GC #117

Naar science fiction verwijzende korte geluidstukjes werden tussen 2004 en 2012 door het Britse duo Data 70 op drie schijfjes verzameld. Die vijftig vlijtige momenten worden nu gebundeld in ‘Space Loops’ en bewijzen dat het duo toekomstgerichter dacht dan science fiction meestal doet. Data 70, de naam, verwijst naar een in de jaren ‘70 ontwikkeld lettertype dat nu, hoewel hopeloos gedateerd, nog steeds doet alsof de fictieve toekomst veraf lijkt. In tegenstelling tot de gebruikte symboliek is ‘Space Loops’ allesbehalve een immense portie ouderwetse, analoge elektronica. Ook al schuwen Bob Bhamra (West Norwood Cassette Library) en Jon Chambers (Sunray) het retro-futurisme niet, hun zelden meer dan 60 seconden tellende muziekjes wriemelen, kraken en bliepen als minieme liedjes die nauwelijks door tijd en eindeloosheid lijken bevangen. Een intro en een outro wordt geprengd in een minieme levensduur. Het ene nummer klaagt en knauwt. Het andere dwarrelt onschuldig rond. ‘Space Loops’ speelt met de euforie van het ontdekken en de onschuld van het nieuwe.

The Numero Group specialiseert zich in het heruitbrengen van quasi onvindbaar werk of livemateriaal van bands die het indielandschap mee hebben bepaald. Codeine werd door de heren van het label diepgravend belicht in een mooie box. Dat overkomt nu ook Unwound. Op Record Store Day van dit jaar bracht het label ‘Big Baby’ opnieuw op de markt, een plaat uit 1991 van een zijproject van Unwound, zijnde Giant Henry. In de loop van de herfst worden de zeven platen van Unwound opnieuw uitgebracht, telkens helemaal opgewaardeerd en met toevoeging van extra materiaal. Eerst is het echter de beurt aan ‘Kid Is Gone’, een boxset met drie lp’s met werk dat werd opgenomen in 1991 en 1992. Nummers dus die het embryonale Unwound laten horen van voor hun meesterwerk ‘Fake Train’ uit 1993. Het echte debuut van de band, ‘Unwound’, werd opgenomen in 1992 maar kwam er pas in 1995. Toch horen we hier alleen werk dat dateert van voor die uitgestelde release. Vierendertig nummers telt de verzameling, variërend van demo’s over liveopnames en singles. Door de barre promotijden ontvangen wij echter een schijfje met twaalf songs erop, die wel een beeld bieden van wat de daadwerkelijke vinylbox heeft te bieden, maar allesbehalve volledig. Toch staan er alleen maar snoepjes op, die laten horen dat Unwound altijd meer is geweest dan het kleine broertje van Sonic Youth. Veel noisegitaren, ietwat onvaste zang en meer grunge dan we ooit hadden gedacht. Geen van de liedjes scoren onder de verwachting. In eerste instantie dachten we dat de band was heropgericht en een nieuwe adem had gevonden, zo sterk was bijvoorbeeld opener ‘Antifreeze’. Het was echter een van hun eerste songs, die voorspelde dat de band nog heel wat moois zou afleveren.

Ze is vooral bekend van een aantal onder de naam Klima uitgebrachte elektro akoestische droompop albums, medewerking aan het Brits/Franse ensemble Piano Magic en wat bijdragen aan albums van o.a. The Go! Team. Maar Angele David-Guillou heeft meer noten op haar zang. Uiteraard – een pianiste van dit kaliber is niet voor een gat te vangen. Op Kourouma komt ze met een dik tiental composities die voornamelijk op een vleugel gespeeld worden, regelmatig aangevuld met cello en hobo, wat spaarzame percussie en een zingende zaag, en zelfs zo nu en dan met haar stem. De vleugel wordt in drie gevallen afgewisseld door een Wurlitzer elektrische piano, maar ADG beperkt zich verder tot de basics. Dat laat ingetogen liedjes horen die naar eigen zeggen geïnspireerd zijn op wijsjes uit de Franse folkmuziek, en zwierige arrangementen van Europese en Latijns-Amerikaanse barok. Al met al is Kourouma een intens rustig, lichtelijk zwierig album dat niet al te nadrukkelijk aanwezig is, dat op het meditatieve en zelfs slaapverwekkende af met passie en nauwgezetheid de mogelijkheden van de zwart en witte toetsen verkent.

