GC #117

Alberto Boccardi is een ons tot nog toe onbekende Italiaan die een paar jaar geleden switchte van bas en drums in punkbands, naar elektronica in dienst van de ambient. In een verdere zoektocht naar nieuwe wegen maakte hij in 2012 opnamen van het klassieke koor Antonio LaMotta, en bewerkte die opnamen tot de compositie op de a-kant van deze lp. Helaas is het resultaat niet heel bijzonder. In de eerste van drie delen laat Boccardi een samenspel van drones, microgeluiden en lange loops van klassieke instrumenten laag over laag aanzwellen en een bescheiden climax met onherkenbaar vervormde geluiden beleven. Dat laatste element blijft over voor het tweede deel, waarin volgens eenzelfde formule een weefwerk van feedbackende gitaar, loops van het koor en een repeterende basnoot langzaam aanzwelt en uitmondt in alleen feedback. In de laatste minuten worden we uitgeleide gedaan door minimale, vibrato-akkoorden die geen relatie met wat vooraf ging, lijken te hebben. Australische ambientkunstenaar Lawrence English werd gevraagd hetzelfde bronmateriaal te bewerken, en zijn versie siert kant b. Die is veel mooier, omdat English kundig veel meer doet met veel minder. Gedurende een dik kwartier wisselt hij over elkaar heen schuivende loops van het hemelse koor af met passages van verwaaid omgevingsgeluid, stil ruisende drones en af en toe een verdwaald huilende noot in de verte. We zouden zelfs zweren dat het derde deel, ‘Weathered Hymnary’, een rechtstreekse ode is aan Caroline K’s weergaloze track ‘The Happening World’. Kortom, terwijl kant a ons hoegenaamd koud laat, vinden wij English’ composities erg fraai, en geschikt voor fans van Stephen Matieu, Simon Scott et cetera (die hopelijk ook meteen voornoemde nummer van wijlen Caroline K opsnorren, mochten ze hem niet al kennen).

Helaas, nog maar een toevoeging aan de ‘ontgoochelingen van 2013’. Terwijl Ikonika ontzettend veelbelovend speels en timide uit de hoek kwam op haar debuut ‘Contact, Love, Want, Have’, heeft ze deze keer niet haar zoektocht maar het resultaat van maanden zwerven in ritmes gegoten. De chiptunes op opener ‘Mise En Place’ herinneren aan vroeger en even springt het hart een gat in de lucht. Ook de vrolijke housedeun ‘Beach Mode (Keep It Simple)’ met Jessy Lanza klinkt als een veelbelovende hit. Maar dan stuikt de vindingrijkheid van Ikonika in elkaar en tovert ze slechts een hoopje house-geïnspireerde 8bits-plichtige deuntjes die eindeloos doorgaan. Tot vervelens toe. Af en toe neemt ze wat tempo terug, overdenkt het geheel en barst dan weer uit in een aanstekelijk optimisme, als je daar nood aanhebt. Het voelt bij momenten als een ‘kijk eens, ik kan best vrolijk zijn’-statement. En laat dat net de betere momenten overschaduwen zoals de electrofunk op ‘Manchego’, of het ingetoge licht euforische ‘Let A Smile Be (Y)Our Umbrella’. Maar eens bij ‘Lights Are Forever’ is er een overdaad een hetzelfde synthgeluid, klinken de loops wel enorm beperkt in variatie en wordt elk nummer uitgerokken tot een single-verdraagbare lengte. En daar gaan de wervelende arpeggio’s op ‘Mega Church’ ook niets meer aan verhelpen.

‘I know the synthesizer. Why don’t I use the synthesizer, which is the sound of the future?’, zo vertelde synthlegende Giorgio Moroder op de laatste plaat van Daft Punk. Met wat goede wil zou je Daniel Lopatin, ofte Oneohtrix Point Never, kunnen zien als de hedendaagse Moroder. Niet dat de Amerikaan zich overgeeft aan dansbare disco, maar net als de Italiaan verkent hij wel de onuitputtelijke mogelijkheden van het instrument. Op ‘R Plus Seven’, zijn eerste album voor Warp, maakt Lopatin geen gebruik van de analoge Junto 60 synthesizer die hij erfde van vaderlief, maar wel van een digitale variant. Met zijn opnames trok hij naar IJsland, waar hij ‘R Plus Seven’ inblikte via de analoge apparatuur in de studio van Valgeir Sigurðsson. Verwacht echter niet dat de betoverende omgeving in IJsland Lopatin aangezet heeft tot het maken van een feeërieke plaat. Enkel in afsluiter ‘Chrome Country’ wordt de sfeer iets romantischer en komt er zelfs een computerkoortje voorbij. Voor de rest is ‘R Plus Seven’ het meest directe en het helderste album van Oneohtrix Point Never tot nu toe. Weg is de drukkende noise en de benauwende ruis. Rechtlijnigheid, veel melodie (‘Problem Areas’, ‘Zebra’) en plotse dramatiek (‘Still Life’) hebben het overgenomen. Tot de hoogtepunten behoren onder meer de arpeggios van opener ‘Boring Angel’, de microsamples van ‘Americans’ en de aardedonkere ambient van ‘Along’. Het geluid van de toekomst? We zouden het aan Giorgio moeten vragen, maar wij zijn geneigd om ‘ja’ te zeggen.

