GC #117

In 2011 was Daniel Blumberg nog de voorman van Yuck, een van de bands die we dat jaar volgens de BBC nauwlettend in de gaten moesten houden. En dat deden we. Om te horen dat Yuck erg goed was in collages maken van alle jaren 1990 bands die er in de indie rock toe deden. Pavement, Sonic Youth, Dinosaur Jr. en Teenage Fanclub werden bij elkaar verzameld, aan elkaar geplakt en grondig gekopieerd. Samen vormden zij de basis. Leuk, aanstekelijk en weinig bijzonder. Blumberg heeft inmiddels echter Yuck achter zich gelaten om aan een solo carrière te werken als Hebronix. Aan de hand van Neil Hagarty (Royal Trux) nam hij ‘Unreal’ op, zijn solodebuut. Een plaat waar hij nog steeds voortbouwt op de jaren 1990 indie rock, nu meer bogend op Built To Spill. Hierbij laat hij de puntige korte popliedjes achter zich om zes kleine collegerock symfonieën te bouwen. Slechts twee nummers klokken onder de zeven minuten en in elk van die nummers probeert hij zoveel mogelijk wendingen en lagen te stoppen. Funky baslijntjes, Pavementesque gitaarloopjes, psychedelische gitaar-exploraties, onverwacht rustige strijker intermezzo’s en slepende slackerrock wisselen elkaar af binnen de lijn van een compositie, een beetje zoals Kurt Vile ook de gehele Amerikaanse rockgeschiedenis probeert samen te vatten in een paar minuten. Verrassend, vermakelijk zeker, spannend misschien zelfs, maar niet zonder dat gevoel het allemaal al eens te hebben gehoord.

Hun vorige plaat ‘Staring At The X’ uit 2011 kon op ons gematigd enthousiasme rekenen. Dit New Yorkse viertal doorspekte hun folkliedjes op die plaat dan ook met nodig dosis noise. De experimentele liedjes klinken op deze nieuwe plaat als een popversie van Deerhoof. Pop zonder catchy refreinen dan wel. Forest Fire stouwt haar retrofuturische folkliedjes vol met synthgeluidjes. De nogal wollige zang van frontman Mark Tresher krijgt vaak tegengewicht van de heldere stem van Nathalie Stormann. Openen doet de plaat met het nachtelijke klinkende ‘Waiting In The Night’. Het tweede nummer ‘Yellow Roses’ legt ook al direct een pijnpunt boven van de band. Het nummer drijft op eindeloze ritmische synthflarden. Snel worden ze al een beetje saai en dat in een nummer dat nog geen vier minuten duurt. Een beetje vreemd toch. Langzaam dommelden we in. Vanaf ‘Cool Kind’, die droge drumlijn, horen we echter ietwat beterschap. ‘Fixation’ is een mooi opstapje naar het langste nummer van de plaat. ‘Annie’ drijft op een speels ritme en versnelt op de juiste momenten om ons bij de les te houden. Elf minuten lang. Daarna kunnen we rustig weer indommelen. Dit viertal kan het dus wel, als ze willen. Maar vaak is het album gewoon te lethargisch om te blijven boeien.

Het zijn twee op zich zelf al twee zeer interessante artiesten. Aan de ene kant Erik Bosgraaf, blokfluitist die zich specialiseert in barok en bijvoorbeeld nieuwe interpretaties geeft van werken van Johann Sebastian Bach. Aan de andere kant Yuri Honing die naam heeft gemaakt jazz-saxofonist met een veelzijdige stijl. Ze komen samen in de gedacht dat ze geen belang zien in het onderscheid tussen oude en hedendaagse muziek. De saxofoon en blokfluit spelen in volume met de absolute tonen die zij kunnen produceren en wrijven zo geregeld tegen elkaar. Of spelen met de frequentie van de noot die ze spelen, door die subtiel te laten zakken en stijgen.
De Brandenburger concerten hebben gediend als inspiratie, terwijl pas in het vierde nummer ‘Sheraton’ de barokinvloed overduidelijk wordt: een melodielijn versier d met trillers op blokfuit, ondertussen klinken echter ook nog elektrische gitaren. ‘Hyatt’ klinkt bijna komisch in de manier waarop een barokke basso continuo op een elektrische basgitaar de voortdurend herhalende basis vormt. Terwijl ‘Umai’ met de bas speelt zoals dat aansluit bij jazz. Het zwalkt van klassiek, naar jazz. Het gehele album klinkt als de soundtrack van een nogal verontrustende film. Alsof Werner Herzog na samenwerkingen met Ernst Reijseger nu ook met dit duo zou moeten samenwerken.

