GC #117

Het tweede deel van Machinefabriek’s ‘Stroomtoon’-serie is een verzamelaar van eerder verschenen werk – en dat is maar goed ook, want vrijwel alle nummers stonden op zeer gelimiteerde 7inches, en deze muziek verdient het om door meer dan een handvol mensen gehoord te worden. Ik heb op deze pagina’s wel eens gesuggereerd dat Rutger Zuydervelt gebaat zou zijn bij een filter op zijn output, en op papier klinkt “improvisaties die ontstonden tijdens het uittesten van een nieuwe live set-up” als iets waarvan ik me af zou vragen of de wereld er nou wel op zit te wachten. Het tegendeel is waar: ‘Stroomtoon II’ is een verzameling knappe, zeer subtiele nummers, bestaand uit gelaagde bromtonen, kleine effecten, microgeluiden, et cetera. Deel twee is een stuk minder glitchy en dissonant dan nummer een, en klinkt alsof hij uitstekend zou passen bij een impressionistische film over elektriciteit. Het is allemaal zeer ingehouden, en toch spannend. Er zijn korte spanningsbogen binnen de nummers, kleine repetities die al schuivend de nummers structuur geven, diepe noten. Soms wordt het wat gemener; op die momenten heb ik meer dan ooit het idee dat Zuydervelt in een zelfde soort headspace zit als Carsten Nicolai en Mika Vainio, minus de techno en de open agressie. Maar ‘Stroomtoon’ zal toch vooral fans van Freiband, Taylor Deupree, Steinbruchel en aanverwanten aanspreken. Op strategische punten op de cd heeft Zuydervelt twee niet-Stroomtonen toegevoegd (‘Kreupelhout’ en ‘Toendra’) die meer naar gitaar-ambient neigen, en even de spanning ontladen. De mooiste Machinefabriek-release die ik sinds lange tijd gehoord heb.

Meer dan eender welk ander genre, zit hiphop vergeven van de torenhoge ego’s. Het leeuwendeel van de rappers neemt zichzelf veel te serieus en sommigen veragfoden zichzelf zo hard dat het pathetisch wordt. Gelukkig is er ook een tegenbeweging aan de gang, denk maar aan de vrolijke Fransen met olijke fratsen van Odd Future. Ook bij David Cohn mag er al eens gelachen worden. Onder zijn nom de plume Seregneti vertelt deze rapper uit Chicago het verhaal van Kenny Dennis. Kenny was begin jaren 1990 actief als rapper, al brak hij nooit door gezien zijn focus eerder lag bij basketbal spelen en stapels films kijken. Na een vete met Shaquille O’ Neal speelde arme Kenny zijn platencontract kwijt. De sfeer en de productie van ‘Kenny Dennis Lp’ gaan terug naar die gouden periode, toen Leaders Of The New School, Jungle Brothers en A Tribe Called Quest het mooie weer maakten. De producties komen van labelgenoot Odd Nosdam die instaat voor een jazzy ondertoon waarop Serengeti een erg herkenbare Kenny Dennis neerzet die het heeft over patriottisme (‘Crush Em’) en zijn frustratie uit over de tegencultuur van de punkers (‘Punks’) en over zijn vrouw (‘Kenny and Jueles’). Het meest hilarische nummer is ‘50th Birthday’ waarin Kenny het in een restaurant aan de stok krijgt met fans van Shaquille O’ Neal, en dat op zijn vijftigste verjaardag. Dat Serengeti in de eerste plaats een bijzonder bekwame rapper is, bewijst hij onder meer op het vinnige ‘West Of Western’. De man uit Chicago bracht inmiddels een kleine twintig platen uit op goed tien jaar tijd. Maar als hij het niveau en de originaliteit van deze ‘Kenny Dennis Lp’ aanhoudt, hoeft veelschrijver wat ons betreft helemaal geen negatief begrip te zijn.