Wie bij het zien van die achternaam “zo vader, zo dochter” dacht, moeten wij teleurstellen (of verblijden): bij Anna von Hausswolff geen drones, glitch of ander elektronische experimenten die we van haar vader Claus Michael gewend zijn. In plaats daarvan gedragen liedjes, met hoofdrollen voor een kerkorgel en Von Hausswolff’s stem. Die laatste klinkt bij tijd en wijlen als die van Kate Bush, en dat zegt vooral iets over het bereik en de klank (de kinderlijkheid waar ik met bij Bush soms aan erger ontbreekt bij Von Hausswolff). ‘Ceremony’ lijkt boven alles over de dood te gaan. Er is een nummer over het stervensbed, er zijn twee grafschriften, en zelfs een liedje over de begrafenis van haar toekomstige kinderen. De eerste paar nummers lijken dat onderwerp ook in klank te volgen, zoals het acht minuten lange ‘Deathbed’, waarin het galmende kerkorgel zwaar, traag en plechtig langs trekt. Von Hausswolff klinkt daarbij zo energiek en soms zelfs uitbundig, dat het op een rare manier tegelijk wel én niet zwaar op de hand is. Halverwege de plaat, na een korte drone-track die bijna van haar vader had kunnen zijn, maakt ‘Ceremony’ opeens een draai in een meer traditionele richting, en wordt het orgel ingewisseld voor gitaar, piano en meer conventionele orkestratie. Hoewel dat leidt tot een paar mooie liedjes, is Von Hausswolff als singer/songwriter minder oorspronkelijk en interessant dan dat als galmende doodssirene. Desalniettemin de moeite van het proberen waard voor fans van This Mortal Coil, Gazelle Twin en Esben And The Witch.

Sannhets debuut verscheen eerder op vinyl op het Sacramentum label, maar verschijnt nu eindelijk ook op cd, wereldwijd. Het door ons gekoesterde Consouling Sounds kreeg de eer om dit majestueuze album in hun bescheiden maar qua kwaliteit fantastische catalogus te mogen opnemen. Fantastisch en oorstrelend zijn zeer beperkte, positieve termen als het gaat om deze cd. We luisteren al meer dan een kwarteeuw intensief naar een overdaad aan releases en komen maar weinig platen meer tegen waar we van onder de indruk zijn. Toch staat er zo nu en dan eentje op onze brievenbus te kloppen. Een trio uit Brooklyn, New York is het deze keer, en ze slaan zo hard dat we geen brievenbus meer over hebben. Sannhet brengt postrock of postmetal in een met samples gelardeerde instrumentale setting op een black metal manier. Zo intens komen de songs van deze band tot ons. De feel is uitermate agressief, het moet vooruit gaan, snel liefst. Opbouwen van traag naar snel en dan pas loeiend hard uithalen zit er bij deze mannen niet in. Meteen snoeihard verpulveren, daar gaat het om, alsof The God Machine plots black metal ging spelen. Inderdaad, geen stereotypes bij dit trio. Sannhet koos bovendien voor Colin Marston (Krallice, Dysrhythmia) om alles in goede banen te leiden. De man weet hoe hij noise in al zijn vormen dient aan te pakken, en heeft Sannhet bij het inblikken van ‘Known Flood’ met al zijn wijsheid uitstekend geholpen. Tegelijk komt er op Consouling een split uit van het uit Sao Paulo (Brazilië) afkomstige septet Labirinto en de reeds iets breder bekende solitaire dronemachine uit Montréal (Canada) thisquietarmy. Die laatste weet zijn maatjes altijd wel te kiezen en houdt wel van een duel tussen twee bands. Beiden brengen eerder voor de hand liggende postrock, al is het in elke seconde muziek die we horen uitstekend gebracht, maar veel verrassends valt er niet te beluisteren. Donkere postrock van de Brazilianen en gelaagde drones door de eenzaat, in goede banen geleid door Tony Doogan (Mogwai) is wat deze split heeft te bieden. We weigeren er denigrerend over te doen, want wat de twee op deze split presenteren is kwalitatief meer dan uitstekend. Alleen zijn we zo onnozel geweest om de plaat te luisteren na Sannhet, en daar kan niemand tegen op.

