GC #118

Als je weet dat pianist, componist en arrangeur Hansjoern Brandenburg samenwerkt met Tom Waits, Bob Wilson, Kronos Quartet, Tiger Lillies en CocoRosie, drummer Thomas Wydler met Nick Cave & The Bad Seeds en contrabassist Andreas Henze met o.a. Rufus Wainwright, dan verwacht je niet deze wat amateuristisch aandoende, vettig ouderwetse tingeltangel. De krakende pianoklanken lijken rechtstreeks uit de twintiger jaren van de vorige eeuw weggelopen, en zouden de wat ingehouden en semi-lullige soundtrack van een onbeholpen, giechelig seksfilmpje uit diezelfde tijd kunnen zijn. Na een paar van dat soort tracks geeft het trio meer een eigen invulling aan de jaren twintig, samen met de inbreng van het Ensemble Mondaine, en duiken er hemelse stemmen op, en wat meer bijzondere en spannende muzikale ontwikkelingen. Met het Mediterrane Tanger-gevoel wil het maar niet lukken, dat gegeven lijkt toch meer wens dan werkelijkheid. Alles bij elkaar een curieus werkje, dat de romantici onder ons zeker niet onberoerd zal laten. En een dappere poging om iets van bijna honderd jaar geleden te herscheppen in een eigen verhaal – met vette knipogen, dat dan weer wel.

The Bloody Beetroots en Disclosure die dit jaar op Rock Werchter de condens van de muren deden druipen, de housester DJ Tiësto die Tommorowland 2013 op zijn kop zette terwijl ravegod Westbam over het Duitse technofeest Mayday heen walste; het zijn glansprestaties van artiesten die sterk schatplichtig zijn aan de Chicagoaanse housescene uit de jaren 1970.
Er waaide toen immers een frisse wind over het Michigan meer want in de befaamde nachtclub The Warehouse maakte deejay Frankie Knuckles grote sier met zijn mengeling van onder andere Donna Summer deuntjes, Klein & MBO’s Italo disco en Telex electropop. Revolutionair was dat destijds en zijn deejaysets werden al snel de grote inspiratiebron voor jonge draaitafel kunstenaars zoals The Hot Mix 5. Dat vijftal slingerde vanuit WBMX radiostudio een Knuckles-achtige mix van new wave, synthpop, latin en disco de ether in. Nieuwe soundsystems rezen als paddenstoelen uit de grond en de Chicago housescenes geboorte was een feit. Een van de soundsystems die met zulk eclecticisme faam verwierf was Sunset Mobile Disco maar Matt Warrens, Miguel Garcia’s en Ralphi Rosario’s (ook lid van The Hot Mix 5)ambities reikten verder dan het in vuur en vlam zetten van plaatselijke clubs. Warren, Garcia en Rosario wilden hun deuntjes op vinyl en in de winkelrekken en richtten daarom Sunset Records Inc. op. Volledig naar de geest van Knuckles en The Hot Mix 5 bracht die platenmaatschappij van het midden tot het einde van de jaren 1980 een rist baanbrekende houseplaten uit. Hoewel het labels back catalogue belangrijk en innovatief blijkt voor techno en aanverwante genres bleef Sunset Records Inc. altijd in de schaduw van concurrenten zoals Trax en DJ International. Dat DJ Jerome Derradji Rosario en co nu in het zonnetje zet door op diens label Still Music het verzamelalbum ‘Kill Yourself Dancing: The Story Of Sunset Records Inc Chicago 1985-89’ uit te brengen is dus een lovenswaardig initiatief. Het stampende Roland TB-303-ritme, hakkelende synths en frenetieke handclaps maken van Razz (Ralphi ‘Razz’ Rosario en Matt Warrens ‘Kill Yourself Dancing’ de ideale score bij een regendans die de Potawatomi als Volk van de Vuurplaats op de oevers van de Mississippi ten beste geven. Scalps van achteloze luisteraars verovert Rosario onder het nom de plume Hex Complexx bij de vleet; ‘I Want You’ is een roetsjbaan van stemmingswisselingen en ritmeveranderingen maar ten allen tijde een zwoele, sensuele killertrack die Betty Elms en Rita (personages van Naomi Watts en Laura Elena Herring in David Lynch ‘Mulholland Drive’) weer doen sidderen van verlangen. Misschien wel naar The A-Teams Mr. T. Die lijkt op de schalkse cadans en vrolijke synth-tonen van Michaelangelo’s ( Miguel Garcia) ‘You Can Do It’ de onderdrukten aller landen Obamagewijs moed in te spreken en dat doet ook het heerlijke proto-acidproject White Knight (Nick Huminsky) met ‘White Knight Jacks (Club Mix)’ en ‘It Could Be Acid’. ‘Kill Yourself Dancing’ biedt een dus een boeiende en gevarieerde dwarsdoorsnede uit de discografie van Sunset Records Inc. en laat de luisteraar kennismaken met een aantal obscure parels uit de beginperiode van de dance. Een aanrader.

