GC #118

‘Black Tar Prophecies IV, V, VI’, de oplettende Grails fan heeft twee derde van deze langspeler al in de kast staan. Deel vier zag het leven in 2010 als gelimiteerde picture disc en deel vijf was de bijdrage van de band uit Portland aan de splitlp met Pharaoh Overlord uit 2012. Allemaal hoofdstukken in een serie van vrijere en donkerdere psychedelische en slepend slome postrock dan de reguliere langspelers zoals het prachtige ‘Deep Politics uit 2011, voor deze uitgave aangevuld met deel zes. Al niet echt een band van structuren en regels laat Grails deze bij de opnames van ‘Black Tar Prophecies’ geheel varen. Het bouwt sfeer, een sfeer die op zijn vrolijkste momenten slechts treurnis wekt en waarin elk sprankje hoop vakkundig de nek om wordt gedraaid. Strijkers en gitaren over simpel jazzy doch effectieve pianoloopjes schetsen beelden van desillusie en angst. Het zijn geluiden die bij dystopische films horen, spanning aanwakkeren in beknellende horror, maar even goed bedwelmen. Hoe donker de band zich ook door ‘Black Tar Prophecies’ heen dronet, je wilt mee op die golf naar de onvermijdelijk ondergang. Dit vooral ook omdat Grails lange repetitieve stukken varieert met zware experimentele stukken, waar het tegen de industrial aanhangt in combinatie met duistere gesproken samples die herinneringen aan het betere werk van Today Is The Day oproepen. Zij het zonder de erupties, maar even dreigend en vervaarlijk hoe Grails de sfeer bepaalt. Het zijn tussendoortjes, wat in de lijn door ‘Black Tar Prophecies IV, V, VI’ te merken is, opgenomen op andere momenten en in andere sferen, wat de eenheid ook aantast, het maakt de plaat echter niet minder intrigerend. Het is juist dat gefragmenteerde dat het kleine uur instrumentale rock zo voorbij doet vliegen. En dat toont dat we van Grails de komende jaren nog best wat bijzondere albums mogen verwachten.

Dit is een plaat die zich amper laat beschrijven. Niet omdat je “hem moet ondergaan” of om andere cliché-redenen, maar simpelweg omdat het zo een uniek document is, dat zelfs de meest gedetailleerde geluidsbeschrijvingen of genreaanduidingen de wezenlijkheid van het werk niet kunnen uitdrukken. Het klinkt – althans in mijn oren – als wat de titel beschrijft: geluiden die als los samenhangende beelden volgens een onvoorspelbaar patroon verschijnen, van vorm veranderen, en weer verdwijnen voordat ze goed en wel begrepen zijn. Zonder ze echt te kunnen herkennen, lijken het flarden angst, gevecht, bevreemding. En dat zes plaatkanten lang. De niet te herleiden herkomst van de geluiden vergroot hun onvoorspelbaarheid en daarmee het emotionele effect van verontrusting en onzekerheid – effecten die de aanwezigheid van de dood in het leven ook heeft. Ik kan me voorstellen dat anderen het woord “kwaadaardig” zou gebruiken, maar als iemand die niet in het concept van Het Kwaad gelooft, zou ik die kwalificatie plakken op iets als black metal – op artiesten die dat ene aspect willen uitvergroten tot iets grotesk, en dus niet serieus te nemen zijn. ‘Images Of The Dream And Death’ is dat zeer zeker wel. Rózmann, een Hongaars componist, componeerde het stuk midden jaren 1970, en sindsdien creëerde hij vier versies van het stuk, de laatste keer in 2001, vier jaar voor zijn dood. Dat is de versie die nu verschijnt op Ideologic Organ. Ik heb geen idee hoe de andere drie klinken, maar voor de verandering ga ik daar maar eens niet naar op zoek. Deze versie is al indrukwekkend genoeg. Een magistraal werk dat klinkt als niets dat ik ooit eerder hoorde, en tevens een uitzonderlijke vertolking van wat het betekent om sterfelijk te zijn.