Dit is de eerste release op het kersverse Planet Ilunga label uit Brussel dat zich specialiseert in vinyl heruitgaven van verloren Afrikaanse muziek. Het woord ilunga heeft een speciale driedubbele betekenis in de Kameroense Bantu taal. Een persoon die beledigingen van iemand een eerste keer nog kan vergeven, de tweede keer kan tolereren, maar nooit een derde keer, ok? Na een dikke eeuw Belgische hebzucht naar mineralen is Congo’s meest positieve exportproduct gelukkig nog altijd muziek met de Congolese rumba in het bijzonder, een stijl die via Cubaanse rumba klanken geafrikaniseerd werd tot een volwaardige Congolese stijl. Deze dubbele plaat draait daarom rond de hoofdfiguur Grand Kalle, alias Joseph Kabasele, en zijn African Jazz orkest die in de jaren 1950 en 1960 een grote rol speelden in het vormen van de Congolese rumbascene in het postkoloniale Kinshasa. Op vier kanten komen allerlei klassieke rumbasongs aan bod, waaronder het bekende ‘Indépendance Cha-Cha’ over de onafhankelijk van Congo en ‘Africa Mokili Mobimba’. Grappig detail: beide songs werden gecomponeerd en opgenomen in Brussel! Andere swingende pareltjes zijn het Latino-getinte ‘Mokonzi Ya Mboka’ en het zwoele ‘Lipopo Ya Ba Nganga’ waarin de gitaren heerlijk rondzweven evenals in ‘Sentiment Emonani’ en ‘Carolina’. Zowat alle songs zijn gezongen in het Lingala, met een beetje Frans en zelfs wat Spaans (geleerd uit woordenboeken omdat ze het mooi vonden om te zingen). Met twee geweldige 180gram platen, puike vormgeving en bijgevoegd boekje van 22 bladzijden over Grand Kalle en achtergrondinfo over zijn leven en songteksten is dit een artistiek tijdsdocument om U tegen te zeggen. Slechts geperst op 500 exemplaren, plus de kans op een herdruk is vrijwel nihil, dus haast is zeker geboden. Meer Afrikaanse tijdsdocumenten zullen later dit jaar nog volgen, onthoud maar!

Elvis is al een hele tijd dood. Of niet? De legende blijft overeind en als personage duikt hij zelfs op in de succesvolle vampierserie ‘True Blood’, zowel in de tv-serie als in de boeken. Elvis is er een vampier wiens overgang deerlijk mislukte, waardoor hij verstandelijk niet meer helemaal spoort. Hij wenst aangesproken te worden als Bubba en wie hem naar zijn liedjes vraagt, vertelt het niet meer verder. Het is een verklaring als een andere om de vermeende verschijningen van Presley te verklaren. Een van de leukste muzikanten die Elvis liedjes opnieuw tot leven brengt, hem parodieert, imiteert of in de vernieling draait, is de Mexicaan El Vez. Hij is toe aan zijn zilveren jubileum en dat wordt gevierd met een cd waarop vierentwintig songs prijken. Die variëren van nooit eerder verschenen outtakes, remixen en livefragmenten. Die laatste werden geplukt uit zijn immense lijst van optredens, alwaar hij in zijn typische stijl de mensen probeerde te vermaken. In tegenstelling tot veel zangers die Elvis gewoon nadoen, speelt El Vez allerlei songs, maar brengt ze zoals Elvis het zelf gedaan zou kunnen hebben. Dat daar tekstuele verhaspelingen aan te pas komen en flitsen van songs in andere liedjes, maakt het geheel buitengewoon leuk, op het hilarische af. ‘He Was On Acid, Baby, He Might Be Jesus’ uit ‘Quetzalcoatal’, met ‘Heartbreak Hotel’ er doorheen, in een junglevibe met Spaanse invloeden is een perfecte instap in ’s mans knotsgekke wereld. Een overdaad aan pillen zorgt er tevens voor dat El Vez bij momenten zelf behoorlijk doordraait en onvoorspelbaar wordt. Het zorgt echter wel voor schitterende songs. James Brown, David Bowie, Prince, Simon And Garfunkel en The Doobie Brothers zijn maar enkele grote namen die worden verkracht. ‘Que Sera Sera’ staat er uiteraard ook tussen, verhaspeld, of wat had u gedacht. Een grote naam wordt deze Mexicaan nooit. Wie zijn exotica graag geschift heeft, is fan of wordt het met ingang van nu.