Detroit, waar anders zou een electro/technomuzikant zijn of haar eerste album uit willen geven? Electro met duidelijke invloeden uit de daar ontstane techno: met het doortastende tempo van Plastikman, maar zonder de langgerekte voorspelbare synthesizers van Carl Craig en iets minder afgemeten strak als Jeff Mills. Oorspronkelijk een 2LP, maar ook op cd, brengt Erika Sherman vier composities, elk in twee delen, samen acht nummers. Ondanks haar lange geschiedenis in de muzikale atmosfeer (ze was jazz-deejay, radiohost bij WCBN en sinds 1996 lid van het electro-collectief Ectomorph) is dit haar debuutalbum. De aankondiging van een goudmijn die in de komende jaren hopelijk ontgonnen gaat worden.
Het album begint met een stevige technobeat à la Kevin Saunderson, zeer dansbaar. Verontrust worden we daarna van de dansvloer geschud door ‘Early Warning Starfield’ met een alarmerende climax die komt en gaat. In ‘Tunneling’ neemt de baslijn de overhand, begeleid door een hoorspel van explosies die uit een ruimtefilm uit de jaren 1980 lijken te komen. De lekker pulserende beats gaan nog wat nummers door, dan weer wat licht en rustig, dan weer stevig en donker. Erika sluit af in stijl: stevig, maar toch ingetogen, ingehouden, de spanning is voelbaar, het apparaat wil eigenlijk harder, sneller, en meer.
Samengevat: repetitief, minimaal, subtiel opgebouwd en één geheel qua klank. Een ideaal album om drieënveertig minuten lang mee over het spoor, de snelweg of door een sterrenstelsel te zoeven… Zorg wel dat je subwoofer aan staat!

Postdubstep mengen met ambient en folk was de succesformule van 2010. Londenaar James Blake liet met zijn melancholische, plechtige stem menig muziekhart sneller kloppen. De duistere sound was zijn handelsmerk, en deed denken aan mysterieuze stadsgenoot Burial. Toch schuurde Blake wat meer tegen de pop aan. Ondanks dat hij dit jaar met een nieuw album kwam, was er verder geen enkele artiest die met zijn uitvinding aan de haal ging. Tot nu. Sam Ricketts en Tom Clarke zijn jeugdvriendjes van Blake en brengen onder de naam Cloud Boat hun debuut ‘Book Of Hours’ uit. Blake is zonder twijfel de inspiratiebron geweest voor nummers als ‘Youthern’ en ‘Wanderlust’ maar Cloud Boat weet dat ze het alleen daarmee niet redden. Ricketts en Clarke stappen daarom wat meer weg van de pop, en sturen de boot het alternatieve riet in. Het duo tekent binnen de omtrek van het Blake-genre, maar wel vervaarlijk op de lijntjes. Net wat meer bas, net wat meer gitaar, nog wat meer onheilspellend. Intro’s die op uitbarsten staan zoals Leftfield dat in de jaren 1990 kon (‘Amber Road’), maar Cloud Boat houdt de woede nog net in. Zo bungelt het duo verder op de rand van een klif, waarbij het the best of both sides gebruikt. De duistere klanken van drumcomputers en bedompte bassen worden uit de donkere elektronica afgrond gered met een licht folkgitaartje (‘Godhead’). Het werkt voor ze en ze hebben met ‘Book Of Hours’ een gevarieerde plaat gecreëerd. Waar jeugdvrienden al niet goed voor zijn.