Daikiri is een relatief nieuw duo dat met zijn debuut op vinyl meteen indruk weet te maken. Bas en drums en nu en dan een stem, meer hebben deze Fransen niet nodig om een geluidsmuur neer te zetten. Tien van de elf nummers klokken af net onder of net boven de minuut, waarin een stevige laag noise wordt gelegd die heel erg verwant klinkt met Lighning Bolt. Alleen is de aandachtsspanne van Daikiri nog korter. Alle ideeën snel erdoor draaien lijkt de boodschap. In een aantal nummers doet ook een behoorlijk geschifte, vrouwelijk aandoende stem zijn intrede, waardoor die songs lijken op een kruising van Melt-Banana en Lightning Bolt. Voor ‘Ikea’ nemen ze dan weer wel ruim de tijd. Dit instrumentale stuk duurt net geen elf minuten. We zouden het moeten uitrekenen, maar allicht net zo lang als de rest samen. Het is een langgerekte improvisatie die van een motiefje een drone lijkt te maken, Lightning Bolt on acid. Als we het goed hebben, speelt de bassist ook bij Le Singe Blanc, het trio uit Metz dat net zo goed een nieuw werkstuk klaar heeft. Sinds 2000 plaveien ze de straten met hun sonische aanvallen. Pas bij het luisteren naar deze plaat, hebben we door dat ook het stemmetje bij Daikiri banden heeft met Le Singe Blanc. Om maar te zeggen dat de informatie over Daikiri eerder pover is. Le Singe Blanc met een andere band vergelijken is heel wat moeilijker trouwens. Eigenlijk is het eenvoudig: doorheen de jaren creëerde het trio gewoon zijn eigen versie van experimentele artrock met een stevige punkattitude erbovenop. Twee bassen, twee stemmen en drums, meer hebben ze niet nodig om energiek, spontaan, primitief en bovenal eigenwijs te klinken. Telkens zoeken de Fransen nieuwe wegen om uit hun zelf opgelegde beperkingen te ontsnappen. Soms lukt het iets minder, zoals hier en daar op ‘Aoûtat’. Erg is dat niet. Nergens is het dermate schabouwelijk dat er niets mee aan te vangen is. Elk van de tien nummers sleurt de luisteraar alle kanten van het banduniversum binnen. Een eigen wereld creëren waarin volop kan worden gepoogd uit de geijkte paden te treden, daar is het Le Singe Blanc om te doen.

Iedereen die de recensies van de eerdere albums van Crystal Antlers terug leest, zal meermaals een referentie naar The Mars Volta vinden. Uiteraard ingegeven omdat de eerste leg werd geproduceerd door de toenmalige toetsenist van het prog-hardcore-punk-latin-hak-op-de-tak gezelschap rond het duo Bixler-Zavala en Rodríguez-López, maar vooral ook vanwege de eigen hectische invulling van de indiepunk die Crystal Antlers op ‘Tentacles’ en ‘Two-Way Mirror’ laat horen. Op ‘Nothing Is Real’, het derde album, kiest de band er echter voor om meer recht toe recht aan de indierock aan te vallen. Althans, rechttoe rechtaan voor Crystal Antlers en nog steeds even furieus als op de voorgangers. Vooruit met de troepen, is het devies. Zeker in de opener ‘Pray’, waar het lijkt alsof The Smiths zojuist speed hebben gesnoven, een garageband zijn begonnen en J Mascis (Dinosaur Jr.) als boze buurman de garage binnen komt stormen om de muur aan versterkers met zijn gitaarwerk op te blazen. Een insteek die geregeld terug keert op ‘Nothing Is Real’. Johnny Bell, zanger en bassist van het collectief, is woest – in de beste zin van het woord – en blaast dit in felle schreeuwerige uithalen van zich af, afgewisseld met melodische en innemende zanglijnen. Hierdoor doet ‘Nothing Is Real’ denken aan The Trans Megetti, The Dismemberment Plan en vergelijkbare bands eind jaren 1990, maar ook aan Sebadoh in de felste momenten en Wipers ten tijde van ‘Youth Of America’. Dit is indiepunk die van zich afbijt en weet te zalven op de juiste momenten. 

