GC #117

Misthoorns liggen aan de basis van Luca Forcucci’s plaat ‘Fog Horns’. Toen hij na een twaalf uur durende vlucht in San Francisco uit het vliegtuig stapte, hoorde hij het geluid van de hoorns. Maar hij wist niet zeker of hij het hoorde of droomde. Later ging Forcucci terug om het geluid op te zoeken en op te nemen. De opnamen vormen het beginpunt van het eerste stuk op de cd. De geluiden zijn door Forcucci bewerkt en deejay Goo Le Gooster heeft een laag gekraak en gekras van grammofoonplaten toegevoegd. Daardoor zit je niet alleen naar opnamen van San Francisco te luisteren. Door de geluiden te bewerken en andere lagen toe te voegen ontstaat er een spanningsboog die ontbreekt bij enkel en alleen de opname. Voor het tweede stuk, ‘L’Ecume Des Jours’, blijft Forcucci in de omgeving van de zee. Hier heeft hij gebruik gemaakt van opnamen van golven die het strand op rollen. In combinatie met de titel – ontleend aan een boek van Boris Vian – zie je het schuim langzaamaan de stranden vullen. Ook in dit stuk bewerkt Forcucci de opnamen. Of eerder, hij componeert er een stuk overheen terwijl de terugtrekkende beweging van de golven constant aanwezig is op de achtergrond. Voor het laatste stuk, ‘Winds’, heeft Forcucci geluiden van de wind gecombineerd met een cello extraordinaire, gespeeld door Michael Kott. Het is een wringend stuk waar je in wordt gesleurd. Ook als de cd afgelopen is, blijft de muziek hangen in je hoofd, wachtend op een tweede luisterbeurt.

‘I make noise and sometimes organize them in patterns’. Voormalige punkrockliefhebber ontdekt eind jaren 1990 een oude Detroit technobeat en wordt gebeten door het technovirus. De bio leest verder als een sprookje en eindigt in schoonheid. Chris Liebing rondde de bassen van dit debuut af en Drumcell mag een indrukwekkend bassparel op diens label afleveren. Denk thuisstad Los Angeles en vergeet alles wat je weet over beats en Echo Park. Denk Detroit, maar zoek tegelijk ook het zoete verhaal van de failliete stad en zijn aantrekkingskracht op technoproducers. ‘Sleep Complex’ is industrieel duister. Het is broeierige onrust. Het kwade van de overdadige hitte verpakt in ritmes. Hypnotiserend en gevaarlijk. Drumcell dwaalt al jaren rond in Zuid-Californië als voorhoede van de plaatselijke techno-elite. En dat hoor je. ‘Sleep Complex’ is een ingenieuze dansplaat waarin je verdwaalt en roekeloos wordt onderschept door een onvoorspelbare set diepgraaiende beats. De enigszins complexe hoeveelheid lagen houdt de plaat luxueus dreigend en repetitief. Die dreiging wordt zelfs oncomfortabel intens op ‘Speak Silence’. Opvolger ‘Rooted Resentment’ is opvallend vrolijker. Alsof even alle ongemak van de planeet gewist is en opnieuw uitbundig gedanst mag worden. Ook ‘Frame Shifter’ houdt de dansvibe even aan waarna ‘Frame Shifter’ opnieuw als een veelvoud van enkele tientonners onheil brengt. ‘Sleep Complex’ hult zich minutenlang in een wanhopige, aanhoudende intense sfeer die je zowel kraakt verscholen onder je hoofdtelefoon als in de roes op de dansvloer. De zon is uitgedanst. Het is tijd voor de curieuze waanzin van L.A.