De band uit Eigenbrakel bewees met haar vorige twee platen dat ze recht en rede één van de bekendste Waalse bands zijn. De term ‘Waalse band’ is bewust gebruikt. Want in het muzikaal vaak navelstaarderige noorden van België kreeg de band veel minder aandacht. Er bewoog na de vorige plaat al een klein beetje. De groep was klaar om een stap voorwaarts te zetten. En toen kwam die noodlottige dag in 2010. Drummer Denis Wielemans, broer van zanger Antoine, verongelukt in Brussel. Een trauma dat moeilijk verwerkt raakte. Antoine vluchtte weg van alles. Weg van de muziek. Maar nu, bijna drie jaar later, zijn ze terug met een nieuwe plaat. Het album opent zeer verstild met ‘The Spring’. Een nummer dat klinkt als een poprestje van Sigur Ròs. De thematiek van verlies en hoe daarmee om te gaan zit verweven in vele nummers. Zeer duidelijk is dat in het vooruitgeschoven ‘Misses’ met die op het einde langzaam uitfadende repetitieve ‘I miss you’. Een nummer waarin ze zoals wel vaker klinken als Grandaddy. Die altcountry overgoten met flarden synths. Naast verstilling en overpeinzing is er ook plaats voor vitaliteit. Dat komt tot uiting in levenslustige nummers als ‘We Are The Living’ en ‘Not Dead’. Na een moeilijke periode komt Girls In Hawaii dus opnieuw boven water met een behoorlijk vitale plaat. Een gigantische berg van emoties werd met succes beklommen. Het resultaat is een degelijke Belgische indiepopplaat voor de liefhebber. Je moet er wel het soms krakkemikkige Engels bijnemen.

Opgelet! We hebben het hier niet over het met jazz experimenterende Shining, maar over het gitzwarte vehikel dat wordt gerund door Niklas Kvarforth. Het project dat hij deze keer heeft opgezet verschilt in die mate van zijn andere platen dat hij behoorlijk oude nummers, tot uit de beginjaren toe, heeft opgeduikeld om ze in een nieuw jasje te steken. Gitaar, bas en keyboards werden opnieuw opgenomen. Ingespeeld door Peter Huss (gitaar), Christian Larsson (Bas) en Lars Fredrik Fröslie (keyboards) liet hij al andere mensen toe in zijn wereld. Hij zette die opzet nog een stap verder door. Hij nodigde namelijk een stel gastzangers uit die in het black metal wereldje tot de grotere namen worden gerekend. De zes herwerkingen pakken eigenlijk best goed uit. Het atmosferische karakter van ’s mans muziek blijft behouden en ook de oerblack spat uit de boxen. Die wordt zowaar behoorlijk opgefokt door de resem gasten. Famine van Peste Noir mag bijvoorbeeld ‘Terres Des Anonymes’ van een Franse noot voorzien en draagt zo extra bij tot de bevreemdende sfeer die het nummer zo ook al had. Attila Czihar (Mayhem, Tormentor) treedt nadien aan om met zijn typische krijs ‘Szabadulj Meg Önmagadtól’ naar hogere sferen te brengen. Verder komen nog Pehr Larsson (Alfahanne), Gaahl (God Seed, Wardruna, ex-Gorgoroth) en Maniac (Skitliv, ex-Mayhem) de boel opfokken. De laatste van deze zes songs durende kastijding wordt door Niklas zelf opnieuw van zang voorzien. Niklas zal tevreden zijn, want hij droomde al enkele jaren van dit project. Echt ondersteboven van deze plaat zijn we niet, al is het een mooie toevoeging aan ’s mans catalogus. Het is uiteraard een mooie zet om een iets ruimer publiek aan te spreken, zeker gezien Attila’s bijdrage die door zijn veelvuldig opduiken bij Sunn O))) brede bekendheid geniet.