Voorlopig wordt nog altijd naar het duo Mombu verwezen als ‘de band van de saxofonist van wijlen Zu’ en dat zal nog wel even duren. Niet dat Mombu geen eigen identiteit heeft, maar de sound van Luca T. Mai is natuurlijk meteen herkenbaar. Bovendien heeft zijn sound hier de steroïdenpower van op Zu’s ‘Carboniferous’: ultravet, agressief en bronstig. ‘Just another Afro Grind band…’ geeft de website van het duo mee. Valse bescheidenheid, want dit moet zowat de enige band zijn die zichzelf dat label opplakt. Het tweeluik dat de plaat opent – de titeltrack en ‘667 A Step Ahead Of The Devil’ – komt meteen binnen met de voorhamer. Een loop van vervormde baritonsax en daarover dan nog eens soleren met de vuilste sound aan deze zijde van Mats Gustafsson. Het is rauw en primitief, ronduit ritualistisch zodra die percussie z’n intrede maakt. Er wordt gespeeld met start/stop-dynamiek en allerlei staccato gestoot en even kan Mai harmoniëren met zichzelf, maar het blijft auditief sloopwerk. ‘667’ is dan weer het geweldmonster: sneller, harder, hoekiger, een genadeloze afranseling. Het is pas daarna dat de Afrikaanse vibes geleidelijk aan toenemen. ‘Adya Houn’to’ pakt aanvankelijk uit met een groove die van het Belgische [sic] had kunnen zijn, maar introduceert meer tribale percussie en gitaar. ‘Mighty Mombu’ verenigt mathmetal met Fela Kuti door de aanwezigheid van zanger/percussionist Mbar Ndiaye, die ‘Carmen Patrios’ helemaal naar zich toe mag trekken. De laatste twee lappen starten met lange aanlopen om toch weer uit te barsten in hamerende secties vol saxvervorming, tricky timing en exotische effecten. De twee werelden die Mombu combineert bewandelen nog te veel aparte paden om van een écht geslaagde crossover te spreken, maar laat er geen twijfel over bestaan: live zal dit goed zijn voor een paar beestige kopstoten.

De Syrische artiest Omar Souleyman sloot jarenlang lokale bruiloften af met zijn rotaanstekelijke Shaabi-muziek (letterlijk: ‘volksmuziek’). Het bruidspaar kreeg achteraf een opname cadeau, en die zouden
binnenkort wel eens veel geld kunnen waard zijn. Want sinds het Amerikaanse platenlabel Sublime Frequencies enkele verzamelaars van de man uitbracht, ging het plots erg snel. De Syriër werd op sleeptouw genomen door de Westerse indiescene en stopte prompt met trouwfeesten. Caribou haalde Souleyman naar Engeland om op te treden, hij dook vervolgens de studio in met Damon Albarn en remixte enkele nummers van het laatste album van Björk. ‘Wenu Wenu’, een eerste echte studioalbum, vormt het logische vervolg. Voor deze plaat kroop niemand minder dan Four Tet achter de knoppen, al voert die geen drastische ingrepen uit. Hij raakt zo min mogelijk aan de authenticiteit en houdt zo de geloofwaardigheid intact. Souleyman zingt in het Arabisch en in het Koerdisch, en brengt de nummers in zijn herkenbare Shaabi-stijl, gebruik makend van typische Arabische snaarinstrumenten als de bouzouki en de rebab. Het tempo wordt hier en daar wel serieus opgevoerd door de elektronische beats en de keyboards. De felle ritmes stuwen de nummers vooruit en het live gevoel overheerst. Voor wie niet vertrouwd is met de Arabische muziek zit hier niet bijzonder veel variatie in, en een volgende plaat mag van ons part ook gerust nog wat gedurfder en met iets meer risico. Maar het speelplezier dat van dit album afspat, is geweldig. Hopelijk leidt ‘Wenu Wenu’ dan ook het begin in van meer muzikale kruisbestuivingen tussen het Westen en het Midden-Oosten.

De titel van Minizza’s derde cd verwijst, inderdaad, naar de fameuze roman van Joris-Karl Huysmans uit 1884. De roman ‘À Rebours’ geldt als een hoogtepunt in de decadente literatuur van eind negentiende eeuw; Huysmans verhaalt over hertog Des Esseintes, die zich teleurgesteld in de wereld en de mensen terugtrekt op een landgoed en daar tracht een volkomen kunstmatig paradijs voor zichzelf te scheppen. Dit decadente uitgangspunt wordt in passende vorm vertelt met aandacht voor geuren, kleuren, texturen en gevoelens. Minizza – Rainier Lericolais, Franck Marguin en Geoffroy Montel, hier ondersteund door zes oud-collega’s – gebruikt de tekst van Huysmans niet letterlijk, maar tracht de sfeer van de roman te herscheppen. Hoe doe je dat: een esthetisch verfijnde, anti-naturalistische, sterk zintuiglijke en met spleen en walging doorregen muziek maken? Minizza schept vooral sferische geluidsomgevingen, die bij tijd en wijle vloeiend overgaan in melodieën. Het gezelschap brengt met een ruim assortiment aan instrumenten en elktronica een mengsel van pop, elektronica en experimentele muziek. Zo creëren Minizza en vrienden in de eerste nummers met bijvoorbeeld bellen, vibrafoon, piano, computers en gitaren een sfeervolle setting voor de teksten. De voordacht van de Franstalige teksten – fraai door Marguin gedaan – neemt een centrale plek in. Van melodieën is nauwelijks sprake, totdat in ‘De la Nature Des Choses’ plots basgitaar, drums en piano een popachtig nummer creëren, aangevuld met sax en klarinet. Zo ook klinkt verderop plots een bijna toegankelijk liedje (‘Odeurs & Parfums’), al kan met gerust hart worden gesteld dat het geen hitlijstgeschikte popmuziek is. Elders duiken oosterse percussie, belcanto en kunstmatige vogeltjes op, temidden van redelijk abstract, fragmentarische composities. Is het – als verklanking van Huismans’ werk – decadente muziek? Dat blijft moeilijk te zeggen, maar zeker is dat Minizza met verve slaagt om duister, weemoedig en in zichzelf gekeerd te klinken.

