GC #119

Het is dit jaar veertig jaar geleden dat ‘Electronique Guérilla’ verscheen, het debuut van Heldon. De Franse band, begonnen door Richard Pinhas, combineerde rock en elektronica, twee elementen die ook de pijlers zijn onder het solo-oeuvre van haar oprichter, dat inmiddels rond de twintig albums omvat. ‘Desolation Row’ is daarvan de laatste, en net als op zijn recente releases samen met Merzbow en Wolf Eyes (zie GC#90 & 104), creëert Pinhas een dichte, gelaagde sound, opgetrokken van gierende synthesizers, en fuzzende en huilende gitaren. Opener ‘North’ is een hallucinante draaikolk van pulserende spacegeluiden en laaggestemde gitaar, volkomen overstuurd, voortgedreven door een wild om zich heen meppende Oren Ambarchi. Tegenpool ‘South’ is minder hectisch, maar de gestaag voortgolvende lagen drones en feedback zijn er niet minder hypnotisch om. Een constante zijn Pinhas’ gitaarsolo’s, die tegen de progrock aanschuren, maar onconventioneel genoeg zijn om niet iedere King Crimson-hater meteen de gordijnen in te jagen. Het spacey ‘Moog’ brengt Pinhas’ klassieke albums ‘Iceland’ en ‘Chronolyse’ in herinnering, en wordt door een noisy onderlaag (en een beat!) de eenentwintigste eeuw in getild. Naast Ambarchi doen Pinhas’ zoon Duncan Nilsson, drummer Eric Borelva, Noorse noise-artiest Lasse Marhaug, Etienne Jaumet (Zombie Zombie) en improv- en jazzgitarist Noel Akchoté mee. De invloed van die laatste lijkt vooral hoorbaar in ‘Square’ en ‘Circle’, twee improvisatiestukken met een jazzy ondertoon, die zeker op het tweede nummer bijna bezwijkt onder de druk van alle noise. De plaat sluit af met ‘Drone 1’, waarin alle elementen nog een keer samen komen in een kwartier durende, suizende golf van geluid. Richard Pinhas is bijna 65, maar niets dat er op wijst dat hij overweegt het rustiger aan te gaan doen. Met ongebreidelde platen als ‘Desolation Row’ kunnen wij dat alleen maar toejuichen.

Het woord Zikr heeft een dubbele betekenis: aan de ene kant ‘herinnering’ en aan de andere ‘goddelijke roeping’. Deze Brusselse samenwerking tussen vijf violisten en cellisten en vier Afrikaanse zangers omschrijft zichzelf als Westerse en Afrikaanse fusion. Dit klinkt misschien als een dooddoener maar gelukkig overtreffen ze deze verwachtingen in vier gebalanceerde composities. In het eerste stuk ‘Lumbu’ weerklinken luchtige en opgewekte strijkarrangementen samen met de warme stemmen van Fredy Massamba en een achtergrondkoor. Het tweede stuk ‘Xarnu Bi’ brengt een speciale ingetogen sfeer en bestaat uit geplukte celloklanken en uitgestreken vioolspel met melancholische zang die gaandeweg meer open bloeit. In de derde compositie ‘Zikr In D Minor’, gearrangeerd door Sebastien Paz Ceroni zijn er meer mooie melancholische sferen te ontdekken met samengebalde strijklagen waarbij de krachtige hese stem van Jupiter Diop (van reggaeband Ma Shi Faï) zorgt voor hemelse begeleiding als een ode aan het leven of het verlies daarvan. De lange afsluitende ‘Adama Dehn’ compositie wordt ontspannen bemoederd door warme vrouwelijke zang en melodieuze stijkersarrangementen voor een mooi slot. Al eerder hebben de cellist Ernst Reijseger en Senegalese zanger Mola Sylla bewezen dat barok en Afrikaanse zang perfect samengaan (zoals te horen is in een paar Werner Herzog films) en Zikr Project volgt hun in dit goede spoor van bezielde sferen.