Beaten To Death is er met een opvolger voor ‘Xes And Strokes’ uit 2011. Een volwaardig debuut was het van deze Noren met als uitvalsbasis Oslo. Achttien en een halve minuut voor negen machtige grindsongs. Het kwintet doseert, want de band weet dat een uur van deze herrie niet is vol te houden. Het jaar erna verscheen de dvd ‘At Rockfeller’, waarop iedereen kon meemaken hoe deze band het doet op een podium. Intens en gedreven, brutaal als geen ander en grindcore spelend waarin invloeden uit allerlei andere extreme metalgenres zijn terug te horen. Hardcore, black metal en zelfs een spoortje postrock doorspekken de grindcore waardoor die niet te versmaden is en blijft. Voor ‘ Dødsfest’ penden de vijf, die al ervaring opdeden in bands als Insense, She Said Destroy, Tsjuder en The Cumshots, twaalf nieuwe songs. Net als bij het debuut namen ze de plaat op in hun repetitiehok en nemen wel een minuut meer de tijd zeker! Nog meer waanzinnige baspartijen (Mika) en gefocuste grunts en krijsen (Anders) dragen de songs, waarbij we niet zeggen dat de andere drie (Tommy en Martin voor het gitaarwerk en drummer Christian) moeten onderdoen. Ze vallen gewoon iets minder op in het waanzinnig mathematische grindgeweld. Wat echter bovenal opvalt bij dit album, is het feit dat het heel moeilijk is om, zelfs binnen het genre, bands te vinden die klinken als deze Noren. Daardoor alleen al is ‘ Dødsfest’ heel erg de moeite. En ook nog: ze laten steevast humor toe in hun teksten, een unicum in een genre dat zichzelf veel te dikwijls heel erg serieus neemt.

Hallo! Mijn naam is Liam Singer en ik luister thuis graag naar Arcade Fire, The Chills, minimal music en de nieuwe lichting neo-klassieke componisten. Ook kan ik Brian Wilson bij tijd heel erg waarderen, muziek met meerdere lagen en vol verschillende spannende wendingen en een gebruik van ongebruikelijke instrumenten voor de pop. Het is muziek die ik zelf ook probeer te maken: avontuurlijke, experimentele multi-instrumentale indiepop met een knipoog naar barok en een ruime invulling in de arrangementen. Helaas lukt het mij daarbij niet altijd om te ontsnappen aan de oren en muzikale kennis van de recensent, waardoor je bij een aantal nummers al snel aan bovenstaande artiesten zult denken wanneer je mijn laatste plaat ‘Arc Iris’ beluistert. Niet dat dat erg is, want ik weet als multi-instrumentalist mijn eigenzinnige liedjes wel breed en aansprekend in te vullen. Dit vooral ook omdat ik mijn klassieke scholing op uitdagende wijze weet te verwerken, iets dat je bij de bovenstaande acts niet snel terug zult horen. Kleine momenten van operette, stukjes neo-klassiek, verwerkt tot innemende pakjes kamerpop. Enkele momenten zul je wellicht zelfs denken aan Nils Frahm en zijn vrienden op Erased Tapes Records, of de eerste platen van het Deense kamerpop ensemble Efterklang. Net als deze artiesten houd ik mijn werk graag simpel voor het oor, zelfs in de meest complexe composities. Wees  dus niet gevreesd om mijn vierde album ‘Arc Iris’ eens uit te proberen. Zeker als je een voorliefde hebt voor barokpop en minimale muziek, zou ik je wel eens positief kunnen verrassen.