Onder de groepsnaam ‘Danny & The Nightmares’ gaat cultfiguur Daniel Johnston schuil. De legendarische man, die door velen wordt gezien als de grondlegger van het lo-figenre, maakt al heel zijn leven behoorlijk geflipte liedjes en tekeningen. Normaal doet de man, die manisch-depressief en schizofreen is en er nu ook nog ouderdomsdiabetes bovenop cadeau kreeg, alles op zijn eentje. Hij verdraagt niet gemakkelijk mensen om zich heen en ook zijn liedjes zijn meestal van enige vorm van optimisme gespeend. Ondanks ’s mans persoonlijke moeilijkheden wordt hij door vele adepten op handen gedragen. Met ouder worden lukte het hem makkelijker om voor het voetlicht te treden en optredens te doen, al gebeurt dat nu ook weer niet zo frequent. In zijn beginjaren deelde Johnston zijn liedjes uit tijdens optredens, gebruik makend van cassettes al medium. Het was pas toen hij Kramer (Shimmy Disc) ontmoette, eind jaren 1980, dat hij voor het eerst professionele opnames kon maken. Het verruimde zijn wereld enorm. Kurt Cobain was een bewonderaar, Jad Fair, Yo La Tengo en nog een hele resem anderen werkten met Johnston samen en het hield voor hem eigenlijk nooit meer op. Met The Nightmares maakte hij voor het eerst een album in 1999. Daarmee is het nu helemaal afgelopen, maar Munster mocht dit album, dat vijf jaar geleden werd afgemaakt, alsnog uitbrengen. Een nieuwe insteek is er uiteraard niet. Wie de muziek van Johnston kent en ervan houdt, dient dit album aan te schaffen. Voor wie hem niet kent, zijn deze liedjes misschien net iets toegankelijker dan zijn vele solowerk, al is het uiteraard niet gelikt op band gezet. De songs zijn ruwe rockers, verhaaltjes of odes aan Satan (of Jezus). Lo-fi rock en experiment wisselen elkaar af in een kinderlijk en bevreemdend universum waar Johnston een patent op heeft. Hemels confronterend.

Zacht kriebelend, dan eens kriegelig, soms zelfs irriterend, dan weer aangenaam zacht, en opeens net niet zacht genoeg… Dat is het gevoel van de deken van ambientklanken die je omhult zodra het onlangs opnieuw uitgebrachte album ‘Form’ van Aria Rostami wordt opzet. Kleine gebaren, korte klanken en dito spanningsbogen die samen één groot geheel vormen met af en toe een climax of dissonant om de luisteraar niet te ver te laten wegdromen in het golvend klanktapijt. De cirkelvormige ontwikkelingen in klank bootsen het ontstaan en verdwijnen van het leven na. Subtiel en fragiel wordt de ene dunne laag over de andere dunne laag in de compositie aangebracht om vervolgens weer van elkaar te vallen en te verdwijnen.
Het album begint in ‘Japanese Parisian’ met schrille contrasten van distortion klanken die harmonieus lijken te verdwijnen maar toch steeds voor dissonanten blijven zorgen. De voorliefde van Rostami voor de melancholische piano blijkt al snel. In verschillende klankkleuren wordt het klavier in de verschillende composities ten tonele gevoerd. We horen de piano vooral als een archaïsch instrument zoals in ‘Cleare’ en ‘Wednesday Blonde’ waar ze klinkt als een slow motion honkytonkpiano. De piano treedt in dialoog met dierlijk aandoende klanken die soms als uitheemse blaasinstrumenten klinken. In latere nummers klinkt zij weer als een tokkelen en aaien op de synthesizer. Het geheel wordt voorzien van kabbelende – ietwat standaard – ambient-ritmes afgewisseld met prettig tinkelende dubstep-ritmes en dunne breakbeats.
Een subtiele weloverwogen plaat om in de winter mee weg te kruipen in een warm hol en het leven in al zijn vergankelijkheid te overpeinzen.