Het Australische Pond maakt al een jaar of vijf psychedelische rock in het straatje van Tame Impala. Dat is niet geheel verwonderlijk, omdat drie leden van Pond ook in Tame Impala spelen. Toch zit er een duidelijk verschil in de muziek van de twee bands. Waar Tame Imapala gestructureerd te werk gaat, is de muziek van Pond meer getekend vanuit de losse hand. De nummers op Hobo Rocket, alweer de vijfde plaat overigens, gaan alle kanten op. Opener ‘Whatever Happened to the Million Head Collide’ is door de nogal zeurderige stem van zanger Nick Allbrook die tegen het valse aan zit, even wennen. De progrock-achtige muziek maakt echter een hoop goed. Pond bevindt hier ergens tussen Genesis in overdrive en Devin Townsend in low gear. De humor van die laatste komt ook regelmatig terug bij Pond, in de vreemde wendingen die de nummers kunnen nemen en in de teksten, zoals in het aparte ‘Xanman’. ‘Giant Turtoise’ klinkt alsof de schildpad uit de wereld van Terry Pratchett het luchtledige van de kamer binnen komt gezweefd, op psychedelische rock die doet denken aan de beginperiode van Wolfmother. Het lijkt sowieso of Pond mosterd uit vele potjes heeft weten te verzamelen, want we horen ook veel Woods en zelfs Grandaddy terug in ‘Aloneaflameaflower’, waar de zang gelukkig wat milder is, zonder de scherpe irritante kantjes en dat vol staat met over elkaar tuimelende riedeltjes. Hobo Rocket is een aparte luisterervaring, omdat we aan de ene kant de nummers erg fijn vinden klinken en ze intrigeren, maar aan de andere kant irriteert de richtingloosheid van alles soms te veel. Een plaat voor af en toe, al was het maar omdat ze zoveel herinneringen aan andere goede bands oproept.

Met de hulp van de twitteraccount van zijn zus kwam dit drietal rond Richie Follin in de aandacht. Zijn zus is namelijk Madeline Follin, de helft van CULTS. Na een ep is er nu een eerste full album. Een plaat volgestouwd met euforische popmuziek. Veel oh-oh’s en ah-ah’s in de refreinen dus. Maar of wij daar nu echt blij van worden is een andere vraag. Daarvoor rieken de nummers iets te veel naar formulemuziek. En de walm die dat verspreidt willen wij zelfs niet gaan beschrijven. Kan het drietal een song in elkaar draaien? Zeker en vast, maar waarom is het dan veertien keer dezelfde op deze plaat? Daar kan ze zelfs de licht psychedelische saus die ze er telkens opnieuw overgooien niets aan veranderen. En als dan de teksten ook een beetje aan de flauwe kant zijn, is het schip allang gezonken. In ‘1&1’ klinkt het: ‘If one and one can really come to two, why on earth would I not be with you’. Tja. De afgelopen maanden zagen we bij verslagen van de grote Europese festivals een aantal bands die succes haalden bij tienermeisjes met dit soort karamelverzen. Er is dus toekomst voor Guards. Nee, deze bewakers vertrouwen wij niet.

Om oververzadiging te vermijden besloot Nick Edwards dit jaar geen platen te maken als Ekoplekz, maar dat weerhoudt hem er niet van om als Ensemble Skalectrik vrolijk door te gaan. In GC#117 besproken we met instemming zijn bijdrage aan Fat Cat’s Split Series, en ook ‘Trainwrekz’, de eerste volwaardige lp onder dit alias, mag er zijn. Edwards houdt zich niet allen wat betreft naam, maar ook qua geluid aan zijn Ekoplekz-moratorium. Analoge elektronica speelt hier een bijrol, als effectapparatuur in de nabewerking; de voornaamste instrumenten zijn twee draaitafels en een stapel niet nader geïdentificeerde, stoffige platen. Turntablism dus, niet als hiphop-stijl, maar in lijn met het werk van Philip Jeck. Tegen elkaar in draaiende loops, veel gekraak, en een halve beat bestaande uit de hartslag van een baspuls. Daarbinnen mangelt Edwards er lustig op los met echo’s, galm en andere effecten. Op het eerste gehoor lijkt het vormeloos, maar Edwards begeleidt zijn draaitafels geduldig van a naar b, waarbij hij experiment en flow precies goed in balans houdt. Overigens mag de werkwijze op ‘Trainwrekz’ dan anders zijn, het blijft allemaal behoorlijk herkenbaar als een Ekoplekz-productie. Deels zal dat door het gebruik van dezelfde effect-apparatuur komen, maar deels ook omdat de invloed van twee van Edwards’ grote liefdes nooit ver weg zijn: elektronisch industrieel en vooral dub. Dat laatste uit zich met name in het gebruik van de effecten en een spacey sfeer. Wat betreft het industrial, waar Ekoplekz ons aan oude Cabaret Voltaire deed denken, heeft Ensemble Skalectrik aangenaam gruizige echo’s van het werk van Maurizio Bianchi uit de tijd van ‘Regel’ en ‘Mectpyo Bakterium’ (Edwards nam vorig jaar als hommage het nummer ‘The Bianchi Code’ op). Uitstekende plaat die het matige album op eMego onder zijn geboortenaam van vorig jaar ver achter zich laat.