We zouden de heks Chelsea Wolfe nog niet onmiddellijk wegzetten als een elfje, maar de transformatie die de Amerikaanse de voorbije jaren doorgemaakt heeft, is wel heel frappant en die verandering wordt nog het best geïllustreerd door het artwork. Op de cover van Apokalypsis’ uit 2011 stond ze nog afgebeeld als een soort personage uit ‘The Exorcist’ met uitgevaagde ogen; op ‘Pain Is Beauty’ pronkt ze met een stijlvolle rode jurk. Chelsea Wolfe is ondertussen namelijk uitgegroeid tot een graag geziene gast in hippe kunst- en modemilieus. Die evolutie van rauw en emotioneel confronterend naar een bij momenten meer gepolijst (lees: poppy) geluid is duidelijk hoorbaar op ‘Pain Is Beauty’. Aanvankelijk blijft Chelsea Wolfe trouw aan de sound waar ze haar reputatie aan te danken heeft, namelijk een vlecht van folk, doom, black metal, Gothic, cold wave en singer-songwriter. Die sound leverde (terecht) referenties op naar onder meer Current 93, PJ Harvey, Siouxsie Sioux en zelfs Burzum. (Dat laatste omwille van haar markante cover van diens ‘Black Spell Of Destruction’.) In de sterke openingstrack ‘Feral Love’ trekt ze de kaart van de desolate sfeerschepping en wanen we ons in de jaren 1980. Het is meteen een eerste indicatie dat het geluid ook aanzienlijk elektronischer geworden is. ‘We Hit A Wall’ leunt aan bij Jarboe/Swans en in ‘House Of Metal’ worden we een donkere kelder in gesleurd. Daar tegenover staan, naar het einde van ‘Pain Is Beauty’ toe, echter de folkballades ‘They’ll Clap When You’re Gone’ en ‘The Waves Have Come’ en dan zijn scherpe kantjes die het begin van de plaat nog sierden netjes weg gevijld. Vreemd genoeg doen deze meer ingetogen, minder dreigende nummers geen afbreuk aan de globale kwaliteit van de plaat. Ze tonen vooral tot wat Chelsea Wolfe in staat is: op een geloofwaardige manier schipperen tussen licht en donker en daarmee zowel een extreem als een mainstream publiek behagen. ‘Pain Is Beauty’ is dan ook het album waarmee een doorbraak louter een kwestie van tijd is.

‘Tegelen’, gezien mijn immens afwezige populariteit bij de meisjes ben ik daar zelf in mijn jonge jaren niet echt aan toegekomen. Zelfs bij dansles danste ik met regelmaat de stapjes alleen. Wellicht een gevolg van mijn voortdurend obsessieve geklets over nieuwe bands die ik nu weer had opgepikt, mijn donkere wereldvisie die maar al te graag met iedereen deelde of gewoon mijn ongewassen lange haar en dito uiterlijk, maar ‘tegelen’, ‘schuifelen’ of ‘slowen’ dat deden de jongedames niet met mij. Een ervaringsdeskundige kan ik mij zelf dus moeilijk noemen, maar mijn vermoeden is dat ‘The Affliction’ de ideale plaat is om je geliefde strak tegen je aan te drukken en trage cirkeltjes over de vloer te gaan trekken. Het debuut van Bare Mutants staat vol met in echo en gruis gedrenkte psychedelische garagerock schuifelaars. Broeierig traag en vol gelaagd, brandt Bare Mutants een sleep spoor in de vloer. Het is de muziek waarbij het makkelijk voor te stellen is dat deze op een alternatiever schoolfeest in de jaren 1960 werd gespeeld, waar chaperonnes de hormoon opgejaagde jeugd op de schouder tikten wanneer het te slijmerig werd. Maar even goed is het goed voor te stellen dat zwarte lederen jacks op deze tonen tegen hun motor aanleunden en de vetkuif een beetje subversief naar links lieten hangen. Het soort jengelende rock-‘n’-roll waarop ik best een rondje had willen tegelen met die meisjes die mij niet zagen staan of, nog erger, negeerden. Dit omdat ik een beetje gek was en altijd maar bezig met nieuwe muziek. Iets wat ‘The Affliction’ overigens verre van biedt. Edoch, een prettig deuntje nieuwe oude muziek, dáár klets ik ook maar al te graag over. 

