GC #119

Singer/songwriter Cate Le Bon is een zeer gerespecteerd muzikante in haar thuisland Wales, waar ze samenwerkte met menig muzikant van naam, zoals Super Furry Animals, Manic Street Preachers en Neon Neon, maar wij hadden haar tot nu toe een beetje gemist. ‘Mug Museum’ is alweer haar derde soloplaat en ten opzichte van haar vorige werk geeft ze iets meer gas, in ieder geval gedurende de eerste helft van de plaat. Hoewel ze haar wortels heeft in de freak folk en haar stem nogal wat weg heeft van Sandy Denny klinken er ook veel echo’s van jaren-1970-artrock. Television-gitaren in ‘No God’, een riff die zo van David Bowie ten tijde van ‘Ziggy Stardust’ had kunnen zijn in ‘Are You With Me Now?’, een vleugje Kate Bush in opener ‘I Can’t Help You’. Daarmee weet de plaat lang de aandacht vast te houden, met een hoogtepunt in het wonderschone ‘I Think I Knew’ met een gastrol voor Perfume Genius. Daarna zakt de boel steeds meer in, met drie trage, voortkabbelende liedjes als anticlimax. Dan begint het steeds meer te wringen dat Le Bon een zo duidelijk retro- en pastichepad bewandelt en te weinig eigen smoel heeft. Dit was een goede ep of reeks singles geweest, maar weet als plaat te weinig te overtuigen.

‘Kinder In Der Wildnis’ is het derde album van Günter Schickert. Het was de opvolger voor ‘Samtvogel’ (1974) en ‘Ueberfaellig’ (1979), waarmee hij zijn bijdrage leverde tot de krautrock door zijn ietwat speciale gitaarwerk. Zijn derdeling verscheen indertijd alleen op cassette bij het Engelse label YHC, en dan nog alleen omdat de broers Freeman (Alan en Steven) bezig waren met hun boek ‘The Crack In The Cosmic Eye’. Dat boek is een soort encyclopedie over krautrock, waardoor ze ook Schickert een bezoekje brachten. Tijdens het gesprek bleek dat Schickert nog een boel losse opnames had gemaakt in de periode 1981 en 1983. De Freeman’s boden aan om er een album mee samen te stellen. Schickert gaf hen de boel mee en het resultaat was dit ‘Kind In Der Wildnis’. Ondanks het risico op een uitermate gefragmenteerd geheel, blijkt dit uiteindelijk nog mee te vallen. De broers hebben er een lijn in gekregen, gaande van ambient, naar een prachtstuk waarin ’s mans gitaarwerk bij uitstek tot zijn recht komt (‘Es ist schon kurz vor 12’). Verderop, zowat halfweg, schuift een toeter mee aan het krautrockexperiment (‘7/5’), waarna Schickert aan het zingen slaat. Het is de prelude voor een aantal songs die heel nauw verbonden zijn met Neue Deutsche Welle. In het titelnummer duikt zijn toen vierjarige dochter op, en de twee erna volgende bonusnummers passen helemaal in het NDW-adagio. Deze songs leggen de link naar de bands waar hij deel van uitmaakte: Gam, No Zen en Ziguri Ego Zoo (uit de as herrezen trouwens). De variatie is leuk, al klinken vooral het laatste handvol liedjes behoorlijk verouderd. Deze uitgave is eerder van historisch belang en minder vernieuwend dan het gros heruitgaven waarmee Bureau B ons verblijdt.

Tony Sly kennen de meesten onder ons als zanger en gitarist van de skatepunkers No Use For A Name. De man maakte deel uit van die band sinds 1989, en bleef dat tot aan zijn dood op 31 juli 2012. Gewoon, in zijn slaap, vrediger kan bijna niet. De laatste jaren was hij vooral actief als liedjesschrijver die akoestische platen uitbracht, al dan niet met zijn maatje Joey Cape (Lagwagon), en dito tournees. Na zijn dood werd de band opgegeven, maar nu, een jaar later, herleven heel wat liedjes die Tony Sly gedurende zijn leven opnam. Drieëndertig bands en artiesten nemen elk een nummer voor hun rekening, van Tony Sly solo of van No Use For A Name. Zesentwintig ervan staan verzameld op de cd en het vinyl, die allemaal een downloadcode bevatten voor de resterende nummers. Het gros van de deelnemers zijn bands die Tony in zijn vele jaren van eindeloos toeren leerde kennen, waarderen en die ook zijn maatjes werden. De uitwerking van de liedjes is net zo gevarieerd als het deelnemersveld. Karina Denice trapt de boel af met een ingetogen deuntje dat ze wondermooi tot leven zingt (‘Biggest Lie’). Het is een verrassende opener, want eigenlijk verwacht elkeen voornamelijk punkrock op dit album. Die is er natuurlijk, volop zelfs. Strung Out en Lagwagon punkrocken er vrolijk op los, terwijl bijvoorbeeld Bouncing Souls en Frank Turner een andere draai aan het liedje geven. De grootste namen ontbreken evenmin: Bad Religion, NOFX, Snuff en Swingin’ Utters leveren net zo goed een bijdrage. In elk geval zou Tony Sly blij zijn geweest dat zoveel gelijkgezinden de moeite hebben genomen om zijn liedjes op hun eigen manier te brengen.