In de tijd dat hij luider probeerde te klinken dan wie dan ook rekende waarschijnlijk niemand er op dat Jim Thirlwell vijfentwintig jaar later kamermuziek zou componeren. Ook van Nika Danilova, beter bekend als Zola Jesus, kun je je afvragen of iemand drie jaar geleden een plaat had verwacht met kamermuziek. Weliswaar is de afstand tussen haar muzikale uitersten minder groot dan die tussen oude Foetus en Manorexia, maar op de albums ‘The Spoils’ en ‘New Amsterdam’ was de productie nadrukkelijk lo fi en Danilova’s stem versluierd in ruis en gruis. Op ‘Stridulum’ en ‘Conatus’ trok die mist langzaam op, waarbij op die laatste echter ook duidelijk werd dat Danilova vast dreigde te lopen in de manier hoe ze haar stem gebruikte: hard en dramatisch, zonder nuances. Ook versimpelde het instrumentarium tot kale synths en botte drummachines. Beide tekortkomingen verdwijnen nu in één klap op ‘Versions’. Thirlwell arrangeerde acht oude Zola Jesus’ nummers plus één nieuwe compositie, oorspronkelijk voor een optreden van hun beiden met het Mivos Kwartet in het New Yorkse Guggenheim Museum, en nu dus ook op plaat. Daarbij benut hij de mogelijkheden van het klassieke instrumentarium op verschillende manieren; als barok kamerorkest, als mini-symfonieorkest, en, aangevuld met een beat uit zijn laptop, als bijna poppy begeleiding. De barokke nummers zijn het mooist, omdat Danilova binnen die intieme setting de drang verliest om alles te overschreeuwen, en zichzelf daarmee veel meer ruimte geeft. De emotionele dynamiek die daardoor ontstaat maakt haar stem paradoxaal genoeg een veel krachtiger middelpunt dan dat de wanhoopstijdingen op ‘Conatus’ dat deden. Dat wil niet zeggen dat alle versies mooier zijn dan de oorspronkelijke – zo blijft het origineel van ‘Night’ bijvoorbeeld onovertroffen – maar deze nieuwe richting heeft ons vertrouwen in Danilova helemaal hersteld.

De eerste keer dat de naam Date Palms ons kwam toegewaaid, was tijdens een gesprek met Félicia Atkinson (Je Suis Le Petit Chevalier), nu bijna twee jaar geleden. Atkinson koos toen Marielle Jakobsons, die samen met Gregg Kowalsky de kern uitmaakt van Date Palms als lid van haar ‘mag ik eens dromen’-all female band, samen met Liz Harris (Grouper), Christelle Gualdi (Stellar Om Source), Jackie McDowell (Inez Lightfoot) en Maya Miller (Religious Knives). Een mooi rijtje, dat meteen ook Date Palms accuraat situeert. Kowalski en Jakobsons zijn als Date Palms met ‘The Dusted Sessions’ aan hun derde album toe. Voor de gelegenheid breidde het duo zich uit tot kwintet. De plaat zou opgenomen zijn tijdens de zonne-eclips van mei 2012. Nu hebben wij er geen idee van hoe lang zo’n eclips duurt, maar als het klopt, is het een krachttoer. Want ‘The Dusted Sessions’ bevat zeven tracks van de meest zorgvuldig gecomponeerde dronerock die we recent mochten aanhoren. Daarbij spelen de baslijnen van Ben Bracken en de tanpura-drones (een sitar-achtig instrument) van Michael Elrod, die eerder ook al Barn Owl assisteerde, nauwelijks te onderschatten hoofdrollen, naast Kowalsky’s elektronica en Jakobsons’ viool. De eerste vier tracks – ‘Yuba Source Part I’, ‘Six Hands To The Light’, ‘Yuba Source Part II’ en ‘Yuba Reprise’ – vormen samen een ode aan de rivier Yuba, die door de Sacramento vallei in California stroomt. Denk Ennio Morricone op downers, maar dan nòg een beetje slomer, want afgaande op de hoes is het héél warm in Oakland, California. Halverwege track vijf (elpeekant twee?) slaat de sfeer om. ‘Night Riding The Skyline’ is met zijn repetitieve vioolpartij en onheilspellende synths, zoemende bas en sputterende ritmemachine drone-dub, ergens tussen de landschapsschilders van Grails en de pretdub van Peaking Lights in. Vervolgens gaat het met ‘Dusted Down’ en afsluiter ‘Exodus Down West’ helemaal richting deep space. Op gezapig tempo, weliswaar.
Date Palms staan overigens op 20 september op Incubate en op 21 september samen met Plankton Wat (Dewey Mahood van Eternal Tapestry) in de Antwerpse Scheld’apen. U moest al voor de deur aan het kamperen zijn.