Om het meteen maar te zeggen: ‘Fields’ van Henry Plotnick is een goed en in zekere zin ongelofelijk album. De opname bestaat uit negen ‘velden’, die zich laten beluisteren als een geheel, een compositie van een dik uur. Daarbij komen beproefde methoden van de minimal music voorbij. Om Plotnicks compositie als minimal te bestempelen lijkt me echter onjuist. Plotnick begint regelmatig met een eerste loopje van een instrument, waaraan telkens een nieuwe wordt toegevoegd, tot misschien vijf, zes, zeven lagen. Dan vallen er de geleidelijke veranderingen op. Een nootje erbij, een nootje eraf, een kleine wijziging in de melodielijn, een verschuiving in toonhoogte. Soms is de muziek zo vol loops van (gesamplede) instrumenten dat niet steeds duidelijk is wát er gebeurt. De veranderingen gaan ook vrij snel; wat bij Philip Glass, Steve Reich en Terry Riley – om een paar onmiddellijke associaties te noemen – over langere tijd geschiedt, voltrekt zich bij Plotnick regelmatig in vijf minuten. Waar Reichs ‘Six Marimba’s’ of ‘Drumming’ of Rileys ‘In C’ bijna meditatief kunnen worden, is dat bij Plotnick dan ook onmogelijk: te vol, te druk, te snel. Dat is overigens geen waarde-oordeel. Zijn aanpak is fascinerend: minimal lijkt zijn vertrekpunt voor een onderzoek naar mogelijkheden, dat zich ook kan ontvouwen als een saluut aan de Europese expressionistische muziek van de twintigste eeuw, terwijl elders Kitaro-achtige popgrapjes klinken. Mindere momenten, zoals de moeizame overgang van gamelanachtige minimal naar het orgelachtige atonale geluid, of de al te plotselinge afbrekingen van geloopte samples, zijn hem vergeven. Waarom zijn we deze componist niet eerder tegengekomen? Bij een zoektocht op internet blijkt het ongelofelijke: dit is een compositie van een elfjarige jongen… En vooral nieuwsgierig of we hier echt te maken hebben met een verbijsterend jong talent. We wachten het vervolg af.

Primitive Man uit Denver, Colorado wordt aangevoerd door Ethan McCarthy, die eerder in de grindcorebands Clinging To The Trees Of A Forest Fire en Death Of Self speelde. Zijn twee net zo vol getatoeëerde maten maakten net zo goed deel uit van eerstgenoemde grinders, wat betekent dat het trio elkaar ondertussen heel goed aanvoelt. Let wel: de muzikale koers heeft een grondige wijziging ondergaan. Geen grind meer, zelfs geen spoortje, maar wel zeer logge, donkere, zware sludge/doom/black. De levensvreugde spat ervan af, die hoes alleen al. Daar stopt een creatuur een revolver in de mond van een reeds murw geslagen man. Best gezellig. De zeven songs zijn al net zo intens, en al zijn ze niet te vergelijken met wat het trio voorheen deed, op dit debuut geven ze zich helemaal, van hun allerdiepste donkerste kant. Openen met het meer dan twaalf minuten durende titelnummer, dat net zo overweldigend klinkt als Swans, daar worden we blij van. En dat is pas het begin van dit oorondermijnende debuut. De zes andere songs mogen dan wel korter qua tijdsduur zijn, intens zijn ze allemaal, inclusief een soort doodsstrijd in ‘Antietam’. In ‘Rags’ en ‘I Can’t Forget’ gooit Primitive Man er wat industrial black noise tegenaan, wat de sfeer van de plaat alleen maar nog grimmiger maakt. Oorspronkelijk verscheen dit kleinood begin dit jaar op vinyl op het minuscule Throatruiner Records (in samenwerking met Mordgrimm Records). Gelukkig brengt Relapse dit magistrale doembeest dit nu uit op cd, zodat iedereen murw kan worden gebeukt.