Segal, ook wel Fat Segal genaamd, is de schuilnaam voor plattelandsjongen Matthew Simpson. Hij verblijft inmiddels in een voorstadje van Londen, maar werd in 1985 geboren in Torquay, Lincolnshire. De overstap van het rurale naar het stedelijke zorgde ervoor dat hij op het eind van de jaren 1990 ging experimenteren met dubstep. Hij bracht toentertijd een paar ondertussen onvindbare platen uit. Hij stapte echter in de jaren daarna stilaan over naar gecomponeerde elektronische muziek die heel filmisch aandeed. Het leverde de man de opdracht op om nummers te maken voor de televisieserie ‘Skins’. Het alom bejubelde tienerdrama loopt reeds zes seizoenen en Segal componeerde heel wat muziek voor een resem afleveringen. Segal schreef niet alleen terugkerende thema’s, maar leverde net zo goed losse stukken muziek die in de reeks werden gebruikt. Voor het aankomende zevende seizoen komt Segals muziek nog centraler te staan dan voorheen. De reeks, die het leven van een aantal middelbare scholieren in Bristol belicht, vervangt het gros van de personages telkens na twee seizoenen, omdat de acteurs dan te oud zijn geworden. Disfunctionele families, eetstoornissen, dood, pesterij, seksualiteit, het kan allemaal. En doordat de serie zich blijft vernieuwen, kan ook Segal telkens zijn eigen ding blijven doen. Doordat de serie zich afspeelt in Bristol, voelde Segal de drang om terug te kijken naar zijn eigen plattelandsverleden. Het lijkt een verre droom, kijken naar bewegende wolkenformaties, lege straten en eindeloze panorama’s. Dromerig, introvert en meditatief zijn sleutelwoorden voor de zestien nummers, die in Londen met een laptop in elkaar werden geknutseld. Sommige van die nummers zijn recent, andere zes jaar oud, en toch klinkt alles op deze debuutplaat behoorlijk coherent. Vanuit de grootstad reflecteren op de verdiensten van het platteland, het levert mooie muziek op die zo kan dienen voor een natuurdocumentaire.

Space Invaders is een Duits kwintet dat, hoe kan het ook anders op een label als Nasoni, psychedelische spacerock brengt. De vijf zijn allerminst nieuwelingen als het draait om dit soort geïmproviseerde muzikale trips. Bassist Paul Pott zit tevens in Zone Six, multi-instrumentalist Dirk Jan Muller en gitarist Dirk Bittner spelen bij Electric Orange en drummer Dennis Gockel zit ook nog in Weltraum. Alleen gitarist Mike Hafliger, ook wel TipiMike genaamd, lijkt nieuw in de scene. Gockel vond eigenlijk pas later aansluiting bij de band. Sinds de oprichting in 2010 deed Space Invaders sessies met Damo Suzuki (Can) en Mani Neumeier (Guru Guru). Het was pas voor een concert in Zwitserland dat Gockel gastdrummer van dienst was, en dat beviel dermate goed, dat hij bleef. Het is die sessie, waar Gockel voor het eerst meespeelde, die in de studio ietwat werd bijgewerkt en leidde tot deze debuutcd. Vier lange stukken, die zoals gewoonlijk de cd tot aan het gaatje opvullen, die naadloos in elkaar overlopen en zorgen voor een uitgebalanceerde psychedelische trip waarin het moeiteloos opgaan is. Opzienbarend is ‘Invasion On Planet Z’ allerminst, maar het is wel een leuke vingeroefening van een stel veteranen die het genre zeer genegen zijn.

Drie kwartier donkere en logge doom, met drones, die tegelijk anders en avontuurlijker klinkt dan het gros van de bands die een festival als Roadburn aandoen, dat is wat ‘Razed To The Ground’ van het duo Pinkish Black heeft te bieden. Jon Teague (drums, synthesizers, loops) en Daron Beck (zang, keyboards, synthesizers) kiezen duidelijk voor een andere, aparte insteek. Snaren zijn namelijk nergens te bespeuren. Geen gitaar, geen bas. De vorige bands van Beck hadden die nog wel. Het begon met The Pointy Shoe Factory, werd het trio The Great Tyrant, met naast de twee leden van Pinkish Black ook nog bassist Tommy Atkins, die met Beck ook nog in Yeti speelde. Uiteindelijk bouwt het duo verder op de sporen die ze met hun resem vorige bands hebben uitgezet. De sfeer is theatraal en doomy en lijkt soms eerder een macabere versie van de filmmuziek van Angelo Badalamenti. Tegelijk laat Pinkish Black een voorkeur horen voor Scott Walker en Swans. De groots aangezette stem en de loodzware mokerslagen van de drums die de Texanen uitzetten, duwen ons het riool van de grootstad in. Het veelvuldig gebruik van toetsen zet de donkere sfeer nog meer aan, als een gitzwarte en heavier versie van gothic en andere donkere wave uit de jaren 1980. Pinkish Black gaat een stevige stap verder, experimenteert voortdurend en croont als ze het nodig vinden. ‘Ashtray Eyes’ is daar een mooi voorbeeld van. Afsluiter ‘Loss Of Feeling Of Loss’ is misschien wel het meest negatieve nummer dat we de laatste jaren beluisterden. Het duo gaat in zijn Weltschmerz nog een stapje verder dan het debuut van vorig jaar, en wie anders dan James Plotkin kan dit soort deathrock tot in de perfectie vatten? Deathrock, inderdaad want Teague en Beck zitten nog in de verwerkingsfase van de zelfmoord van hun vroegere buddy Atkins. Horror in noten gevat: ‘Razed To The Ground’.

