GC #118

Eigenlijk is Percevalmusic gewoon een parallel project dat Tony Chauvin er op na houdt benevens zijn band Chevreuil, waarmee hij reeds enige naamsbekendheid heeft vergaard. Met die laatste band, een duo met drummer Julian F., speelde hij mathrock waarbij hij zijn gitaarspel op een quadrafonische manier liet klinken. Niet alleen in de studio, maar ook bij concerten, waar hij zich samen met zijn drummer in het midden van de zaal opstelde om zijn opzet zo optimaal mogelijk te doen weerklinken. Hij werkte in die tijd veelvuldig samen met Steve Albini, maar ondertussen is het al een paar jaar heel stilletjes rond Chevreuil. Percevalmusic is voornamelijk een sologebeuren, waarmee hij een waaier aan genres exploreert. Barokke muziek, hedendaags klassiek of soundtracks bij allerlei voorstellingen op het gebied van podiumkunsten, hij maakt het allemaal op een wiskundig onderlegde manier en gebruikt steevast zijn quadrafonisch gitaargeluid. Voor ‘ Recueil Du Mal’ ging hij een samenwerking aan met Ti Yann Février, die drums en sopraansaxofoon voor zijn rekening neemt. Aan het geluid van Perevalmusic is als dusdanig weinig veranderd. Février neemt schijnbaar gewoon een aantal taken voor zijn rekening. Gefriemel, antikamermuziek en wat gepruts wisselt af met fragmenten waarin echt iets gebeurt. Het is muziek als een architecturaal stilleven, dat spontaan wordt verstoord door een kakkerlak of een rondrennende springmuis. Echt overtuigen doen de tien stukken nergens. We hebben zo de idee dat deze muziekjes beter werken als we de twee heren gewoon aan de slag zien om ooggetuige te zijn van de creatie van de geluiden zelf. Nu klinkt het een beetje te vrijblijvend om indruk te maken.

Radwan Ghazi Moumneh sprak in Gonzo (circus) #117 het vermoeden uit dat hij met Jerusalem In My Heart het vreemde eendje was in de Constellation-bijt. Osama Shalabi (roepnaam Sam) doet een aardige gooi naar de titel met ‘The Big Mango’, de tweede van zijn xl-orkest Land of Kush. Liefst eenentwintig muzikanten doen er mee op ‘The Big Mango’. Sitar, computer, fluit, altsax, piano, clarinet, baritonsax, akoestische bas, viool, elektrische gitaar, altviool, balafoon, handdrums, drums, riqq, darbuka, cello, trompet, tablas, sampler: ziedaar een snelle copy-paste van de hoes. Shalabi speelt zelf niet mee, maar beperkt zich tot compositie en dirigeren, naar eigen zeggen omdat de oud (het Perzische broertje van de luit) niet bij de muziek zou gepast hebben.
‘The Big Mango’ is gecomponeerd in Cairo, waar Shalabi al een paar jaar woont, maar opgenomen in Montréal, onder de technische supervisie van de reeds genoemde Radwan Ghazi Moumneh.
De plaat – een bespiegeling op de warme (in meerdere betekenissen) chaos van Cairo – laat zich beluisteren als één lange trip, van de ene naar de andere op het eerste zicht onmogelijke combinatie. Impressionistische pianopartijen, digitale drone, maximalistische uitspattingen, kosmische fluiten… Behoorlijk wat jazz ook, en invloeden uit minstens vier werelddelen. En niet te vergeten een sample van behoorlijk hitsig gekreun.
Op vier van de negen tracks is een hoofdrol weggelegd voor een vrouwenstem. In ‘The Pit (Part I)’ (ronduit bedwelmende zanglijn van Ariel Engle!) horen we echo’s van het meest swingende van The Ex. Ook: ‘Mobil Nil’, waarop Katie Moore een schone melodie zingt over een combinatie van drones en achterwaarts afgespeelde tapes. Het titelnummer is met zijn frenetieke gitaarriff en traditioneel aandoende vocal van Molly Sweeney ook weer een unicum in onze platencollectie. Dat kan je van véél nummers zeggen, maar hier is het gewoon goed nieuws. Alleen het op een bijna toeristische casbah-sfeer drijvende ‘Drift Beguine’, krijgen we niet weggeslikt, wegens de naar onze smaak té zwaar aangezette vocalen van Anka Vajagic.
Niettemin: verrassende plaat en mooi van Constellation dat ze hun bijt uitbreiden met nog maar eens een vreemde eend.

