GC #117

‘Atomism’ van de Britse componist Mark Tamea is een conceptalbum. Schrik niet: Tamea heeft geen behoefte aan grootse verhalenvertellerij of theoretische haarkloverij. Eenvoudig gezegd neemt hij als uitgangspunt het idee dat overal in ons dagelijkse geluidsomgeving verschillende frequenties en oude vibraties verborgen zitten, geabsorbeerd en vergeten. Wat, stelt Tamea zich voor, als die kleine organismen, of slimme atomen, zich bevrijden en nieuwe relaties aangaan met de brom van machines, het geroezemoes van de massa, de galm in een kathedraalkoepel of het kabbelen van water? In de eerste circa negen schetst Tamea in fragmentarische vorm een palet aan mogelijke elektronische geluiden. Korte stukjes van vibrerende tonen, sinusgolven, pulsen, abrupte klankuitbarstingen en dergelijke volgen op elkaar. Het ene fragment is puur elektronisch geluid, andere momenten bieden kleine constructies van klanken; soms klinkt het als analoge elektronica, soms als ‘eigentijdser’ digitale effecten en hier en daar horen we field recordings. Nadat hij in deze opener zo’n beetje het spectrum lijkt te hebben uitgezet, gebruikt Tamea in de overige composities een overwegend smaller klankpalet. Die composities doen ook duidelijker gestructureerd aan, met uitzondering van het langere ‘Objet Trouvé’, misschien. Naast deze en openingscompositie ‘The Lake’ houdt Tamea het bij kleine klankconstructies, waarin hij op verschillende manieren analoge en digitale elektronica, akoestische klanken (strijkers, houtblazers) en field recordings combineert. ‘Atomism’ biedt zes boeiende geluidsconstructies, overwegend kalme auditieve dwaaltochten langs meanderende paden en over ruwer terrein. Tamea voert ons daarbij door een afwisselend landschap waar, voor wie de oren spitst, steeds verrassingen opduiken. Het concept achter dat landschap, ach, dat is vooral een prettig uitgangspunt voor Tamea.

De bluesband Black Joe Lewis & The Honeybears werd opgericht in Texas in 2007. De bedoeling van de Texanen was en is om eer te betonen aan Howlin’ Wolf en James Brown. Sindsdien bracht het sextet, dat regelmatig bezettingswissels kende, diverse albums uit op kleine labels. Ze werden graag geziene gasten op allerlei festivals en met ‘Electric Slave’ zet de band een stapje vooruit. Een groter label, een nog beter geluid en een aantal nummers die een mix zijn van blues, soul en funk, zorgen stilaan voor een bredere erkenning. Joe Lewis wordt dikwijls vergeleken met James Brown vanwege zijn opvallende schreeuwerige stem. In ‘Come To My Party’ bijvoorbeeld, waar hij wordt ondersteund door zijn eigen ronkende gitaar, soulvolle blazers en een funky ritmesectie, is heel duidelijk waarom hij die vergelijking krijgt aangemeten. ‘Young Girls’ verraadt zijn vroege interesse in wilde garagepunk, terwijl ‘Guilty’ wat doet denken aan het werk van James Williamson en Iggy Pop (‘Kill City’). ‘Dar Es Salaam’ is dan weer onvervalste bluesfunk en zo gaat het feestje het hele album door. Producers Stuart Sikes (White Stripes, Cat Power) en John Congleton (Explosions In The Sky, Okkervil River) zijn er beiden in geslaagd om de hen toebedeelde songs lekker ruig te laten klinken, waarbij de soms heel erg punky inslag behouden bleef. In samenspel met de vele Brownshouts is ‘Electric Slave’ allicht het beste dat deze band in zich heeft. Puik.