Met ironie als stijlfiguur op intellectueel vlak zou het debuutalbum van dit trio uit Parijs aardig gescoord kunnen hebben. Te beginnen met een deconstructieve visie op rock ‘n’ roll: als het einde van een concert, de hele boel aan gort raggend; niet de betekenis, maar het problematiseren daarvan, ongestructureerd en chaotisch. Met een standaard bezetting van gitaar, bas en drums brengt Domadora een aardig afwisselende maar verder eentonig stevige plaat. De rest van de nummers klinken er half bekende deuntjes uit je boxen die mijmeren naar vuige 1970’s rock. ‘Ziggy jam’ opent met een traditioneel wazig gerekte gitaar die blijft soleren als drums en bas aansluiten. Halverwege het lange nummer volgt een soepele overgang naar stuwende heavy blues die klinkt als een denderende trein. Éénmaal – in ‘Chased and caught’ – wordt er op de verder instrumentale plaat gezongen: zoals de Foo Fighters destijds klonken. Melodische en telkens weer stuwende patronen met rollende bas wisselen elkaar af. Als je denkt dat de bas bij wijze van afwisseling eens gaat soleren, blijkt het toch de gitaar te zijn die weer in de schijnwerpers komt te staan. Alle gitaareffecten worden vervolgens ingezet op niet aflatende apocalyptische wijze. Invloeden van Tia Carrerra en Earthless, maar ook Danzig klinken door. Rifs, rifs, rifs en nog meer rifs met een hoog energetische waarde. Dat de band voor hun hoes koos voor een schilderij van Rubens compenseert hun gebrek aan muzikale diepgang gedeeltelijk. Aan het genre stoner rock wordt uiteindelijk niets toegevoegd. De ironie was niet aanwezig.

Hoewel me nooit helemaal duidelijk is geweest wie nou precies wat doet en deed in Wire lijken de laatste drie albums te bevestigen wat ik al lang vermoedde: dat alle buitenissigheden op het conto kwamen van Bruce Gilbert. Sinds hij in 2004 de band verliet, lijkt met hem de drang om te experimenteren of al te eigenzinnig te zijn goeddeels uit Wire te zijn verdwenen. Andersom lijkt Wire Gilbert enigszins in het gareel te hebben gehouden. ’s Man soloplaten werden, na ‘This Way’ en het wonderschone ‘The Shivering Man’ (beide twee jaar geleden heruitgegeven door Editions Mego), steeds ongrijpbaarder, en bij vlagen ronduit idioot. Maar de man wordt ook wat ouder (over drie jaar zeventig!), en zijn voorlaatste plaat, ‘Oblivio Agitatum’ (2009) was verrassend ingehouden. Het geluid van die plaat, een mix van Thomas Köner-ambient en ELpH-drones, zet hij voort op ‘Diluvial’, een samenwerking met het kunstenaarsduo Beaconsfield Art Works. ‘Diluvial’ is een conceptplaat die de hedendaagse werkelijkheid van een stijgende zeespiegel verbindt aan het Scheppingsverhaal (dat vooraf gaat aan de Zondvloed). Dat betekent veel verwerkte field recordings van water – druppelend, stromend, stormend – tegen een achtergrond die afwisselend droney is, of krioelt van de subtiele microgeluiden. ‘Diluvial’ werd oorspronkelijk ontwikkeld als onderdeel van een installatie, wat je soms terug hoort in de statische kwaliteit van de muziek, maar kent genoeg leven in constant schuivende tonen, ritmische loops en uitgesponnen ontwikkeling om te blijven boeien. Ook de afwisseling tussen zeer gedetailleerde nummers in de stijl van wijlen Rolf Julius, ambient volgens de lessen van Brian Eno, en de weidse dronetracks die tegen de dark ambient aanschurken houdt de plaat interessant. Een aanrader, en een aangename verrassing voor hen die vreesden dat Gilbert inmiddels verloren was geraakt in zijn eigen, onbegrijpelijke muzikale landschap.