Maguaré is de band die draait rond de Colombiaanse jazz-zangeres Paola Marquez die al vele jaren in Gent woont en doceert. Een aantal jaar geleden werd ze bevangen door de kracht van de cumbia en kon een terugkeer naar het geluid van haar roots niet meer uitblijven. Ze omringde zich met een handvol muzikanten uit het Gentse en drie Colombiaanse percussionisten. De groepsnaam refereert naar holle boomstammen die indianenstammen uit het Colombiaanse Amazonegebied gebruiken als slagwerk-telegraaf om met elkaar te communiceren of waarschuwingen door te geven. Het resultaat is de debuutplaat Cumbia Insomnia, die bol staat met 50’s dancehall-cumbia, big band jazz en Afro-Colombiaanse ritmes zoals porro, charanga en mapalé waarbij blazersarrangementen en accordeons niet ontbreken. Het woord cumbia is afgeleid van het Guinese woord cumbe, en betekent feest en daaraan ontbreekt het op deze plaat zeker niet. Er komen een aantal bewerkingen van klassieke cumbia songs voorbij zoals `Ritmo de Juventud` van Calixto Ochoa, `Lupita` en `Noche Ausente`. Wat Belgische smeltkroessferen komen er in de songs `Dominique`, een cover van Soeur Sourire gestoken in een cumbia jasje, en `Jungle Fever` die een swingende herwerking is van een 70’s funk nummer door de Belgische latinband Chakachas. Als afsluiter nog een elektronische remix van `Ritmo de Juventud` door de Renegades of Jazz die een tandje bijsteken voor de dansvloer. Het is een swingend en zonnig album dat balanceert tussen cumbia en big band jazz invloeden, maar helaas te weinig pure ongeremde cumbia. Wellicht om een westers luisterpubliek te plezieren in plaats van een authentieke energieke sfeer na te jagen? Maguaré is bovenal een vurige live band die op het podium altijd weet te overtuigen en in de lage landen tellen we geen enkele andere cumbia band die zo sterk klinkt.

Hoewel Yasunao Tone al heel lang mee draait – over twee jaar wordt hij tachtig – heeft hij maar weinig platen op zijn naam staan. Veel van zijn werk maakte hij tijdens improvisaties en performances, die hij, als een van de eerste Japanners die actief was in de Fluxus-beweging, mede organiseerde. Muzikaal is hij altijd geïnteresseerd geweest in “technologische deviaties”, het gebruik van nieuwe muzikale technologische ontwikkelingen op manieren waarvoor ze niet zijn bedoeld. Daarmee is hij, net als Christian Marclay, een van de voorvaders van wat later “glitch” ging heten. Het verbaast dan ook niet dat ‘Convulsive Threshold’ al zijn vierde album is dat verschijnt op het Oostenrijkse Editions Mego, thuishaven van vele artiesten die zich bezig houden met avant-gardistische lawaai-experimenten. Nog minder verbaast het dat Tone op een aantal van die platen samenwerkte met Florian Hecker en nu dus Russell Haswell, de ongekroonde koningen van de “extreme computer music”. Het resultaat laat zich raden. Drie kwartier digitale noise, haperingen, modulaties en effecten in extreme dichtheid, afkomstig van beschadigde, kwakkelende en overstuurde software, cd’s en apparatuur. Als je met je oren uit zou kunnen zoomen, zou er van een afstand rustgevende witte ruis overblijven, maar op dit detailniveau wordt de constante chaotische dynamiek van deconstructie hoorbaar gemaakt. ‘Convulsive Threshold’ heeft dan ook veel meer te maken met onderzoek – zowel op de manier dat wetenschap, als dat kunst dat bedrijft – dan met muziek. Dat de cd toch in een lp-hoes is verpakt, lijkt dan ook vooral bedoeld om het begeleidende essay ergens kwijt te kunnen.