The Legendary Pink Dots werd in Londen opgericht in het gezegende jaar 1980, door Edward Ka-Spel en Phil Knight, alias The Silverman. In 1984 verkasten ze naar Amsterdam en bleven steevast de kern van de band. Geregeld kwamen er andere leden mee musiceren, een hele waslijst ondertussen, maar de essentie bleef Ka-Spels specifieke zangstijl en psychedelische, eerder dromerig aandoende keyboards en synthesizermuziek. In hun reeds verschillende decennia overspannende carrière brachten niet alleen een hele resem platen uit, ze bouwden gestaag aan een trouwe schare volgelingen én zijn het voorbeeld voor een hele resem groepjes die hen pogen naar de kroon te steken maar er nooit in slagen. The Legendary Pink Dots is een liga op zichzelf, een genre dat mede door Ka-Spels zang onmiddellijk herkenbaar is. De muzikale ijver van de beide kernleden kent zelden een terugval. Doorheen de jaren doken we zo nu en dan eens een nieuw album uit de winkelrekken en werden steevast verrast door de kwaliteit. Toch wisten we net zo goed steevast wat we kregen voorgeschoteld, zonder dat we ooit werden verrast. Elke plaat is degelijk, voegt een steentje bij aan het gecreëerde universum en bevat een paar hele sterke songs benevens een paar opvullertjes. Met ‘The Gethsemane Option’ is dat niet anders. Het kernduo, Ka-Spel op zang en keyboards en Knight (elektronica, keyboards), wordt bijgestaan door Erik Drost op gitaar en Raymond Steeg, de man die instaat voor het podiumgeluid. De plaat bestaat uit zeven stukken die samen als het ware een suite vormen. Ze is als een zalige verstilling, schijnbaar gemaakt onder invloed van een kalmeringsmiddel dat overbodige prikkels verdringt. Die rust wordt ook op de luisteraar overgebracht, die moeiteloos in het universum van The Legendary Pink Dots wordt meegezogen. Geïmproviseerd aandoende stukken, flarden percussieve industrial en uiteraard Ka-Spels woordenstroom domineren en zorgen ervoor dat de plaat toch weer net dat ietsje anders klinkt. Voor wie zijn stem kan verteren, is dit een kwalitatieve aanvulling voor de reeds zeer uitgebreide catalogus.

De psychedelische spacerock en stoner drones van Carlton Melton kon ons al eerder bekoren. Bedwelmend noemden wij ‘Photos Of Photos’ in GC#112, ‘Country Ways’ werd het in GC#105 tot een goed gebalanceerd klein meesterwerk benoemd en ook ‘Always Even’ stemt ons volledig gelukkig. Meer ingetogen jamt de band hier een lange kabbelende droom bij elkaar, eentje waarin je als luisteraar geheel wegzakt en opgaat. Voortdurend ontvouwen zich nieuwe lijnen, terwijl de vorige nog door echoën in de koepel waarin de band al de platen opneemt. Het is bij ‘Always Even’ haast alsof de nummers aan de eigen fantasie ontspruiten en niet eerst op band zijn vastgelegd. Subtiel op elkaar inspelend, creëert Carlton Melton een wereld waarin alles mogelijk is en de geodetische koepel waarin alles wordt opgenomen een steeds belangrijkere sonische rol lijkt te gaan spelen. Geluiden komen uit alle hoeken op je afgevlogen. Met de koptelefoon op kruipt de drummer op je hersenstam, bestookt de gitarist je van links en vliegen diepe basdrones als een zwerm vliegen om het hoofd waar zich af en toe slepende synthpartijen door heen prikken. Dit is de vrije vorm op zijn best, ook al wordt de voorgaande langspeler ‘Photos Of Photos’ hier niet overtroffen absoluut een plaat om niet te missen.