The X-Rays staan aan de vooravond van het uitbrengen van een nieuwe plaat. De band uit Nottingham heeft er weer zin in en heeft nummers opgenomen voor een volwaardige cd die zal uitkomen op Big Neck Records. Daarvan krijgen we op deze compilatie zelfs een voorsmaakje door middel van het nummer ‘Drinkin’ For My Baby’, het afsluitende nummer van deze zesentwintig songs tellende verzameling. Of het liedje, dat aan een razend tempo wordt gebracht, net als de rest op single zal verschijnen, is niet duidelijk. De tijden zijn veranderd en het zwarte kleinood in vinyl (of in een ander kleurtje) is voor veel platenmaatschappijen niet meer van deze tijd. Deze compilatie bevat werk van de elf singles die uitkwamen tussen 1994 en 1997. Hier en daar verscheen een van de songs op hun twee albums voor Empty Records, terwijl het merendeel, zoals het hoort, er niet op kwamen. Ze debuteerden als band als support voor The Supersuckers, en speelden vervolgens frequent met The Motards, The New Bomb Turks en Gas Huffer. Het zijn alle bands waar ze muzikaal nauw mee verwant zijn en die net zoveel bier verzetten als zij zelf. Het is er waarschijnlijk nooit van gekomen om de hort op te gaan met bijvoorbeeld The Cosmic Psychos. Samen zouden ze ongetwijfeld behoorlijk wat alcohol hebben verzet. Bezopen punkrock is wat we horen op deze verzamelaar. De opnames werden weliswaar onder handen genomen om de geluidskwaliteit ietwat naar de normen van vandaag te verheffen, maar veel heeft het niet geholpen. Ruw, recht voor de raap en een fuck you-attitude waar veel hedendaagse bands jaloers op mogen zijn, kenmerken deze band. Een nieuwe drummer ingelijfd en ze kunnen de liedjes opnieuw in elke pub gaan aframmelen, samen met wat nieuwe die helemaal in de lijn liggen van de oude. Old school punkrock waar van poppunk absoluut geen sprake is. Hemels.

Dankzij Relapse wordt de laatste kruimel muziek die Jenks Miller als Horseback heeft uitgebracht of opgenomen tusen 2007 en 2012 met een natte vinger van de tafel geplukt. (Eerder was er ook al ‘The Gorgon Tongue’, een compilatie die bestond uit het debuut ‘Impale Golden Horn’ en een ultra-gelimiteerde cassette.) Het resultaat is behoorlijk impressionant; en dat zowel kwantitatief als kwalitatief. ‘A Plague Of Knowing’ bundelt namelijk niet minder dan drie uur muziek verdeeld over drie cd’s. Live-opnames, materiaal afkomstig van demo’s en (vinyl) splitreleases (onder meer met Pyramids en Locrian) plus onuitgegeven muziek geven het geheel flink gestalte. Stilistisch illustreert Horseback vooral te werken zonder oogkleppen. Ook elk album is anders bij Horseback zodat je nooit echt weet wat je mag verwachten. Black metal, drones, krautrock, doom, postrock, psych en licht experimentele pop: het passeert allemaal de revue. Deel één kan, vooral door de schreeuwerige vocalen van Miller, grotendeels onder de noemer experimentele black metal worden gecatalogeerd. Al zullen genrepuristen hier gegarandeerd met een grote boog omheen lopen. Muzikaal is het immers mijlenver verwijderd van pakweg Burzum of Mayhem. De black metal zoals Horseback die brengt, heeft namelijk meer overeenkomsten met de vernieuwingsdrift van Deafheaven. Interessantst is het tweede hoofdstuk waar het ruwe plaats maakt voor het meer ingetogen. Aangevuld met onuitgegeven nummers bevat deel twee de integrale ‘Stolen Fire’ cassette die vorig jaar verscheen op All Day Records. Hier ligt de nadruk meer op het experiment in de breedte en moet de black metalsfeer plaats maken voor psych, industriële ambient, krautrock en scheve pop. Zo moeten we bij ‘Clattering Info Aggregators’ bijvoorbeeld denken aan Ignatz, terwijl ‘Recite’ ons naar de wereld van Kiss The Anus Of A Black Cat lokt.
De laatste cd is gereserveerd voor dromerige en uitgesponnen gitaardrones. In twee lange tracks vertoont Horseback grote verwantschap met onder meer Growing, Earth, Rhys Chatham en Fear Falls Burning. ‘A Plague Of Knowing’ is niet alleen door zijn lengte een stevige hap om te verteren. Ook de muzikale schizofrenie vraagt enige inspanning. Consumeren met mate is dan ook de boodschap.