Achter het pseudoniem Mr Averell gaat de Nederlander René van Commenée schuil. De man is visueel kunstenaar en experimenteel geluidsartiest tegelijk en heeft met ‘Gridlock’ een tweede album gemaakt onder het banier Mr Averell. René is echter niet aan zijn muzikale proefstuk toe. In een ver verleden speelde hij in een aantal rockbands en en deed hij mee op een paar soloplaten van Judge Smith. Die laatste maakte tevens deel uit van de band Van Der Graaf Generator, waar hij drummer, percussionist en zanger was. Deze legendarische progressieve rockband is meteen een stevige referentie voor ‘Gridlock’, net als Peter Hamill, een ander icoon van de experimenteel getinte progrock. Voor wat hoort wat, en al is het een tijd geleden dat de heren samenwerkten, Smith tekent present als één van de vele gastmuzikanten. Commenée, die tevens samen met pijporgelmeester Willem Tanke en MIDI-wind-controller/fluitist Martijn Alsters ook het trio The Art Of Doing Nothing vormt, neemt heel wat ‘zang’ en instrumenten zelf voor zijn rekening. Toch ziet hij de meerwaarde om zaken uit handen te geven en daarvoor heeft hij een hele resem bevriende muzikanten uitgenodigd. Saxofonist David Jackson bijvoorbeeld (Van Der Graaf Generator, Peter Gabriel), die in samenspel gaat met Lene Lovich (herinnert u zich haar ‘Lucky Number’ nog?). We waren al lang vergeten dat Lovich best wel een aangename stem had. Verder komen onder meer gitarist John Elllis (Peter Gabriel, The Vibrators), pianist Mike Garson (David Bowie, Smashing Pumpkins), violist Stuart Gordon (Peter Hammill) Commenée bijstaan om zijn vreemde, soms bewust moeilijk te doorgronden nummers, van extra kracht voorzien. Commenée zingt niet echt, maar bromt, gromt, vertelt, leutert, kreunt en zorgt ervoor dat het gros van de modale luisteraar al van bij de korte intro van de plaat (‘Lock’) de gordijnen wordt ingejaagd. Doorbijters zijn echter getuige van een wonderbaarlijke muzikale wereld waar geen touw aan vast te knopen is maar toch uitnodigt om telkens opnieuw op ontdekking te gaan. Mafste plaat die we in tijden hoorden, dat is een feit.

Als Bruce Springsteen een Schot was en in zijn vroege jaren beïnvloed door Jesus And The Mary Chain, My Bloody Valentine, dan had ‘Tunnel Of Love’ waarschijnlijk geklonken zoals ‘Later… When The TV Turns To Static’. Het derde album van Glasvegas weekt in dezelfde melancholie en ellende als de Amerikaanse volkszanger, alleen zijn de donkere woorden hier gewikkeld in lagen aan echoënde en schriel piepende gitaren. Rauw en geleefde pop met een stevige Schotse snik, waardoor alles sowieso al oprechter en directer klinkt. James Allan heeft geleden of ziet leed in zijn directe omgeving en wij moeten dat weten. Soms in wat plastische, voorspelbare maar rake piano ballades (‘Choices’), andere momenten met scherp snijdende gitaren op de keel (‘Youngblood’). Het zijn de bekende ingrediënten voor een empathie opwekkende melancholische rockplaat, Glasvegas beheerst ze en zal er vast ook volle meezingende zalen mee krijgen. Maar ‘Later… When The TV Turns To Static’ wordt juist interessant wanneer van deze platgetreden paden  wordt afgeweken. Wanneer aan het eind van ‘Finished Sympathy’ bijna twee minuten atonaal de maag wordt omgedraaid, in het gebabbel dat in eens door de mix heen wandelt of wanneer een Keltisch folkmotief de basis legt onder ‘Magazine’. Dan onderscheidt het kwartet zich van de Snow Patrols van deze wereld en stijgt de band weer even tot de hoogte van het debuut om daar heel even zelfs over heen te gaan in de titeltrack, tactisch geplaatst aan het einde van de plaat.

De plaat van het uit Sydney afkomstige garagecombo Straight Arrows verscheen oorspronkelijk in 2010. De plaat kwam echter alleen uit in Australië, op Rice Is Nice. Agitated brengt ze nu wereldwijd op de markt. Daarmee spelen ze in op het succes van een resem bands waar Straight Arrows mee toerde en waar ze heel wat verwantschap mee vertonen. Thee Oh Sees, Ty Segall, Black Lips en Jay Reatard zijn namelijk namen die al wat bredere (h)erkenning genieten, en daar kan dit kwartet zijn voordeel mee doen. De elf liedjes liggen dan ook helemaal in de lijn van eerder genoemde bands. De vibe is die van de jaren 1960, een beetje opgepimpt naar de tegenwoordige tijd. En zonder franjes, want de plaat klokt in op amper vierentwintig minuten, dus de liedjes volgen elkaar snel op en overschrijden de drie-minutengrens nooit. Veel productionele foefjes zijn evenmin aan de band rond Owen Penglis besteed. De liedjes werden eerder primitief op de band gezet, lijken te rammelen en te haperen maar blijken uiteindelijk zo verslavend als wat. De ene keer klinken ze punky als The Ramones, op andere momenten lijken ze de mosterd te halen bij vroege The Rolling Stones of Pink Floyd mét Syd Barrett. Daar voegt Straight Arrows een punky attitude en dito spelplezier aan toe. Het maakt ‘It’s Happening’, al horen we nergens iets speciaals, overrompelends, origineels of vernieuwends, toch tot een goed garagepunkrockalbum waarvan de liedjes op een podium ongetwijfeld nog beter tot hun recht komen.