Kort door de bocht kunnen we ‘Laserscape’ omschrijven als een alternatieve versie van de pompeuze lasershows van Jean-Michel Jarre. Ver benevens de waarheid is dit niet eens, want het Krefeldse You maakte deze muziek ter begeleiding van de performances annex lasershows van Horst H. Baumann. De performances en de plaat dateren van halfweg de jaren 1980. Klaus Schulze en Tangerine Dream zijn de grote inspiratiebronnen voor deze muziek. Langgerekte stukken elektronisch gegenereerde drones die ongetwijfeld perfect samen gingen met de show van Baumann. Udo Hanten en Albin Meskes, de twee leden van You, hadden de albums ‘Electric Day’ (1979) en ‘Time Code’ (1983) gemaakt, waarvan Baumann behoorlijk onder de indruk was. De twee platen, eerder heruitgebracht door Bureau B, kenden in hun tijd heel wat belangstelling door hun verwantschap met Schulze en Tangerine Dream. In 1985 creëerden ze deze muziek waarvan de eerste voorstelling voor tienduizend mensen gebeurde op de happening ‘Philips Laserscape Krefeld’. Een groot deel van de gecomponeerde stukken voor diverse shows werden in verschillende studio’s opgenomen en daaruit werd een coherent aandoende keuze gemaakt. De acht stukken, waarvan het meer dan twintig minuten durende ‘Laserscape/Live’ als bonus werd toegevoegd, klinken, zeker voor die tijd, behoorlijk futuristisch. Qua sfeer liggen ze in de trant van de net zo progressieve score van de filmklassieker ‘Blade Runner’ uit 1982.

Zo af en toe zouden we willen dat onze muzikale smaak zich wat meer zou toespitsen op één enkel genre. Dat we niet van alles een beetje wisten, en zodoende van eigenlijk niks echt iets, maar een echt specialisme hadden. Psychedelische pop uit de jaren 1960-1970, bijvoorbeeld. En dat we van dat genre dan echt alles wisten en alles uitzochten. En niet slechts een beetje aan de oppervlakte bleven dobberen totdat we weer benieuwd werden naar iets heel anders. Dat we lol beleefden uit het zoeken naar platen zoals die van Hoi’ Polloi, dus. Deze band uit Indiana maakte in 1972 één titelloze plaat, bracht hem in beperkte oplage zelf uit, en voordat ze ook maar een enkele keer op het podium hadden gestaan was de band alweer verleden tijd. Zo’n onbekende parel opduiken uit een tweedehands platenbak en dan beweren dat hij briljant is en vele malen beter dan alles wat mensen wel kennen uit die tijd, dat lijkt ons nou een heel leuke hobby. Maar helaas. We snappen best het enthousiasme dat indielabel Family Vineyard voor deze plaat moet hebben gehad. En het is een goeie zaak dat ze hem hun nieuwe serie heruitgaven, Folk Evaluation geheten, laten openen, zodat geïnteresseerden er niet meer fortuinen voor hoeven te betalen op eBay. Maar laten we eerlijk zijn: die platen van The Beatles, Crosby, Stills, Nash & Young en Townes Van Zandt die u al in de kast heeft staan volstaan in principe ook. Maar als u echt de diepte in wil, ja, dan is dit een prachtige plaat met uitstekende liedjes en interessante krautrock-experimenten en studio-ongein. Maar sorry, wij zijn helaas alweer afgeleid.