In GC#116 wijdden we enige zinnen aan het in eigen beheer uitgebrachte minicd-tje van Midnight Faces. Het was de voorbode voor een mogelijk zomers aandoende langspeler van twee heren die hun muzikale sporen reeds verdienden in de alternatieve folk (The Drums) en postrock (Saxon Shore, ook Josh Tillman van Fleet Foxes). Met Midnight Faces gaan ze alweer aan andere kant op, die van de indierock en -pop. De vier liedjes en overbodige remix beloofden een en ander, maar met deze langspeler maken ze het beloofde niet echt waar. We verongelukken ons voornamelijk over de uitermate zeurderige stem van Philip Stancil. Zijn zang lijkt te zijn geboren voor melancholisch aandoende liedjes die met stadionoptredens in het achterhoofd werden neergepend. We zochten in ons brein naar vergelijkingen, en kwamen uit bij die kwiet van Coldplay wiens naam we niet wensen te onthouden, en eentje waarmee de band zelf afkomt: David Gahan van Depeche Mode. In een bezopen en gedrogeerde bui. De band omschrijft zijn muziek graag als een mengeling van Tom Petty en The Cure. Tja, niet alle liedjes van Petty lijken ergens op, en het zijn allicht die mislukte pogingen die Midnight Faces tot voorbeeld nam. ‘Fornication’ vinden we aldus allesbehalve geslaagd.

Een samenwerking die je nooit had verwacht. Warrior Queen verlaat op vraag van de New Yorkse conceptuele geluidskunstenares Marina Rosenfeld haar bekend dancehall-terrein. In haar kielzog haar doodgewone rhymes en raggaritmes die door de achtergrondgeluiden een nieuwe wereld vormen. Rosenfeld bouwde in 2009 een reusachtig P.A.-systeem bestaande uit grote resonerende en geluidsabsorberende speakers. Aan de hand hiervan vertaalt ze omgevingsgeluid naar zijn abstracte vormen, hetgeen resulteert in knetterende elektronische storingen, schrapend metaal, wegkwijnende drones en plotse erupties. Op ‘P.A./Hard Love’, het album, voegt Rosenfeld niet alleen de stem van Warrior Queen toe, ook het spel van de celliste Okkyung Lee wordt gerekt en verbrokkeld tot nieuwe geluiden waar melodie ophoudt een logica te volgen. Het is een bizarre versmelting van verschillende muziekwerelden, die de luisteraar langzaam intrigeert en hypnotiseert. ‘P.A./Hard Love’ is surrealistische toekomstmuziek. Ongrijpbaar en buitenaards. Opzwepend en psychedelisch. Openingstrack ‘New York/It’s All About…’ is een amalgaam van stadsgeluiden waarin een idee van overbevolking en overvolle straten wordt gesuggereerd met blieps en meanderende synths. Tussendoor speelt Rosenfeld met ambientelementen, plotse pulsen en ritmes. Alsof zij eeuwig draaiend aan de AM-band geluiden tevoorschijn tovert die nergens vandaan lijken te komen, maar klinken als plots weerkaatsende verschijningen. Geluiden vragen dringend om gehoord te worden. Geroezemoes op de achtergrond. Of is het omgekeerd? Het is een complexe plaat die onhandig om je aandacht vraagt, maar in ruil je keer na keer verder een onbekende wereld inzuigt waar de omgeving slechts nog geluid is en alles om je heen ademt en beweegt. Denk Holly Herndon, The Bug en Rashad Becker in een metropolitane blender.

Nadine Shah is het Noors-Pakistaans buitenbeentje op Apollo Records, het durf-af-label afgesplitst van R&S. Je denkt vooruitstrevende beats en krijgt intimistische folk dat met eenzelfde drammerigheid als PJ Harvey het verdriet van haar voorbije levensjaren blootlegt. Nadine Shah zingt over zichzelf, haar vrienden die het leven korter beleefden dan hun gegund was. Zij is het personage in de song en beleeft ze als man of vrouw. Alles voor haar lied, doorspekt met een immense traan en snik. Haar stem, klokvast en diep. Zwaar, zoals die van een getormenteerde ziel. Marianne Faithfull achterna. Shah klinkt verwoest, wanhopig en gebroken, ofzo vertaalt ze toch haar omgeving. ‘Love Your Dum And Mad’ is een indrukwekkend debuut dat af en toe zijn eigen intensiteit wankel beleefd omdat de muziek te gladjes klinkt en de kracht van de stem en het lied niet even grijpend ondersteunt. Het is een emotionele bom die je af en toe raakt. Soms ook niet want net zoals bij Zola Jesus is Shahs’ stem de perfectie te nabij. Toch, rauwe vriendschappen worden integer de eeuwigheid ingezongen. Het is een eer een personage in Shahs’ liederen te zijn. Je moet dan wel van de Noord-Britse woestenij je thuis maken.