Als paneel na paneel van het oogverblindende digipack openklapt, en de thematische introductiekoorzang uit ‘Dido en Aeneas’ (Henry Purcell) weerklinkt, zijn we vijftig seconden van deze wereld. Het contrast met de geperverteerde vetzakstem van het daaropvolgende ‘Dirty Old Men’ kan niet groter zijn. Maar we weten dat Italianen van operette houden, en in 1989 lapte Pankow ons dit grapje trouwens ook al met de dronken samenzang ‘Follow Me In Suicide’. Nadien wordt het klankmatig menens met een brede spreidstand tussen Industrial, futurepop en EBM. Vooral hoogtepunt ‘Crash & Burn’ is een hardnekkige oorwurm, die we er ooit op een betonnen dansvloer weer zullen moeten uitschudden, maar ook ‘Don’t Follow’ heeft een blijvende charme. Het moet gezegd dat Pankow hier meer dan moeite doet om een gevarieerd album af te leveren, dat je een stevige oorveeg geeft, telkens wanneer je het in één hokje tracht te stoppen. En dat geldt ook voor de zang: er wordt niet alleen gewisseld van vocalisten, maar ook van zangstijlen. Landgenoot Bram Declercq slaagt er op ‘No More Sleep’ zelfs in om ons even in de illusie te laten leven dat we naar een experimentele Depeche Mode luisteren. Zoals we bij een vorige gelegenheid al stelden, vindt Pankow het moment gekomen om zijn plaats in elektronische muziekgeschiedenis te herschrijven. Daarom krijgen nieuwkomers op de bonuscd bij de eerste persing een zestiendelige snelcursus Pankow. Oud en nieuw wordt geremixt door onder andere hippe latere generaties als Ambassador 21, Rabia Sordia en de herboren Pankow zelf.

Het was liefde op het eerste gezicht toen we ‘Guider’ eind 2010 voor het eerst hoorden. We geven dat graag toe. Want wat een mokerslag was dat. Een minimalistische aanpak, een kruising tussen postpunk en voortdenderende krautrock, die snerpende stem van Brian Case. Opwindend op plaat, en ook live. Die eerste keer in Brussel met een -na het trieste (voorlopige) einde van Sonic Youth – zichtbaar blije Steve Shelley aan de drums, was rauw en ruig. Puur en oprecht. Wat volgde, was bevestiging op het zo mogelijk nog sterkere album van afgelopen jaar, ‘Pre Language’. Zonder omwegen, één van onze platen van 2012. Hoe moeilijk is het om over die lat te springen? Want ze lag onmetelijk hoog. Eerder dit jaar verschenen twee ep’s en nu is er hun vierde album in krap vier jaar. Begin 2010 verscheen al ‘Lux’, een album dat we dus met enige vertraging tot ons namen. Op dit nieuwe album ‘Era’ neemt Noah Leger de plaats in van Steve Shelley achter de drums. Er moet dus naar een nieuw evenwicht in de band gezocht worden. De neerslag van de zoektocht is te vinden op ‘Era’. In ‘Ultra’ ontmoet de vroegere minimalistische aanpak een boel donkere elektronische dubachtige klanken. Het kortst bij de vorige platen blijft dan weer het nummer daarvoor, ‘Power’. Het titelnummer is een haast ingetogen rustpunt. Op ‘Elite Typical’ horen we tegendraadse drums in de verre achtergrond contrasteren met de donkere gitaarlijnen. Eindbalans is een plaat die net niet aan de tippen van ‘Pre Language’ kan komen, maar dat was dan ook zeer moeilijk. De band zoekt nieuwe wegen op, en dat is al spannend genoeg. Een nieuw meesterwerk moet eraan komen. Kwestie van hun reputatie bij ons hoog te houden. Zoals dat gaat met de liefde. In goede en kwade dagen. En dit is geen kwade dag, dit is gewoon een klein dipje. Niks om ons zorgen over te maken. Daarover is de band met Disappears te sterk.

In 1999 verscheen op Mego de ep ‘The End Of Vinyl’ van Pure, een van de aliassen van de producer Peter Votava. Ruis, gepiep en een hoop gekraak bewerkt tot een dronescape dat op het Oostenrijkse avant-garde-label helemaal op zijn plaats was. Destijds haastte Mego zich te vermelden dat het geen anti-vinyl-manifest betrof, maar dat de titel sloeg op de uitloopgroeven waar Pure zijn bronmateriaal uit opdiepte. Maar de mensen achter het Portugese Crónica label hebben er voor gekozen die uitleg te negeren, en een verzameling herinterpretaties bijeen te brengen in een tijd dat vinyl juist aan een comeback bezig lijkt te zijn. Een aantal artiesten, zoals @C, Cindytalk en Pita, houdt vast aan het oorspronkelijke idee en mixt hetzelfde gekraak en gepiep met moderne apparatuur, software en opvattingen tot moderne versies. Post-techno, drone en noise, waarbij in vergelijking met het origineel vooral opvalt hoe zeer dreiging en agressie tegenwoordig de toon zetten in dit soort muziek. Daarnaast zijn er bijdragen die minder bij het origineel in de buurt blijven, zoals de ingehouden (en zowaar mooie) versie van breakcore-grootheid Christoph De Babalon, musique concrète-gekkigheid van Arturas Bumsteinas, en een onclassificeerbare, maar interessante compositie van Rashad Becker, de man die door de week uw vinyl snijdt bij D&M in Berlijn. Oorspronkelijk beoogde Crónica ‘No End Of Vinyl’ ook daadwerkelijk op vinyl uit te brengen, maar toen vrijwel alle composities digitaal bleken te zijn, leek het passender om ze dan ook maar op een digitaal medium uit te brengen. Dat het einde van dat medium inmiddels veel dichter bij lijkt dan dat van het vinyl waar deze cd over gaat, maakt dat alleen maar passender.