Taylor Deupree heeft vele terreinen van de (experimentele) muziek onderzocht, maar lijkt zich nu al jaren te hebben toegelegd op minimalistische, elektronische klanklandschappen. Daarbij is het aangaan van samenwerkingsverbanden – fysiek en niet op afstand – een belangrijk facet voor Deupree geworden. Op zijn eigen label is recent weer een aantal nieuwe coöperatieve resultaten verschenen. De samenwerking met Seaworthy (Cameron Webb) is gestart met een drie dagen lange jacht op geluiden in het winterse natuurgebied nabij Deupree’s studio. De field recordings zijn als uitgangspunt genomen voor vijf kalme, ingetogen stukken met vooral gitaar, elektronica en de geluidsopnamen. Drie stukken – Wood, Winter en Hollow – stellen de instrumenten centraal: de gitaar van Seaworthy, de percussie van Deupree, een klokje hier, een krakende tak, synthesizers daar, aangevuld met tal van andere geluidjes, waarvoor zelfs een microfoon in een half bevroren beekje is gestoken. Als intermezzi zijn er twee kortere composities, waarin juist de elektronica en field recordings centraal staan. ‘Wood, Winter, Hollow’ is sfeervol en rustig, maar toch een volle plaat. De winter in het bos klinkt niet kil en ijzig, maar op een kalme manier haast geborgen en warm. Nog abstracter is het resultaat van de muzikale ontmoeting met Ryuichi Sakamoto. De twee kennen elkaar al sinds een samenwerking in 2006, maar namen niet eerder samen op. ‘Disappearance’ kenmerkt zich door – hoe vreemd dat ook klinkt bij een cd vol elektronica, pianoklanken en field recordings – verstilling. Sakamoto speelt zowel ‘gewone’ als prepared piano, wat nauwelijks een melodielijn lijkt op te leveren, maar vooral flarden. Het druppelende, tastende spel gaat soms gepaard met contrasten in zachte noten en harde aanslagen, zoals in ‘This Window’. De schaarse noten worden omgeven door het schuivende geluid van een kruk of van de pianosnaren. Deupree voegt er al even ingetogen en toch intense geluiden aan toe met akoestische gitaar, tapes, synthesizers en gevonden voorwerpen. Het tweetal behoudt een bijzonder evenwicht tussen de akoestische en elektronische klanken. Het laatste nummer is een meer dan waardige afsluiter. De eigen wereld van Sakamoto en Deupree krijgt een ijle en warme toevoeging met de fluisterzang van de Japanse Aoba, maar vooral indrukwekkend mooi is de toevoeging van haar hartslag.

Het is subtiel, die verwijzing naar Adidas. Maar dat doet het merk ook in zijn winkels. Zonder dat je het weet stap je op de Kurfürstendamm een Adidas-winkel binnen. Terwijl je aan de kassa afrekent zie je plots de verwijzingen naar het Duitse merk. Net diezelfde subtiele branding past Y-3, het door Yohji Yamamoto bedachte sportmerk binnen Adidas, toe op deze driedubbelaar die het tienjarig bestaan van het merk viert.Y-3 zocht hulp bij Alex From Tokyo (Tokyo Black Star) die gretig begon te grasduinen in het heden en verleden van, voornamelijk, (deep) house en geeft zichzelf een afsluitend schouderklopje op de ‘10th Anniversay Mix’ op het derde schijfje. ‘Y-3 Tenth Anniversary Compilation’ is een vrolijke winkelvriendelijke verzamelaar geworden waarbij Alex soms gekke keuzes maakt maar ook te gekke namen wist te ronselen. Op ‘Disc One’ primeert hoofdzakelijk house, deephouse en funk aan de hand van Frank Wiedemann (Âme), Mano Le Tough en het New Yorkse Rub-N-Tug. Het broeierige ‘Soubise’ van Blackjoy bruist tegen de vrolijkheid in. Maurice Fulton schudt even zijn Syclops-alterego van zich af. ‘Asteroids Playing Ping Pong’ klinkt effectief als asteroïden die een spelletje ping pong spelen. Het is aanstekelijk en dansbaar.
Alex schudt de funkkaartjes uit zijn mouw op ‘Disc Two’. Daar bovenop pakt hij ook uit met bijdrages van Chicago-house veteranen Joaquin Joe Claussell en Larry Heard. De jongen kent zijn klassiekers en dat is misschien ook wat Y-3 voor ogen heeft in de sportmode. Een klassieker worden. Er wordt nog even nu disco geplukt bij Discodromo + Massimiliano Pagliara en ook Quiet Village wordt weer afgestoft. Dat de keuzes niet toevallig zijn, valt pas op bij ‘Piano’s’ van Jiro Amimoto. Amimoto leverde vorig jaar de vaste soundtrack bij de voorstelling van Y-3 tijdens de New Yorkse Fashion Week. Je stelt je even de vraag, waar begint de branding en waar houdt die op, vooral als je niets van mode kent. Het gelukkige voordeel van dit plaatje is dat je het niet moet kopen. Alles valt gewoon online te streamen. En kan je er echt niet aan weerstaan, het artwork is van een zeldzame verzorgdheid.