Eerder dit jaar bracht Tosca zijn zesde album uit, en traditiegetrouw vroegen Richard Dorfmeister en Rupert Huber vervolgens aan enkele bevriende artiesten om die nummers te remixen. ‘Tlapa – The Odeon Remixes’ verzamelt tien herwerkingen. Essentieel zouden we deze collectie niet noemen, maar de nummers geven wel kleur aan de vrij donkere originelen. Rodney Hunter vormt het donkere ‘Heatwave’ om tot best genietbare cocktailhouse en het Weense duo Makossa & Megablast diept de jaren 1980 new wavekant van ‘Jay Jay’ nog verder uit. Het kille ‘In My Brain Prinz Eugen’ wordt door Richard Dorfmeister zelf onder handen genomen. De Oostenrijker voegt een stel blazers en een aangename beat toe, die het nummer helemaal doen openbloeien. De meest radicale herwerking komt wellicht van de Duitse producer annex dichteres AGF die alle lounge-elementen weghaalt uit ‘Cavallo’ en flarden spoken word integreert in het nummer. ‘Tlapa’ zou staan voor ‘This Life Arouses Pure Adventure’. En hoewel zeker niet alle remixen even geslaagd zijn, klinkt deze verzamelaar inderdaad wel een pak avontuurlijker dan het relatief eentonige origineel.

Stel, je hebt een uitstekend gevoel voor humor – want je bent Brits. Stel, je hebt aardig wat archiefmateriaal tot je beschikking gekregen geschoten tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Stel, je hoort in die fragmenten een melodielijn, een patroon, een ritme. Stel, je hebt het nobele (of idiote) streven om de lessen die we zouden kunnen leren uit onze geschiedenis door middel van muziek en beeld onder de aandacht te brengen. Stel dat je aan al deze voorwaarden voldoet… dan heb je de ingrediënten voor het album ‘Inform – Educate – Entertain’.
Na twee ep’s (‘One’, ‘The War Room’) brengt deze tweemansformatie hun eerste album. Bereid je voor op krakende opnames van dito taalgebruik begeleid met een (meestal) uptempo post-krautrock soundtrack die aandoet als een mengsel van Underworld en Mogwai. Het instrumentarium is divers: naast de gebruikelijke basis van gitaar, bas en drums worden ook banjo, saxofoon, theremin en drone-achtige pianopartijen ingezet.
Elk nummer/ elke film is een kleine Britse geschiedenisles, met tussen de regels door een moraal en/of Britse humor. Dan blijkt dat die oude teksten nog steeds actueel zijn en in een nieuwe muzikale jas verbonden met het heden hun boodschap nog steeds kwijt kunnen. Zo gaat ‘Signal 30’ onder begeleiding van dampende rock over het gevaar van roekeloos rijgedrag met fatale afloop. Het bijzonder fraaie beeldmateriaal blijkt helemaal niet archaïsch te zijn, als het decennia later met geheel andere stijlen wordt gepresenteerd. In ‘The Now Generation’ worden elementen uit een jaren 1950 modeshow gemengd met synthesizers en drumbeats uit de jaren 1980 – de verbinding is snel gelegd.
Het is een knap staaltje keurig afgewerkt studiowerk waarbij een (of misschien wel het belangrijkste) element authentiek beeldmateriaal is. De vraag is waarom dan gekozen is voor cd in plaats van dvd? Gelukkig is het beeld online te vinden.

Glenn Jones is nét oud genoeg om zijn jeugd te hebben doorgebracht in het goede gezelschap van John Fahey en Robbie Basho. Over die laatste heeft Jones prachtig geschreven in de hoesnota’s van Smeraldina-Rima’s reissue van ‘Twilight Peaks’. Ook op concerten is Jones steevast een meesterverteller die de aanwezigen aan zijn lippen kleeft. Maar Jones is ook nog jong genoeg om aansluiting te vinden bij de hedendaagse generatie fingerpickers als Steve Gunn, Jack Rose, Cian Nugent en onze eigen Urpf Lanze. Maar dus ook de zusjes Meg en Laura Baird (Espers) die op ‘My Garden State’ bijspringen op gitaar (Meg) en banjo en geluidstechniek (Laura). ‘My Garden State’ is opgenomen in Laura Bairds homestudio in New Jersey, de ‘Garden State’ uit de titel en ook de plek waar Jones in 1966 met zijn familie ging wonen. In de hoesnota’s van ‘My Garden State’ toont Jones zich weer die meesterverteller. Daardoor laat de plaat zich beluisteren én lezen als een mix van familiegeschiedenis en petite histoire, met hier en daar een zijsprong naar Tom Carter (de gitarist van Charalambides, die vorig jaar een poos gehospitaliseerd werd in Berlijn, maar ondertussen aan de beterhand zou zijn), een shout-out naar de Amerikaanse componist Charles Ives of een verslag over een uitstapje met Laura Baird naar een lokale kikkerpoel. Handig voor gitaristen met open tuning ambities: bij elke track noteert Jones een beknopte stemming en eventuele plaatsing van capodaster(s). Muzikaal is ‘My Garden State’ een mix van zorgvuldige compositie en enkele in de studio geïmproviseerde tracks. Jones is geen showgitarist: vaak vertellen de ruimtes tussen de noten evenveel als de noten zelf. ‘Going Back To East Montgomery’ is bijvoorbeeld een bedrieglijk simpel stukje muziek met heerlijk rollende akkoorden. Een ander hoogtepunt is ‘The Vernal Pool’, een indrukwekkende improvisatie op twaalfsnarige gitaar, die Jones opnam meteen nadat Laura Baird hem naar die kikkerpoel had meegetroond. ‘Alcoeur Gardens’ is dan weer gecomponeerd in de studio, met een opname van een indrukwekkende onweerbui als backing track. Als u dit jaar maar budget hebt voor één fingerpickin’ plaat, laat het dan deze ‘My Garden State’ zijn.