Ze zeggen wel eens dat freejazz dood is. Ofwel in handen geraakt van droogstoppels die er een in zichzelf gekeerd, academisch denkspelletje van hebben gemaakt. Sudoku voor muziektheoretici. Ach, ze zeggen maar. De Zweedse rietblazer Martin Küchen laat al jarenlang horen dat het onzin is. Hij maakte een tijd terug een paar knappe albums met Exploding Customer, en leidt intussen het broeierige Trespass Trio, dat net z’n derde album (‘Human Encore’) uitbracht met improvisatieveteraan Joe McPhee, en het grotere ensemble Angles. Het recent(er) opgerichte kwintet All Included is misschien wel het rauwste project uit de reeks. Samen met trompettist Thomas Johansson, de alomtegenwoordige trombonist Mats Äleklint en de Noorse ritmesectie Jon Rune Strøm (bas) en Tollef Østvang (drums), de drijvende kracht achter het Stone Floor-label, doet hij de bulderdrang en dadendrift van de jaren 1960 en 1970 herleven. En het moet niet eens gebeuren met het gaspedaal volledig ingedrukt. Als dat toch het geval is, zoals in opener ‘Airstrike’, dan leidt het tot een regelrechte adrenalinebom, terwijl het collectief geïmproviseerde ‘Swedish Salsa’ steeds opzichtiger flirt met de chaos. Het van het Trespass Trio geleende ‘The Indispensable Warlords’ klinkt dan weer alsof krijgsheren een oorlogstafereel overschouwen in die paar stille seconden voor de hel losbarst. Het Angles-stuk ‘Dactyloscopy’ is de staccato brok explosiviteit van dienst, terwijl het afsluitende titelnummer, duidelijk een Mingusverwijzing, een even voluptueuze als opruiende ode aan de vrijheid creëert. Dit is muziek die het vuur aan de lont steekt, die ratelt, schettert en giert met alarmerende overgave en soms vrees je dat Küchen die zeurende en stotterende sax gewoonweg kapot blaast. De maniertjesjazz die doorgaans in de media wordt geprezen, is in deze dodelijk efficiënte combinatie van onstuimigheid en creativiteit heel erg veraf. All Included speelt op 28/9 in KC BELGIE (Hasselt).

De Italiaanse klankhouwer Luca Sigurtà vroeg de door hem bewonderde collega Francisco López of hij een gezamenlijk product zou willen maken. Peetvader López stemde in, met twee mitsen. Elk zou zijn eigen compositie maken; daarbij zou worden uitgegaan van exact hetzelfde materiaal. Resultaat is ‘Erm’, respectievelijk een stuk van een ruime 27 minuten (López) en een ruime 22 minuten (Sigurtà). In beide composities zijn inderdaad regelmatig dezelfde klanken te horen, maar de twee mannen creëren daar een andere en tot op zekere hoogte herkenbare geluidswereld mee. López wordt vaak weggezet als een – ook nog eens overactieve – pure noise-componist. De Spanjaard heeft echter al vaak genoeg laten horen dat in zijn composities stilte en zeer zachte geluiden een minstens zo belangrijke rol spelen. Zo ook in deze – traditiegetrouw genummerde – compositie ‘Untitled #294’ wisselt hij dicht en gelaagd geluid af met kalmte en stilte. Langzaam opgebouwd geluid valt plots stil, waarna – lange seconden later – weer licht galmende elektronisch klanken, raspend, rammelend met een lichte galm tot snerpend worden gestapeld. Om na enige tijd heel langzaam weer weg te schuiven in bijna stilte. Sigurtà heeft een andere aanpak: ‘Eaves’ zet meteen heftig in met een vrij complex weefsel van klanken. Ook bij hem zijn er rustpunten, bijna stiltes, maar de Italiaan lijkt minder de tijd en de rust te willen nemen. In een tweede deel van zijn compositie wordt Sigurtà ingetogener en klinkt hij bijna mijmerend met tal van geluidjes over een basis van drones. Twee componisten, twee generaties, hetzelfde materiaal: pakt het heel anders uit? Ja, beiden laten vakkundig horen welke kanten je op kunt met afgesproken klankmateriaal. Tegelijkertijd sluiten de twee stukken goed op elkaar aan, zodat Sigurtà wellicht gelijk als hij stelt dat het resultaat als twee delen van een suite zijn.