Hellsongs uit Göteborg is voornamelijk bekend of berucht voor het maken van platen vol covers van foute hardrocksongs. Op ‘Hymns In The Key Of 666’, het debuut uit 2008, was er het duivelsthema. Opvolger ‘Minor Misdemeanors’ werd niet alleen ingeblikt met een nieuwe zangeres, er was voor het eerst een eigen nummer dat niet misstond tussen de reeks covers. Net als op het debuut werd de metal en hardrock in een loungebadje gedompeld waardoor de band zich wist te onderscheiden van andere coverbandjes. Het eigen nummer hoefde trouwens absoluut niet onder te doen voor de rest. Op ‘Love Live Lounge’ deed de band het met een volledig orkest en slaagde er opnieuw in om de covers die ze brengen, lekker fris, anders en verslavend te doen klinken. ‘These Are Evil Times’, het nieuwe werkstuk, is voornamelijk vreemd. We herkenden initieel geen enkel nummer en dachten dat het trio alles zelf had geschreven. Niets is echter minder waar. Ongeveer de helft zijn eigen nummers, de andere zijn effectief covers van hardrock- en metalliedjes. In een volkomen onherkenbaar kleedje gestopt, dat wel. Siri zingt als een melancholische sirene, maakt van de meeste nummers gevoelig klinkende popdeuntjes en slaagt er in om Rammstein’s ‘Engel’ te reduceren tot Neue Deutsche Welle. ‘Iron Man’ van Black Sabbath, Entombed’s ‘Eyemaster’ of Ronny Jmaes Dio’s ‘Stand Up And Shout’ worden tot een bevreemdende essentie teruggebracht die uitnodigt tot meermaals luisteren om het origineel enigszins terug te vinden. Ideaal voer voor popquizzen en anders puur voor het vermaak.

Het Finse kwintet Unkind is toe aan zijn tweede album voor Relapse. Kan hen het schelen dat ze platen maken voor overal op de aardkloot. In het Fins schreeuwen ze zich een breuk. Gelijk heeft de brulboei van dienst. Het zijn er eigenlijk twee, Tommi en Marko, maar ze doen in agressie en boosheid absoluut niet voor elkaar onder. In essentie brengen de heren hardcore, met veel d-beats. Ze proberen zich echter te onderscheiden door sferische stukjes toe te voegen en hier en daar invloeden uit black metal toe te voegen. Daardoor wordt de crusty sound net iets gevarieerder en interessanter. Die black uit zich voornamelijk in de behoorlijk naargeestige sfeer die songs als ‘Viallinen’ en ‘Laki’. Afsluiten doet de band dan weer met een song, ‘Saattokoti’, waarin een banjo zorgt voor een instrumentaal melancholisch stukje wegwerpmuziek. Echt overtuigen doet de plaat niet. Daarvoor is de concurrentie van bands als All Pigs Must Die, Early Graves en Black Breath net iets te hoog gegrepen. ‘Pelon Juuret’ is gewoon een degelijke middenmoter van een eigenwijze band die zich nergens iets van aan trekt.

Wie af en toe ook onder de toplaag van de experimentele muziek krabt, zal Smooth Quality Excrement in het voorbije decennium misschien tegengekomen zijn via een handvol releases. Dit project van J Greco (een losse medewerker van Ure Thrall & The Fruitless Hand) bracht vooral elektronische live improvisaties uit, met fijne titels als ‘Weapons Of Ass Destruction’. Samen met het kwaliteitslabel voor zijn stoelgang, gooit Greco ook zijn werkwijze om. SQE is voortaan een drieletterwoord waarachter een heuse groep schuilgaat, met een bekwame zangeres en (hou je vast) echte instrumenten: gitaren, hoornblazers en viool. Er is weliswaar een experimentele grondlaag achtergebleven, en het effectenapparaat blijft actief, maar tot onze verbazing zinken we weg in warme roodfluwelen loungegevoelens en dubritmes. Van zodra we van de shock bekomen zijn, besluiten we om deze cd als tweevoudig wapen in te zetten: onze hipster bezoekers kunnen we wild maken met deze aangename obscuriteit, terwijl we de onverbeterlijke industriëlen van het eerste uur luid gillend de kast zullen opjagen. Klinkt als een prima plan, nu enkel nog een misleide geest vinden die ons wil komen bezoeken.