De Nieuw-Zeelandse scene is helemaal terug, anno 2013. In 2009 verscheen op Morr de Kiwi-tribute ‘Not Given Lightly’, met coverversies door een hoop bands uit de Morr stal. Recent maakte Captured Tracks het mooie voornemen de Flying Nun back catalogue weer beschikbaar te maken. De revival leek zich voorlopig toe te spitsen op de meer song-gerichte Kiwi’s en voorbij te gaan aan lawaaimakers als Bailter Space en The Dead C. Die laatste band heeft misschien gewoon geen tributes nodig, omdat ze nog steeds – meer dan vijfentwintig jaar ondertussen – gestaag voort ploegen. Want sinds de late jaren 1980 zijn Bruce Russel, Michael Morley en Robbie Yeats eigenlijk nooit gestopt met het produceren van onaangepast, maar o zo aanstekelijk lawaai. De discografie zit dan ook al ver voorbij de twintig langspelers. ‘Armed Courage’ is de laatste worp in het rijtje, en voorwaar een behoorlijk opwindend stuk muziek. De plaat bestaat uit twee geïmproviseerde stukken – ‘Armed’ en ‘Courage’ – die allebei ruimschoots over de twintig minuten gaan. ‘Armed’ start met een ritme van Yeats, die zich twijfelend op gang trekt, op een drum waarvan de vellen klinken alsof ze niet al te strak aangespannen staan. Daarover: een paar lagen bijzonder vette gitaarnoise, die elkaar aanvankelijk vooral onderzoekend besnuffelen. Na een minuut of zes vallen de drums even weg, waardoor de gitaren de kans krijgen om zich te hergroeperen. Vervolgens zoekt Yeats voorzichtig het ritme in de lappen scheurende feedback van Russel en Morley, om het rond minuut negen meesterlijk (maar allesbehalve virtuoos) over te nemen. Goeie track, maar de b-kant is beter: ‘Courage’ start collageachtig, met ritmes die ook weer zoeken en vervolgens uitkomen op een kraut-ritme met een lichte hik, en een ‘zanglijn’ die ergens tussen croon en een berustende dronken zucht zit. Vervolgens evolueert het nummer langs een zachte, bijna meditatieve drone om te eindigen in een blikkendozen Teutoonse dreun. The Dead C is dus nog steeds springlevend. Wie een snelle introductie wenst, kunnen we doorverwijzen naar de documentaire die Bruce Russels dochter draaide. Google “27 minutes with mr. noisey” en u bent vertrokken.

De debuut-cd van The Bureau of Atomic Tourism gaat meteen goed, vrij improviserend van start. Bandleider Teun Verbruggen en Trevor Dunn zijn een gedreven tandem waarover gitarist Marc Ducret gitaarnoten strooit, trompettist Nate Wooley langgerekte tonen blaast, Jozef Dumoulin zijn Fender Rhodes laat meanderen en Andrew d’Angelo een freakerig, chaotisch saxspel schreeuwt. Inderdaad, deze bezetting klinkt als een alternatieve supergroep en het enthousiasme dat daaruit volgt, wordt in het openingsnummer alvast stevig bevestigd. Na een verzoek van het Antwerpse Follow the Sound Festival heeft Verbruggen deze groep van bijzondere musici uit de avant-gardistische hoek bijeengebracht. The Bureau of Atomic Tourism sleept de luisteraar aan diens oren mee op een tocht langs jazz, rock, vrije improvisatie en abstracte elektronica. Een uur lang draven de vrije improvisaties en abstracte noise energiek voort, af en toe afgewisseld met een wat rustiger intermezzo als ‘Morthana part 1’, met mooie elektronische effecten van Dumoulin. Meer – hoekige – structuur krijgt de muziek in ‘Meg Nem Sa’, een compositie die D’Angelo eerder opnamen met Hilmar Jensson en Jim Black als het trio Tyft, waarna de cd afsluit meteen abstract klanklandschap van vooral elektronica en trompet. Een indrukwekkend en sterk staaltje vakmanschap van zit zestal, dat bovendien live is opgenomen in het Tilburgse jazzhuis Paradox. ‘Second Law of Thermodynamics’ doet hevig verlangen naar meer.