Mike Patton slaat bij momenten de bal mis en bij andere gelegenheden zit hij er pal op. Dat geldt voor zijn eigen werk, solo en bij tal van al dan niet gelegenheidsbands, en dat geldt net zo goed voor zijn label Ipecac. En met Palms slaat hij maar was hij vergeten dat er gewoon geen bal was. De bende wordt met veel bombarie aangekondigd, en dat is vooral door de deelname van een aantal gerenommeerde muzikanten met een degelijk palmares op hun naam. Dat telt uiteraard voor geen meter als het resultaat tenenkrullend blijft te zijn. Zes nummers uitermate vervelende progrock of toch iets dat er heel erg mee flirt. Rabiate fans van Isis en/of Deftones bliksemen ons allicht omver vanwege deze heiligschennis. Idolatrie is echter niet aan ons besteed, wie het ook moge zijn. Geen uitzonderingen. Chino Moreno verzorgt het gekweel, terwijl Aaron Harris, Jeff Caxide en Bryant Clifford Meyer, drie van de vijf die Isis vormden, de hemeltergende muziek verzorgen. Het kwartet past duidelijk wel bij elkaar. Moreno was al jarenlang grote fan van het soms behoorlijk atmosferische werk van Isis, waardoor hij eigenlijk quasi onmiddellijk toehapte toen hij werd benaderd door Harris om de zang voor zijn rekening te nemen. Op zich hebben ze uiteraard gelijk om nieuwe wegen te zoeken en niet zomaar verder te willen gaan waar Isis was opgehouden. Alleen houden we er totaal niet van, hoe intens, filmisch, duiter en claustrofobische Palms ook probeert te zijn.

Als lid van onder andere Thee Silver Mt. Zion en Set Fire To Flames komt Rebecca Foon overduidelijk uit een bepaalde hoek. Op het door – uiteraard – Constellation uitgebrachte ‘I Thought It Was Us But It Was All Of Us’ (zelfs de mystieke, nogal onbegrijpelijke en lange titel is helemaal in lijn met het labelconcept) speelt de zangeres, celliste en traporganiste de onbetwiste hoofdrol. Ze maakt daarbij gebruik van een uitgebreid netwerk muzikanten, die instrumenten bespelen van kalimba tot glockenspiel, van gitaar tot saxofoon. Alles in dezelfde bedaarde, mysterieuze en ietwat dromerige setting, waarbij lang uitgesponnen tonen de luisteraar in ruststand drijven, maar de onderhuids kriebelende spanning toch tot een zekere nervositeit brengt. Ieder moment kan er iets gruwelijks gebeuren. Pas aan het eind van het album weet je dat de knap volgehouden dreiging nergens tot uitbarsting komt. Sorry, verklapt… Nou ja, het blijft een bloedmooi en indringend verhaal in geluid dat Rebecca Foon hier laat klinken.

Alberto Boccardi is een ons tot nog toe onbekende Italiaan die een paar jaar geleden switchte van bas en drums in punkbands, naar elektronica in dienst van de ambient. In een verdere zoektocht naar nieuwe wegen maakte hij in 2012 opnamen van het klassieke koor Antonio LaMotta, en bewerkte die opnamen tot de compositie op de a-kant van deze lp. Helaas is het resultaat niet heel bijzonder. In de eerste van drie delen laat Boccardi een samenspel van drones, microgeluiden en lange loops van klassieke instrumenten laag over laag aanzwellen en een bescheiden climax met onherkenbaar vervormde geluiden beleven. Dat laatste element blijft over voor het tweede deel, waarin volgens eenzelfde formule een weefwerk van feedbackende gitaar, loops van het koor en een repeterende basnoot langzaam aanzwelt en uitmondt in alleen feedback. In de laatste minuten worden we uitgeleide gedaan door minimale, vibrato-akkoorden die geen relatie met wat vooraf ging, lijken te hebben. Australische ambientkunstenaar Lawrence English werd gevraagd hetzelfde bronmateriaal te bewerken, en zijn versie siert kant b. Die is veel mooier, omdat English kundig veel meer doet met veel minder. Gedurende een dik kwartier wisselt hij over elkaar heen schuivende loops van het hemelse koor af met passages van verwaaid omgevingsgeluid, stil ruisende drones en af en toe een verdwaald huilende noot in de verte. We zouden zelfs zweren dat het derde deel, ‘Weathered Hymnary’, een rechtstreekse ode is aan Caroline K’s weergaloze track ‘The Happening World’. Kortom, terwijl kant a ons hoegenaamd koud laat, vinden wij English’ composities erg fraai, en geschikt voor fans van Stephen Matieu, Simon Scott et cetera (die hopelijk ook meteen voornoemde nummer van wijlen Caroline K opsnorren, mochten ze hem niet al kennen).