Hoewel ze er weinig last van lijken te hebben gehad, is New Order door velen toch altijd benaderd met een door het verleden ingegeven hyperkritische blik. Iets in de geest van “Ian Curtis is dood, niks wat jullie doen zal ooit nog in de buurt komen”. Je kunt vinden wat je wil van de band, maar als New Order één ding structureel niet gedaan heeft, is het zich iets aantrekken van in het zwart gehulde zeurpieten. Na de eerste lp schoof het geluid dan ook snel weg van het doomy geluid van Joy Division, naar een mengsel van postpunk, indie-rock, elektropop en house waarmee ze vooral in hun thuisland zeer succesvol waren. Nadat Factory Records ten onder ging kwam de klad er een beetje in, en in de laatste twintig jaar maakte de band welgeteld drie albums – eentje aardig (‘Republic’), eentje goed (‘Get Ready’) en eentje die de band’s absolute artistieke dieptepunt is (u zoekt het maar op, ik maak er geen woorden vuil aan). Inmiddels heeft bassist Peter Hook de band met ruzie verlaten, en reist nu als The Light de wereld rond om niet onverdienstelijk Joy Division-nummers te spelen. Ook New Order is nu effectief alleen nog maar een touring unit, met als pleister op de wonde van Hooky’s vertrek de terugkeer van toetseniste Gillian Gilbert, plus de constatering dat nieuwe bassist Tom Chapman de karakteristieke baslijnen foutloos blijkt te kunnen spelen. Of hij zijn bas ook op zijn knieën heeft hangen weet ik niet, maar het feestende publiek op Bestival 2012 zal het niks uit hebben gemaakt. De hits worden enthousiast meegezongen en niemand lijkt aanstoot te nemen aan de technische beperkingen van Bernard Sumner. Zijn capaciteiten als gitarist waren nooit heel spectaculair, maar waar dat bij Joy Division binnen de rauwheid paste (of werd gladgestreken door Martin Hannett), stak en steekt dat in New Order soms scherp af tegen de perfectie van alle synths en sequencers. Dat geldt nog meer voor zijn stem, die op ‘True Faith’ en ‘Bizarre Love Triangle’ constant tegen de grens van zijn kunnen aanschuurt, maar het meest gênant zijn de “wooh!”’s die hij zo nu en dan uitroept in een poging om de feestvreugde te verhogen. Technisch zit het dan allemaal wel weer vrij goed in elkaar, al kun je je bij een band waarvan waarschijnlijk 50% van de muziek uit een computer komt afvragen wat de waarde van een live-album eigenlijk is. Een paar nummers zijn leuk omdat ze redelijk verbouwd zijn (vooral ‘586’, al vraag ik me af of iedereen even blij zal zijn met de rockende gitaren), maar dat zal alleen de die hards interesseren. Verder is het eigenlijk gewoon een verzamelaar van het type “greatest hits – live!”. Leuk, voor als u er bij was.

Austra’s ‘Let It Break’ (2011) was een zeer geslaagde synthese van lichtvoetige synthpop en gotisch drama. Leadzangers Katie Stelmanis had niets van wat Zola Jesus zo vermoeiend maakte, en wel alles in huis om pakkende liedjes te schrijven. Er was misschien maar een enkel echt hoogtepunt (‘The Beat And The Pulse’), maar de rest was goed genoeg om ook de plaat als geheel een sterk debuut te laten zijn. Nu, twee jaar later, is er ‘Olympia’, waarop het drama van de eerste lp voor een groot deel is ingeruimd voor een lichtvoetiger en dansbaarder geluid. Niet dat er een housedreun onder ligt, maar veel nummers worden begeleid door een four to the floor-beat, en de synthpop sound van de eerste plaat is doorgeschoven naar iets wat we voor het gemak ‘indiedisco’ zullen noemen (mid-periode New Order, zeg maar). Dat is allemaal prima, maar hoewel de band nog steeds sterke liedjes weet te schrijven, zoals ‘Painful Like’, is de emotionele dynamiek van deze plaat veel minder dan die van de voorganger. Daardoor zijn er veel nummers die je weer vergeten bent, zodra ze voorbij zijn zoals ‘We Become’ en ‘Annie (Oh Muse, You)’, en laat de plaat als geheel een nogal zouteloze indruk achter. ‘Olympia’ eindigt wel nog redelijk sterk, waarbij de rare productie en echte drums op ‘You Changed My Life’ opvallen, voordat met ‘Hurt Me Now’ het slepende drama even terugkeert. Het is begrijpelijk en op zichzelf toe te juichen dat Austra haar geluid verder heeft willen ontwikkelen, maar het uiteindelijke resultaat is helaas maar ten dele de moeite waard.