Nummers die Ben Lukas Boysen tussen 2003 en 2011 niet kwijt kon (of wilde) op zijn albums als Hecq – en dat zijn er ondertussen zeven (waarvan zes op Hymen) – worden nu netjes samengebracht op ‘Horror Vacui’, een compilatie van onuitgegeven nummers waarmee het label hem in de bloemetjes wil zetten. Omdat ook het allereerste nummer dat de Duitser opnam in 2001 in het geheel werd opgenomen, viert ‘Horror Vacui’ dus het eerste decennium van Hecq als producer. In die tijdspanne verkende hij elektronische muziek in de vier windrichtingen, van abstract tot melodieus en weer terug. Van IDM over (dark) ambient tot glitch. Enkele studio-experimenten en zes exclusieve remixen (van onder andere Roel Funcken (Funckarma), Si Begg en Christoph Berg (Field Rotation)) vervolledigen het feest. Een leuk alternatief voor de gebruikelijke best of en in de verste verte geen enkel overschotje te bespeuren.
Fransman Régis Baillet verdiende zijn sporen eerst met Ab Ovo vooraleer solo verder te gaan als Diaphane, waarvan in 2010 zijn debuut,‘Samdhya’, verscheen op Ant-Zen. Daarop liet hij een door melancholische soundscapes en subtiele ritmes gedomineerde evenwichtsoefening horen. Een interval van drie jaren zorgt nu voor een aanzienlijke koerswijziging, in de eerste plaats op ritmisch vlak. De invloeden van drum ‘n’ bass en dubstep zijn, naast non-lineaire IDM beats, erg bepalend geworden voor het eindgeluid. Illustratief voor die nieuwe richting is ‘Fracture’ dat bij momenten de beats hard laat kletteren en de bassen venijnig laat grommen. Door piano vormgegeven ambient intermezzo’s zorgen naar het midden toe voor ademruimte, maar ook die kunnen niet helemaal verhullen dat ‘Lifeforms’ binnen zijn genre te anoniem is en blijft. Anno 2013 laat ons dit helaas onverschillig.
Ademruimte en rust worden ons nauwelijks gegund op ‘Transgression’ van Control, het eenmansproject van Thomas Garrison uit Santa Cruz. Die beweegt zich in de meer sinistere hoek waar power electronics, dark ambient, noise en death industrial in het donker tegen elkaar op botsen. In tegenstelling tot vele van zijn collega’s gaat Garrision niet alleen maar voor het effect. Noise omwille van de noise wordt vermeden. Hetzelfde geldt voor de agressie. Control werkt namelijk op contrast, klanktextuur, sfeer en spanning. Zijn stem zit bovendien midden in de mix zodat ze opgaat in het geheel, de gebruikelijke perversiteiten als thema blijven achterwege en enige vorm van muzikaliteit is geen taboe. Allemaal pluspunten waardoor Control zich weet te onderscheiden in een niche waar gratuit effectbejag meer de regel dan de uitzondering is.

Vijftien jaar lang is Califone al het muzikale vehikel van Tim Rutili. Daarvoor was hij ook al niet minder dan verdienstelijk met Red Red Meat. Al die tijd produceert de man al rootsmuziek met een hoek af. Op vroegere platen vaak opgeluisterd met de nodige al dan niet kapotte elektronica. Na het vorige album ‘All My Friends Are Funeral Singers’ nam Rutili afscheid van zijn los-vaste collectief. Hij ging zich concentreren op muziek voor film en tv. Nu, een goeie vier jaar later, is hij terug als Califone. En het moet gezegd dat de man samen met zijn band weer een mooie plaat aflevert. Afgeklovener dan ooit klinkt het vaak. Luister maar eens naar de openingstrack ‘Movie Music Kills A Kiss’ dat drijft op een kadukke akoestische gitaar. In het titelnummer sluipt een beetje elektronica binnen. ‘Frosted’ klinkt dan weer als één van die uptempo nummers die Low maakte ten tijde van ‘The Great Destroyer’. Op het haast zeemzoete ‘Magdalene’ wordt de zielepijn van Rutili omzwachteld met de nodige strijkers en meerstemmigheid. Onmiskenbaar hoogtepunt van de plaat is echter het uitgesponnen ‘moonbath.brainsalt.a.holy.fool’ (met kleine letters én puntjes). Een gitaar huilt zachtjes, de stem van Rutili breekt bij momenten net niet, de elektronica knispert in de achtergrond als een behaaglijk haardvuurtje. Nee, van ons mag Rutili zijn muzikaal vehikel nog lange tijd regelmatig van stal halen.

