enthousiasme druipen van de plaat, en in een song als ‘Like Candy’ kijken ze net zo goed naar de betere pop uit de jaren 1980.

Het nieuwe album Sister Planet van het Amsterdamse duo Bingo Trappers komt alleen uit op vinyl, en dan ook nog eens in een beperkte oplage van 150 stuks. Echt iets voor het stronteigenwijze clubje bestaande uit Waldemar Noe en Wim Elzinga, zo’n toch enigszins afwijkende geluidsdrager en gelimiteerde aantallen. Het zal ze hun reet roesten, in de States weten de liefhebbers het sinds 1995 bestaande tweetal toch wel te vinden, daar zijn ze populairder dan in het thuisland en genieten echt een cultstatus. De mix van lo-fi pop, country en psychedelica kenmerkt zich door de lijzige, ietwat gruizige stem van Waldemar en zijn rechtstreeks uit de sixties overgevlogen gitaargetokkel. Ga vooral geen gekke stunts uithalen om toch in het bezit te komen van de twaalf nummers op Sister Planet als je niet van lo-fi houdt, want verder is er niet veel te vinden. Zelfs de liedjes houden niet over, al komt er meer dan eens wel iets in het kalme soepie voorbij dat blijft hangen. Een stoned, laidback sfeertje overheerst, net alsof het allemaal geen flikker uitmaakt. Gelijk hebben ze, want hee wie is nou immers de baas op een plaat?

Een dikke tien jaar geleden was de frisse elektropop van het Gentse combo Vive La Fête het allerappetijtelijkste zoethoudertje van befaamde modeontwerpers als Karel Lagerfeld. Met ‘2013’ wil de band de gloriedagen van weleer herbeleven, maar helaas komen de (v)luchtige nummers een decennium later over als ietwat muffe, versuikerde troep. Het nieuwe album staat bol van de formulemuziek die al een snel gaat vervelen. Zo beginnen meer dan de helft van de intro’s als Fischerspoonerlight. Wie ligt daar nu nog wakker van? ‘Diva’, ‘La Vision’, … de nummers lijken hard op elkaar waardoor ze na enkele luisterbeurten onderling inwisselbaar worden. Met ‘Alexandrie Alexandra’, origineel van Claude François, telt ‘2013’ een cover die weinig bijdraagt aan het origineel, integendeel. ‘Mea Culpa’, voortgestuwd door de bas van Danny Mommens, vormt het enige hoogtepunt. Hier komt de band wel los van zijn geijkte formule, met een leuke gitaarmotief en dito pianobreak. ‘Je souhaite que je pourrais voler’, wat zoveel betekent als ‘ik wou dat ik kon vliegen’, zingt Els Pynoo aan het begin van dit album. Waarheen hebben we het gissen naar. Het zal alvast niet naar de hoogdagen van Vive La Fête zijn, want die liggen onbetwistbaar achter ons. ‘2013’ is slap herkauwde pap, terwijl bands als Chvrches en Chromatics laten horen dat je vandaag wel nog iets interessant kan doen met synthesizers in de popmuziek.

Virgil Moorefield is van vele experimentele markten thuis. Als componist en muzikant begeeft hij zich in vooral akoestische muziek, van onalledaagse rock tot avantgarde en moderne jazz. Als intermedia artist, zoals hij zichzelf aanduidt, werkt hij live met akoestische instrumenten waarvan de klanken direct elektronisch/digitaal worden bewerkt en teruggestuurd en geluiden tevens worden omgezet in beelden. Zijn nieuwste release, een verzorgd uitgegeven cd en dvd, geeft een smakelijk proefje van beide. De cd bevat drie composities uit verschillende perioden. Het titelstuk ‘No Business As Usual’ zit vol wendingen en combineert – veel meer dan confronteert – structuur en een bijna onophoudelijke percussieve drive – ook van de blazers in het sextet – met vrijheid en swing. Dat geldt ook voor ‘Detroit Per Se’, door Moorefield in 2012 gecomponeerd in opdracht van New Music Detroit. Geïnspireerd op de industriële ‘motor town’, begint dit stuk met een minimaal pianospel om zich te ontwikkelen naar een stuwend en energiek, tegelijk jazzy swingend en stevig rockend samenspel van de gehele groep. ‘Siamese Kits’ is een oudere opname van, inderdaad, twee gekoppelde drumstellen, waarop Moorefield en Ian Ding live improviseren met Ghanese ritmes, regimentsdrummen en priemgetallen als leidraden. Een kleine drumstrijd op afgebakend terrein. Dan bevat het pakketje nog de dvd ‘Five Ideas About the Relation of Sight and Sound’, waarop we de intermedia artist live aan het werk zien in Zürich. Vijf stukken laten verschillende uitwerkingen van die klank-beeldrelaties zien en horen. De ene keer worden de geluiden – bijvoorbeeld toetsen en het binnenwerk van een vleugel, of drie drumopstellingen – vertaald in abstracte beelden (en deels tegelijkertijd in lagen van nieuw elektronisch geluid). Een andere keer wordt de feedback van beeld en geluid onderzocht. De klank-beeldrelaties – op z’n Moorefields uitgaande van vooraf opgestelde regels – zijn niet heel verrassend, maar het resultaat is fraai om te zien en vooral om te beluisteren.