Waar moeten we Julia Holter plaatsen? Die vraag is altijd een lastige geweest. Holters oeuvre is geworteld in theatrale pop à la Laurie Anderson en zit vol verwijzingen naar literatuur, mythologie en hedendaagse klassieke muziek. Haar plaat ‘Ekstasis’ uit 2012 was haar toegankelijkste tot dan toe en werd een bescheiden hit in indiepopkringen, maar leidde ook tot een groot artikel in The Wire waarin vooral werd ingegaan op de betekenis en oorsprong van het begrip ‘Ekstasis’ en de overige mythologische verwijzingen in Holters werk. Waarna Holter dat weer relativeerde door te zeggen dat ze ook maar gewoon popmuziek maakt. Haar nieuwe plaat ‘Loud City Song’ is weer net zo ongrijpbaar. Holter presenteert het als een conceptalbum over de stad Los Angeles en de fascinatie met roem, gestructureerd als een verhaal dat gebaseerd is op de novelle ‘Gigi’ uit 1944 van de Franse schrijfster Colette. Veel liedjes hebben een grillige structuur, met a capella stukken, gefluisterde teksten en bombastische, bijna musicalachtige uitbarstingen. Het doet vermoeden dat Holter zich in de toekomst nog wel eens op muziektheater zou kunnen gaan storten. ‘Loud City Song’ heeft daar al diverse trekken van, maar kent ook eenvoudigere popliedjes, zoals het mooie ‘He’s Running Through My Eyes’, en de teksten zijn door haar kindvrouwtjesstem vaak te slecht verstaanbaar om je echt in het verhaal van de plaat te verdiepen. Het duurt daarom enkele luisterbeurten voor je erachter bent hoe je je precies tot de plaat moet verhouden. Dus of dit nu een half geslaagde plaat is die teveel hinkt op twee gedachten of een briljante symbiose tussen verschillende muzikale werelden, die conclusie houdt u nog van ons tegoed. Muzikanten die je aan het denken zetten; daar zouden er meer van moeten zijn.

De klippen van een hype omzeilen. Het vraagt enige stuurmanskunst. De twee Australische jongens, Jono Ma en Gabriel Winterfield, van Jagwar Ma kunnen ervan meespreken. Op basis van een paar sterke singles kwamen ze in een maalstroom van, mogelijk, opgeklopte euforie terecht. Benieuwd dan ook of ze overeind blijven met hun volledige plaat. Een album dat deze globetrotters met hulp van de in Berlijn residerende elektronicaproducer Ewan Pearson en Warpaint-drumster Stella Mozgawa deels opnamen in een klein dorpje onder de schaduw van Parijs. In die godverlaten plek hadden de jongens rustig de tijd om te werken aan hun muziek. Want de potpourri van stijlen die ze op hun debuut gebruiken heeft tijd nodig om te rijpen. Het eerste idee dat bij ons te binnen schoot was dat van een poppy opvolger van ‘Merriweather Post Pavillion’ van Animal Collective. Maar dan wel een opvolger die ze maakten op dansbollen. Zo drijft vooruitgeschoven single ‘The Throw’ op een heerlijke dansbare beat. ‘Four’ lijkt dan weer iets dat recht uit de koker van Kieran ‘Four Tet’ Hebden had kunnen komen. Dat is het dus niet. Maar ze spreken dus ook andere muzikale klankpaletten aan. ‘Come Save Me’ had gemaakt kunnen zijn door de Beach Boys anno 2013. Als ze geen ruzie zouden hebben natuurlijk. Niet alleen jubel en lof voor dit album echter. ‘Let Her Go’ is een verwaarloosbaar niemendalletje. Naar het einde van het album zakt het soms ook iets te ver in. ‘Backwards Berlin’ is een beetje een slome afsluiter. Het feestje eindigt een beetje op een anticlimax. Dus of ze de licht euforische hype overleven? En die referenties met Madchester die we al her en der hoorden vernoemen? Eerlijk gezegd hoorden wij die niet echt. Kan weer aan ons liggen.