‘Between Spaces’ van Lights Dim (de Pool Marek Kamiński) en Gallery Six (de Japanner Hidekazu Imashige) bevat twee in zeer gelimiteerde oplages eerder verschenen ep’s uit 2012, en twee nieuwe stukken, en is het resultaat van een jaar samenwerken. Wat je op de release te horen krijgt valt vooral te situeren in de hoek van de introspectieve gitaarambient en het neoklassiek aandoende minimalisme. Het is één en al iele en schimmige gitaartexturen en digitale golven dat de klok slaat, maar dan hier en daar opgeluisterd met wat piano en akoestische gitaar. In opener ‘Echoes Of The Ongoing Riot’ komt er ook nog eens een ritmetrack onder, wat het geheel een klef, artificieel randje geeft. Dat zit er niet altijd in, maar de twee geraken amper boven de middelmaat in die wereldwijd uitgezette scene van gitaar- en laptopknutselaars. Het gebruik van field recordings kan bovendien even boeiend als gevaarlijk zijn. Leidt het soms tot intrigerende juxtaposities of beklemmende sferen, dan zoeken de twee vooral heil bij (iets dat klinkt als) watergeklater, zowat het meest KAPOTgebruikte effect dat te bedenken valt. Dan nog wat galm, geruis, geritsel, getjilp en krekelgetjirp erover en klaar. Net wat boeiender is ‘Mission Time’ – meer abstracte elektronica, minder muzak –, maar het volstaat niet om boven het formulewerk uit te stijgen. Plots worden die typische ambienttitels – ‘Sea Of Tranquillity’, ‘All Went Quiet’, ‘Dancing Beneath The Ocean’,’We Could Finally Rest’ – ook zo verdomd banaal. ‘Between Spaces’? The Roaring Scream Of Poignant Insufficiency, eerder.

Na zijn vorige album ‘We Are Rising’ trok Son Lux samen de studio in met Serengeti en Sufjan Stevens. Het avontuurlijke geluid van hun gezamenlijke project S/S/S heeft zijn invloed op ‘Lanterns’, waarop Son Lux meer dan ooit poogt om sterk uiteenlopende genres met elkaar te verzoenen. We noteren hip-hopbeats, koren, blazers, post-rockstructuren, invloeden van klassieke muziek, noise en zoveel meer. De extremen worden niet gemeden en het valt maar moeilijk te geloven dat dit het werk is van één man, de vierendertigjarige Amerikaan Ryan Lott. Hij kreeg enkel wat vocale hulp, van bevriende artiesten als DM Stith en Lily & Madeleine. ‘Lanterns’ zit vol onverwachte wendingen, zoals de dubstepbeat die als een komeet inslaat op de piano-elegie ‘Enough Of Our Machines’. Soms lijkt het wel alsof er vijf nummers in één lied gestouwd zitten, wat vrij gekunsteld overkomt. Zo verdrinkt het orchestrale geluid van ‘Lost It To Trying’, vol koren, beats, livedrums, gezang, synthesizers, hoorn en fluit, in een drabbige geluidsbrij. Vooral de hoge koorzang vloekt vaak met de rest van de invulling, en zorgt voor een te theatrale toets die de geloofwaardigheid aantast, zoals tijdens afsluiter ‘Lanterns Lit’. Het beste nummer heet ‘Easy’, waarop niet meer dan een bas, wat handgeklap, een baritonsax en zang voor een magisch moment zorgen. Less is more, Ryan Lott, laat het een credo zijn om voor ogen te houden wanneer je aan een nieuwe plaat begint.