We hebben het hier al vaker verteld, synthesizermuziek is weer helemaal in. Een meevaller voor Hunter Complex, het alter ego van de Nederlander Lars Meijer, die zijn duistere synthnummers schoeit op de leest van Depeche Mode en Human League. Op zijn nieuwe plaat ‘Heat’ zijn de jaren 1980 nooit ver weg, luister maar naar het fleurige ‘Room’. Tijdens ‘Stations’ schiet Vangelis dan weer door ons hoofd. Lars’ stem zit vaak iets dieper verscholen in de mix, wat voor een vrij schimmige sfeer zorgt. Wanneer de zang weggelaten wordt, zoals in het melodieuze ‘Daylight’, komt de wonderlijke wereld van Boards Of Canada zelfs even voor de dag. Op het onheilspellende ‘China Rain’ slaat de sfeer om. ‘I don’t want you to be alone’, klinkt het, vooraleer de donkere drums en dito synthesizers nummer naar een angstaanjagend slot stuwen. Vergis je dus niet, Meijer stak zijn nummers wel degelijk vol weerhaakjes en onverwachte lagen. ‘Heat’ is een plaat die je rustig moet laten inwerken, als een helende balsem. Door zijn rijke textuur geeft het album zijn rijkdom slechts met mondjesmaat prijs. Maar wie doorzet, wordt dubbel en dik beloond.

Black metal en postrock vormen al enkele jaren een uitstekend huwelijk. Verwonderlijk is dat niet want beide genres zijn niet vies van (desolate) sfeerschepping, episch bombast, massieve gitaarriffs, intense emotionaliteit, experiment, et cetera. Overeenkomsten genoeg dus om een flinke brug te bouwen. Vaandeldragers op dit snijvlak zijn zonder meer Wolves In The Throne Room, maar die voelen sinds ‘Roads To Judah’ uit 2011 stilaan de hete adem van het eveneens Amerikaanse Deafheaven. ‘Sunbather’ lijkt de plaat te worden van de doorbraak want zowel fans van Burzum als Mogwai lijken de band uit San Francisco massaal aan de borst te drukken. We kunnen zelfs gerust spreken van een hype, eentje die ons overigens doet denken aan de fuzz twee jaar geleden naar aanleiding van ‘Aesthetica’, het debuut van Liturgy. De nucleus van Deafheaven bestaat nog steeds uit zanger George Clarke en gitarist en songschrijver Kerry McCoy. Doorheen het volledige album krijst de eerste zich net geen ongeluk, terwijl McCoy de ene atmosferische riff aan de ingenieuze soldeert. Kilte en wanhoop worden afgewisseld met licht en hoop. Monochroom versus pastel. Of een black metal album in een knalroze (!) hoes. ‘Sunbather’ – het blijft ook een vreemde titel voor een heavy album – klinkt daardoor veelzijdiger dan het debuut. De kracht van ‘Sunbather’ zit in het gegeven dat Deafheaven black metal nemen als startpunt, maar finaal ergens anders landen. Je moet dan wel eerst door het dikke pantser: de immer dominerende schreeuwerige vocalen. Die vormen namelijk een flinke hindernis voor wie niet vertrouwd is met black metal. Eens die genomen openbaart zich een fragiele wereld waar ook ruimschoots plaats is voor melancholie, romantiek en schoonheid. (Akoestische) Rustpunten als ‘Irresistible’ of ‘Please Remember’ (met een gastrol van Neige van Alcest) maken de intensiteit bovendien draaglijk. Of dit de mijlpaal is die sommige media er van maken, zal de toekomst uitwijzen, maar dat ‘Sunbather’ een huzarenstuk is, is nu al zeker.