Liefhebbers van Skin Graft zullen glunderen wanneer ze vernemen dat het quasi onvindbare debuut van Athletic Automaton opnieuw op de markt komt, via het label dan nog dat ‘A Journey Through Roman’s Empire’ en hun split met Aids Wolf op de noisewereld losliet. Athletic Automaton verrees uit de as van het uit Providence, Rhode Island afkomstige Arab On Radar, een band waar we nog steeds met veel plezier naar luisteren. De leden van deze legendes richtten nadien allerlei bands op, waaronder Made In Mexico, Doomsday Student en Chinese Stars. Gitarist Stephen Mattos begon dit duo samen met Patrick Crump, ex-drummer van Pellum 1-2-3. Uiteraard is bij dit project de no-wave en de chaotische noise gebleven, al zit er ook een stevige dosis trance in de songs. Eenvoudig en langgerekt zijn de nummers soms, zoals ‘Marathon Mammal’ bijvoorbeeld. Voor deze heruitgave, waarbij Weasel Walter (Flying Luttenbachers) verantwoordelijk is voor de geluidsopwaardering en ook een duidelijke invloed op de band zelf, werden twee bonusnummers toegevoegd, waaronder eentje met J. Ryan (Six Fingers Satellite) op zang. De man heeft met zijn band net zo goed een roemrucht en divers verleden, en zong reeds op twee nummers mee op de originele plaat (Liquid Death / Hello Pussy Records). Wie meer wil dan deze heruitgave, kan ook nog terecht bij Chrome Jackson, een soloproject van Mattos, wiens plaat ‘Chrome Forest’ verkrijgbaar is op Skin Graft. Onze oortjes zijn alvast in hun nopjes dat we deze nummers eindelijk kunnen beluisteren. Hop, ‘Into Africa’, ‘Beyond The Arc’ en weer ‘Out Of Africa’. Wat die Afrikaanse referentie betreft, tasten we volledig in het duister. Mattos zal in zijn vuistje lachen.

Bryce Dessner is bekend als gitarist van indie rockband The National, lid van de klassieke jamband Clogs en de man achter het MusicNOW Festival. De muzikant uit New York werkte samen met o.a. Steve Reich, Philip Glass en Sufjan Stevens, en nu dus met het vanuit San Francisco werkzame Kronos Quartet. Dat – inmiddels 40 jaar bestaande – kwartet grossiert trouwens ook al met bekende namen waar ze ooit wat mee gedaan hebben, zoals David Bowie, Laurie Anderson en Meredith Monk. Toch is dit echt het debuutalbum van Dessner als componist, ontstaan als een compositieopdracht voor een festival in het Prospect Park in Brooklyn. Dessner nam zijn Joodse voorouders als uitgangspunt, die als immigranten vlakbij het park woonden. Vandaar de titel Aheym, dat in het Jiddisch huiswaarts betekent. De vier stukken kenmerken zich door driftig strijkwerk dat spaarzaam afgewisseld wordt met wat meer verstilde gedeeltes. Invloeden uit de minimal music laten zich vooral gelden in een aantal geleidelijke verschuivingen, maar in Aheym lijkt er vaak nogal wat haast achter te zitten en is de snelheid van de veranderingen aardig opgeschroefd. Mooi is de bijdrage van het Brooklyn Youth Chorus, dat het allemaal net even wat anders maakt, vooral in Tenebre.