Een plaatje zonder weerhaken. Zo eentje waar je instant vrolijk van wordt en je gewoon vergeet dat veertig minuten hetzelfde liedje klinkt, maar met een andere titel. Inwisselbare zomerdeuntjes die veel te liefelijk klinken voor de echte wereld. Als een soort glossy elektronica waarbij de Flair-lezeressen in hun nopjes zijn. Het is zeemzoet wegdromen en fuchsia kauwgombellen blazen. Het kan even en dan nog alleen maar als de zon schijnt. Magic Panda is dan ook afkomstig uit Norfolk, volgens The Guardian de meest warme stad van het Verenigd Koninkrijk. ‘Temple of A Thousand Lights’ glimlacht dromerig en harmonieus. In alle vriendelijke onderdanigheid en ondanks de mooie, wazige songs en de vrolijk huppelende synths kan Magic Panda je niet vertellen wie hij is. Ook al riep hij even hulp in van labelbaas Kid606 en Max Cooper. Licht verteerbaar. Snel vergeten.

Na het opheffen van Sunshine Apollo in 2009 richtte de New Yorker Sam Cohen Yellowbirds op. Waar de man voordien solo te werk ging, verzamelde hij nu een echte band rond zich om zijn ideeën uit te werken. De voorganger van Yellowbirds, ‘The Colour’, blikte Cohen namelijk, net als zijn platen onder het vehikel Sunshine Apollo, alleen in. Het is meteen een beetje vreemd dat deze plaat kalmer klinkt, rustiger en beter overdacht dan zijn voorganger, gezien er nu ook anderen enige zeggenschap in het resultaat hadden. Toch blijft Cohen het voornaamste bandlid. Hij is gitarist, zanger en componist tegelijk en heeft zo te horen vooral verwante zielen gezocht opdat hij niet alles meer alleen zou moeten inspelen. Drummer Brian Kantor, zangeres en bassist Annie Nero en haar teergeliefde echtgenoot en tevens multi-instrumentalist Josh Kaufman zorgen voor een muzikale invulling die de negen liedjes helemaal in een jaren 1960-badje dompelen. ‘Mean Maybe’ met zijn impressionante harmonieuze zang doet denken aan Everly Brothers en Beach Boys. Het is echter het enige nummer dat die richting uitgaat. De overige acht klinken als licht psychedelische folk, doorleefd, ingetogen en rustig van aard. Lief en mooi zelfs, doorwrocht en tot in de kleinste details perfectie nastrevend. Cohen slaagt er grotendeels in om magnifieke dromerige folky liedjes te maken die net niet te slijmerig worden. De betere kant van Don McLean zouden we bijna durven te stellen. Niets mis mee, zelfs niet met diens klassieker ‘American Pie’, al verkiezen we de versie van Killdozer. Niets mis ook met ‘Songs From The Vanished Frontier’, gewoon mooi mag zelfs bij ons zo nu en dan.

Bouwend op de  erfenis van The Jesus Lizard, Swans, The Birthday Party, Cop Shoot Cop en Sonic Youth wrijft Pop.1280 in 2012 op ‘The Horror’ een dikke drie kwartier met gefrustreerde posthardcore tegen de haren in. Pijnlijk, vies, luid, compromisloos, agressief, een lijn die nu op ‘Imps Of Perversion’ fijntjes wordt door gezet. Soms zelfs nog viezer en meer gefrustreerd dan het debuut spuugt Pop. 1280 hier alsof de duivel met brandende poten op en neer over de ruggenwervel rent. Fel is het kernwoord, met een ritmesectie die qua klank veelal terug valt op de industrialkant van de New York noiserock. Met scherp en schel afgestelde gitaren bijt Pop.1280 hier in je oren, de bas zo vervormd dat je continu het vermoeden hebt dat je boxen zijn opgeblazen. Maar niet alleen fel. Op ‘Imps Of Perversion’ verbreedt de New Yorkse band het geluid. Meer ruimte voor synthesizers, meer gebruik van vervorming van de stem en meer effecten over de gitaren maken de garagenoiserock van Pop.1280 gevarieerder dan op het al zeer aansprekende debuut.