Op deel drie in de Air Texture reeks presenteren Deadbeat en DJ Olive ieder een cd met hun kijk op, en persoonlijke favorieten in het ambientgenre. Air Texture staat haar curatoren toe die term in de ruimste zin van het woord te interpreteren, wat de serie tot een mooie, brede staalkaart van de mogelijkheden binnen het genre maakt. We kennen Deadbeat vooral als maker van minimale dubtechno, maar blijkens deze selectie reiken zijn interesses verder. Er zijn mooie bijdragen van SHRUBBN!!, Tobias Freund en de ons onbekende Hrdvision, waarop ruis, dissonantie en zwevende pracht in gelijke delen aanwezig zijn. De tracks van onder meer Villalobos & Loderbauer zijn dan weer een beetje neuzelig, en pas wanneer de dub zijn intrede doet, en dan zijn we al over de helft, wordt Deadbeats selectie spannender. Poles bijdrage is weliswaar wat obligaat, maar vooral de nummers van Thomas Fehlmann en NSI. zijn de moeite waard. Op cd2 gooit DJ Olive – echte naam Gregor Asch – het over een heel andere boeg. In zijn eigen werk is hij vaak ook niet vies van een fikse dosis dub, maar er zit ook een meer avant-gardistische kant aan zijn werk. Zo kennen wij hem nog van een noise/dub-crossover met Kim Gordon en Ikue Mori op SYR (en bedacht hij naar verluidt de term “illbient”). Zijn selectie beslaat zowel de hedendaagse exponenten van de abstracte uithoeken van ambient, zoals Oren Ambarchi, Evynid Kang en Marina Rosenfeld, als voorlopers en oudgedienden, zoals Phil Niblock, Pauline Oliveros, Fennesz en Jim O’Rourke, plus een aantal onbekende namen. Het geheel golft mooi heen en weer tussen haast academische dronescapes, en kalme, drijvende ambient, wat het tot het einde toe (een idiote krakerige latin-dub track) boeiend houdt. Een goed derde deel in deze nog steeds uitstekende serie.

‘Open Space’ bestaat op de cd uit een lange track van 70 minuten, op de lpversie wordt dat uitgesmeerd over vier kanten. Ongenaakbare elektronica, geheel in de geest van Jason Kahn (New York, 1960) die via Los Angeles en Berlijn uiteindelijk in Zurich belandde. Een van de grote namen in de elektronische muziek, die in een gigantisch aantal releases opduikt en steevast op de meer specialistische festivals te horen valt. ‘Open Space’ bevindt zich op het snijpunt van improvisatie en compositie, en gaat uit van grafische notaties die op specifieke groepen gericht is, voor speciale personen bestemd is zelfs. ‘Open Space’ werd gemaakt voor het NOW Festival 2012 in Sydney, Australië, en meandert heen en weer tussen het ingetogen spel van de negen geselecteerde muzikanten. Soms gaat iemand te lang door, hele gedeeltes zijn nauwelijks voor het oor waarneembaar, de interactie knalt er meestal niet echt vanaf, en echt spannend wordt het zelden. Toch valt er ook genoeg te genieten.

Leden van Black Elk, Portals, Cremains en Le Force, bands uit Portland, Oregon, besloten om in 2010 Lord Dying in het leven te roepen. Metal was de roepnaam, de riff het middel. Een al snel uitverkochte single volgde en een toer met labelgenoten Red Fang en Black Tusk bracht hen op heel wat podia waar ze meedogenloos elke bezoeker plat hebben gewalst. En nu is er dus een debuut, en wat voor eentje. Sanford Parker stond in voor de opnames. Hij heeft al een indrukwekkend palmares opgebouwd door zijn werk met onder meer Yob, Rwake en Nachtmystium. Hij weet hoe een metalplaat anno nu hoort te klinken. Brutaal, vol, hard, duidelijk en overdonderend. Lord Dying is daarmee aan het goede adres met een kruising van High In Fire en Kylesa. Een overdosis aan snelle riffs en grooves dus, met wat thrash in de mix omdat die sound plots weer hip is. Sludge en doom is niet aan deze heren besteed. Niet metal genoeg vinden ze en misschien is het net daardoor dat dit album zo fris klinkt. ‘Greed Is Your Horse’ en ‘Descend Into External’, twee nummers die na elkaar staan, als derde en vierde van de acht, slaan ons wild om de oren en zijn wat ons betreft de absolute treffers van een album dat eigenlijk alleen maar hoogtepunten kent.