Was het debuutalbum van Luzazul nog niet helemaal zeker van toon, bij de opvolger Canvas is daar niets meer van te merken. De rond de spil Martijn Morselt (gitaar, bas, keyboards, composities) en Magda Mendes (zang, gitaar) opgetrokken vijfkoppige formatie maakt een sterke mix van Braziliaanse pop met flamenco- en fado-elementen, uitgevoerd door muzikanten die hun sporen in de Nederlandse jazz en wereldmuziek al ruim verdiend hebben. Labryenco, Waylon en Monsieur Dubois zijn dan zoal wat bands waar eerder gespeeld werd; te gast is percussionist Roel Callister. Zowel de gitaren, de zang als de overige instrumenten vloeien zijdezacht in elkaar over, zodat een organische sound overblijft waar zo nu en dan een gitaarloopje of stemuithaal zich bovenuit worstelt. Maar evengoed wordt er zwaarder geschut ingezet, en voeren een pompende bas en gedreven ritmes het geheel zonder veel omhaal richting dansvloer.

Tien jaar lang evolueerde Shining van een jazzensemble naar een beest met ontelbare koppen. Drie jaar geleden, toen ‘Blackjazz’ uitkwam, was het ultieme monster geboren. Destijds dissecteerde collega (swat) het beest tot vier belangrijke sub-beesten: experimentele jazz, geavanceerde metal, progrock en avant-garde. Op papier een onwaarschijnlijke combinatie, maar over de koptelefoon een onvergetelijke ervaring. Op deze ‘One One One’ is Shining op het eerste gehoor een pak minder extreem. Sloegen ze je op ‘Blackjazz’ nog eindeloos heen en weer van het kastje naar de muur, op ‘One One One’ wordt er wat gas teruggenomen in het genrehoppen, ten voordele van korte (meestal rond de vier minuten) puntige songs. Dat resulteert in een paar eerste luisterbeurten die – eerlijk is eerlijk – ronduit teleurstellend waren. Vertwijfeld vroegen we ons af of Shining naar festivalpodia solliciteerden, dan wel gewoon moe geävonturierd (sic) waren of misschien zelfs gewoon toegegeven hadden aan de sores van het platenlabel (“Okay, allemaal goed en wel, maar kunnen jullie alstublief een keer een normaal plaatje maken?”.) Maar de vierde luisterbeurt bracht soelaas. De Shining van ‘Blackjazz’ is – voorlopig? – niet meer, maar alles wat die plaat zo opwindend maakte – de onwaarschijnlijke combinatie van invloeden, de schizofrene moodswings, het bijna pervers virtuoze spelplezier – is nu ingekookt tot songs, in plaats van suites. Nog een extra dimensie, dus. Eens je dàt doorhebt, is ‘One One One’ – nochtans maar 36 minuten lang – goed voor uren luisterplezier. Vervolgens kan je op zoek naar heerlijk ontsporende details: de lunaparksaxofoon van ‘I Won’t Forget’, de geheel uit scheermessen opgetrokken microriff van ‘My Dying Drive’, de moord-saxofoon op ‘How Your Story Ends’… Centraal op de plaat staat ‘Blackjazz Rebels’, de song waarmee Shining de volgelingen eert: in navolging van Grateful Dead’s Deadheads, Motorpsycho’s Psychonauts en de Türbojugend heeft Shining voortaan zijn Blackjazz Rebels’. Waar is dat standje met lidkaarten en idiote uniformen ergens?