Het is Vlaams, het is meer dan degelijk, het is melodieuze hardcore die zich kan meten met om het even welk buitenlands voorbeeld en het is helemaal DIY. Wat wil een mens nog meer om de eerste echte ep van een kwintet vrienden een kans te geven. De heren kozen ervoor om hun promo digitaal te doen, al is het kleinood enkel op vinyl te verkrijgen, in een oplage van slechts honderd stuks. De mannen kozen ervoor om het hoesje zelf in elkaar te knutselen om het item zo lekker knus, een beetje speciaal en persoonlijker voor de kopers te maken. De titel van het kleinood is meteen het hoofdthema. Vereenzaming in zeven heftige songs gegoten, die een beetje snoept van het hele scala aan variëteiten binnen het hardcoregenre. Misschien is het net door deze ruime invloedenpoel dat de nummers lekker ruig en fris klinken en niet als een zoveelste kopie van wat voor band dan ook. Echt groot zien zanger Sam Velghe, gitaristen Brecht Deruytere en Michiel Broutin, bassist Bart Salembier en drummer Sam Nuytens het niet voor Inside The Hall. De vijf zijn vrienden en spelen graag een potje hardcore, en ze willen dat ook graag zo houden. Lekker bescheiden en toch staan voor kwaliteit. Inderdaad, dat is de oervlaamse aard.

Omschreven we voorganger ‘Sushi’ nog als dansbaar en glossy, dan doet James Ferraro er op zijn nieuwe plaat alles aan om die kenmerken te mijden. De Amerikaanse producer hangt op ‘NYC Hell, 3:00 AM’ een onverlicht, tuchteloos beeld op van zijn thuisstad. Zo liet Ferraro in een interview optekenen dat hij het tegenbeeld voor ogen had van het glamoureuze New York dat Sinatra eind jaren 1970 bezong. Het utopische dat Ferraro’s doorbraakplaat ‘Far Side Virtual’ kenmerkte, heeft plaatsgemaakt voor pessimisme; de Amerikaan stelt zich geïsoleerd op en mijdt ditmaal alle humor. ‘NYC Hell, 3:00 AM’ zit vol dissonante klanken als reflectie van wazige herinneringen, tussen droom en realiteit in. We noteren sirenes, veel straatgeluiden, en zelfs een flard 9/11-verslaggeving, aan het einde van ‘City Smells’. Ferraro laveert tussen avant-garde R&B en geesteszieke ambient, met ‘Niggas’ als eigenzinnig antwoord op de minimale, industriële hiphop van Kanye West. Seksuele perversiteiten vormen de basis voor ‘Upper East Side Pussy’ en ‘Nushawn’, dat refereert aan Nushawn Wiliams, de Amerikaan die eind jaren 1990 bewust tientallen vrouwen met het HIV-virus besmette. De nummers missen ritme, maar ook inspiratie. Ferraro zijn apathische, diafonische zang – veel meer dan mompelen, al dan niet door de mangel van de Auto-Tune gehaald, is het niet – doet denken aan die van Dean Blunt. Net als bij Blunt kan je je de vraag stellen of het zo bedoeld is, of Ferraro juist heel hard zijn best deed om alles zo onverschillig mogelijk te laten klinken. Wat er ook van is, het gebrek aan structuur en het doolhof van sombere, monotone stegen maakt van ‘NYC Hell, 3:00 AM’ eerder een vermoeiende dan een boeiende plaat.