En daar zijn ze weer, onze favoriete Nederlanders. Ze werkten afgelopen zomer samen met Machinefabriek en ze traden samen op. Ze brachten de cassette ‘Meat Shovel’ uit, de opvolger van het eerder dit jaar verschenen ‘Polaris’, met één gelijknamig nummer in een gelimiteerde oplage van vijftig stuks. Daar kunnen we allemaal naar fluiten maar daarvoor dient Bandcamp, waar het nummer is te downloaden of te beluisteren. Doen! Verder speelt het duo waar ze maar kunnen en hebben voor deze plaat gekozen om hun samenwerking met de Britse saxofonist Colin Webster wereldkundig te maken. Een trio dus, met drums en twee saxofonisten die lustig een potje heerlijke herrie bij elkaar hebben gespeeld. Saxofonist Otto Kokke en drummer René Aquarius kennen elkaar ondertussen door en door en kiezen voor elke plaat een andere uitdaging. Stilstaan bij wat reeds werd bereikt en gemaakt, is niet aan de orde. De zes nummers, wiens titels samen een tekst zijn, vormen samen één geheel, en het is aldus absoluut niet de bedoeling om ze apart te beluisteren, hoe knetter de modale luisteraar er ook van wordt. Opener ‘There Was A Great Battle’, de eerste zin, steekt Peter Brötzmann naar de kroon, en dat is een serieus compliment. Daarna exploreren de drie heren alle hoeken van de freejazz en laten nog minder hun initiële, door metal beïnvloede, sound horen. Kokke en Webster bepalen het gebeuren, al laat Aquarius zich niet onbetuigd als hij vindt dat de boel dient te worden opgefokt. De twee saxofonisten luisteren naar elkaar, interrumperen, dwarsbomen, overrompelen en gaan bij momenten als woestelingen tekeer. Heel soms wordt wat gas terug genomen (‘It Went On For Years’), maar in zijn totaliteit is deze cd een uitputtende veldslag met een uitstekende afloop. Het valt echter vooral op dat Webster niet als een gastmuzikant wordt beschouwd, maar als een volwaardig lid in de sax werd gesloten. Geen aparte vermelding frontaal op de hoes, alleen als derde lid van de band. En zo klinkt het trio ook: als een band die elkaar feilloos aanvoelt en absoluut niet laat merken dat het om een korte gezamenlijke sessie ging.

Transonic is een nieuw label uit Brussel dat duidelijk kiest voor experimentele klanken. Een label for the unlabeled, zoals ze zelf stellen. Gauthier Keyaerts en Philippe Franck zijn de drijvende krachten achter het label, dat audio-experimenten, elektronische muziek en organische poëzie ten doel heeft. Van deze uitgangspositie zijn de eerste twee releases alvast een duidelijk voorbeeld. De eerste cd is er eentje van Gauthier Keyaerts alias The Activist, één van de twee roergangers. Hij heeft jarenlange ervaring inzake installaties en auditieve ontdekkingstochten, maar vond het nu tijd voor een regulier album. De titel ervan is meteen ietwat misleidend. Er staan namelijk twaalf stukken op, intro en outro meegerekend. De notering duidt voor een deel waarschijnlijk op de titels van de stukken, waarvan een gedeelte eveneens, benevens een titel, een nummer meekreeg. Nieuwe pogingen om de ideeën nog beter te verklanken misschien. In elk geval is dit schijfje een experimenteel narratief, dat ons meeneemt in een bevreemdende wereld. Ingetogen elektronische muziek voor nachtelijke wandelingen, waarbij nauwelijks een levend wezen valt te bekennen. De stukken worden gedragen door een minimale beat waarnaast voortdurend inventief wordt omgegaan met samples, field recordings en andere toevoegingen. In het verleden kwam er werk van hem uit bij onder meer Sub Rosa, en leverde hij twee bijdrages aan Mind The Gap (#12 en #31). We gaan die twee stukken nog eens opduikelen, maar zijn alvast blij dat we eindelijk, na al die jaren, nog eens van hem mochten horen. Als het van ons afhangt, mag hij die andere Fragmenten ook eens laten horen. De verhalende wandeling die we hier hebben gehoord, beviel namelijk wonderwel. Het tweede schijfje is er eentje van de Luxemburger Steve Kaspar, wiens voorprogramma bij het concert van Acid Mothers Temple in Exit O7 (in Luxemburg) op 14 oktober 2011, we hier te horen krijgen. Het is iets meer dan een kwartier muziek, die we als een soundscape of een architecturaal auditief experiment kunnen bestempelen. De man experimenteert sinds de jaren 1970 en werkte bijvoorbeeld bij Maurice Kagel. Hij legt zich toe op audiovisuele en theaterperformances en gebruikt de geluiden uit zijn eigen omgeving om er geluidstekeningen mee te creëren die zijn gevoelswereld verklanken. Geboren in 1952 weet de man nog steeds te boeien met allerlei geluiden die hij samenvoegt tot een intrigerende reis die best langer dan dit kwartier zou mogen duren.