Helaas, nog maar een toevoeging aan de ‘ontgoochelingen van 2013’. Terwijl Ikonika ontzettend veelbelovend speels en timide uit de hoek kwam op haar debuut ‘Contact, Love, Want, Have’, heeft ze deze keer niet haar zoektocht maar het resultaat van maanden zwerven in ritmes gegoten. De chiptunes op opener ‘Mise En Place’ herinneren aan vroeger en even springt het hart een gat in de lucht. Ook de vrolijke housedeun ‘Beach Mode (Keep It Simple)’ met Jessy Lanza klinkt als een veelbelovende hit. Maar dan stuikt de vindingrijkheid van Ikonika in elkaar en tovert ze slechts een hoopje house-geïnspireerde 8bits-plichtige deuntjes die eindeloos doorgaan. Tot vervelens toe. Af en toe neemt ze wat tempo terug, overdenkt het geheel en barst dan weer uit in een aanstekelijk optimisme, als je daar nood aanhebt. Het voelt bij momenten als een ‘kijk eens, ik kan best vrolijk zijn’-statement. En laat dat net de betere momenten overschaduwen zoals de electrofunk op ‘Manchego’, of het ingetoge licht euforische ‘Let A Smile Be (Y)Our Umbrella’. Maar eens bij ‘Lights Are Forever’ is er een overdaad een hetzelfde synthgeluid, klinken de loops wel enorm beperkt in variatie en wordt elk nummer uitgerokken tot een single-verdraagbare lengte. En daar gaan de wervelende arpeggio’s op ‘Mega Church’ ook niets meer aan verhelpen.

‘I know the synthesizer. Why don’t I use the synthesizer, which is the sound of the future?’, zo vertelde synthlegende Giorgio Moroder op de laatste plaat van Daft Punk. Met wat goede wil zou je Daniel Lopatin, ofte Oneohtrix Point Never, kunnen zien als de hedendaagse Moroder. Niet dat de Amerikaan zich overgeeft aan dansbare disco, maar net als de Italiaan verkent hij wel de onuitputtelijke mogelijkheden van het instrument. Op ‘R Plus Seven’, zijn eerste album voor Warp, maakt Lopatin geen gebruik van de analoge Junto 60 synthesizer die hij erfde van vaderlief, maar wel van een digitale variant. Met zijn opnames trok hij naar IJsland, waar hij ‘R Plus Seven’ inblikte via de analoge apparatuur in de studio van Valgeir Sigurðsson. Verwacht echter niet dat de betoverende omgeving in IJsland Lopatin aangezet heeft tot het maken van een feeërieke plaat. Enkel in afsluiter ‘Chrome Country’ wordt de sfeer iets romantischer en komt er zelfs een computerkoortje voorbij. Voor de rest is ‘R Plus Seven’ het meest directe en het helderste album van Oneohtrix Point Never tot nu toe. Weg is de drukkende noise en de benauwende ruis. Rechtlijnigheid, veel melodie (‘Problem Areas’, ‘Zebra’) en plotse dramatiek (‘Still Life’) hebben het overgenomen. Tot de hoogtepunten behoren onder meer de arpeggios van opener ‘Boring Angel’, de microsamples van ‘Americans’ en de aardedonkere ambient van ‘Along’. Het geluid van de toekomst? We zouden het aan Giorgio moeten vragen, maar wij zijn geneigd om ‘ja’ te zeggen.