De radio staat bij ons nooit op. Al meer dan twintig jaar niet eigenlijk. Als we een radio horen, is het per toeval, of omdat buren die opzetten, te luid zodat we hem ook moeten aanhoren. Verzamelalbums zijn voor ons een beetje het equivalent. Heel dikwijls zijn heel wat bijdragende bands onbekend en met een beetje geluk staan er verrassend goede liedjes op van een onbekende band, waarna we op zoek kunnen naar meer. Bij compilaties van lang geleden verschenen songs kan dat net zo goed gebeuren. Munster heeft er zo een handje van weg om vergeten pareltjes uit het garage -en punkgenre op te duikelen. Deze keer hebben ze de veertien singles die Dangerhouse uitbracht tussen 1977 en 1979 op één album samen gezet. Een zeer te loven initiatief, want singles zijn nu eenmaal een formaat waar het niet altijd makkelijk is om ze te pakken te krijgen, recent of niet. Dangerhouse was actief in dezelfde periode, want de boeken werden in het prille begin van 1980 alweer neergelegd. Het label wilde de nihilistische sfeer van die tijd vastleggen, door het uitbrengen van werk van politiek en artistiek correcte muziek. Punkrock dus, en tevens een mogelijkheid om het werk van Black Randy, één van de drie instigatoren, uit te brengen. In elk geval slaagde het label er in, om naast wat kwakkels van bijvoorbeeld Black Randy zelf, meesterwerkjes van Avengers, X, Weirdos, Bags en Deadbeats uit te brengen. Vele van de hier te horen liedjes zijn punkklassiekers. ‘Kill The Hippies’, ‘We’re Desperate’, ‘We Got The Neutron Bomb’, en we kunnen nog even doorgaan. Incorrecte kapitalistische fans kunnen een box aanschaffen met de veertien singles in de originele hoes. De rest doet het met deze ook al mooi uitgegeven dubbelcd, inclusief uitgebreide nota’s.

The Charm The Fury uit Amsterdam komt met een opvolger voor het in metalcorekringen goed ontvangen debuut ‘The Social Meltdown’. Al is dat eigenlijk niet helemaal correct, want dat was meer een ep om de band echt te lanceren. Dat is zeker gelukt, en ook dit ‘A Shade Of My Former Self’ zal bij de genreadepten in goede aarde vallen. Muzikaal onderscheidt de band zich niet zo erg van het peloton. Politiek geëngageerde metalcore die goed in elkaar steekt en garant staat voor een wild rondspringende menigte is wat we voorbij horen komen. Het kwintet wordt echter aangevoerd door schreeuwster Caroline Westendorp, die met diepe grunts en melodieuze zang voor enige meerwaarde zorgt. Toch kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat alle nummers nogal onderling inwisselbaar zijn. Het is allemaal goed gedaan en goed bedoeld, maar het klinkt allemaal een beetje eender. En dat ondanks de zeer degelijke capriolen van Caroline en de gastzangbijdrages van Jamie Graham (Heart Of A Coward) en Daniël De Jongh (Textures). Die laatste trekt ‘Colorblind’ meteen op richting het geluid van zijn eigen band waardoor dit nummer het meest metal klinkt van allemaal, al zit ook hier weer een stukje melodieuze samenzang in die ons meewarend het hoofd doet schudden. Het zal wel aan de leeftijd liggen.

Of de Duitse producer Niklas Worgt en het topmodel annex zangeres Eva Padberg eerst het bed en dan pas de studio met elkaar deelden, daar hebben wij het gissen naar. We kunnen u wel vertellen dat het getrouwde koppel als Dapayk & Padberg samen muziek maakt die vaak omschreven wordt als poptechno. Al houden wij het liever op huiskamerelektro, gezien we spontaan lichtgroen uitslaan van die horrorterm. Het tweetal brengt verzorgde elektronische muziek die niet zelden refereert aan dat andere elektronische m/v-duo Ellen Allien & Apparat. Voor zijn vierde plaat ‘Smoke’ trokken Dapayk & Padberg naar Schotland, waar ze zich lieten inspireren door de wilde natuur. Ze kwamen terug met veertien vrij sombere nummers die allen opgebouwd zijn rond minimale beats waarover Padberg haar mistroostige zang plaatst. In ‘Layers’, ‘Gingembre’ en ‘Joachims Kalimba’ valt een overvloed aan belletjes op, die, in combinatie met de spaarzame beats, doen denken aan die andere Duitse technoproducers Pantha Du Prince en Robag Wruhme. De grote handicap van ‘Smoke’ is echter dat er te weinig variatie in de nummers zit. De aanzet tot dubtechno in ‘No Words’ is leuk, maar Dapayk & Padberg missen toch de creativiteit van de aangehaalde referenties om een plaat lang te boeien. Naar het einde toe is de rek er uit, getuige het zeemzoete ‘Some Air’ en de ronduit slaapverwekkende afsluiter ‘Dance in Your Flame’. Concentreer u dus op de eerste tien tracks, en consumeer ze in kleine dosissen.