Kurt Ballou zat opnieuw aan de knoppen voor de opnames van het nieuwe album van All Pigs Must Die. Makkelijk natuurlijk, als je als lid van Converge maatjes hebt die in dit collectief het zware weer maken. Een superkwartet is deze band eigenlijk, met Ben Koller (Converge, United Nations, Acid Tiger), Kevin Baker (The Hope Conspiracy, Bars), Adam Wentworth (Bloodhorse en ex-The Red Throne) en Matt Woods (Bloodhorse) als bezetting. In tegenstelling tot veel van dergelijke bands is dit echter geen flauw afkooksel van wat de moederbands eerder presteerden. All Pigs Must Die staat op eigen benen en maakt een geslaagde combinatie van hardcore en metal waarbij vooral het schreeuwwerk van Baker opvalt. Koller blijft met zijn ezelsvellen weliswaar wat op de achtergrond, maar zijn slagen zijn dan ook perfect getimed en voegen brute kracht toe aan elk van de tien songs. Net als op ‘God Is War’ zijn de songs kort en gebald. Ruimte voor franjes en andere spielerei laat de band niet. De woede en agressie horen er af te stralen en er wordt een geduchte poging ondernomen om Converge zelf naar de kroon te steken. Dat is misschien net iets te hoog gegrepen, alhoewel. Deze plaat kent namelijk geen rustpunten maar evenmin zwakke momenten. Zodra ‘Chaos Arise’ het feest inzet zien we de moshpit in gang schieten, en die blijft zijn molenwiekende rondjes draaien tot afsluiter ‘Articles Of Human Weakness’. Een zeer geslaagde opvolger voor het debuut en duidelijk een absolute aanwinst voor alle genres die ruiken naar crust.

Ik heb een vriend die kunstenaar is en mij wel eens een avond heeft doorgezaagd over de schoonheid van conceptuele kunst. Veel van wat hij vertelde klonk mij toen als zuiver en waarachtig in de oren (die delen ben ik vooral vergeten), maar ik kon me toch ook niet helemaal aan het gevoel onttrekken dat de conceptuele kunstenaar zich er een beetje makkelijk van af maakt (dat heb ik dan weer wel onthouden). “Hier heb je een geniaal idee, maar ik ga echt niet de moeite doen om het zorgvuldig uit te voeren,” zo iets. “Doe het lekker zelf,” zou je er nog achter kunnen denken, en dat is precies wat Frans De Waard a.k.a. Freiband op ‘Mutatis Mobilis’ lijkt te zeggen. De cd bevat twee nummers met verschillende delen, en andere signalen in het linker en rechter kanaal, wat uiteindelijk een verzameling geeft van zestien drones, die bedoeld zijn om door te luisteraar naar eigen inzicht te worden gemixt tot nieuwe nummers. Gaat iemand dat doen? Vast wel, maar ik neem aan dat de meeste mensen het wel geloven. Ik in ieder geval wel; ik zit al de hele dag achter een computer, en de enige keer dat ik een dergelijk recept volgde (Nadja’s twee delen ‘Under The Jaguar Sun’ samenvoegen tot één geheel) vond ik de som bijna net zo overbodig als de delen (en had ik ook per ongeluk zo maar nog een Nadja-album gemaakt – alsof het er niet al genoeg waren). Maar gelukkig is het ook niet echt nodig, want een ieder die van minimale drones houdt, kan deze cd gewoon van A tot Z draaien alsof hij al af en klaar is. Als je dat gewoon over de speakers in je huiskamer doet, mixen de links/rechts-sporen vanzelf al, en ontstaat er een langzaam schuivend, golvend en pulserend tonenspel. Sommige stukken zijn pure machine hum (denk Marc Behrens, Vitor Joaquim, sommige Machinefabriek), elders is er meer textuur en steken allerlei knorrende ondertonen de kop op, weer verderop komt er een soort minimalistische, geabstraheerde (ik weet het, sorry) ambient a la Sleep Research Facility tevoorschijn, dan weer ultrasone interferenties met microgeluiden et cetera, allemaal met veel spanning en detail. Kortom, een zeer geslaagd album, gewoon in de vorm waarin het wordt aangeboden. Of het dat in de ogen van de kunstenaar minder succesvol maakt weet ik niet, maar mocht het nodig zijn, dan kan mijn nadenken over en vervolgens neus ophalen voor het zelf mixen van de geluiden op deze cd misschien worden gelezen als conceptuele publieksparticipatie.