‘Heritage’ van producer David Grellier aka College staat bomvol met dromerige synthpop, electro en disco en zet daarmee onverminderd de Franse traditie van de elektronische dansmuziek voort. Grellier werkte mee aan de soundtrack van Drive en als u die plaat kon waarderen, dan is College uw man. Hij brengt Franse treurelectro geheel in stijl van collega’s zoals Kavinsky. Hier en daar doemt wat meer clubby werk op zoals Daft Punk en Justice in het verleden hebben geperfectioneerd en tussendoor geven huilende synthesizers wat rust voordat u weer naar de dansvloer wordt gesleept. Deze intermezzo’s doen overigens ernstig denken aan een filmscore die op heel wat minder aandacht mocht rekenen, namelijk ‘Naissance des Pieuvres’ (2007) van Para One. Een plaat die overigens van harte aanbevolen is: een stemmige mengeling van klassiek en elektronica. Hoe dan ook, ‘Heritage’ is weliswaar niets nieuws onder de zon, maar wie Thomas Bangalter en bovengenoemde namen compleet in de kast heeft staan, zal moeite hebben om de charme van College te weerstaan.

We bespreken niet zo snel plaatjes die slechts drie nummers bevatten, maar voor Pigs uit New York maken we een uitzondering. Waarom dan wel? Wel, we menen een kruising te horen van Unsane en Killdozer, twee extreme bands die we een warm hart toedragen. Twee bands ook die we doorheen de jaren zeer frequent, tijdens hun actieve bestaan natuurlijk, aan het werk hebben gezien en die ons telkens zwaar onder de indruk achter lieten. Opener ‘Gaffe’ is meteen raak. Een intro van een Unsane nummer en dezelfde gedrevenheid als zanger/gitarist Chris Spencer, al is het hem niet. Het is wel Dave Curran, inderdaad, de vaste bassist van Unsane en net als drummer Jim Paradise ook lid van J.J.Paradise Players Club. Paradise zit ook nog bij Freshkills en Hellno. Producer Andrew Schenider (onder meer Keelhaul, Converge, Unsane) speelde enkele shows met het duo, en besloot om vast toe te treden tot Pigs. Aan ‘Gaffe’ ging reeds het debuut ‘You Ruin Everything’ vooraf. De opvolger inblikken duurt echter iets langer dan verwacht, waardoor deze drie nummers nu al op ons worden losgelaten. ‘Edo Kiddies’, het tweede nummer, is een beetje maf. Het klinkt alsof Killdozer een song heeft gemaakt voor stadionoptredens die ze nooit zullen doen. Op ‘If I’m In Luck’ gaan het trio helemaal loos en waar het nummer nog gewoon als een noiserocklied begint, ontaardt het al snel in een hemels lawaaifestijn, een ideale afsluiter voor een concert. Als aanloper voor een nieuwe, tweede, plaat kan dit plaatje zeker tellen. Wij vinden het alvast een zeer aangename kennismaking.

‘Equation Of State’, het derde album van AC Berkheimer is wat we mogen noemen een hoogtepunt in het Nederlandse muzikale jaren. Acht puntige nummers die terug gaan op het beste uit de shoegaze, wave en indierock eind jaren 1980, begin jaren 1990, maar niet zonder dat het Rotterdamse kwartet daar een eigen draai aan geeft. ‘Equation Of State’ opent fel met ‘Beyond The Equation Of State’, een poppie noiserocktrack die speels raakt aan Sonic Youth om vervolgens dansend door te gaan in ‘Do You’ waar melodisch wordt gehint naar The Breeders en Pale Saints inclusief de kleine scheur-erupties. Twee  nummers die meteen duidelijk maken dat we hier een kleine indie-parel in handen hebben. Niet omdat de heren en dames Berkheimer aan de indie-goden doen denken, maar juist omdat ze met hun sterke popsongs ons deze indiegoden even doen vergeten. Sterke gitaarpartijen, voorzien van klittenband worden een goed half uur op ons afgevuurd, doen ons hupsen in de woonkamer en later fluiten in de supermarkt. Daar waar veel huidige noiserock bands zich op trucjes lijken te baseren, maar de pophoek vergeten achter hun lagen aan lawaai, staat bij AC Berkheimer (inmiddels zelf ook al veteranen) het liedje centraal en is de aankleding en methode om die liedjes te laten bloeien. En ja, dan kunnen we roepen dat Lush, Slowdive, The Breeders, Sonic Youth en (de scherpere rand van) The Smiths allen hun weg vinden naar het geluid van AC Berkheimer. Maar nog harder moeten we roepen dat het Rotterdamse gezelschap daar vervolgens de eigen gave – goede nummers schrijven – met verve op los heeft gelaten.