Na te zijn begonnen als een kanaal voor Emeralds-klonen, heeft Spectrum Spools over de jaren ons respect weten te winnen met bijzondere en uiteenlopende releases van bijvoorbeeld Human Teenager, Three Legged Race en Robert Turman. Maar nu komt er met Palm /|\ Highway Chase helaas toch een deuk in dat respect. Naar het schijnt was de plaat eerder een succes als Bandcamp-download, maar deze release op “authentiek” vinyl past misschien nog wel beter in de tijdsgeest. Want ‘Escape From New York’ is retro, ironisch en volkomen hol. Het klinkt zo zeer als een opsomming van invloeden en referenties, dat wij daar ook mee volstaan: Jan Hammer, James Ferraro, hi-NRG, botte Linn-drums, synthesizer-arpeggio’s, palmbomen, neon. De soundtrack voor een fictieve b-film uit circa 1987, met veel nachtelijke shots van de langsschuivende verlichting van de Miami freeway. Een tijd dat McDonalds cool was en plastic als futuristisch gold. Dat alles met de opnamekwaliteit van een gekopieerde VHS-band of de verkeerde Dolby-instelling. Toegegeven, ook wij eten per ongeluk ook nog wel eens een hamburger bij de Mac, maar onze buik is dat meestal na een kwartier al weer vergeten. Idem dito deze plaat.

Twee ep’s hadden ze uit, het uit Atlanta afkomstige grindcoretrio Dead In The Dirt. Te horen aan hun langspeeldebuut ‘Blind Hole’ zullen die plaatjes snel afgelopen geweest zijn. Het trio heeft geen geduld om lange nummers te maken. Het moet vooruit gaan, in een sneltreinvaart aan ons voorbijrazen. Toch zeker gedurende de eerste helft van de plaat. Plots horen we ‘Will Is The War’ en zowaar, ze doen het iets trager aan. De songs die ervoor kwamen duurden immers meestal met moeite een halve minuut, op hier en daar een uitzondering na die rond de minuutgrens afklokt. In dit nummer horen we dat het vele toeren met labelmaatjes Sunno))) zijn invloed heeft gehad. Niet dat de grinders nu plots aan het dronen slaan, maar het nummer klinkt iets subtieler dan wat ervoor, en erna, komt. Nu en dan komt er nog wel eens een trager intermezzo piepen, maar meestal is Dead In The Dirt razend op de politiek in al zijn vormen. Inderdaad, de band is maatschappelijk geëngageerd en schopt tegen heilige huisjes en alles wat hen tegen de borst stoot. Dat maken ze ons toch wijs, want we snappen er geen bal van, van hun machtige geschreeuw. We denken aan Drop Dead, Nails, His Hero Is Gone, oude Napalm Death, All Pigs Must Die en headbangen tevreden. Ze maakten deel uit van de concertreeks ‘The Power Of The Riff’ en mochten allicht elkeen wakker schudden. Met branie geslaagd, deze pokkeherrie.