Het Brusselse Thin Consolation label is voortgekomen uit het grootletterige UNREzT collectief dat in de hoofdstad al sinds jaren elektronische avonden opzet van eclectische aard. Op het label worden vooral Belgische artiesten ondersteund, met ook een losgeweekte Nederlandse act in de broeders van Funckarma. Richard Colvaen maakte deel uit van het elektronisch gezelschap Bretzel Zoo die jaren geleden volgens onze waarde ex-collega Pds één van de betere Belgische elektronische IDM albums hadden afgeleverd. Nu is hij een solo producer die zich vooral bezighoudt met het maken van instrumentele mutant hiphop, IDM en ander mooi samplewerk. Een greep uit een aantal tracks; `Blue Screen` komt even in de buurt van Roots Manuva, `Stunt Wall Crash` gaat de weg van de italo synthmelodie op, `Patience` doet erg denken aan het geluid van een J Dilla en `Colvak` is een toffe Afro-ritmische bliep compositie met kwakende eenden en vogels op de achtergrond en bijgestaan door Herrmutt Lobby. Spongemagnet is een duo waarachter de oprichter van Umbrelladelika collectief schuil gaat, ook al één van die belangrijke bastions in de Brussele IDM scene. Het werkje telt vijf composities die bol staan met kabbelende of klappende beats, synth glissando`s en donkere effecten. `Bum Damage` is de sterkste van de vijf met een pakkende 8bit melodie verpakt in stevige portie beats terwijl in `Poon Quiver` duistere italo sferen en dubbelklappende beats Drexciya op de hielen zitten. In `Gimp Biscuit` komt de bekende gimp sample uit de film Pulp Fiction bovendrijven aangevuld door wat losse fladeren rap. Mastering werd gedaan door Pete Concrete van het gewaardeerde Nederlandse Eat Concrete label waarvan Thin Consolation zich zeker een waardige Belgische tegenhanger mag noemen. Ondersteun deze straffe klanken uit onze eigen streken als u nog altijd verrast wilt worden door verse IDM.

In de late zevende en vroege achtste eeuw heeft St. Cuthbert – toen nog bisschop Eadfrith en levend in een kleine monnikengemeenschap op het eiland Lindisfarne – een boek met gezangen geschreven en geïllustreerd. Een tentoonstelling van deze Lindisfarne Gospels was voor de faculteit van middeleeuwse studies aan de Durham University aanleiding om geluidenjager Chris Watson te vragen een soundscape van Lindisfarne te maken. Watson heeft ervoor gekozen een klankbeeld op te roepen van de omgeving waarin Eadfrith werkte en die hem wellicht bij de totstandkoming van het bijzondere boek heeft beïnvloed. Uitgaande van een van de belangrijkste ritmes voor de afgezonderd levende monniken – de wisseling van de seizoenen – heeft Watson ‘In Saint Cuthbert’s Time’ opgedeeld in vier stukken. De composities van elk ongeveer vijftien minuten zijn opgebouwd uit natuurgeluiden die naar een bepaald jaargetijde verwijzen. Talloze vogelsoorten, van ganzen, eenden, merels, meeuwen, zwaluwen, zangvogels en de zomerse roep van een koekoek zijn te horen. Daarnaast is in ‘Sumor’ bijvoorbeeld ook het geloei van koeien en het gezoem van insecten te horen. In ‘Haerfest’ (de middeleeuwse Angelsaksische herfst) laten zeehonden en herten zich horen en steeds is er – soms meer op de achtergrond, soms nadrukkelijker aanwezig – het geluid van de zee. Tegen het einde van elk van de composities laat Watson een licht klokkengetinkel Eadfrith uit zijn contemplatieve geluidsomgeving roepen. Ongetwijfeld presenteert Watson de opnamen niet onbewerkt, maar zijn de vier stukken verdichtingen. Al even ongetwijfeld heeft hij voor een sfeerbeeld van de middeleeuwse omgeving 21e eeuwse geluiden moeten verwijderen of vermijden. De natuur klinkt bij Watson behoorlijk druk, afwisselend en fascinerend; ‘In St. Cuthbert’s Time’ is verre van een new age-cd in de esoterie-shop. Een informatief en vermakelijk boekje met teksten van Watson en een aantal onderzoekers aan de Durham University maken ‘In St. Cuthbert’s Time’ compleet.