Pestilence is in het death metal genre een van de grootste bands van de Lage Landen. De band begon al in 1986, al speelde men toen eerder thrash. Ze tekenden bij Roadrunner en brachten het debuut ‘Malleus Maleficarum’ uit in 1988. De volgende plaat, ‘Consuming Impulsr’, ging, mee onder invloed van nieuwe gitarist Patrick Uterwijk helemaal richting death metal. Die bezettingswissel pakte goed uit, maar doorheen de vele jaren van zijn bestaan (en een langdurige periode van stilte) bleef dit het zwakke punt van de band. Behalve oprichter en grote bek Patrick Mameli bleef het voortdurend een gaan en komen van muzikanten. En dat is nog steeds zo, want zelfs voor de opname van dit ‘Obsidio’ bleef de bezetting alweer niet ongewijzigd. Toch slaagt Mameli erin een coherente plaat ineen te boksen die net als voorheen een combinatie is van death metal met jazz en fusion erin gemixt. Cynic en Asphyx zijn de eerste namen die in ons hoofd opkomen bij het luisteren naar het album, en laat dit nu net twee bands zijn die personeel delen met één of andere bezetting van Pestilence. Uterwijk en Mameli blijven de constante factor en zorgen ervoor dat ‘Obsidio’ een staaltje ten beste geeft van hoe death, thrash en speedmetal op één hoop gegooid met extreme instrumentbeheersing anno nu hoort te klinken. Heftig, moeilijk, intellectualistisch en toch rijp voor headbangers en zuipschuiten voor wie het simpel mag blijven. Het is een mix die Pestilence quasi perfect beheerst. Kon deze plaat twintig jaar geleden zijn gemaakt? Waarschijnlijk wel. Klinkt ze daarom oubollig? Neen, absoluut niet. Probeer het de plaat openende titelnummer en ook u bent (opnieuw) overtuigd van de kwaliteit van deze band.

Steve Moore is de helft van het Amerikaanse synth/space-prog-duo Zombi (niet te verwarren met het alias van Mike Conelly), die in zijn eigen tijd de uithoeken van het universum doorkruist waar ook kosmische reizigers als Emeralds en Tangerine Dream zich ophouden. ‘Pangaea Ultima’ begint super-spacey: weidse synthpads, borrelende arpeggio’s, het standaardarsenaal van de adepten van de Berliner Schule van weleer. Dat is voor de liefhebber een feest, maar het onderscheidend vermogen binnen deze constant groeiende poel artiesten wordt daarmee wel erg klein. Maar gaandeweg laat Moore zien dat hij meer is dan alleen maar nog een synth-twiddler. De akkoorden op ‘Deep Time’ zijn verdacht housey, en halverwege verschijnt er dan ook een subtiele elektrobeat, die het nummer veranderen in een vage kosmische echo van Air Liquide. Meteen daarna zijn we weer terug in deep space, maar Moore voegt vervolgens nog een paar keer ritmes toe, in nummers die in de verte doen denken aan zijn eigen band Zombi en bijvoorbeeld Egyptology. Die afwisseling houdt ‘Pangaea Ultima’ interessant, al zal het moeilijk worden om over een paar jaar het grootste deel van deze plaat te onderscheiden van een groot deel van de rest van de Spectrum Spools-catalogus. Maar voor het moment drijven wij gelukzalig met Moore mee.