Het heeft even geduurd, maar eindelijk is het debuutalbum van Factory Floor er dan. En als de band iets heeft gedaan in de jaren sinds ze voor het eerst lieten doorschemeren dat ze New Orders drummer Stephen Morris hadden gestrikt voor de productie, is het dingen weglaten. De meest bepalende eigenschap van ‘Factory Floor’ is hoe kaal het allemaal is. Een drummachine, een koebel, percussie, een tekst van een handvol woorden, een riff uit de sequencer (en zelfs dat niet op het ultieme openingsbod, ‘Turn It Up’). Wat overblijft zijn ritme, groove en een heel eigen referentiekader. De eerste keer dat ik de plaat hoorde, had ik net de nieuwe Fuck Buttons gedraaid (zie elders op deze pagina’s), en na die geluidswal leek Factory Floor spichtig, incompleet. Maar onder de juiste omstandigheden vallen de uitgebeende grooves precies op hun plaats, en kunnen de constante accenten op iedere tel een dansvloer hypnotiseren, zoals op ‘Fall Back’ en het jeukende ‘How You Say’. Ondanks Morris’ bemoeienissen (als die er ook echt zijn, de informatie op de promo is nogal minimaal – hoe passend) en de samenwerking vorig jaar van zangeres Nik Void met Carter Tutti, heeft Factory Floors muziek meer van doen met de punk-funk uit New York, zoals ESG en Liquid Liquid. Geen wonder dan ook dat de band onderdak vond op DFA van James Murphy (LCD Soundsystem), terwijl eerdere platen op Blast First verschenen. Daar op, maar vooral live, speelde de gitaar nog een belangrijk rol, maar ook dat is zo goed als voorbij, gereduceerd tot amper een minuut op het intermezzo ‘Two’. Tegen het einde is de rek er een beetje uit – het laatste nummer moet zich uiteindelijk naar de eindstreep slepen – maar dan heeft de band haar punt al lang en breed gemaakt.

De eerste lp sinds lange tijd van Mike Paradinas a.k.a. µ-Ziq . Paradinas heeft een lang pad afgelegd sinds we hem in 1993 leerden kennen als een geloofsgenoot van Aphex Twin, The Black Dog en andere kopstukken van de eerste IDM-golf. In de jaren daarna maakte hij drill ’n bass, house, ambient, jazzy drum-n-bass, elektro, breakcore en allerlei mengvormen. Zo gesteld lijkt het misschien dat hij achter trends aanhobbelt, maar feit is dat hij een hoop van die genres mee heeft helpen vormen. Een constante op veel van zijn platen is altijd een nerveuze energie geweest, die tot uiting komt in hoog tempo, druk piepende synths en vooral heel veel breaks. Maar aan alles komt een eind; ‘Chewed Corners’ is een breuk met het verleden, een frisse start die ook hoog nodig was, want met nog een plaat als ‘Bilious Paths’ was Paradinas een parodie van zichzelf geworden (de eerlijkheid gebiedt hier te vermelden dat ook het voorgaande album al niet meer zo klonk, maar met een jaren 90-geluid ook niet echt nieuwe wegen bewandelde). Deze nieuwe plaat is een mooie, vloeiende verzameling nummers met hetzelfde soort Kodachrome-geluid dat ook Kuedos ‘Severant’ had (dat dan ook op Paradinas’ Planet Mu verscheen; zie GC#107). Er zijn nog steeds elementen herkenbaar van voorgaande platen – flarden breakbeat, footwork-ritmes, acid-blorps, ambient pads – maar het is allemaal ondergeschikt gemaakt aan een dikke stapel melodische synthesizer-lagen. Heel veel drive hebben de nummers niet meer, en daarmee klinken zeker de euforische tracks van ‘Chewed Corners’ als soundtracks de opkomende zon tijdens de come down na een zomerse rave. Wat trouwens niet betekent dat de plaat geen bite heeft; er zijn genoeg complexe en ontregelende elementen, en nummers als ‘Feeble Minded’ en ‘Monyth’ ademen de sfeer van oude horrorfilms. Al met al een mooie en kundige plaat.