In 2005 stond Jackson Fourgeaud aan de wieg van de heropleving van de Franse housemuziek. Zijn debuutplaat ‘Smash’ groeide uit tot een cultplaat die gold als blauwdruk voor het geluid van Justice en het label Ed Banger. Sindsdien is het akelig stil rond Jackson. Acht jaar later komt Daft Punk, de keizers van de Franse dancemuziek, met een nieuw album aanzetten, dus kon ook deze Parijzenaar niet achterblijven. De robots wisten zichzelf opnieuw uit te vinden, de vraag is maar of Jackson daar ook in staat toe is. Net als op zijn debuut is hij alvast niet bang om risico’s te nemen. We horen vurige funk, filmische passages, veel vervormde vocalen, verschaalde gitaren en pompeuze synthesizers. Maar waar Jackson er op ‘Smash’ in slaagde om (minstens) evenveel invloeden tot een even eigenaardig als aangrijpend curiosum te kneden waarin alles zijn plaats had, verloopt de samensmelting hier veel moeizamer. Zo kiepert Jackson de terrorbeats van ‘Blood Bust’ te midden de verheven zang en de gezwollen sytnhesizers van ‘Orgysteria’ en ‘Memory’, dat lijkt weggelopen uit een B-musical. Jackson schopt wild in het rond zonder veel potten te breken. Wel goed zijn ‘Seal’, een precisiebommetje dat invloeden van dubstep opneemt; en ‘Arp 1’, een uitgebeende technotrack die onverbiddelijk op zijn doel afstevent. Naar het einde van de plaat toe raakt de inspiratie wat op, en passeren er nog enkele zoutloze French Touch-nummers. De kans dat ‘Glow’ tot een even groot succes en een even invloedrijke plaat als zijn voorganger uitgroeit, lijkt ons eerder klein.

Polly Scattergood is er eindelijk in geslaagd een opvolger ineen te knutselen voor haar alom geprezen debuut, naar zichzelf genaamd en eveneens op Mute. Ze is afkomstig uit Colchester, Essex maar resideert tegenwoordig in Londen. Niet dat het schrijven van liedjes haar daar makkelijker afgaat. Ze slaagde er maar niet in om nummers te maken die enigszins afweken van haar debuut. Dat was nu net wat ze wilde: anders klinken. Ze koos er al van bij het begin van haar carrière voor haar liedjes niet te brengen met een oubollige akoestische gitaar, al zijn ze op zich wel singersongwriterliedjes. Ze componeerde van kindsbeen af op de piano, en met ouder worden ging ze al snel met allerlei elektronica, voornamelijk keyboards, in de weer. Ze volgde intensief een muzikale opleiding en kwam zo via via onder de aandacht van Daniel Miller (baas van Mute) en Simon Fisher Turner, die haar eerste plaat produceerde. Het was pas toen ze Glenn Kerrigan ontmoette, dat ze van haar writer’s block verlost raakte om aan haar nieuwe plaat verder te kunnen werken. Inmiddels treden de twee samen op en Ken Thomas (Cocteau Twins, Dave Gahan, Sigur Rós) nam de productie in handen. De etherisch klinkende stem van Polly trekt de dancepopliedjes naar een ander universum. Ze sleurt ons als het ware mee naar een sprookjeswereld met de bedoeling om ons vrolijk te maken. Ze vindt het te eenvoudig om triestige nummers te schrijven en creëert liever iets waar mensen op kunnen dansen en een blij gemoed van krijgen. Dat dansen moet trouwens niet te uitbundig worden, want het tempo ligt meestal aan de lage kant. Wij vinden dat alvast niet erg. Die dromerige kant van Polly bevalt ons wonderwel. Bovendien weet ze ballades met iets meer dancegerichte songs af te wisselen waardoor de plaat niet alleen gevarieerd klinkt maar tegelijk, door de vele bijgeluidjes, blijft boeien.

Een peroxide-geblondeerde haardos, een gigantisch je m’en fou-houding en hippe trends in het achterhoofd. De Canadese Terror Bird heeft de looks en de juiste attitude om op te vallen. Haar liedjes helpen een handje als je graag gewenteld wordt in het donkere randje van Molly Ringwalds’ gloriejaren. De jaren ‘80 overheersen. Denk Anika, maar dan met het songgevoel van landgenote U.S. Girls en de grandeur van Austra. Nikki Never sloot zich op in haar slaapkamer en verdronk daar haar liefdesverdriet in de treurigste keyboard-notenladders. Terug naar af, ook al had ze reeds enkele studioprojecten achter de rug. Ik en ik alleen dacht ze. En dat voel je. ‘All This Time’ klinkt lofi en basic. Karig aangekleed als een vergeten liefdesverhaal in een leeg bed. Verslonden en verdrietig. Haar stem creëert een afstand die je niet inpakt of beroofd van medeleven. Europa lonkt gretig. Terror Bird wilt wel maar grijpt net niet hard genoeg