Chris Isaak, hij waait door ‘Herein Wild’ net zoals Cocteau Twins een stempel hebben gedrukt op Frankie Rose en The Cure de baspartijen er onder heeft gelegd. Het is niet zo dat we bij Gonzo (circus) graag met bandnamen sparren, maar er lijkt in deze dagen van retro geen ontsnappen aan. Ook Frankie Rose duikt vol de jaren 1980 in, aanbidt, koestert en omhelst met beide armen de oude synthesizers en zweert bij melancholische pop van deze jaren. Een wereld ver verwijdert van de garagerock die zij bij Crystal Stilts of Dum Dum Girls speelde. ‘Herein Wild’ is het tweede solo-album van de New Yorkse, en daarmee het tweede album volgens dit recept van weeïge wave en droompop. Mooi, lief en warm, maar ook bekend en voorspelbaar. ‘Herein Wild’ bevat nummers die je bij de eerste keer al mee kunt fluiten en toch vijf minuten later al weer vergeten bent. Nummers die net iets te perfect in elkaar zitten, net iets te veel de regels volgen en daardoor net iets te veel op de vlakte blijven. Nu is droompop niet het genre dat zich opdringt, schuurt of van zich afbijt, maar er bestaat ook zo iets als té op de vlakte en dat is helaas hier van toepassing. Er waait alleen wind, maar het is duidelijk dat de storm niet gaat komen. 

In cassettedoosjes waar niet zoveel mensen van af weten, vinden we de Nederlandse stem- een beeldend kunstenares Messy. Misschien is ze nog het best bekend als lid van Selfs Without Shells via tal van bijdragen op compilaties uit de hometape-scene in de jaren 1980 en 1990. In de 21ste eeuw stapte ze over op DIY cd-r. EE Tapes blaast thans het stof van het doosje met een goedgevulde anthologie. De gelimiteerde (350 exemplaren) cd toont Messy in al haar verschijningen. Haar werkwijze is ongewoon in die zin dat ze op zoek gaat naar andere artiesten, die muzikale ondersteuning kunnen leveren voor haar teksten en sound poetry. Cassettes reizen internationaal over en weer, en Messy’s stem komt terecht op een laag muziek van onder andere Konstruktivists en M.Nomized. Uiteraard is ook Alain Neffe (Pseudo Code en Bene Gesserit) van de partij, iemand die hetzelfde samenwerkingsideaal uitdaagt via zijn Insane label en projecten als Cortex. Zo komen we uit bij een alter ego als Messy Goes Insane, en artiesten uit dezelfde familie als Ana Homler of Amy Love. Door de gevarieerde muzikale bijdragen (van new wave over minimal electronics tot drones van blaasinstrumenten) en het feit dat Messy’s ‘vocale magie’ een spreidstand maakt tussen een lief meisje en een heks uit Macbeth, is ‘Anthology’ een zeer gevarieerde cd geworden. Een obscuur puzzelstukje cassettegeschiedenis, en een must voor liefhebbers van ‘Insane Music’.

Deze band bevat een paar ex-leden van The Ex en de Bent Moustache, waaronder de zanger G.W. Sok, gitarist Ajay Saggar en de 17 jarige wonderkinddrummer Mees. Zelf omschrijven ze hun verse band als een bonte mix tussen de The Fall, Can, Sun Ra, Captain Beefheart, Public Image Limited en King Tubby, een goede mondval van diverse invloeden en brede stijlen. Zet daarbij de zang van G.W. Sok en je krijgt een sterk sociaal-politiek engagement met knipogende teksten die altijd raak zijn en de aandacht grijpen. ‘Here We Go Again’ is een punky ska-rock riedel met saxofoon en in ‘Orbit Macht Frei’ is de punkrock van een iets steviger kaliber en gaan de teksten over de televisie als de ridicule religie (al zou dat even goed het internet kunnen zijn).’Free-dum Trail’ is een (te) kort tussendoortje met tragisch mooie spirituele jazz van Sun Ra allure. ‘World of Confusion’ verbreekt de rust en hobbelt door op de rockende toer met een hypnotiserende elektronische achtergrond en herhalende saxofoonzuchten waarbij gezongen wordt over de open en gesloten meningen van mensen. ‘Shouting at the Moon’ begint experimenteel elektronisch maar slaat om naar gearrangeerde rock met een synthesizermelodie waarbij de sfeer van de vorige songs herhaald wordt. ‘Shop Drop’ verhaalt over de consumptiedrang van de doorsnee mens op stevige indierock en in ‘El Problemo Grande’ weerklinkt een mistige en donkermoedige Al-Andalusische sfeer in een uitgesponnen instrumentele compositie en wat lijkt op helicoptergeluiden. Het 10 minuten durende slotstuk ‘Massivemisivemessage…’ bestaat uit een aantal Engelse politieke speeches waar de sprekers hun gal spuwen op een achtergrond van grommende soundscapes. Beslist geen gelukkig einde maar het is een vrijdenkende plaat die tot nadenken aanzet en zijn momenten kent. Ook verkrijgbaar als gelimiteerde vinyl oplage via de Ex shop.