Omdat Kim Cascone (PGR en het Silent label) vindt dat deze wereld er meer dan ooit nood aan heeft, doet hij zijn eerbetoon aan Dr Albert Hoffmann, de ontdekker van LSD nog eens over. Net als bij de gereputeerde voorganger ’50 Years Of Sunshine’ (Silent, 1993), werd aan een bonte verzameling ondergrondmuzikanten gevraagd om hun interpretatie van blauw zonlicht te registreren. Naast onvermijdelijke ervaringsdeskundigen als Legendary Pink Dots, bevat deze dubbele cd in psychedelische dvd verpakking ook postrock van Kawabata Matoko (Acid Mother’s Temple), en de te verwachten, drones, IDM of spacy ambient, een zeldzame keer doorspekt met samples over Hoffmanns eigen testrelaas uit 1943. Het twintigkoppige deelnemersveld maakt over verschillende genres heen een brug tussen bekende namen als Robert Wheeler (Pere Ubu) en promotie van het eigen label via nieuwkomers als Komora A. Omdat we nooit mogen vergeten wat het goedje voor de hippiebeweging betekend heeft, wordt er ook buitenaards aan Oosterse snaren geplukt, al laten gebuisde gitaristen als Andrew Liles intussen gelukkig ook de onderbewuste ondergrond vibreren met drones, samples en effecten. Ook projecten als Rapoon zullen bij de trippende Gonzo (circus)lezer een belletje doen rinkelen, terwijl wij ons eerder verrassend meer aangetrokken voelen tot de ruimtevaartstem van Cotton Ferox. Hoewel we de Gouden Bruiloft uit 1993 de superieure release blijven vinden, bevatten beide tabletten meer dan voldoende materiaal om jouw muzikaal bewustzijn te verruimen, en de in 2008 overleden Zwitserse doctor trots te maken.

Tijdens het luisteren naar ‘(Amsterdam) Memory Space’ waan je je in een labyrint van geluid. Zes verschillende paden doorkruisen elkaar en buigen zich om je heen. Bij elke hoek die je omgaat of bocht die je maakt, sla je een ander geluid in. Je doolt langs gesprekken, een fontein en hoort vliegtuigen over waaien.
Op de honderdste geboortedag van John Cage zijn de zes musici van Maze – opgericht door oud-leden van Ensemble MAE – de straat opgegaan om Amsterdam op te nemen voor ‘(Amsterdam) Memory Space’. De geluiden worden opgeslagen op band, in het hoofd, of genoteerd op papier en dienen als leidraad voor de compositie. Geluid om geluid te maken dus. Na het opnemen komen de musici bij elkaar om het stuk te spelen. Ieder volgt zijn eigen geluid door een koptelefoon en speelt het na met zijn instrument. Het stuk roept verbijstering op, het klinkt op het eerste gehoor als een warboel. Zes verschillende patronen buitelen over elkaar heen. Wat hoor je precies? En welke geluiden zijn daarvoor opgenomen? Om vat te krijgen op het stuk volg ik een tijdje een van de instrumenten, bijvoorbeeld de piano van Reinier van Houdt. Een paar minuten later stap ik over op de elektronica van Yannis Kyriakides. Zo manoeuvreer ik een eigen weg door het geluidsdoolhof. Er ontstaan meerdere ruimtes waarin je jezelf als luisteraar terugvindt. Enerzijds de zes afzonderlijke geluidssporen, anderzijds de collectieve memory space waarin alles bij elkaar komt. Het stuk leent zich om herhaaldelijk gedraaid te worden. Elke keer is het anders, elke keer hoor je een andere route.