Decennialang al smeult de discussie over de definitie van industriële muziek. Je hebt aan de ene kant fans die zweren bij het rauwe, primitieve geluid zoals dat werd geproduceerd door muzikale iconoclasten als Throbbing Gristle, SPK of Einstürzende Neubauten. Daarnaast heb je zij die ook bands als Front 242, Skinny Puppy en zelfs Nine Inch Nails tot datzelfde kamp rekenen. De ultragelimiteerde vinylreleases (166 stuks) die het Nederlandse Kurzwellen op de wereld loslaat, laten geluiden horen die duidelijk tot de eerste zuil behoren. Na een introductie 7inch en twee splitreleases met Precission Surgery en Necrosis presenteert Kurzwellen volwaardige albums van Precession Surgery en The Savage Morality. Opnieuw steken de lp’s in zwart-witte uitklaphoezen die ons doen denken aan het artwork van Gee Vaucher van Crass. En net als voorheen is er verder geen informatie te vinden. Volledig volgens de underground DIY-attitude en esthetiek van de jaren 1980 is het allemaal heel anoniem, obscuur en gelimiteerd. Op hun bandcamppagina omschrijft The Savage Morality zichzelf als een collectief van industriële anarchisten ontstaan uit de as van de cassette underground. Die referentie naar het tapemilieu versterkt het undergroundelement nog meer. Verder valt enkel nog te achterhalen dat ze uit Bristol komen. The Savage Morality klinkt rudimentair en analoog. We horen zoemende analoge elektronica die met een been in het old school industrial kamp staat en met het andere kniediep in de cold wave. Melodie wordt niet geschuwd, noise evenmin. Dit evenwicht maakt van ‘First’ dan ook een meer dan warm aanbevolen release!
Van Precession Surgery weten we nog minder. Om niet te zeggen absoluut niets. Eerder op Kurzwellen gingen ze aan de slag met vertrouwde industriële geluiden die omkaderd werden door spaarzame minimal wave accenten en vielen er nog gitaren te detecteren. Op kant A is het ditmaal allemaal abstracter, rauwer, taaier en daardoor aanzienlijk minder toegankelijk. Gitaren hebben plaats gemaakt voor galmende soundscapes zoals bijvoorbeeld in ‘Repocurse 5’. De volledige b kant wordt ingenomen door ‘The Scyth Mantra Mix’ waarop Precission Surgery uitgebreid de tijd neemt om zich uit te leven met ritmische en zelfs dansbare cold wave. Naar het einde toe zakt het geheel een beetje in, maar de deejay die dit nummer op tijd afmixt, krijgt het volk op de dansvloer zeker aan het bewegen.

Mark Mulcahy is zo’n muzikant die vooral door collega-muzikanten gewaardeerd wordt, en door het gewone publieke nogal eens vergeten. Ook wij kunnen niet zeggen erg vaak aan hem gedacht te hebben de afgelopen jaren – en dat terwijl we toch enkele zeer geliefde platen in de kast hebben staan van zijn vroegere band Miracle Legion. Mulcahy’s tragiek is een beetje dat hij zeer degelijke muziek maakt die zeer genietbaar is, maar zelden echt briljant wordt. Uitstekend uitgevoerde popsongs in de traditie van R.E.M., Big Star en de vroegere David Bowie. Al zijn platen zijn fantastisch als ze door de ruimte galmen, maar eenmaal terug opgeborgen in de kast is er net te weinig blijven hangen om ervoor te zorgen dat je ze echt vaak weer tevoorschijn pakt. Na acht jaar stilte, waarin onder meer zijn vrouw overleed en er een tribute-album voor hem werd gemaakt door onder meer Frank Black, Michael Stipe en Thom Yorke, is hij terug met een nieuw solo-album. De plaat heeft alles van een glorieuze comeback. Alle nummers schitteren met optimistische, ontroerende melodieën, de band speelt vol energie en Mulcahy’s mooie, opvallende, wat geknepen stem klinkt beter dan ooit. Nu, terwijl de plaat door de stereo klinkt en de zon schijnt, vinden we het een van de aanstekelijkste popplaten die we recentelijk hoorden, duidelijk gekleurd door Mulcahy’s jarenlange muzikale ervaring, en hopen we dat hij er een groot publiek mee bereikt. Maar of we hem nog vaak terug gaan vinden zodra hij eenmaal in de kast is verdwenen? Vermoedelijk vaker dan zijn andere platen, ja. We gaan onze best doen.