Het debuut ‘Free Time!’ van Pinkunoizu werd nauwelijks een jaar geleden door ons nog als wisselvallig maar interessant betiteld. Duidelijk was dat de Denen niet van plan waren om zich tot een genre te beperken, maar de mix van noise-, kraut- en psychedelische rock met jazz- en popinvloeden kwam nog niet in alle nummers even goed uit de verf. Het idee was er, de uitwerking liet nog over. Op ‘The Drop’ valt alles echter op zijn plek en lijkt Pinkunoizu de verbindende formule te hebben gevonden. Blues wordt op natuurlijke wijze met krautrock en Afrobeat gecombineerd, psychedelische rock met jazz en elektropop. Alles lijkt te kunnen, en alles werkt. Zo lijk het in nummers als ‘The Great Pacific Garbage Patch’ of ‘Pyromancer’ haast alsof Neu! en JJ Cale  de handen in een hebben geslagen.  Combinaties die niet geheel voor de hand liggen en op papier zelfs onmogelijk lijken, worden door Pinkunoizu moeiteloos aan elkaar gekoppeld. De kritiek die bij ons klonk bij het debuut en de ep ‘Second Amendment’, is met ‘The Drop’ dan ook verdwenen als sneeuw voor de zon. Heel ‘The Drop’ ligt op het niveau van de uitschieters van de voorgangers en een van de uitschieters van de ep (‘Tin Can Valley’) gaat hier zelfs op herhaling. ‘The Drop’ is de plaat waar de belofte waar wordt gemaakt en waarmee Pinkunoizu een mooie plaats kan gaan bevechten in de huidige kraut- en psychedelische rockrevival, ergens tussen Suuns en Moon Duo.

Het pad van een recesent is bezaaid met slechte, middelmatige en in het beste geval goede platen. In dat laatste geval is het dan nog het best als die onverwacht in het stapeltje te bespreken materiaal opduiken. En dat was het geval met dit debuutalbum van een bende ongeregeld uit Como, Italië. His Electro Blue Voice bracht op een bescheiden manier al een aantal ep’s uit. Voor hun debuutalbum komen ze binnen via de grote poort van het legendarische Sub Pop label. Het eerste wat wij van de band hoorden stond op ‘Sub Pop 1000’, het gelimiteerde (nou ja, 5000 stuks) album dat verscheen naar aanleiding van Record Store Day. Grote, bekende labels creëren grote verwachtingen. En of His Electro Blue Voice daaraan voldoet. Hun mix van psychedelica, wave, postpunk en noise grijpt ons vast vanaf opener ‘Death Climb’ met die crashende cymbalen in het begin. In ‘Spit Dirt’ zitten haast twee nummers verborgen. Nummers die worden verbonden via een voortjakkerende baslijn. Het eerste deel is Killing Joke-achtige stomper, het twee deel lijkt dan weer meer beïnvloed door krautrock. Dan volgt het noisy, vooruitgeschoven nummer ‘Sea Bug’ in een dubbelrol met ‘Tumor’. Even kort en krachtig. Sterke nummers daar niet van, maar wij hebben nog meer met de uitgesponnen tracks ‘The Path’ (met die heerlijke spacey break) en ‘Born Tired’, onze favoriete nummer van de plaat dankzij de schreeuwende vocalen. Jammer dat het album een beetje eindigt op een valse noot met het rare einde van ‘Red Earth’. Maar ‘Ruthless Sperm’ is niettemin een klasseplaat.