‘Paracosm’ is een term die gebruikt wordt voor de gedetailleerde denkbeeldige werelden die door mensen werden gecreëerd. Ernest Greene, de man achter het éénmansproject Washed Out, gebruikt die omschrijving in een poging om te ontsnappen aan het alledaagse leven, aan het muziekgenre waar hij mij wordt geassocieerd. Heel even was de term ‘chillwave’ in zwang een paar jaar geleden. De belangrijkste protagonisten van het genre (onder andere Toro Y Moi en Neon Golden) proberen Houdini achterna te gaan door minder te werken vanuit hun laptop en meer met echte instrumenten. Deze nieuwe plaat knutselde Greene in elkaar met de hulp van tientallen oude synthesizers, gitaren en drums. Met die instrumenten vervaardigde hij negen nummers die zwelgen in R&B uit de jaren 1980, lo-figefröbel en soms weirde samples. Direct na het maakt de man, ondertussen verhuisd van Atlanta naar het platteland, een statement met het nummer ‘It All Feels All Right’. Omgevingsgeluidjes worden gemixt met zijn vervormde, dromerige stem en kabbelende nachtelijke elektronica. Dat hij dan al het beste nummer van de plaat heeft weggegeven zal pas later blijken. ‘Great Escape’ en het titelnummer zijn ook bij de uitschieters op de plaat. Het probleem met dit album is dat het allemaal zeer mooi klinkt en een haast perfecte productie kent. Alleen is het ook allemaal een beetje clean. Nu, dat is het probleem dat wij al langer hebben met dit genre. Neemt niet weg dat dit plaatje perfect gedraaid kan worden tijdens een te warme nacht als het onmogelijk is om te slapen.

Mainliner debuteerde in 1996 met het album ‘Mellow Out’ en zette meteen een ander soort zware psychedelica op de kaart: overstuurde en stoffige rock die echt wel heel far-out klonk. Er volgden nog drie platen, en al waren die verre van slecht, ze haalden het niveau niet van het debuut. De distributie liet net zo goed te wensen over, jammer genoeg iets dat veel Japanse bands in die tijd overkwam. In 2001 werd Mainliner op pauze gezet. Oprichters Kawabata Makoto en Asahito Nanjo wilden zich meer bezig houden met hun andere bands. En dat zijn er nogal wat. Acid Mothers Temple en High Rise zijn van elk de bekendste exponenten, maar ze spelen beiden in een immense lijst bands. Beiden zijn sinds de jaren 1970 uitermate actief in de Japanse ondergrond en dat doen ze nog steeds. Makoto heeft Mainliner nu nieuw leven ingeblazen, al is Nanjo niet van de partij. Makoto, die sinds zijn jeugdjaren een adoratie heeft voor Richie Blackmore, vooral voor zijn uitstraling, outfit en podiumgedrag en minder voor zijn muziek, heeft het laken nog meer naar zich toegetrokken. Drummer Shimura Koji is nog steeds van de partij en nieuwkomer Kawabe Taigen (bas, zang) snapt uitermate goed waar het in Mainliner om draait. Daardoor is het geluid nog gruiziger dan voorheen. De bas is zwaar overstuurd waarop Makoto van op zijn berg de mafste gitaarexcursies heeft geplamuurd. De berg waar de leden van Acid Mothers Temple zich geregeld terugtrekken, biedt voldoende inspiratie om de transcendentale goden te ontstoffen. Luisteraars die de extreemste stukken van Acid Mothers Temple weten te waarderen, zullen zeker met dit machtige Mainliner uit de voeten kunnen. Taigen huilt de goden toe in het twintig minuten durende ‘New Sun’ en zet samen met zijn twee kompanen een nieuwe standaard voor heavy psychedelische rock, Japanse stijl. ‘Revelation Space’ is een geslaagde comeback van een band wiens leden nooit uit het beeld zijn verdwenen.

Frank Holger Rothkamm (1965) – FHR jawel – begon zijn artistieke loopbaan als acteur in Moers, Duitsland, studeerde piano, bouwde zijn eigen elektronische muziekstudio en is de oprichter van de Lodge For Utopian Science. En dat is nog maar het topje van de ijsberg, hier nog even wat steekwoorden uit het goed gevulde bestaan van FHR: performer, softwareschrijver, componist van reclamespotjes (Levi’s 501 Jeans), mentaal wrak, kluizenaar, remixer, producer van soundtracks (Star Wars 3D), vrijmetselaar, webontwikkelaar. Dat valt niet af te horen aan het 33 minuten durende K5, dat geheel gemaakt is met de – het zal niet verbazen – K5 synthesizer. Wat FHR aan het instrument onttrekt is bijzonder, het overall geluid is een knetterend, helder en fris oersynthesizergeluid, dat de luisteraar terugbrengt naar het begin van de elektronische muziek. Maar de composities lijken niet echt uitgewerkt, sommigen heten ook ID nummer zoveel, en na verloop van tijd gaat dat de muziek tegenzitten.