Als leden van het Oostenrijkse kraut/noise-rock-combo Code Inconnu hebben Gottfried Krienzer en Christoph Uhlmann al twee lp’s lang bewezen niet voor één gat te vangen te zijn, en met hun zijproject Duo Adé benadrukken ze dat nog eens extra. Het eerste album ‘Hungrige Speisen’ hing aan elkaar van ruis en kapotte ritmes, maar wie hoopte op meer lo-fi elektronica komt met ‘Freilassing’ bedrogen uit. Het enige instrument op deze plaat (op dit project kunnen we beter zeggen; naast de vijfentwintig minuten op het vinyl, zijn er nog tien extra versies, allemaal gratis downloadbaar) is een niet al te nauwkeurig gestemde piano, aangestuurd door vier handen. Daarmee improviseren ze rond minimale thema’s, experimenterend met het ritme, kracht van de aanslag, herhaling en, tot op zeker hoogte, melodie. Bij vlagen is het resultaat mooi en indrukwekkend, maar meestal vooral een beetje simpel en erg repetitief, op een manier die ideeënarmoede verraadt. Ik zal hier dan ook niet als vergelijkingsmateriaal met namen van modern klassieke grootheden gaan gooien, want dat is de plaat niet waard (en ik val gegarandeerd door de mand als non-kenner). Leuk is het vergelijken van de verschillende versies, maar zoals wel vaker is dat toch vooral een wetenschappelijke exercitie, en niet een die bevredigt op een van de manieren dat muziek dat kan doen.

Om zijn muzikale experimenteerdrift in goede banen te leiden richtte Chris Cheveyo in 2010 Rose Windows op – een zevental dat de tijd nam om te werken aan een eerste album. Een album dat experimenteert met klanken binnen een veeleer klassiek spectrum van stoner, folk, psychedelische rock, progrock en classic rock à la Deep Purple. Binnen die muzikale erfenis smokkelen ze soms Oosterse klanken binnen. Maar altijd is er die machtige stem van zangeres Rabia Shabeen Qazi. ‘The Sun Dogs’ wordt opgebouwd als een liedcyclus die start met ‘The Sun Dogs I: Spirit Modules’ en eindigt met ‘The Sun Dogs II: Coda’. Wat de band tussen die twee stukken presenteert, is nooit minder dan de moeite. ‘Native Dreams’ opent met de dwarsfluit van Veronica Dye om dan open te bloeien tot een uit de bocht scheurende psychedelische duistere trip langs Spirit Warriors die kinderen angstig maken in hun slaap. In alle teksten worden dit soort spirituele visioenen opgeroepen. Een ander hoogtepunt is ‘Walkin’ With A Woman’, net als het zeer uitgesponnen spookachtige ‘The Shroud’. Van bij de eerste luisterbeurt greep dit album ons vast om nog dagenlang te komen rondspoken. De enige bezwering die hielp was ze nogmaals opzetten. Een zeer klassieke plaat voor de liefhebbers van het psychedelische werk. Ondanks een uitschuiver zoals ‘Heavenly Days’, een schoonheidsfoutje van deze ‘hard hitting hippies’, zoals ze zichzelf omschrijven, zullen we maar denken.

De eerste Afrikaanse plaat op Fat Cat is een feit, u leest het inderdaad goed. Nadat er op labels als Thrill Jockey het afgelopen jaar al Malinese blues werd uitbracht, lijkt het of er een bepaalde tendens aan het broeien is. De open vraag die zich dan aandient; moet elk gerespecteerd westers underground label nu ineens een Afrikaanse artiest of band op hun label hebben als een exotische aanvulling op hun catalogus? Als het aan uw dienaar ligt, hoe meer Afrikaans hoe beter! De muzikale invloed van labels als Sublime Frequencies, Awesome Tapes From Africa en Sahel Sounds valt intussen niet meer te onderschatten. Ongepolijste Afrikaanse muziek blijft vele luisteraars inspireren en blijkbaar nu ook andere labels. Tal National is een band uit Niger met leden uit gemixte lokale bevolkingsgroepen waaronder Songhai, Touareg, Fulani en Hausa. De plaat begint imposant met dwarse ritmes en Tals geluid klinkt alsof Touaregs op een hellevaart Highlife funk proberen na te spelen, daarbij falen maar hierdoor juist een nieuwe stijl creëren die balanceert tussen Touareg blues, Malinese griotsferen en 8/12 ritmes van Hausa Fuji percussie. Voor leken zullen referenties naar westerse bands als Deerhoof en Battles bekender in de oren klinken door de complexe gitaarmelodieën, al is dit bovenal een plaat met een eigentijds Afrikaans geluid uit de Sahel. De opener ‘Kaani’ geeft hun sterke visitekaartje af met een dwars rockende funksong, gevolgd door het meer folkloristische ‘Zigda’, het heerlijk hobbelende ‘Nouvelles’ en de dubbele tonen van ‘Sarkin Fada’. ‘Tchana’ en ‘Kountche’ zijn dan melodieuze meezingers van broeierige rock en funk, afgesloten door de wilde dans van ‘Banganésiba’. Echt wel een topplaat met een zeer open geluid en heersende reverb van de edele garageruimte waar het geheel opgenomen werd. Opgewekt en krachtig!