Movimientos is een Londense organisatie van moderne latino klanken, zowel met eigen dans en concertavonden als ook een boeker en label met latino bands uit Londen. Het Movimientos label mag dan nog wel een kleine speler zijn in de Britse wereldmuziek, maar hun ster zal de komende jaren goed stijgen. Los Chinches is een negenkoppige band samengesteld uit Britse , Franse, Peruviaanse en Colombiaanse muzikanten die een liefde delen voor de chicha, de psychedelische cumbia surf rock muziek uit de Amazonische streken van Peru. Deze stijl is de laatste jaren vooral bekend geraakt door een tweetal sterke verzamelaars op Crammed en de band Chicha Libre en krijgt nu dus extra navolging met deze levendige band. Op ‘Fongo’ doet ook Kristian Robinson (alias Capitol K) mee op een paar instrumenten en is tevens de producer van het album dat van begin tot eind swingt. Daarbij zijn de uitschieters niet op één hand te tellen en zwakke plekken zijn moeilijk te vinden. In een aantal songs wordt er liefkozend in het Engels gezongen met hier en daar een zwoel latino woordje voor extra kleur zoals in de song ‘Senorita, Can You Tell?’ die nog altijd een kleine culthit is in Britse latino sferen. Een paar andere beste songs zijn ‘Guiro Hero’, ‘Be Still My Beating Corazon’, ‘Fongo’ en ‘La Serpiente Negra’. Laat de zware pisco sour cocktails en ceviche vissalades maar aanrukken voor een scheef bacchanaal feest tot diep in de nacht! Wara is ook een Londense band die vooral drijft op een brede mix van Afro-Cubaanse salsa, latino funk, hiphop en rumba jazz sferen met leden uit Cuba, Argentinië, Venezuela, Chili, Ghana, Congo, Spanje en Engeland. De songs worden afwisselend in het Engels en Spaans gezongen en het geluid is zeer toegankelijk voor een breed werelds en urban publiek. De Congolees-Argentijnse zangers Juanita Euka (een nicht van de legendarische Congolese zanger Franco) zorgt voor vrouwelijke warmte met haar donkere latino stemgeluid. ‘No Se Vende’ met een volgepakte sfeer van latino funk en highlife is één van de betere songs terwijl de andere songs iets te voorspelbaar en inwisselbaar klinken om het album dat extra beetje glans te geven. Een geluid dat meer past in een zonnig café al vermoeden we dat de band live beter tot zijn recht zou komen dan in een studio zoals wel vaker het geval is met dergelijke wereldse fusiemuziek.

Providence, Rhode Island is een voedingsbodem voor heel wat extreme bands. We noemen Black Dice (inmiddels verkast naar New York), Lightning Bolt en Arab On Radar. En Daughters natuurlijk, die voor deze plaat naar New York trokken, naar de legendarische CBGB-club met name. Daar ontbonden ze hun chaotische noiseduivels tot tevredenheid van het aanwezige publiek en ook van ons, de plastieken luisteraar. Niet dat de show zo nieuw is. Het is er eentje uit 2004, dus net na debuut ‘Canada Songs’ en voor ‘Hell Songs’ (2006). Wie dat laatste album op de kop tikte, kent deze show misschien. Op de Japanse versie was deze namelijk als extraatje toegevoegd. Met ‘Stupid’ als toevoeging aan de titel. Niet nieuw dus, maar deze band blijft een indrukwekkend staaltje neerzetten van grind- math en andere wilde cores. Ook op het podium ging het er steevast zeer wild aan toe. Spastic Noise Rock voor ADHD’ers is wellicht een behoorlijk adequate omschrijving voor het festijn dat deze heren op ons loslaten. Let wel, twaalf songs die naam waardig, maar de boel haalt amper het kwartier. De aandachtsspanne van het kwintet was dan ook uitermate kort, maar des te intensiever ging het er aan toe. Dit jaar hadden ze er even weer zin in, en gaven ze twee shows. Wij doen het echter met dit schijfje, dat de energie van deze bende freaks heel goed weergeeft. ‘I Slept with the Daughters and All I Got Was This Lousy Song Written About Me’, ‘ I Don’t Give a Shit About Wood, I’m Not a Chemist’, de titels lijken soms langer dan de nummers zelf. Hemelse herrie.