We geven het toe. Bij de naam Jessy Lanza dachten wij ook eerder aan een geblondeerde stoeipoes die schlagers brengt op een plaatselijke pensenkermis, gehuld in een roze topje dat haar lovehandles net niet verbergt. Niets blijkt minder waar. Lanza is een klassiek geschoolde zangeres uit Canada die via haar samenwerking met Ikonika uit bij het label Hyperdub terechtkwam. Op haar debuut ‘Pull My Hair Back’ serveert Lanza geen (post)dubstep, maar exquise pop in een frisse productie van stadsgenoot Jeremy Greenspan, die deel uitmaakt van Junior Boys. Greenspan behoudt zijn minimale aanpak, maar verlaat hier al eens het discopad dat hij met zijn eigen groep bewandelt. De symbiose van de trage ritmes met de dromerige zang resulteert nu eens in avant-R&B (‘Kathy Lee’), dan weer in spannende microfunk (‘5785021’). Doorheen opener ‘Giddy’ waait de sfeer van de jaren 1980. De titel van dit album is trouwens bijzonder goed gekozen; Lanza daagt uit op een speelse manier, nergens wordt het ordinair. Wie graag flauw en uit de hoogte doet, zal ‘Pull My Hair Back’ definiëren als bubblegumpop. Laat er ons dan meteen aan toevoegen dat het gaat om een bedrieglijke variant die na ettelijke luisterbeurten nog steeds fel doorsmaakt, door het sprookjeshuwelijk van de spaarzame productie met de verleidelijke zang.

Greg Anderson, labelbaas bij Southern Lord, houdt wel van een stevige portie ouderwetse hardcore. Hij ontdekte het collectief Centuries en gaf ze de kans om een plaat op te nemen. Het is meteen het debuut voor de heren, die negen nummers bij elkaar botsten die eigenlijk perfect op een ep’tje zouden passen. We verkiezen echter, net als Anderson, een korte plaat met superieure hardcore veeleer dan een eindeloos voortbordurend vehikel waar een band zich toch alleen maar in herhaalt. Dat Centuries geen positief wereldbeeld heeft, moge duidelijk wezen. De albumtitel, die net als alle songs een Latijnse titel heeft, betekent ‘Het Leven Moe’ of iets gelijkaardigs (‘Tired Of Life’ is makkelijker). “Moeder, waarom leven wij?”, schreeuwen ze aan een stuk door. Daarvoor gebruiken ze een muzikale omlijsting die heel erg doet denken aan vroege, pure hardcore als die van Youth Of Today of Gorilla Biscuits. Negen songs razen zonder om te kijken of er schade is aangericht. Centuries is explosief, zit vol energie en heeft weinig tijd nodig om ons te overtuigen dat er voor deze band in de hardcore scene een mooie toekomst is weggelegd.

Twee jaar na de debuutplaat ‘The Stepkids’ stelt het gelijknamige trio uit Connecticut zijn opvolger ‘Troubadour’ voor. Meer nog dan op dat debuut valt het maar moeilijk te geloven dat deze groep uit amper drie leden bestaat. Zo lijkt het alsof er tijdens één en hetzelfde nummer een psychedelische popgroep, een bigband, een gestileerd funkcombo en een elektronisch bluesensemble tegelijk ten dans speelt. Jammer genoeg mist het album een duidelijke richting, The Stepkids laten de zaak maar wat op zijn beloop; jazz, hiphop, pop, cocktailmuziek, trompetten, veel bas, gescratch, … het resultaat is noch mossel noch vis. Toch kent het album zeker en vast zijn leuke momenten, zo vangt opener ‘Memoirs of Grey’ aan met een intieme banjo, die je heen en weer stuurt van zompige funk over een piano-tussenstuk naar meerstemmige jaren 1950-zang. ‘Sweet Salvation’ geeft op zijn beurt kleur aan je dag met de geleende ooh ooh ooh’s van Arrested Developments ‘Mr. Wendal’ en ‘Moving Pictures’ is strakke funk die na een poos wel wat ontspoort. Verderop komen we nog enkele toffe ideeën tegen die helaas niet steeds tot boeiende nummers leiden, waardoor ‘Troubadour’ in zijn geheel toch geen onuitwisbare indruk nalaat.