Wie bij het zien van die achternaam “zo vader, zo dochter” dacht, moeten wij teleurstellen (of verblijden): bij Anna von Hausswolff geen drones, glitch of ander elektronische experimenten die we van haar vader Claus Michael gewend zijn. In plaats daarvan gedragen liedjes, met hoofdrollen voor een kerkorgel en Von Hausswolff’s stem. Die laatste klinkt bij tijd en wijlen als die van Kate Bush, en dat zegt vooral iets over het bereik en de klank (de kinderlijkheid waar ik met bij Bush soms aan erger ontbreekt bij Von Hausswolff). ‘Ceremony’ lijkt boven alles over de dood te gaan. Er is een nummer over het stervensbed, er zijn twee grafschriften, en zelfs een liedje over de begrafenis van haar toekomstige kinderen. De eerste paar nummers lijken dat onderwerp ook in klank te volgen, zoals het acht minuten lange ‘Deathbed’, waarin het galmende kerkorgel zwaar, traag en plechtig langs trekt. Von Hausswolff klinkt daarbij zo energiek en soms zelfs uitbundig, dat het op een rare manier tegelijk wel én niet zwaar op de hand is. Halverwege de plaat, na een korte drone-track die bijna van haar vader had kunnen zijn, maakt ‘Ceremony’ opeens een draai in een meer traditionele richting, en wordt het orgel ingewisseld voor gitaar, piano en meer conventionele orkestratie. Hoewel dat leidt tot een paar mooie liedjes, is Von Hausswolff als singer/songwriter minder oorspronkelijk en interessant dan dat als galmende doodssirene. Desalniettemin de moeite van het proberen waard voor fans van This Mortal Coil, Gazelle Twin en Esben And The Witch.

Sannhets debuut verscheen eerder op vinyl op het Sacramentum label, maar verschijnt nu eindelijk ook op cd, wereldwijd. Het door ons gekoesterde Consouling Sounds kreeg de eer om dit majestueuze album in hun bescheiden maar qua kwaliteit fantastische catalogus te mogen opnemen. Fantastisch en oorstrelend zijn zeer beperkte, positieve termen als het gaat om deze cd. We luisteren al meer dan een kwarteeuw intensief naar een overdaad aan releases en komen maar weinig platen meer tegen waar we van onder de indruk zijn. Toch staat er zo nu en dan eentje op onze brievenbus te kloppen. Een trio uit Brooklyn, New York is het deze keer, en ze slaan zo hard dat we geen brievenbus meer over hebben. Sannhet brengt postrock of postmetal in een met samples gelardeerde instrumentale setting op een black metal manier. Zo intens komen de songs van deze band tot ons. De feel is uitermate agressief, het moet vooruit gaan, snel liefst. Opbouwen van traag naar snel en dan pas loeiend hard uithalen zit er bij deze mannen niet in. Meteen snoeihard verpulveren, daar gaat het om, alsof The God Machine plots black metal ging spelen. Inderdaad, geen stereotypes bij dit trio. Sannhet koos bovendien voor Colin Marston (Krallice, Dysrhythmia) om alles in goede banen te leiden. De man weet hoe hij noise in al zijn vormen dient aan te pakken, en heeft Sannhet bij het inblikken van ‘Known Flood’ met al zijn wijsheid uitstekend geholpen. Tegelijk komt er op Consouling een split uit van het uit Sao Paulo (Brazilië) afkomstige septet Labirinto en de reeds iets breder bekende solitaire dronemachine uit Montréal (Canada) thisquietarmy. Die laatste weet zijn maatjes altijd wel te kiezen en houdt wel van een duel tussen twee bands. Beiden brengen eerder voor de hand liggende postrock, al is het in elke seconde muziek die we horen uitstekend gebracht, maar veel verrassends valt er niet te beluisteren. Donkere postrock van de Brazilianen en gelaagde drones door de eenzaat, in goede banen geleid door Tony Doogan (Mogwai) is wat deze split heeft te bieden. We weigeren er denigrerend over te doen, want wat de twee op deze split presenteren is kwalitatief meer dan uitstekend. Alleen zijn we zo onnozel geweest om de plaat te luisteren na Sannhet, en daar kan niemand tegen op.