Loren Connors’ carrière overspant ondertussen meer dan veertig jaar en vijftig platen. De platen van de laatste twintig jaar zijn overigens opgenomen ondanks Connors’ ziekte van Parkinson (“de pillen maken mijn muziek levendiger” liet Connors een poos geleden optekenen). Alleen al het laatste decennium bracht de man samenwerkingen uit met goed volk als Alan Licht, Jim O’Rourke, Thurston Moore en Bill Orcutt. Haal dàt maar eens in, als luisteraar. Fijn dat Family Vineyard de laatste jaren dapper zijn best doet om één en ander te faciliteren met reissues. ‘The Departing Of A Dream’ is de volgende in het rijtje, en wordt voor het eerst op vinyl uitgebracht (de plaat verscheen in 2002 op cd).
Connors’ muziek is tot in den treure vergeleken met de schilderijen van Marc Rothko. Een op het eerste gezicht luie vergelijking, van recensenten die gelezen hebben dat Connors in zijn vroege carrière als schilder sterk beïnvloed was door Rothko, én hij bovendien recent concerteerde in de befaamde Rothko kapel in Houston. Met tegenzin sluiten we ons aan in het rijtje luie recensenten, want de vergelijking snijdt wel degelijk hout: net als Rothko’s oeuvre volgens sommigen bestaat uit inwisselbare kleurvlakken, maar voor anderen een meditatieve en zelfs spirituele ervaring is, kan de niet-geïnitieerde luisteraar in Connors’ soundscapes waarschijnlijk een weinig geïnspireerde drone horen. Maar wie het geduld opbrengt om vijf minuutjes neer te zitten en te luisteren, wordt een universum binnengetrokken waar geen tien virtuozen tegen op kunnen.
‘The Departing Of A Dream’ bevat elf tracks, en is deels geïnspireerd de iconische gebeurtenissen van 11 september 2011 geïnspireerd en deels op Miles Davis‘ ‘He Loved Him Madly’. Eerlijk is eerlijk: die plaat was ons tot nogtoe onbekend, maar blijkt vrij beschikbaar op Youtube en een behoorlijk Miles-a-typische droney affaire te zijn. Ook Brian Eno liet overigens noteren dat ‘He Loved Him Madly’ een mijlpaal was in de zoektocht naar zijn ambient-geluid. “For NY 9/11/01: The Silence” en “For NY 9/11/01: And Sorrow” zijn niet alleen opgedragen aan de gebeurtenissen van 11 september 2001, en naar verluidt zelfs op die historische dag opgenomen. Het verschil met de eerste acht tracks (‘part 1′, part 2’, …) is subtiel – schakeringen van zwart. Maar dat kan dus wreed schoon zijn, zwart.

‘The Three Transcendental Keys’ is het nieuwe album voor Throne Of Katarsis, en al staan er maar drie songs op, de plaat duurt toch drie kwartier. De Noren, actief sinds 2003 en inmiddels reeds met een paar platen op het conto die variëren van beresterk tot middenmoters, kiezen net als vanouds voor black metal zoals die initieel werd bedoeld. Schelle gitaren, schreeuwerige vokills, ietwat dun klinkende drums en een ijzige sfeer die blasfemie uit al zijn gaten briest. Deze keer hebben ze echter hun beste beentje uitgetrokken, want al duren de drie stukken behoorlijk lang, van eentonigheid en verveling, zoals in het verleden wel al eens voorkwam, is deze keer geen sprake. Uiteraard voerde de band de nodige rituelen uit om in de juiste sfeer te komen voor de opnames van de drie stukken. Ze evoceren duivelsaanbidding en andere satanistische rituelen om zich zo goed mogelijk in hun rol in te leven, waaraan uiteraard een paar emmers corpse paint niet mogen ontbreken. Zang en instrumenten werden live in de studio opgenomen, om de rauwe puurheid zo authentiek mogelijk te houden. Initieel als duo begonnen maar sinds het vorige album, ‘Ved Gravan’, uitgebreid tot het kwartet Infamroth (stem, gitaar, kerkorgel), Skinndod (gitaar), Sanrabb (bas) en Vardalv (drums), geselen de heren hun instrumenten en stembanden om een hels zwart feestje te bouwen. En het lukt hen nog ook. De drie sleutels openen elk een afdeling van de hel, met rustige stukjes die aan gort worden gemangeld door het kerkorgel dat zelf tot gort wordt gemept door oorsplijtende gitaren. Het doel is ongemak veroorzaken, en als de band verder op deze weg gaat, is een meesterwerkje in het genre niet meer veraf. Ze zijn er bijna.