‘Flowers For L.P.’ is een tweeënveertig minuten en vijftien seconden durend eerbetoon aan de dichter Jacques Rigaut. We kenden de dichter niet, we kennen niet veel van poëzie en snappen er meestal ook maar weinig van. We vroegen het aan oom Google en die wist te vertellen dat de man een ironische ingesteldheid had, met een absolute fascinatie voor zelfmoord, die hij uiteindelijk ook pleegde. Hij leefde van 1898-1929 en maakte deel uit van het dadaïsme en het surrealisme. Zonder deze info kunnen we echter net zo goed genieten van het in zichzelf gekeerde klanktapijt die Yannick Franck inblikte samen met Craig Hiltoin. Franck is een bezige Belgische bij, met een eigen label en een resem releases op zijn naam. Solo, in samenwerkingsverband met onder meer Phil Maggi, Esther Vanrooy en Alan Trench. Hij maakt deel uit van Y.E.R.M.O., maakt soundtracks voor kunstzinnige films en schrijft voor het net zo kunstzinnige Flux. Toch vindt hij de tijd om een secuur in elkaar gepuzzeld en geknutseld contemplatief epos als dit stuk op te nemen. Het stuk reflecteert, denkt na, spoort aan tot contemplatie, stelt inherent vragen over het leven en doet dat middels een sfeervol klankenspectrum dat elektronica met field recordings combineert, zonder dat er een duidelijke herkenningslijn tussen beide werd getrokken. Alles loopt in en door elkaar, zonder aanwijsbare geluidsbron, en lijkt eerder het evoqueren van wat er met Rigaud na zijn dood in zijn graf gebeurde, te willen toonzetten. Het gekrioel van het ongedierte, het verval, het ongrijpbare van de dood, de omarming van het verscheiden, het maakt allemaal deel uit van dit stuk. Donkere ambient voor de overledenen of van de overledenen, daar zijn we nog niet uit.

Eerst en vooral valt ons de mooie verpakking op van deze cd. Het reguliere doosje is omhuld door een kartonnen doosje, uiteraard donker van kleur, waarop een religieus aandoende dame staat afgebeeld die mysterieus en aanbiddelijk tegelijk oogt. De hoes lijkt trouwens te willen benadrukken dat de muziek die Ulver hierop laat horen, heel dicht bij neoklassiek aanleunt. De titel en de dame wijzen in die richting. Bovendien doet Ulver het hier niet alleen, maar krijgt de band assistentie van het Tromsø Chamber Orchestra. De ondertitel van dit werk, zes missen bevattend, luidt: ‘Music Commisioned For Tromsø Kulturhus in cooperation with the Arctic Opera and Philharmonic Orchestra’. Een mondvol om aan te duiden dat het hier om een unieke gebeurtenis gaat waarbij de kern van Ulver een uitgebreide samenwerking aangaat om hun ideeën in een setting neer te zetten die normalerwijze wordt voorbehouden voor het uitvoeren van klassieke muziek. Het is ook exact wat de Noren doen: neoklassiek spelen met avant-gardistisch aandoende uitweidingen, al verstoren die de boel maar weinig. Van de initiële in folklore en black metal gewortelde muziek van de beginjaren, is nauwelijks nog iets terug te horen. Veel bands deden het hen voor natuurlijk, met herwerkingen van bestaande nummers in een uitgebreide bezetting. Niets daarvan bij Ulver. Ze schreven gewoon nieuwe stukken, met die bezetting in het achterhoofd, en gaan verder op het pad dat ze reeds hadden uitgezet op ‘ Live In Concert: Norwegian National Opera’. Veel elektronica, een donkere sfeer die religieus aandoet, veel strijkers en wat dreigende gitaren die nooit mogen uitbarsten, zetten de toon. Rustpunten en in een paar nummers toch wat voorzichtige zang, zorgen voor variatie. Deze missen zijn eigenlijk het best te genieten op een behoorlijk hoog volume, of in een livesituatie, bij voorkeur in een religieus gebouw. Het beoogde overdonderende gevoel komt dan het beste tot zijn recht.