Dit is de eerste release op het kersverse Planet Ilunga label uit Brussel dat zich specialiseert in vinyl heruitgaven van verloren Afrikaanse muziek. Het woord ilunga heeft een speciale driedubbele betekenis in de Kameroense Bantu taal. Een persoon die beledigingen van iemand een eerste keer nog kan vergeven, de tweede keer kan tolereren, maar nooit een derde keer, ok? Na een dikke eeuw Belgische hebzucht naar mineralen is Congo’s meest positieve exportproduct gelukkig nog altijd muziek met de Congolese rumba in het bijzonder, een stijl die via Cubaanse rumba klanken geafrikaniseerd werd tot een volwaardige Congolese stijl. Deze dubbele plaat draait daarom rond de hoofdfiguur Grand Kalle, alias Joseph Kabasele, en zijn African Jazz orkest die in de jaren 1950 en 1960 een grote rol speelden in het vormen van de Congolese rumbascene in het postkoloniale Kinshasa. Op vier kanten komen allerlei klassieke rumbasongs aan bod, waaronder het bekende ‘Indépendance Cha-Cha’ over de onafhankelijk van Congo en ‘Africa Mokili Mobimba’. Grappig detail: beide songs werden gecomponeerd en opgenomen in Brussel! Andere swingende pareltjes zijn het Latino-getinte ‘Mokonzi Ya Mboka’ en het zwoele ‘Lipopo Ya Ba Nganga’ waarin de gitaren heerlijk rondzweven evenals in ‘Sentiment Emonani’ en ‘Carolina’. Zowat alle songs zijn gezongen in het Lingala, met een beetje Frans en zelfs wat Spaans (geleerd uit woordenboeken omdat ze het mooi vonden om te zingen). Met twee geweldige 180gram platen, puike vormgeving en bijgevoegd boekje van 22 bladzijden over Grand Kalle en achtergrondinfo over zijn leven en songteksten is dit een artistiek tijdsdocument om U tegen te zeggen. Slechts geperst op 500 exemplaren, plus de kans op een herdruk is vrijwel nihil, dus haast is zeker geboden. Meer Afrikaanse tijdsdocumenten zullen later dit jaar nog volgen, onthoud maar!

Elvis is al een hele tijd dood. Of niet? De legende blijft overeind en als personage duikt hij zelfs op in de succesvolle vampierserie ‘True Blood’, zowel in de tv-serie als in de boeken. Elvis is er een vampier wiens overgang deerlijk mislukte, waardoor hij verstandelijk niet meer helemaal spoort. Hij wenst aangesproken te worden als Bubba en wie hem naar zijn liedjes vraagt, vertelt het niet meer verder. Het is een verklaring als een andere om de vermeende verschijningen van Presley te verklaren. Een van de leukste muzikanten die Elvis liedjes opnieuw tot leven brengt, hem parodieert, imiteert of in de vernieling draait, is de Mexicaan El Vez. Hij is toe aan zijn zilveren jubileum en dat wordt gevierd met een cd waarop vierentwintig songs prijken. Die variëren van nooit eerder verschenen outtakes, remixen en livefragmenten. Die laatste werden geplukt uit zijn immense lijst van optredens, alwaar hij in zijn typische stijl de mensen probeerde te vermaken. In tegenstelling tot veel zangers die Elvis gewoon nadoen, speelt El Vez allerlei songs, maar brengt ze zoals Elvis het zelf gedaan zou kunnen hebben. Dat daar tekstuele verhaspelingen aan te pas komen en flitsen van songs in andere liedjes, maakt het geheel buitengewoon leuk, op het hilarische af. ‘He Was On Acid, Baby, He Might Be Jesus’ uit ‘Quetzalcoatal’, met ‘Heartbreak Hotel’ er doorheen, in een junglevibe met Spaanse invloeden is een perfecte instap in ’s mans knotsgekke wereld. Een overdaad aan pillen zorgt er tevens voor dat El Vez bij momenten zelf behoorlijk doordraait en onvoorspelbaar wordt. Het zorgt echter wel voor schitterende songs. James Brown, David Bowie, Prince, Simon And Garfunkel en The Doobie Brothers zijn maar enkele grote namen die worden verkracht. ‘Que Sera Sera’ staat er uiteraard ook tussen, verhaspeld, of wat had u gedacht. Een grote naam wordt deze Mexicaan nooit. Wie zijn exotica graag geschift heeft, is fan of wordt het met ingang van nu.