William Tyler lijdt niet aan het “Kijk, zonder handen!”-syndroom, maar mag gerust als een pure gitaarvirtuoos worden beschouwd. Dat talent heeft weinig uitstaans met de bluesy snarentrekkerij van opzichtige smoelentrekkers als pakweg Joe Bonamassa, maar is van een heel andere orde. Leo Kottke, John Fahey en Robbie Basho, dat zijn de namen die je te binnen schieten als je Tylers in folk gedrenkte vignetten hoort. Al schiet die term ook alweer tekort, want ondanks de weinig spetterende, schijnbaar ingetogen aanpak, is Tylers wereld wel degelijk eentje van meerdere dimensies én vertoont ze overeenkomsten met de werelden van film en literatuur, twee inspiratiebronnen. Het is authenticiteit via auditieve breedbeeldcinema, met gelaagde lyriek in composities die vaak bestaan uit meerdere, verbonden hoofdstukken en een sfeer die regelmatig doet denken aan de muziek die Richard Thompson voor Werner Herzogs ‘Grizzly Man’ maakte. Gestaag uitwaaierend en een beetje melancholisch. Net zoals hij zelf voor cruciale bijdrages zorgde op albums van onder meer Lambchop, Silver Jews en Bonnie ‘Prince’ Billy, zo ook zijn er hier een paar muzikanten die met lap steel, trombone, bas en vibrafoon voor een stijlvolle omkadering zorgen. Je denkt hier en daar onvermijdelijk aan de repetitieve raga’s van Fahey of het complexe twaalfsnarenspel van Kottke, of meer recent het werk van James Blackshaw en Jack Rose, maar Tyler maakte een paar jaar geleden, met een debuutalbum dat veelzeggend verscheen op het Tompkins Square label, al duidelijk dat hij geen slaafse imitator is. Zelfs in het solo uitgevoerde tweeluik ‘Cadillac Desert’/’We Can’t Go Home Again’ beland je bij traditionele muziek die zich meteen onderscheidt. Nu eens met schimmige sfeer en dan weer weids en raadselachtig als de tot de verbeelding sprekende vlaktes van het Amerikaanse Zuidwesten. ‘Impossible Truth’ is niets minder een revelatie voor wie hoog oploopt met bovenvermelde artiesten. Of eender wie die wil horen hoe het gesteld is met hedendaagse rootsmuziek.

De in Los Angeles geboren Rey Villalobos, heeft zijn naam voor zijn soloproject vertaald vanuit het Spaans: House Of Wolves. Het is een in Portland geproduceerde plaat vol melancholische folk met een hoge zangstem. Een stem die steeds bijna zuchtend van zich laat horen (“all your sighs”) en vaak verdubbeld is voor meer volume. Een verdubbeling die contrasteert met de in een kale ruimte weergalmende gitaarklanken van bijvoorbeeld ‘Love Labored Lost’. Al is Villalobos oorspronkelijk een pianist met een klassiek repertoire – die Frédéric Chopin noemt als zijn eerste inspiratie – nu wisselt hij piano af met gitaar. Ook is er af en toe, zoals in het openingsnummer ‘50’s’, de toevoeging door een gastmuzikant van een (verdubbelde) hoorn waarmee een nummer een statige kwaliteit krijgt. Het is muziek van een singer-songwriter, vol sentiment en uitvergroot door uitgebreider instrumentale bezetting en verdubbelingen, waardoor de suggestie wordt gedaan dat House of Wolves live breekbaarder klinkt. Luchtig is het album in ieder geval niet. Zelfs het melodieus wat lichtere ‘There She goes’ blijkt door stemvoering en tekst geen vrolijke noot te zijn. Dat maakt echter niet dat Villalobs met dit album, gesierd door af en toe behoorlijk intrigerende droge teksten als “Lately I have been feeling like a motorcycle toy” en nummers die vrijwel meteen klinken alsof je ze al eens eerder hebt gehoord, geen kwaliteit laat zien.

