GC #119

Ja lap, hebben deze Zwitsers ons goed liggen. Hun tweede album noemen ze ‘Speak Easy’, maar de groepsnaam heeft een handleiding nodig. Hoe spreek je dat van zijn leven uit? Marlon, chef van het label, bood uitkomst: ai sa shikle zou het moeten zijn. Een idee als een ander, want wat het betekent, blijft een raadsel. Wereldsuprematie zal het tot een kwintet uitgebreide stel er niet mee bereiken. Een breder publiek dan ze nu hebben, ligt echter voor het grijpen met de negen wondermooie liedjes die op het album prijken. Het vijftal maakt quasi perfecte indiepop met net voldoende weerhaakjes om ook de meer op alternatieve rockmuziek gerichte muziekliefhebber te bekoren. De gitaren van zanger Oliver Falk, Simon Zimmermann en de uit de jazz en experimentele hoek afkomstige nieuweling Paolo Thorsen-Nagel waaieren regelmatig alle kanten uit en geven de songs niet alleen een brede klankkleur, maar ook een ruiger tintje. De ietwat nasale stem van Falk past wonderwel bij de liedjes. Zijn stem laat vermoeden dat de mindere kanten van het bestaan worden bezongen, terwijl de band het grotendeels over de positieve kanten heeft en zich toespitst op het ophemelen van de banale geneugten van elke dag. Ze slagen daarin met verve, getuige leuke liedjes als ‘Grapple’, ‘Relics’ en ‘A Distant Sound’. Te moeilijk voor Studio Brussel, die naam alleen al, en daardoor des te meer geschikt voor ons.

De band Kafka behoudt de traditionele rockbezetting: drums, bas en gitaar. Guillaume Mazard, Rémi Aurine-Belloc en Rémi Faraut laten echter het rockidioom ver achter zich. Ze verkiezen organisch gegroeide composities die ons meenemen op een imaginair parcours. Ze fantaseren en creëren een rivier van geluid, die lui verder meandert doorheen de krochten van onze geest. De twaalf nummers klinken uitermate filmisch en blijken uiteindelijk ook te zijn gemaakt om bij een film als soundtrack te fungeren. Het instrumentale trio maakte reeds enkele albums sinds hun start in 2002. De vroege platen ‘O’ (2007) en ‘Kafka’ (2004) staan op zichzelf, al werden daar reeds de banen geplaveid voor wat komen gaat. ‘Geografia’ (2011) en ‘Vertiges’ (2012) behoren telkens bij een dansvoorstelling. Schrijven voor film kon als het ware niet uitblijven. Ze maakten eerder dit jaar een plaat met een herwerking van de muziek voor ‘La Petite Marchande d’Alumettes’ van Jean Renoir. Dat album is voor één euro, of meer, te downloaden van hun bandcamppagina, net als de rest van hun discografie. ‘L’Architecte’ is geen herwerking, maar is een eigen creatie, die hoort bij de film ‘L’Architecte’. Het verhaal gaat over een kleine jongen die tijdens de vertoning van de film ‘Nosferatu’ van F.W. Murnau een visioen krijgt over zijn eigen toekomst. Die is behoorlijk afschrikwekkend. De film wordt hier gezien als een epos met een verborgen boodschap die moet waarschuwen voor het nazisme, waarmee de jongen later te maken zal krijgen. De muziek is uiteraard niet echt vrolijk, en ook het hoesje laat een jongen zien die zo is geschrokken dat de ijzingwekkende angst in elke trek van zijn gezicht is te lezen. Zonder het verhaal of de film blijft de muziek in dit geval toch overeind, al ontbreekt hier en daar de coherentie ietwat. De basis blijft instrumentale postrock, een beetje als latere Tortoise zonder de prog en de jazz.