Niels de Wit en Joost Warnik, beiden uit Hoorn, richtten zo nu en dan een bandje op om hun energie kwijt te geraken. Ze doen dat al sinds 1987, toen ze The Vernon Walters oprichtten. Doorheen de vele jaren die inmiddels zijn voorbijgegaan, speelden beide heren pop, punk, noisecore en garage in al zijn varianten, gemengd of apart. Hungry I en Sack-O’-Woes zijn de vehikels, de vlaggen waaronder pogingen werden ondernomen om de Nederlandse jeugdhonken plat te spelen. En nu is het tijd voor Uncontrollable Urgh. De band is genaamd naar een song van Devo, al zijn het voornamelijk bands als The Buzzcoks en The Adverts die voor inspiratie zorgen voor het pennen van liedjes. Robert Bakker, voorheen drummer maar nu gitaar, en Frank Cuup (drums) vervolledigen het kwartet. Een moeilijke groepsnaam, zoals de traditie het wil, en hop, een plaatje vol leuke poppunk ligt op de vinylliefhebber te wachten. Geen cd, alleen vinyl. Voorkomen dat de band te populair wordt en de fun op is, moet ten allen koste worden vermeden. En is het fun? Ah, zoals zoveel poppunk klinkt het op een ideaal moment wel leuk en op andere momenten knap vervelend. Dat ligt niet aan de band, maar aan het genre. Een blazer hier en daar en een akoestisch deuntje, toepasselijk ‘The Acoustic Song’ genaamd zodat we ons zeker niet kunnen vergissen, bieden ietwat variatie. Veertien stuks, dat moet volstaan voor een denderend optreden.

2013 is een goed jaar geweest voor liefhebbers van all things Matts Gustafsson. Een tiental platen in diverse samenwerkingsverbanden (Ken Vandermark, Thurston Moore, Merzbow, The Ex…), een vijfde ‘reguliere’ plaat van Fire! (‘Without Noticing’) en de ronduit spectaculaire onderneming Fire! Orchestra. En we sluiten het jaar af met een nieuwe The Thing. Die band brak vorig jaar nog bescheiden door naar een breeddenkend poppubliek met ‘The Cherry Thing’, hun felgesmaakte samenwerking met Neneh Cherry. The Thing (en bij uitbreiding alles waar Gustafsson aan meedoet) is bij uitstek een project dat het publiek verdeelt in heftige tegenstanders en rabiate fans. De kritiek van de tegenstanders (kort door de bocht): “krachtpatserij zonder nuance”. Dat argument kan je ook bovenhalen om The Melvins of Lightning Bolt af te serveren, maar Lucifer weet dat de wereld een pak saaier zou zijn zonder die bands. Wij kunnen nuance appreciëren, maar slechts op voorwaarde dat we erop mogen rekenen dat we ten allen tijde op doorleefd klerelawaai kunnen terugvallen. Trouwens: waarom zou er in lawaai geen nuance te rapen vallen?
Op ‘Boot!’ haalt Gustafsson regelmatig zijn bassax boven en Ingebrigt Håker-Flaten speelt een bepaald furieus stukje elektrische bas. Mede door die elektrische opstelling ligt deze plaat bij momenten iets dichter bij het werk van Fire! Groove speelt dan ook een centrale rol op ‘Boot!’ Zo gaat op ‘Reboot’ Gustafsson aanvankelijk over een drammerig ritme in de clinch met de feedback van Håker-Flatens elektrische bas, maar naar het einde zijn het Håker-Flaten en Paal Nilssen-Love, die met een heerlijk lichte groove de sterren van het dak spelen.
Naar goede gewoonte mismeesteren The Thing ook een paar klassiekers. Op ‘Boot!’ zijn dat ‘India’ van John Coltrane, waarvan een flard wordt uitvergroot tot een monsterriff, en ‘Heaven’ van Duke Ellington.
Dat laatste nummer wordt door de ritmesectie voorzien van een slepende groove waar menig een doommetalgitarist een arm voor zou veil hebben.
Op het concert dat The Thing laatst gaven in Les Ateliers Claus, kwam er trouwens een flightcase met daarop twee vrijwillig neergezeten meisjes aan te pas om de basdrum van Paal Nilssen-Love min of meer op zijn plaats te houden. Moge het nuanceloos krachtpatsen nog lang blijven duren, hoera voor The Thing!

Het is weer eens iets anders. Een stel New Yorkers, luisterend naar de namen Angeryman (zang) , The Sandman (gitaar), Silk City Kid (bas) en Colonel Taz (drums) beginnen een band. Of oprichter Claudius Pratt, gitarist Justin Moses Gunn, bassist Martin Ollivierre, drummer Matthias Klein en percussionist Nikolaj Høi-Harp. Het is maar hoe we de heren ontmoeten: ergens te velde of op een podium. Die laatste kwam er trouwens pas bij toen het kwartet zijn biezen pakte en verhuisde naar Denemarken. Een beetje vreemd natuurlijk, want de omgekeerde beweging gebeurt veel frequenter. En als we dan ook nog eens weten en horen dat de heren rhythm & blues spelen geënt op negro-spirituals lijkt het helemaal een vreemde carrièrewending. Meer nog, het kwintet is zo te horen nog maar eens uitgebreid, nu met twee frivool zingende en dansende dames. De songs lijken dan ook soms te neigen naar een revue beïnvloedt door James Brown. Zeker is alleszins dat deze bende houdt van een lekker feestje, waarbij de toeters, de koortjes en het heupwiegen niet ontbreken. Opererend vanuit Kopenhagen lijkt de band een missie te hebben om aloude R & B weer over het oude continent te verspreiden, zoals ooit Ike & Tina Turner en soortgelijke swingende monsters het hen voordeden. Er wordt hier en daar gepoogd om het tempo wat te milderen, al lukt het hen nooit om het lang vol te houden. Het verveelt hen, ze willen swingen, dansen en dames (of heren) versieren. Whisky, wulpse dames en nonkel God zijn de hoofdthema’s, zoals de traditie in dit genre het vereist. ‘The New Gospel For The Wayward’ is een aardig debuut, waarmee bij genreliefhebbers absoluut kan gescoord worden.