Zoals in deze Gonzo over de Ghanese muzikant King Ayisoba te lezen is, zullen ook wat aandacht geven aan zijn ‘Modern Ghanaians’ plaat die deze lente als vinyl heruitgebracht is op het Nederlandse Makkum Records van Arnold de Boer (Zea). De plaat is samengesteld met songs van twee oudere albums om zo een best-of aan te bieden als goede instapper voor de westerse luisteraar. De opener en titelsong ‘Modern Ghanaians’ is een stevige hybride van folk en moderne hiplife beats (Ghanese electro hiphop). Daarna belichamen de songs ‘Africa’ en ‘Don’t Joke To Your Father’ wél het echte folk geluid van King met zijn kenmerkende genepen stem, hevig strummende kologo luit en zelfs een muzikale koeienhoorn. Ook typisch in zijn geluid zijn de oprechte sociale thema’s die in elke song aan de kaak gesteld worden in verbeeldend pidgin Engels, zoals hij in de sterke folk song ‘My Friend, My Friend’ zingt over miskenning en gebroken vriendschappen. Op de B kant staat de swingende Ghanese nummer 1 hit ‘ I Want To See You My Father’. Hadden wij hier maar zulke toffe nummer 1 hits, vooral blijven dromen. Daarna volgen de thematische songs ‘Don’t Do The Bad Thing’ en ‘Look My Shoe’ die een moderne beat krijgen en sociale teksten die voor een lach zorgen. ‘The Whole World’ is één van de sterkste songs van de plaat met hypnotiserende riffen en mooi zang en stemmenwerk en de afsluiter ‘Yalma’ gaat op dezelfde stevige tred verder voor een geslaagde luisterbeurt van ruige akoestische folk als dansmuziek. Een Afrikaanse topplaat van moderne folk in de lijn van zijn Ghanese collega Bola op Awesome Tapes, al blijft King toch de onbetwiste koning van de kologo.

De groepsnaam Arch Woodmann doet vermoeden dat we hier met een solitair handelende singersongwriter te maken hebben. Niets is echter minder waar. Antoine Pasqualini (drums, percussie, gitaar, bas, zang, Fender Rhodes, synthesizer), Lucie Marsaud (synthesizer, zang), Benoît Guivarch (akoestische en elektrische gitaar) en Thomas Rozec (bas) vormen de kern. De Fransen worden voor hun derde album nog bijgestaan door Mathieu Hauquier (trompet, bugel), Romain Drogoul (synthesizer, klarinet) en ene Duk (trompet, kornet), die hier en daar voornamelijk een toets blazers mogen toevoegen. Er is echter maar weinig aan het geluid van deze band die aan Frankrijk doet denken. De muziek die het kwartet brengt lonkt naar indie uit de Verenigde Staten en Groot-Brittanië, al slaagt Arch Woodmann er in om zich te onderscheiden van welke grote voorbeelden dan ook. Eigenlijk is het net zo Franse Phoenix een beter opgaande referentie. We horen wel hier en daar de bewondering doorschemeren voor Pulp en de latere David Bowie (‘Let’s Dance’-periode), maar die invloed is nergens prominent aanwezig. Op de eerste helft van de plaat merken we dat Arch Woodmann een aardig nummer in elkaar kan steken, waarbij de blazers voor een meerwaarde zorgen. Toch gaat de plaat na een paar nummers vervelen, worden de nummers naar ons buikgevoel een beetje afgeraffeld en horen we telkens een beetje hetzelfde trucje. Onze aandacht vervliedt, we twijfelen of we er wel iets aan vinden, en zijn daar nog steeds niet echt aan uit.

De vier jaar na het verlaten van The Micronauts heeft George Issakidis gevuld met software te ontwikkelen voor audiovisuele live performances en exposities. De Parijzenaar komt dan na al die tijd met een album, waar ook nog eens iemand als Speedy J aan meedoet – als je het vinylexemplaar hebt tenminste. Zowat iedere track heeft als ondergrond een struikelend ritme dat doet denken aan de onbeholpen uitbarstingen van een compleet stonede rockdrummer, maar waarmee Issakidis waarschijnlijk wil aantonen dat-ie niet van de straat is. Die lauwloene riddems worden dan vervolgens opgepept met nog wat kleffe elektronicablurps uit het potje, en dat is het dan zo’n beetje. Als je huilend aan het einde van het album bent beland, gooit de Franse producer er nog een schepje bovenop en verzuipt het nummer ‘In Love’ (je zal het object van aandacht maar zijn) in zoveel pathetische bombast dat het nu echt lachwekkend wordt. Wat een gruwelijk, opgeblazen en achterhaald gedrocht dit Karezza, gauw doorspoelen. Spaar jezelf en je geloof in muziek.