Na hun zeer geslaagde debuut is `Power Punch` de tweede plaat van het Keniaans-Britse gezelschap Owiny Sigoma Band. Intussen hebben ze niet stilgezeten en net voor deze plaat werd er nog een ep uitgebracht onder de titel `Owiny Techno`, als eigentijdse vuurkracht voor de dansvloer in 140 BPM. De basis van de band drijft op de traditionele Keniaanse Nyatiti en Luo stijlen vermengt met westerse productietechnieken. Gelukkig resulteert dit niet in een wrange fusion zoals we het helaas maar al te vaak horen, maar is het een geluid waarin de muzikanten het beste uit elkaar halen voor een fris en nieuw geluid waarbij de sfeergeest van Konono No1 niet heel ver weg is. De songs `Norbet Okelo`, `Sunken Wrecks` en `Lucas Malore` bevatten zelfs invloeden van minimale dubtechno die drijven op de dubbele Keniaanse drumritmes. Het is een geluid waar we eventjes aan moeten wennen, maar al snel kunnen omarmen door de interessante composities, klankkleur en invalshoeken. Hier en daar komen ook sferen van Britse indierock voorbij drijven, zoals in `Harpoon Land` en `All Together` maar die klinken toch een stuk minder prikkelend dan de Keniaanse songs. Het stompende `Owiny Techno` is inderdaad één van de klappers met minimale ritmes, bezwerende tongen en een koddig keyboardmelodietje, gevolgd door de sterke dwarse beats in `Yukimwi`. In `Johnny Ra Ha` wordt dan waardig afgesloten met traditionele ritmes aangevuld door bliepjes, effecten en samples. Het is een zeer evenwichtig album dat gewaagd de rafelrandjes tussen traditionele ritmes en moderne elektronische sferen opzoekt en het had de ideale soundtrack kunnen zijn om de krachtige Tourwinst van de Keniaans-Britse Froome mee op te luisteren. Maar vooral een stevige draai om onze oren.

Hunter Hunt-Hendrix is de frontman van Liturgy en de auteur van het manifest ‘Transcendental Black Metal’. Dat leverde de man op hipstersites karrenvrachten lof op, en emmers pek en veren in echte black metal kringen. Ons kan dat hele manifest aan de reet roesten, net zoals het ons weinig kan schelen wat Varg Vikernes in zijn vakantie doet. Op voorwaarde natuurlijk dat het met de muziek een beetje goed zit. Liturgy zou naar verluidt in de studio zitten om een opvolger voor ‘Aesthetica’ te maken. In afwachting krijgen we de eerste van Survival, Hendrix’ trio met jeugdvrienden Jeff Bobula en Greg P.Smith (samen waren ze ooit Birthday Boyz). De opnames zijn naar verluidt vijf jaar oud en bevatten géén black metal, (ook geen onechte black metal) maar proggy riffrock. De bio citeert Smashing Pumpkins, Creedence Clearwater Revival en Alice In Chains. Wij horen ook een goeie scheut The Mars Volta en Motorpsycho, maar dan in een behoorlijk ongeïnspireerde en routineuze jam jam.
De songs zijn opgebouwd uit behoorlijk complexe riffs, ondersteund door naar math neigende drumlijnen, met daarover langgerekte ijle (koor-) zang. Af en toe resulteert dat in behoorlijk ambitieuze songconstructies, maar nooit grijpen die bouwsels ook maar één seconde bij het nekvel.
Tekstueel gaat Hendrix uit van het principe van de mantra. De meeste teksten bevatten tussen de drie en de tien woorden, die tot in het oneindige herhaald worden, meestal op lijzige toon. We geven u de tekst van ‘Our Way’ mee: “Our Way In / The Light / We Did It / Our Way”. En dat zes minuten lang in verschillende combinaties herhaald. Het zou allemaal een begeesterende en meeslepende plaat kunnen opleveren, maar zowel tekstueel als muzikaal blijft het ontzettend vrijblijvend en inwisselbaar.
Hopen dus dat die nieuwe Liturgy wél wat is…