Na samenwerkingen met Jim O’Rourke en Oren Ambarchi en de bescheiden krachttoer ‘Exit!’, met het 28-koppige Fire! Orchestra, keren Mats Gustafsson (The Thing), Johan Berthling (Angles 8 en Häpna records) en Andreas Werliin (Wildbirds & Peacedrums) terug naar de vertrouwde trioformule. Titels zijn belangrijk bij Fire! en voor deze ‘(Without Noticing’) zijn de titels stuk voor stuk geïnspireerd op Bill Callahans boek ‘Letters To Emma Bowlcut’. Misschien wel treffend, want terwijl Gustafsson soms gebukt gaat onder het imago van macho powerblazer, ontkracht hij dat op deze plaat regelmatig door voor het understatement te kiezen. Niet zo bij de power electronics van opener ‘Standing On A Rabbit (Without Noticing)’, maar bijvoorbeeld wel op de aan Morphine én Om herinnerende sleper ‘Your Silhouette On Each (Without Noticing)’: de hoofdrol is zoals vaak weggelegd voor de groove, zij het dit keer aan een bijzonder laag BPM. Daarover blaast Gustafsson een naar zijn maatstaven behoorlijk ingetogen stukje sax. Maar het blijft Gustafsson natuurlijk; en naar het einde toe blaast hij dat ingehouden stukje met dusdanige kracht uit zijn longen, dat we toch weer zouden zweren dat er stukjes vlees mee naar buitenkomen. Ook traag én goed: ‘Tonight More. Much More. (Without Noticing)’ – waarop hij bijna twee minuten lang het (enige) thema neerlegt, slechts ondersteund door een enkel pianoakkoord van Berthling. Dat tot de spanning dusdanig is opgebouwd en bas, drums en elektronica het thema transformeren naar een oerriff, die wat ons betreft zo een uur aan een stuk een podium naar keuze op Roadburn 2014 mag toegewezen krijgen. ‘At Least On Your Door (Without Noticing)’, opent met frenetieke freakgeluidjes uit Gustafssons sax en Berthling op heipaal-piano én bas, maar schakelt al gauw over op een machinaal hihat ritme, waarin Berthling en Werliin nog maar eens – vingers in de neus – demonstreren wat voor een fantastische ritmesectie ze zijn. Straf gerief, weeral, en dan staat er heel binnenkort nog nieuw werk van The Thing aan te komen én zou Gustafssons NU Ensemble ook een comeback maken…

Jean Mikili is het geesteskind van de Luikse Brusselaar Jean-Michel Leclerc die zowat zijn hele leven een hardnekkige liefde voor de Congolese rumba koestert met haar oneindig glijdende gitaarpartijen. Wat begon als soloproject is inmiddels uitgegroeid tot een trio waar hij wordt bijgestaan door bassist Maxime Le Hung (ex-Hoquets en Tom Sweetlove en percussionist Nil Ramos (ex-Guernica en Wixel). Het resultaat is deze debuutplaat die de olijke titel ‘een blanke (man)’ draagt, voornamelijk gevuld met knipogende Franstalige songs. Congolese rumbasferen en indiepop/rock worden hier samen vermengd tot een aanstekelijk warm geluid dat menige luisteraar zal doen swingen. Openingssong ‘Dis Tout A Mikili’ valt gelijk met de deur in huis via glijdende gitaarriffs, grappige songteksten en een broeierig slotstuk van plezierige indierumba, evenals in ‘You’re Cool L.A.’ en het sterke ‘Les Comores’. Popsferen horen we in de songs ‘Vladimir Poutine’ (ironisch gericht aan die vals spelende leider), ‘Les Artistes’ (over kuren en ego’s van artiesten) en het melancholische ‘L’hiver A Liège’. Daarna is het tijd voor een reeks climax klappers die ons tot heupwiegen zullen aanzetten, zoals ‘Gris Gris’, het traag opbouwende ‘Le Congaulois’ die halverwege omslaat naar broeierige rumba, waarna ‘Un Homme Blanc’ op dezelfde goede voet verder gaat. ‘Mon Congo’ begint traag, maar door een stevig drumritme verandert deze snel in hevige tropische rumbarock, gepassioneerde kreten en weergaloze gitaarriffs. Het afsluitende liedje ‘Wandel In Vlaanderen’ gaat knipogend over de anti-Waalse sentimenten in de Brusselse rand (“Walen buiten, allemaal samen naar Vlaanderen”) en we zachtjes op de rumba naar het einde swingen. Jean Mikili’s stem is misschien niet voor iedereen weggelegd, maar qua melodieën en arrangementen steekt dit album zeer prettig in elkaar. Een kleine aanrader.