Daniel Menche is zeker niet de eerste die geboeid is door de Indonesische gamelan en haar toepast in een niet-traditionele context. Maar waar bijvoorbeeld Burnt Friedman, Colleen en 23 Skidoo zich allemaal (ook) richtten op de percussieve aspecten, gebruikt Menche de gongs en andere instrumenten voor twee grote drone-scapes waarin ritme een ondergeschikte rol speelt. In plaats daarvan, en dat zal niemand die Menche een beetje kent verbazen (zie ook GC#108 & #96), richt hij zich op de textuur, klank en hoe verschillende tonen samenwerken. Op kant a lijkt Menche resonerende gongs te hebben gesampled en in loops door elkaar heen te vlechten. Het resultaat is een geheel van tegen elkaar in draaiende lagen waarin vervormde middentonen overheersen. Na een tijdje wordt het een beetje onprettig, want hoewel het geluid nooit fel of scherp is, zit de muziek precies in een frequentiegebied waar met bescheiden volume al maximale druk op je trommelvliezen lijkt te liggen. Onder dit metalen weefsel beweegt een traag bas-thema van een handvol noten dat juist de meditatieve mogelijkheden van de instrumenten laat zien. Nog dieper rommelt zo nu en dan iets dat zo laag is, dat je het meer voelt dan hoort, alsof een eiland verderop een vulkaan bezig is wakker te worden. Het zijn allemaal knappe geluiden, maar de schurende metaaltonen zijn net iets te rauw om het als een geheel te ondergaan; ik probeerde uiteindelijk vooral om alle fuzz heen te luisteren om meer van de diepte te horen. Kant b lijkt tot stand gekomen in een meditatieve gemoedstoestand, al is het geluidspalet hetzelfde als op de eerste track. Voorzichtig overstuurde drones van middentonen, doffe percussie in de registers er onder, maar bijeengebracht op een manier die dwalend de mogelijkheden van individuele klanken wil onderzoeken en de confrontatie mijdt. Menche blijft hier iets dichter bij het geluid van de traditionele gamelan, al kan hij het toch niet laten om alles uit te laten monden in overstuurde drones. ‘Marriage Of Metals’ laat vooral zien wat een artiest met een voorliefde voor textuur en noise allemaal vermag met gamelan, maar als op zichzelf staand werkstuk is het niet inventief genoeg om langdurig te boeien.

Starman Records uit Antwerpen is nauwelijks een jaar actief maar slaagt erin om met zijn heruitgaven meteen de aandacht naar zich toe te trekken. De reeks ‘Belgian Vaults’ werd opgestart en kent reeds twee releases, alleen op vinyl, van verborgen Belgische schatten uit de jaren 1960. Niet alweer dezelfde songs die iedere liefhebber al in huis heeft, maar obscuur materiaal dat grotendeels nooit eerder werd heruitgebracht. Met mondjesmaat verschijnen nieuwe platen, waarvan ‘Freckleface’ (alleen vinyl) van de gelijknamige band met Arno Hintjes en Paul Couter uiteraard opvalt. In 1987 richtte Jean-Pol Van Haesendonck, beter bekend als JP Van, Boom!Records op. Hij bracht van bij het begon honderden platen op de markt van veelal Belgische bands die rock of sixtiesgerichte pop maakten. Bekende en obscure groepen maakten allemaal deel uit van de catalogus. Uit dit zeer uitgebreide aanbod stelde Starman Records twee cd’s samen, waarvan de eerste zich focust op nummers die geworteld zijn in de jaren 1960, al dan niet de psychedelische versie ervan. Het tweede deel zal zich eerder toeleggen op garage en punk en verschijnt in het najaar. En het moet gezegd: dit is een geslaagde compilatie die geen zwakke nummers kent, zelfs van bands die we vroeger gewoon kut vonden. The Pink Flowers, The Spanks, The Softies (het latere Pitti Polak), The Candy Dates en uiteraard JP Van zelf zijn maar enkele van de namen die samen twintig liedjes brengen. Covers wisselen af met eigen werk, en al zijn niet alle liedjes echt super, de mooie opbouw van de plaat is lovenswaardig. Alleen jammer dat JP Van als enige tweemaal is vertegenwoordigd en ook nog eens de minst interessante bijdrages levert. We juichen het initiatief echter toe en kijken reikhalzend uit naar het tweede en afsluitende deel.

Beautify Junkyards zijn een Portugese band die het tot zijn doel heeft gesteld om covers uit het psychedelische oeuvre van de jaren 1960 en 1970 op te nemen. Passeren de revue: Vashti Bunyan, Os Mutantes, Kraftwerk, Nick Drake, Heron, Bridget St. John, Donovan. Bijna allemaal songs die we door en door kennen, meestal in zeer gedegen versies. Wat Beautify Junkyards eraan toevoegen, is een nette uitvoering met veel galm op de klinisch klinkende akoestische gitaren, vlakke zanglijnen en hier en daar een flinterdunne streep voorzichtige psychedelische synth. Zeer pastoraal allemaal, maar ook zeer éénvormig, saai en vooral – veel te dicht bij het origineel. Alleen Kraftwerks ‘Radioactivity’ wordt in een nieuwe context geplaatst, door de repetitieve synths door repetitieve gitaren te vervangen. Helaas werkt het trucje niet. Net zoals de cosmetische update van de folksongs niet werkt. Onsympathieke conclusie, maar overbodige plaat.