Toen Robert Wyatt de vier tracks van ”68′ opnam (in 1968, jawel), had hij er net twee tours opzitten met The Soft Machine in het voorprogramma van The Jimi Hendrix Experience. Het was dan ook op uitnodiging van Hendrix dat Wyatt de studio indook. Op dat moment was ‘The Soft Machine’ nog niet verschenen – ”68′ dient dan ook in het licht gezien van een jong en zoekend artiest. Verwacht u dus niet aan de superieur verfijnde psychedelische synths van ‘Rock Bottom’, maar aan een eerste zoektocht naar een eigen geluid. Véél piano en orgel (Wyatt neemt zelf de meeste instrumenten voor zijn rekening, maar Soft Machine-collega’s Mike Ratledge en Hugh Hopper springen hier en daar bij, en Hendrix bast zowaar op ‘Slow Walkin’ Talk’. Hoewel Wyatt op dat moment amper 23 is, zijn alle klassieke elementen al aanwezig, inclusief ’s mans unieke zangstem.
Een aantal van deze opnames zou later als basis dienen voor materiaal van The Soft Machine en Matching Mole. Zo werd ‘Rivmic Melodies’ hernomen op The Soft Machine’s ‘Volume II’ en ‘Moon In June’ figureerde in een aangepaste versie op ‘Third’.
Maar is ”68′ ook los van alle historische context een beetje een luisterervaring? Toch wel. Zo is het reeds genoemde ‘Rivmic Melodies’ zelfs in deze vroege versie al een hele rollercoaster. De song begint als een chaotisch-absurde lezing van het alfabet, om vervolgens in activistisch water te belanden – “If I were black and I lived here / I’d want to be a big man in the FBI or the CIA / but as I’m not and of course I don’t and as I’m free, white and 21 / I don’t need more power than I got, except for sometimes, when I’m broke” – om te eindigen in een variant van het Spaans waar verder geen touw aan vast te knopen valt. Al bij al een mooie voorbeschouwing op Wyatts latere tekstuele vermenging van geestige nonsens met politieke stellingnames.
Af en toe wordt er wijfelend gemusiceerd (wanneer het twintig minuten durende ‘Moon In June’ van soul-track in prog-monster ontbolstert, gaat dat eerder sputterend) maar alles welbeschouwd luisteren we hier dan ook naar opgepoetste demo’s, waar nooit een echt release-plan aan vasthing.
Wie nog geen platen van Wyatt in de kast staan hebt, begint beter met ‘Rock Bottom’, maar Wyatt (of Hendrix) completisten weten wat hen te doen staat.

Op zijn achtentwintigste kan Dev Hynes al een indrukwekkend CV voorleggen. Tien jaar geleden zette de in New York residerende Brit zijn eerste stapjes in de muziekwereld als gitarist van Test Icicles, om na de split van die dancepunkformatie solo de folktoer op te gaan als Lightspeed Champion. Intussen vond Hynes de tijd om productiewerk op zich te nemen voor nieuwbakken indie-popprinsessen als Solange en Sky Ferreira. Het geluid dat hij hen aanmat, waarbij funky R&B smaakvol gekoppeld wordt aan attractieve pop, vormt de basis van ‘Cupid Deluxe’, de tweede plaat die de man uitbrengt onder zijn nieuwe schuilnaam Blood Orange. ‘Cupid Deluxe’ is een album met een hoog hipstergehalte – Dev Hynes dook al meermaals op in de jaarlijst van het britse blad NME met coolste personen – vol lichtvoetige mid-tempo funk waar niet zelden de geest van Michael Jackson doorheen waait. Opener ‘Chamakay’ is een warmbloedig duet met Caroline Polachek, zangeres van Chairlift, dat meteen de toon zet door zijn slepende synthesizers en zijn smachtende zang. Nog beter is ‘You’re Not Good Enough’, ingezongen door Hynes’ vriendin Samantha Urbani. Ook hier neemt de zwoele synth je mee op een trip, maar is het finaal toch de aanstekelijke bas die het verschil maakt. De tweede helft van het album telt een aantal minder geïnspireerde nummers als ‘Always Let U Down’, ‘On The Line’ en ‘Chosen’ dat wel heel dicht aanleunt bij ‘Lovers in the Parking Lot’, dat Hynes voor Solange maakte. Maar hoed af voor de muzikale kameleon Dev Hynes, die zich nu ook deze stijl op korte tijd meester gemaakt heeft. Jammer dat er geen plannen zijn om dit project naar het podium te vertalen, want dat hadden wel eens de heetste feestjes van het jaar kunnen worden. Wij lieten onze snor al groeien, hadden onze skinny jeans gestreken en de bijbehorende All-Stars al klaar liggen.