Vorige maand verlekkerde DFA je nog met Factory Floor. Nu worden de koebel en discomoves ingezet op ‘Dynamics’, het tweede album voor het duo Holy Ghost!. Maar waar het 10 jaar geleden leuk was om de koebel te horen rinkelen bij !!! of LCD Soundsystem, heeft dit soort jaren ‘80-disco zijn beste tijd wel gehad en klinkt ‘Dynamics’ ontzettend belegen. ‘Dynamics’ is even oninteressant als dat de jaren ‘80 uitblonk in yuppie-excessen, cocaine-feestjes en foute mocassins. De plaat is eerder een zoveelste variant op de soundtrack van Patrick Batemans’ moordlustige feestjes dan een rits actuele dance-hits waarop het fijn dansen is. Tenzij je nu nog steeds je hoge kuif en permanent draagt, pastelgekleurde met epauletten-opgevulde truien en een broek die je onder je oksels vastritst, mijdt je dit beter als de pest. Zelfs al hipster je bijnaam is.

Verwar James Walsh vooral niet met James Welch. Beiden komen uit Groot-Brittannië, maar de eerste verdient zijn boterham als zanger van de band Starsailor, terwijl laatstgenoemde zich graag verdiept in de elektronische muziek onder zijn schuilnaam Seams. Vorig jaar bracht Seams nog de dubbel-ep ‘Tourist/ Sleeper’ uit en mocht hij openen voor onder meer Gold Panda. Met zijn debuutplaat ‘Quarters’ staat de man uit Hampshire nu voor zijn echte vuurdoop. De nummers, nu eens rustig (‘Pockets’), dan eens op maat van de clubs gesneden (‘Constants’), zijn met zorg in elkaar gestoken en zitten vol schuifelende ritmes, in de war schoppende synthesizers, gelaagde glitch en knipogen naar IDM. De grote zwakte van dit album is een gebrek aan inventiviteit, te veel nummers klinken als een doorslagje van Gold Panda, Four Tet, James Holden of Daphni. Slechts tweemaal haalt Seams het hoge niveau van die leermeesters; in ‘Clap One’, wanneer na een kleine minuut een avontuurlijke beat invalt die de onrustige synthesizers te lijf gaat, en op het melodieuze ‘Rilo’, dat genadeloos op de benen mikt. Maar als geheel mist ‘Quarters’ een eigen weinig identiteit en gaat het zo genadeloos kopje onder in de continue stroom van elektronische releases. Dit album zal Seams misschien nog wat voorprogramma’s opleveren, maar om hogerop de affiche te geraken, zal de man toch iets creatiever, en vooral met zijn eigen ideeën, uit de hoek moeten komen.

Na zeven jaar extatische herrie hielden Yellow Swans het in 2008 voor gezien, en gingen de leden huns weegs. Pete Swanson is inmiddels uitgegroeid tot een van de kopstukken van de nieuwe noise-techno, maar van Gabriel Saloman hoorden we tot op heden maar weinig. Naast een paar gelimiteerde splitreleases verscheen pas vorig jaar zijn debuutalbum ‘Adhere’, op het Noorse Miasmah. Die plaat paste uitstekend binnen de catalogus van het label, want net als bijvoorbeeld Deaf Center gebruikte Saloman drones, strijkers en andere klassieke instrumenten om een donker, dreigend werk te maken. ‘Soldier’s Requiem’ begint op dezelfde voet: na een dwalende piano wordt het openingsnummer laag over laag opgebouwd, met melancholische drones, dan dreigende strijkers, dan subtiele feedback uit een flakkerende gitaar, om na bijna twintig minuten via eenzelfde curve weer terug te keren naar de piano. In een kort tussenstuk introduceert Saloman een snaredrum, die streng militair is en tegelijk een beetje zwalkt, alsof de soldaten aan het einde van hun latijn zijn. Het nummer is opmaat naar een tragisch nummer dat als een soundtrack lijkt te dienen voor de eenzaamheid van een soldaat in een loopgraaf in WO I. Regen valt terwijl een treurige gitaar verlaten wat noten speelt. De sfeer heeft wel iets van Godspeed You! Black Emperors ‘Dead Flag Blues’. Dan keren de drums terug, om de soldaat het niemandsland in te leiden, waarna een heftige noisegitaar de angst voor de naderende dood lijkt uit te spreken. De plaat eindigt met een golvend nummer van gitaardrones die lagzaam uitdoven. De toevoeging van de rammelende drums voegt een verrassend menselijk aspect toe, iets wat in een genre waar de abstracte dronescapes (te) vaak op elkaar lijken zeer welkom is. Gecombineerd met de noiseuithalen geeft dat de plaat een soms wanhopig karakter, maar het is dan ook een requiem.