Onlangs verscheen er op Unsounds een prachtplaat: ‘Live At Café Oto’ van Lean Left. Een knap staaltje beukwerk van The Ex guitars, drummer Paal Nilssen-Love en saxofonist Ken Vandermark. The Ex guitars zijn de gitaristen van, je raadt het al, The Ex: Andy Moor en Terrie Ex. ‘Gored Gored’ is een ingekrompen versie van dat kwartet, namelijk Nilssen-Love en Terrie. Ingekrompen wil gelukkig niet zeggen minder. Wel wil het zeggen hetzelfde. Of althans, er mist natuurlijk een saxofoon en een gitaar, maar aan kracht en rauwheid boet de plaat niet in. Nilssen-Love legt een strakke, krachtige basis neer waar Terrie overheen dendert. De cd is een opname van een liveoptreden en bestaat uit een lange voortdenderende set van een goede veertig minuten. Hier en daar hoor je in het optreden een kleine cesuur waar ruimte is voor applaus. Buiten die rustpunten is er weinig plek voor subtiliteit of ingetogen improvisaties. De rustige momenten waarop Nilssen-Love geen harde klappen uitdeelt, klinken nog steeds fel door de snerpende gitaar van Terrie. Daardoor zijn er bijna geen punten waarop de plaat kalmeert, de muziek blijft voortstuwen tot het einde. En dat einde valt plots uit de lucht.

Buffoon is de groep rond Peter Vleugels. De ‘normale’ line up van Buffoon bestaat, naast Vleugels, uit Niels Hendrix (Fence) en Dave Schroyen (Evil Superstars, Millionaire, Creature With The Atom Brain), Deze ‘Chromoscope’ is echter een bijna solo-onderneming, waarop Vleugels collage-gewijs aan de slag gaat met opnames die hij tussen 1990 en 2012 maakte: laptop-opnamen, viertrack-opnamen, Hi8-cassette-opnamen en dictafoonopnamen.
Het opzet doet denken aan Guided By Voices‘ ‘Suitcase’ – een plaat bestaand uit waardevolle restjes, die anders toch maar eeuwig op het schap zouden blijven liggen. In tegenstelling tot Robert Pollard gaat Vleugels wél nog aan de slag met zijn opgeviste flarden. Van de 28 verschillende titels die we op de hoes vinden, heeft Vleugels twee mooie collages gemaakt – elk nét een vinylkant lang. Ook de geluidsmanipulatie verraadt dat ‘Chromoscope’ zijn oorsprong heeft in de jaren 1990: er wordt lustig aan de pitch-knop gedraaid, soms in meerdere richtingen tegelijkertijd. In die jaren 1990 mocht een lofi-geluid immers nog uit een dictafoon komen, in plaats van uit een peperdure digitale lofi-plugin. En ‘Original field monkey recordings’ ging je ook nog gewoon zelf maken in Peru, in plaats van een abonnement op een digitale geluidenbank te nemen. We hopen van harte dat Vleugels zijn aapje ter plaatse is gaan opnemen.
Het resultaat is een, nu eens gepijnigde, dan weer grappige, tegelijkertijd schizofrene én monomane plaat.
We horen echo’s van het debielste (en dus het beste) van Ween, de collagepop van Solex en van het vaderlandse lofi-enigma Sue Daniels (naar verluidt een fictief personage, eind jaren 1990 gecreëerd door Rudy Trouvé, Elko Blyweert en Mauro Pawlowski). Elke kant van de vinylplaat eindigt overigens op een fijne locked groove, zodat je niet uit de zetel moet als je dat niet wil.