Afzien was het, toen we Morcheeba midden jaren 1990 bleven verdedigen. Terwijl de band bij de zelfverklaarde serieuze muziekliefhebber vooral op hoongelach kon rekenen, stonden de broers Paul en Ross Godfrey en zangeres Skye nochtans in voor prima, authentieke en warme trip-hop afgewerkt met een vleug pop. Toegegeven, na twee albums was de rek eruit, wat later verliet Skye de band en raakte Morcheeba op de dool. ‘Head Up High’ is de eerste plaat sinds Morcheeba op ‘Blood Like Lemonade’ (2010) terugkeerde in zijn originele bezetting. Het vooruitgeschoven ‘Gimme Your Love’, drijvend op een stevige baslijn en opgesmukt met een funky gitaarsolo, deed alvast het beste vermoeden. Helaas telt dit album met de skadub van ‘Make Believer’ en ‘Hypnotized’ maar twee nummers die even fris en pittig klinken als die single. Verder stelt ‘Head Up High’ niet zoveel voor. Het authentieke is helemaal weg, de producties klinken niet zozeer glad, maar wel erg alledaags. De samenwerking met een rapper (Chali 2na op ‘Face Of Danger’) verliep in het verleden al beter, met Pacewon op ‘Get Along’ bijvoorbeeld, en ook de bijdrage van James Petralli, zanger van het Amerikaanse White Denim op afsluiter ‘Finally Found You’, brengt geen meerwaarde. De kwaliteit van de beginjaren wordt hier nooit geëvenaard, en die liggen toch al zo een zeventien jaar achter ons. We verwachten weliswaar geen smaakvolle triphop meer, maar Morcheeba moet beter kunnen dan de half belegen popmuziek die het hier serveert. Voor ‘Head Up High’ steken we onze nek niet uit.

De promo vermeldt dat het tweede album van het uit Galicië (gelegen in het meest noordwestelijke deel van Spanje, ten noorden van Portugal) afkomstige Bastards On Parade ideaal luistervoer is voor liefhebbers van Dropkick Murphys, Floggin’ Molly en Mahones!. De opvolger voor ‘Tales From The Death Shore’ is inderdaad exact waarvoor de heren staan. Sinds 2008 verenigen ze hun interesse in punk en hun Keltische roots en komen zo uit bij muziek die behalve knipogen naar voornoemde bands ook verwantschap vertoont met Rancid, Swingin’ Utters, Real Mckenzies en The Pogues. Bij die laatste band was er ook steeds sprake van lege flessen en gebroken allerhande, en dat is bij Bastards On Parade niet anders. Veertien liedjes van een stel straalbezopen heren voor feestjes waar de alcohol rijkelijk vloeit. ‘Quen Tenha Vinho’, een traditioneel Galicisch drinklied, werd voor de gelegenheid helemaal opgewaardeerd om te passen binnen het universum van dit stelletje ongeregeld. De obligate doedelzak en een baard meer of minder, het hoort er allemaal bij. Elkeen die een bloedhekel heeft aan voornoemde bands laat band en plaat links liggen, de rest kan hiermee een feestje bouwen.

En nog een band die een tweede jeugd nastreeft. Of eigenlijk een derde, want voordat Bailter Space in 1988 debuteerde met ‘Tanker’, had het trio als een carrière achter de rug als The Gordons. Hun sound was hoekige postpunk met industrial-invloeden, en evolueerde onder Bailter Space-vlag naar noise rock, wat ze het label ‘Nieuw-Zeelandse Sonic Youth’ opleverde. Na een serie prima albums op Flying Nun hield de band het voor gezien, maar sinds een paar jaar bestaan ze weer. Het comeback album ‘Strobosphere’ was een aangename hernieuwde kennismaking, al bleek het trio in de tussentijd geen wereldschokkende nieuwe inzichten opgedaan. Ook op ‘Trinine’ varen ze dezelfde muzikale koers, maar helaas mist deze keer ook de overtuiging. Een van de dingen die oude platen als ‘Robot World’ zo goed maakte, was hoe de vervreemde en melancholische liedje dreven op een waaierende gitaarmuur die diep en hard was zonder agressief te zijn. Maar hier is het geluid eerder modderig, rommelig. De band ploetert door een set niet al te bijzondere nummers heen, en het helpt niet dat de zang regelmatig bijna vals is. Bewust of nonchalance, wie zal het zeggen. Naar verluid zijn de optredens van Bailter Space nog steeds een overweldigende ervaring, maar op plaat verwijzen we u voor radicale kiwi-rock door naar The Dead C.