‘Ik probeer simpel te zijn, maar niet simplistisch’. Met die uitspraak van Charles-Eric Charrier in het achterhoofd is het misschien wat makkelijker om C 6 GIG te ondergaan, het net iets meer dan drie kwartier durende geluidsonderzoek van de multi-instrumentalist. Een tingelend geluidje en een basgitaar staan centraal in deze alle tijd van de wereld nemende, meditatieve compositie. Hoewel compositie, het heeft er veel van weg dat Charrier zich al improviserenderwijs heeft laten meeslepen door een paar geluiden, en van daaruit tot dit resultaat is gekomen. Uit de meer dan summiere informatie valt dat in ieder geval niet op te maken… Wel nog dat hij op zijn tocht wordt vergezeld door een viola da gamba, percussie en accordeon, maar daar wordt net zo spaarzaam op gespeeld als er inlichtingen over C 6 GIG en/of Charrier zijn. Zo ben je helemaal overgeleverd aan de goden, in dit geval aan de beheerste, van spanning doortrokken minimale middelen van de muzikant. Tot op het einde blijft de concentratie bewaard.

Northern Spy mag ongetwijfeld tot de boeiendste Amerikaanse indielabels van het moment gerekend worden. Vanuit Brooklyn wordt immers een stroom releases de wereld ingestuurd met idiosyncratische visie als belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk, waarbij de catalogus zowel werk bevat van Charles Gayle en John Butcher, als The Necks, Zs, Gary Lucas, Rhys Chatham en Extra Life. Daarmee wordt vooral de zone tussen freejazz, experimentele rock-‘n-roll en geïmproviseerde muziek verkend. Dat sleutelwoorden als ‘experiment’ en ‘improvisatie’ echter niet altijd volstaan om te kunnen spreken van geslaagd werk, wordt bewezen met dit handvol uiteenlopende releases, dat niet helemaal de verwachtingen inlost. Zo blijft het eerste soloalbum van Jenks Miller, die vooral bekend is van de aparte metalband Horseback net iets te vrijblijvend om echt indruk te maken. Zijn slidegitaarimprovisaties verkeren dan wel in de roestbruine westernwereld van Cormac McCarthy, maar de vergelijking met vaag verwante artiesten als Loren Connors, Neil Young en U.S. Christmas gaan niet echt op. Het klinkt allemaal authentiek en de ideeën zijn dat ook, maar de wat oppervlakkige uitwerking laat nog te wensen over. Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij het Brooklynse octet NYMPH. De dag van vandaag moet je maar wat rondstrooien met labels als ‘doom’ en ‘psych’ en er wordt her en der al verrukt gekird. ‘New Millennium Prayer’ laat echter horen dat een excentrieke sound die heen en weer stuitert tussen kraut, psychedelica en flarden punkjaz niet altijd volstaat om te kunnen spreken van een geslaagde symbiose. Je krijgt wel die afwisseling van repetitieve grooves en gierende psychtoestanden, compleet met jengelende Korg, funky gitaargepingel en spacey blazers, maar het blijft veel te vaak hangen op het terrein van de goedbedoelde, weinig om het lijf hebbende pastiche. De vijf kleppers van Black Host hebben ongetwijfeld de beste geloofsbrieven. Aanvoerder Gerald Cleaver behoort tot de meest veelzijdige drummers van zijn generatie. Toetsenist Cooper-Moore is dan weer een van de best bewaarde geheimen van de freejazz en outsidermuziek, terwijl jong(er) grut als Darius Jones (altsax), Pascal Niggenkemper (contrabas) en Brandon Seabrook (gitaar) de voorbije jaren erg straffe dingen lieten horen. Dat doen ze ook allemaal op ‘Life In The Sugar Candle Mines’, dat met een been in de freejazz staat, maar de mosterd ook ver daarbuiten gaat halen, met invloeden uit meer rockgeoriënteerde richting, maar ook versmachtende noise en bombastische klankexperimenten. De zingende, soms snerpende sax van Jones zorgt in combinatie met het neurotische spel van Seabrook voor iets dat vaagweg lijkt op zijn kwartet Little Women, maar even erna neigt het meer naar de wereld van Frisell of een donkere, bijna ondoordringbare tussenvorm. Dat is dan weer het probleem van dit album. Cleavers ‘Uncle June’ was ook al een tegendraads, zelfs moeilijk werkstuk, maar hier is het allemaal wat té zwaar en onverteerbaar geworden, zeker met een totaalduur van bijna tachtig minuten. Een behoorlijk straffe prestatie van de band, al ben je vooral onder de indruk van het doorzettingsvermogen en minder van het samenspel of het eindresultaat.