De Amerikaanse componist Nico Muhly is nog maar net de 30 gepasseerd, maar heeft al een CV waar je U tegen zegt. Naast werken voor een hele lijst gerenommeerde orkesten en balletgezelschappen in de VS, speelde hij mee of arrangeerde hij voor onder meer Antony, Will Oldham, Grizzly Bear en Usher. Ook componeerde hij verschillende soundtracks, ging in 2012 zijn eerste opera in première, en verscheen werk van zijn hand op zowel klassieke gigant Decca, als Bedroom Community, het label van Valgeir Sigurðsson (‘Speaks Volumes’, zie GC#80). Op datzelfde label verschijnt nu ‘Cycles’, waarop organist James McVinnie werken van Muhly vertolkt. Voegde Muhly eerder elektronica toe aan zijn albums op het IJslandse label, McVinnie houdt zich op ‘Cycles’ strikt aan een klassiek instrumentarium. ‘Cycles’ valt grofweg in twee delen uiteen. Enerzijds zijn er vijf composities voor solo-kerkorgel waarin het onvermijdelijke gewicht van het galmende orgel wordt tegengewerkt door de speelsheid van de composities. Die zijn (of lijken) erg los: de noten dansen over het toetsenbord, soms met veel poppy herhaling, dan weer alsof ze geïmproviseerd zijn. Soms is het alsof Muhly doelbewust spot met de alle kerkelijke connotaties van het instrument. Daarnaast zijn er zeven preludes, veel statiger stukken, die steeds worden ingeleid door tenor Simon Wall, en mede daardoor nog het meest klinken alsof ze deel uitmaken van een liturgie (maar toch ook nog steeds alsof ze de gemiddelde kerkganger zouden doen fronsen). Als overgang tussen deze twee delen is er één ingetogen nummer waarop Nadia Sirotas tere viool de dienst uit maakt en daarmee volledig breekt met alle oneerbiedigheid (hoewel, het heet ‘Slow Twitchy Organs’). Alles bij elkaar is ‘Cycles’ een moeilijk plaatsbare plaat; tussen de rest van de Bedroom Community-catalogus is het een beetje het gekke jongetje uit de klas dat niet wil of kan deugen.

Het Haiku Salut trio komt niet uit Japan, maar Derbyshire. De band maakt met gebruik van accordeon, ukelele, glockenspiel, piano, loops en laptop (alles in meervoud) een vrolijke en soms ook wel wat triestig stemmende mix van folk, klassiek, pop, schlager en experiment, waarbij vooral de aanschuivende ritmes redelijk van de pot gerukt zijn. Geen moment hoeft de luisteraar zich te vervelen, want simpele deuntjes blijven bij Haiku Salut meestal maar voor even simpel, om zich daarna aan alle vaste denkkaders te onttrekken, en een eigen, onvoorziene weg te gaan. Om na verloop van tijd toch weer terug te keren naar het honk van het eenvoudige basisidee, dat in retrospectief eigenlijk helemaal niet zo makkelijk is. ’t Is me wat, van die folkies die net zo makkelijk elektronica gebruiken als akoestische instrumenten met een lange traditie in de folk. Maar dat onvoorspelbare maakt het nou juist ook weer zo aantrekkelijk…

Twintig jaar lang waren de rollen duidelijk verdeeld. Gitarist Omar Rodriguez Lopez schreef de muziek, zanger Cedric Bixler Zavala schreef de teksten. Zo ging het in emo/hardcoreband At The Drive-In en later in The Mars Volta. Een prima relatie, maar Rodriguez Lopez ging vreemd. Zijn zijproject Bosnian Rainbows slokte veel tijd op, waardoor The Mars Volta op een zijspoor kwam te staan. Dan is het uit, vond Bixler Zavala en begin 2013 werd een punt gezet achter twaalf jaar The Mars Volta en de twintig jaar durende relatie. Genoeg reden voor Rodriguez Lopez om zijn volledige aandacht op Bosnian Rainbows te storten. Ondanks dat hij altijd een grote stempel drukte op zijn bands, houdt hij zich bij deze band opvallend stil. Samen met zangeres Teri Gender Bender maakte hij al feministische garage punkrock onder de naam Le Butcherettes, drummer Deantoni Parks verzorgde eerder het slagwerk van The Mars Volta. Dat is meteen het enige dat Bosnian Rainbows doet terugdenken aan voorgaande bands. Geen hysterische, gefreakte drumpartijen en gitaarsolo’s meer. Rodriquez Lopez en co hebben de kant van de diepe, lome postpunk bassen opgezocht. Teri Gender Bender is van doldwaze puber uitgegroeid tot een zwoele spookuitvoering van Siouxsie Sioux. Vroege jaren 1980, toen de muziekwereld in het zwart gekleed liep en nergens een sprankje hoop was te horen. Opener ‘Eli’ laat die tijden herleven, met klanken zoals een band als Wire kon voortbrengen. Bosnian Rainbows borduurt verder op de postpunk en trekt het genre naar 2013. De uitkomst van de nieuwe weg van Omar Rodriguez Lopez is een positieve. Na regen komt zon is een cliché, maar in de vorm van een duistere regenboog is het wel erg aantrekkelijk.