Sinds 1999 is het uit Parijs afkomstige Aqua Nebula Oscillator actief. ‘Spiritus Mundi’ is echter nog maar hun vierde album in al die jaren. Kwaliteit boven kwaliteit, en dat is ook nu weer niet anders. Het levert hen in elk geval een plaatsje op Afterburner 2014 op en ze mochten reeds uitgebreid de hort op met The Cult. Die laatste hadden een plaat te promoten (‘Love’), waar we geen woorden aan vuil maken. De heren bouwen hun plaat netjes op. Het instrumentale titelnummer brengt de luisteraar in de juiste sfeer, ‘Up To The Sky’ zet de bedoelingen uiteen en vanaf ‘Turn On Your Mind’ is het duidelijk: ‘Spiritus Mundi’ bevat alweer staaltjes van hemelse psychedelische rock waarin sporadisch plaats wordt geruimd boor wat bluesrock. We horen tegelijk de invloed van Hawkwind en Blue Cheer. De exploderende gitaarlijn in dit nummer is er eentje om te onthouden. Interessant aan deze plaat is de aanhoudende variatie. Het betreft geen twaalf nummers stevige rock of fluisterpsychedelica. De Fransen laten elk van deze kanten die hen fascineren, ruimschoots aan bod komen. Die fluisterstem, waarvoor David Sphaer’os verantwoordelijk is, geeft een song als ‘Jungle Man’ een tegelijk mysterieuze als exotische toets mee. Op ‘Roller Coaster’ creëert de band een Spaceman 3-sfeertje, waarboven David grauwt en gromt. Daarmee variëren niet alleen de songs, maar ook de stem, die elke keer een andere vorm lijkt aan te nemen. Alleen jammer van die sitar die ze elke plaat opnieuw menen te moeten gebruiken. Het is het enige minpuntje van een voor de rest gevarieerde verzameling psychedelica.

Kurt Vile slaagt er in de val van de ‘deluxe edition’ te omzeilen. Je weet hoe dat gaat. Een aantal maanden na de oorspronkelijke release, meestal rond de kerstperiode, verschijnt een zogenaamde luxe editie van een album. Liefst met een paar extra’s waardoor de echte fan nogmaals in de buidel mag tasten. Kurt Vile brengt van zijn uitstekende, dit jaar verschenen, album ‘Wakin On A Pretty Daze’ nu een luxe editie uit met een extra EP. Die is gelukkig ook apart te verkrijgen. Nou, veel nieuw is daar niet echt op te vinden. Twee echt nieuwe nummers, het heerlijk uitgesponnen ‘Feel My Pain’ en het al even voortdreinende ‘The Ghost Of Freddie Roach’. De andere nummers zijn herwerkingen (ook in de titels) van nummers die al op het album stonden. Geen radicale bewerkingen, eerder alternatieve versies van de nummers. Maar fans die het album al kochten moeten dus niet voor een tweede keer het album kopen. De EP is voldoende. Alhoewel, het artwork van het pakket is ook anders. Dus toch een beetje afzetterij. Maar de fan die geen nieuw exemplaar koopt van de plaat kan zijn geld uitgeven aan een tien jaar oud singletje van Kurt Vile samen met ex-Violater Robert Robinson dat nu wordt heruitgebracht. Hij en Vile maakten drie, redelijke introspectieve songs vol akoestische gitaren en tapeloops. Alles klinkt zeer lo-fi. Hier hoor je een artiest die zijn stijl aan het zoeken is. Drie interessante stijloefeningen waarvan er twee de moeite zijn. Enkel ‘Serum’ is een beetje te flauw om de tand des tijds te hebben doorstaan.