Frontman en producer Gary Levitt is de onbetwiste leider van Setting Sun. Met strakke hand houdt hij zijn steeds wisselende personeel in het gareel. Hij weet exact hoe zijn nummers horen te klinken, en de gastmuzikanten dienen voornamelijk om die ideeën vorm te geven, zonder dat ze veel inspraak krijgen. Levitt is geboren in Queens, New York en speelt vanaf zijn tienerjaren gitaar. Die akoestische gitaar speelt nog steeds een hoofdrol in zijn muziek, die folk, indierock en naar perfectie strevende popmuziek met elkaar probeert te verenigen. Daarnaast maakt hij veelvuldig gebruik van violen, cello’s en andere snaarinstrumenten. Voor zijn vijfde plaat houdt hij nog steeds vast aan dit procédé. Bassist Jen Turner is de enige vaste waarde die hij toelaat en die op de tien nummers aanwezig is. Turner mocht trouwens met gast Erica Quitzow meeschrijven aan opener ‘Got It Made’, wat het vertrouwen van Levitt in Turner extra beklemtoont. Het veelvuldig gebruik van strijkers geeft de nummers een dramatisch effect, doet ze groots klinken, pompeus bijna. Levitt’s stem klinkt meer dan behoorlijk, en hij laat geregeld iemand anders die taak overnemen, wat de variatie ten goede komt. De resem gasten wordt ingezet waar hij het nodig vindt, meestal vooral als inkleurend element. Overdaad is niet aan Setting Sun besteedt. Het geluid mag vol zitten, maar niet te bombastisch gaan klinken of met te veel franjes die de liedjes in de soep zou draaien. De song blijft de essentie, hij is en blijft een singersongwriter. Levitt lonkt graag naar het werk van latere Dinosaur Jr. en dat is er hier en daar ook goed aan te horen. ‘Be Here When You Get There’ is een voorbeeld van hoe van gevoel overstromende indierock die toch de perfectie nastreeft, hoort te klinken.

Sinds 2007 bestookt het uit Chicago afkomstige Cave ons met zijn releases. Het kwartet psychrockers is nu aan zijn derde volledige album toe, en biedt ons een staalkaartje van zijn kunnen. ‘Sweaty Fingers’ opent de plaat, met een funky gitaar en halfweg ook een funky aandoende baslijn. Het motiefje dat wordt ingezet wordt eindeloos herhaald, tot de herhaling schoonheid wordt. Het minimalisme waar de band voor bekend is, wordt hier optimaal ten uivoer gebracht. Op ‘Silver Headband’ mag het er hier en daar al wat ruiger aan toe gaan. Op dit nummer komt hun voorliefde voor de krautrock van Neu! en Can helemaal tot bloei, al gooien ze er naar het einde toe een snufje bluesrock tegenaan. ‘Arrow’s Myth’ begint dan weer met een gitaar, maar er wordt al snel de voorkeur gegeven aan de hypnotiserende klanken die een Fender Rhodes kan voortbrengen. Geen stoner, geen psychedelica maar fusion die klinkt zoals een band als Tortoise die zou inblikken. Worden we hier wild van? Neen, absoluut niet. Bij momenten vinden we deze plaat eerder grfriemel, een herkauwen van een verleden waar Cave dikwijls veel te weinig aan toevoegt. Het is dit ‘Arrow’s Myth’ dat ons doet twijfelen. Zijn dit louter herkauwers of voegen ze ook iets toe? Halfweg gaan ze richting krautrock, om dan blazers toe te voegen en onzes inziens helemaal de verkeerde lijn van fusion en prog overtredend. Constanten op het album zijn het aanhoudende minimalisme dat een hypnotiserend effect beoogt en de groove, die de band hoog in het vaandel voert. Funk, latin rock en dies meer, zoals in ‘Shikaakwa’ doen ons eerder denken aan Santana en dan is het voor ons helemaal afgelopen. Speel maar lekker verder mannen, maar de volgende keer liever elders.