De bandnaam zei ons in eerste instantie weinig of niets. Even google raadplegen dan maar, de ultieme oplossing voor heel wat vragen. Noppes. De bandnaam levert bevreemdende resultaten maar absoluut niet wat we zoeken. Toch komen we er achter dat de afkorting staat voor Save Your Pretty Heart. Het oorspronkelijke trio van Peter ‘Harry Rag’ Braatz (zang), Uwe Jahnke (gitaar) en Thomas Schwebel (bas) richtten de band op in 1977 te Solingen, Duitsland. In 1979 verscheen het eerste plaatwerk, toen nog punky van aard. Holger Czukay produceerde het tweede album, Schwebel ging naar Fehlfarben, de rest speelde op Czukay’s ‘On The Way To The Peak Of Normal’ en toen was het over en uit met S.Y.P.H. Inmiddels was de initiële punk vervangen door Neue Deutsche Welle, die begin jaren 1980 echt opgang maakte. De band verrees doorheen de jaren regelmatig en verdween telkens al snel van de radar. Tot nu. De twee vorige wapenfeiten waren bijdrages aan eerbetooncompilaties voor The Fall en The Monks, maar nu schreven ze nog eens een volwaardig album. En opnieuw gaat het een beetje alle kanten op. Duitstalige teksten, veel Neue Deutsche Welle, hier en daar wat krautrock (‘Vorhof Im Doof (Doof Im Hof Return)’, ‘Japanische Hotels’) of een lichte toets psychedelica. Dat laatste eigenlijk voornamelijk in de teksten, voor zover we die begrijpen. Er staan trouwens net zo goed een paar instrumentale stukken op, die al snel naar lounge neigen. De afwisseling zorgt ervoor dat ‘E.X.’ net niet té oubollig klinkt. Daar komt de drang van de band naar experiment en avant-garde bij, zaken die ze steeds hebben gebruikt om de grenzen van hun liedjes te verbreden. We hebben er geen idee van of de Duitsers het in deze incarnatie lang zullen volhouden. Misschien duiken ze gewoon weer onder, tot 2017 voor alweer een jubileum.

Goudomrande wolken. Kabbelen op de rustig golvende zee. Zuchtend zingende meisjes over zacht zwevende synthesizers. Het Zweedse trio Postiljonen is een droompop trio dat uit een tot 1980 afgegraven echoput naar boven galmt. Daniel Sjörs, Joel Nyström Holm en Mia Bøe duiken op ‘Skyer’ in het ontwaken tijdens het ochtendgloren, dauw aanslag nog op de stembanden van Mia Bøe, de slaperige resten van dromen nog in de aanslag op de toetsen. Geluiden die klinken als vervagende herinneringen, zoals ook in de chillwave van Washed Out, en naïeve synthpopdisco van M83. Soms iets te naïef in het geval van Postiljonen. Nummers die te veel kabbelen, zang die te veel zucht, pop die te liefelijk kreunt, muziek die te veel in de achtergrond verdwijnt. De Zweden weten aardig hoe de droompop in elkaar te zetten, maar weten net niet die droom te creëren die je hoopt te dromen.