Voor zijn derde vinylrelease trekt Awesome Tapes From Africa de Ethiopische kaart. Hailu Mergia was de toetsenist-groepsleider van Walias Band, een hotelorkest dat afwisselende frontmannen begeleidde. Los van het brood-op-de-plank hotelwerk, verkende ook Walias Band al avontuurlijker terrein. Zo nam de band samen met vibrafonist Mulatu Astatke ‘Tche Belew’ op, één van de enige drie instrumentale albums die in de jaren 1970 in Ethiopië werden opgenomen. Check ook uw ‘Ethiopiques’ collectie voor ‘Musicawa Silt’, recent nog gecoverd door Secret Chiefs.
Maar Walias band hield op met bestaan na een tour door de Verenigde Staten in 1981, toen vier van de groepsleden het Vrije Westen verkozen boven de Ethiopische dictatuur. Onder hen: Hailu Mergia. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en een paar jaar later bracht Mergia deze ‘Hailu Mergia And His Classical Instrument’ uit op cassette.
We maken een sprong van dertig jaar in de tijd en daar is Brian Shimkovitz van Awesome Tapes From Africa (zie Gonzo (circus) # 109). Shimkovitz gaat op zoek naar Mergia en – in tegenstelling tot de nog steeds niet getraceerde Ghanese Highlife muzikant Ata Kak – blijkt Mergia’s telefoonnummer met slechts één google-search beschikbaar te zijn. De man blijkt tegenwoordig met een taxi rond te rijden in Washington DC. De vierde Awesome Tapes From Africa release (op cassette, vinyl en cd) is een feit.
Met een stevige zin voor understatement zou men dit een ‘eigenaardige opname’ kunnen titelen: de – downtempo – drums en baslijnen komen uit een doosje, en het resultaat heeft iets statisch’ en uiterst repetitief. Van de funk van de Walias Band blijft op het eerste gehoor niet veel over. Tegelijkertijd vormt die technische beperking voor Mergia een mooi platform om alle registers van zijn synths open te zetten. De overzetting van Mergia’s traditionele Ethiopische melodieën naar analoge synth (volgens sommige bronnen een Moog, anderen horen een Yamaha), elektrische Rhodes piano en accordeon levert een bijzonder unieke luisterervaring op. Veel psychedelischer spul dan ‘Sewnetuwa’ en het uptempo en – ondanks het kermisritme – bijna swingende ‘Hebo Lale’ hebben wij alleszins de laatste maanden niet meer gehoord.
En nu maar hopen dat Shimkovitz erin slaagt om Mergia een wereldtournee aan te smeren.

‘Impro noise is the new punk’ en ‘Ghil’ gaat een van de coolste platen van 2013 worden. De vanuit Korea naar New York verkaste celliste Okkyung Lee behoort al een decennium tot het legertje artiesten dat tussen moderne avant-garde, vrije improvisatie en noise laveert. Een paar platen op John Zorns Tzadik-label, met zwaargewichten als Ikue Mori, John Hollenbeck, Trevor Dunn, Craig Taborn en Peter Evans lieten al horen dat Lee als componiste en muzikante moeilijk te labelen valt. Soloplaat ‘Ghil’ laat een veel extremer en radicaler geluid horen dan eerder (solo-)werk, wat in grote mate te danken is aan het ongebruikelijke opnameprocédé. Daarvoor tekende de Noorse noisepaus Lasse Marhaug, die koos voor een radicale potten- en pannenaanpak: Lee’s spel werd opgenomen op verschillende locaties en met een cassetterecorder uit de jaren 1970. Het was vervolgens ook aan Marhaug om uit het beschikbare materiaal een album te puren. Het resultaat is geen rammelend lo-fi-zootje, maar een onwaarschijnlijke in-your-face belevenis. Het effect dat Marhaug creëerde is het gevoel dat Lee naast je zit, want de sound is direct en ongepolijst, een haast fysieke sensatie. Voor een album dat het zou moeten hebben van subtiele harmonieën en fragiele composities zeker niet ideaal, maar op het lijf geschreven van deze bloedrauw lillende expressie. Er wordt gesmodderd met overtonen, de strijkstok wordt over de snaren gewreven, gekrast en geslagen en het snerpt, kraakt en knettert een einde weg, eerst op compleet doorgeslagen manier, één en al hysterisch geraaskal, en dan weer repetitief, haast machinaal, met onheilspellend gekraak, als een ijsvlakte die het begeeft onder een kolossaal gewicht. Soms leidt het tot pure noise (‘Two To Your Right, Five To Your Left’), ergens in het niemandsland tussen Tom Cora en Fred Lonberg-Holm, en dan weer tot een stukje drone (‘Hollow Water’), maar bovenal regeert hier het oorverdovende geklop van de pure hartslag die om zich heen schopt en in het slotkwartier leidt tot een bolwassing zonder weerga. Wat Lee doet is misschien niet vernieuwend, ze valt ook een paar keer in herhaling en de plaat is zeker niet perfect (en dan?), maar in combinatie met die eigenzinnige productie leidt het tot een knaller die genregrenzen even compleet overbodig maakt. Er gebeurt iets.