The New Dominion is een melodieus klinkende deathmetalband uit Tilburg die met ‘Procreating The Undivine’ aan zijn tweede album toe is sinds de band er in 2006 aan begon. In 2009 verscheen hun eerste langspeler ‘…And Kindling Deadly Slumber’ op Neurotic. Een mooie springplank voor een toernee met Pestilence, dat na vijftien jaar stilte nieuw leven werd ingeblazen, en de Noorse band Vreid. Door de vele bezigheden van de groepsleden (carrières en zo), werd een rustpauze ingelast, al kan het kwartet het niet laten om toch steeds bij elkaar te komen om nieuw werk voor The New Dominion te maken. Drummer Yuma Van Eekelen speelt daarenboven ook nog eens bij Brutus, Exivious, Rentap en een tijdje bij Pestilence. Het voordeel dat het allemaal niet zo snel hoeft te worden ingeblikt, is de kwaliteit van het gros van de nummers. Technische death metal is het, met uitstekende grunts van Bart Schoorl en inventief gitaarwerk van Tom Adams en Michiel Oskam. De band strikte tevens enkele gasten, waaronder Niels Adams (Prostitute Disfigurement) en mannen met ervaring bij Cynic en Textures. Schoon volk waarvan we ook behoorlijk wat verwachten. Die verwachtingen worden slechts gedeeltelijk ingelost, omdat we eigenlijk maar de helft van de songs echt super vinden. Het openingstrio is zeer vette death metal die teruggrijpt naar Cannibal Corpse. Daarna wordt het minder tot tenenkrullend als de band het geweld laat rusten en begint te experimenteren met progrock en verstilling. Plots gaat het weer beter, en is de afsluiter een absolute kraker in het genre. Vermoedelijk laat de band die tragere nummers op een podium gewoon achterwege en is het van begin tot eind headbangen geblazen. Wij slaan die nummers voortaan ook over, en genieten van de vier supersongs die we hoorden passeren.

Over de titel van hun vorige plaat – ‘As High As The Highest Heavens And From The Center To The Circumference Of The Earth’ – struikelen wij nog geregeld. Hoewel, we zijn er al in geslaagd hem feilloos uit te spreken. Die plaat uit 2011 schopte het moeiteloos tot ons eindejaarslijstje. Compleet overrompeld als we waren door de harde, slepende en melodieuze sound van de band uit Dallas, Texas. Het was dan ook uitkijken naar een opvolger voor dat album. En die is er nu. Op deze derde plaat diept het trio haar kenmerkende geluid uit tot ongekende hoogtes. Met dank aan producer Matt Pence (Centro-Matic) die de band ook al bijstond op hun vorige album. Opener ‘Creeper’ start nog wat aarzelend, maar dat wordt snel goedgemaakt. De drums van Timothy Starks klinken dreigend als voorheen. In ‘Fourth Teeth’ eist de stem van bassiste Nicole Estill een hoofdrol op. ‘Hoping for tranquillity …’, fluistert ze in onze oren terwijl de gitaren uithalen en de drums donderen. In dat nummer is er ook weer die samensmelting met de stem van frontman Dan Phillips. Kalmte wordt ons misschien niet gegund. Maar gelukkig wel nog vijf nummers waarin de groep haar meesterschap toont. Een plaat die balanceert op de grenzen van slowcore, shoegaze en stonerrock. Een dat net als het vorige zich moeiteloos zal nestelen in ons eindejaarslijstje.

De vier langharige mannen van het Japanse Church Of Misery hebben opnieuw een stel seriemoordenaars opgeduikeld die hen inspireerden tot het maken van nieuwe doommonsters. Initieel was oprichter en bassist Tatsu Mikami een hevige fan van thrash metal, die hij speelde met de band Salem. Hij raakte echter uitgekeken op het genre en wilde zijn helden, waaronder Black Sabbath, Saint Vitus, November, Leaf Hound en Blue Oyster Cult, eren en meer die muzikale richting uitgaan. Church Of Misery was geboren (1995) en sindsdien maakt hij met zijn maten riffgeoriënteerde doomrock waarin behoorlijk wat psychedelica zit verweven. De obsessie met het dagelijkse leven van allerlei seriemoordenaars is altijd de rode draad doorheen het werk van deze Japanners geweest, en met uitzondering van ‘One Blind Mice’, een cover van de progrockband Quartermass, heeft elk nummer opnieuw een berucht individu als onderwerp. In opener ‘B.T.K.’ horen we al meteen dat jaren 1970 heavy rock dé muzikale invloed is van dit album. Snel is het niet, echt donkere doom ook al niet (met uitzondering van de onderwerpen natuurlijk). Machtige riffs daarentegen krijgen we in overvloed naar het hoofd geslingerd. Het zijn riffs die als het ware een slachting aanrichten, soms op een bijna funky manier. Het is de stevige rock van de jaren 1970 die op superieure wijze opnieuw tot leven wordt gebracht, terwijl ‘Lambs To The Slaughter (Ian Brady/Myra Hindley)’ of ‘Dusseldorf Monster (Peter Kurten)’ verhalen over de moorden die werden gepleegd. ‘Thy Kingdom Scum’ is ongetwijfeld één van de beste, zo niet het beste, Church Of Misery-album tot nu toe. Eentje waar de jonge snaken in het genre alleen maar van kunnen dromen.