De zondagochtend is zowat de enige keer dat het ten huize (pb) lukt om iedereen aan dezelfde tafel te krijgen voor het ontbijt. Iedereen is thuis, wakker en hongerig. De overige dagen is er altijd wel iemand nog in slaap, al gaan werken of avelinks. Ontbijten gebeurt elk apart, bij de tv, al rondlopend, in een haastje tussen door. Op zondag lukt het wel, ook omdat er dan andere dingen op tafel kunnen komen (er is tijd), de kinderen niet naar school hoeven en ze ook weten dat er meestal niets op de agenda staat. Niet dat het voor ons, de ouders, rustig verloopt. Soit, een mens moet er iets voor over hebben. Deze gewoonte vraagt trouwens om een verzamelalbum met lang vervlogen muziekjes die een zeker rock’n’rollgehalte hebben maar niet te opdringerig klinken. ‘Back from The Grave’ en aanverwante compilaties zijn daar uitermate geschikt voor. We zijn meestal heel tevreden als we tussen de meestal op de oppervlakte blijvende liedjes, die daarom verre van slecht zijn, plots kunnen opkijken voor eentje dat er uitschiet. Het land van herkomst speelt daarbij minder een rol, als het maar niet met neusfluiten en ander typisch wereldmuziekgereedschap word gebracht. Op ‘Pippermint Twist’ worden 24 nummers samengebracht uit de jaren 1950 en het begin van de jaren 1960 van groepjes die in Spanje poogden de invloeden van de rock’n’roll, twist, doowop, surf en andere gektes van het moment, te verwerken tot liedjes die het door Franco geleide fascistische regime tolereerde. Dansbaar moest het zijn, het genre speelde minder een doorslaggevende rol. Samensteller Miguel ‘Sir Patilla’ verkoos bovendien de obscuurdere B-kantjes van bijvoorbeeld Los Extranos, Los Deltas, Los Pantalones Azules en Los Continentales om het exploratiegehalte van deze leuke compilatie verder op te fleuren. Geslaagd is deze verzamelaar voor ons doel zeer zeker. We ontdekten nauwelijks een noot die ons ergerde, al kweelden sommigen er lustig in het Spaans op los.

Het debuut van Battles Of 1977 zou wellicht nauwelijks enige interesse oproepen, ware het niet dat Rudeboy de frontman van het bandje is. Rudeboy, inderdaad, de man die indertijd zijn vocale capriolen kwijt kon bij Urban Dance Squad, de band waarmee hij de wereld rond reisde en die behoorlijk succesvol was. Crossover was hip en de Squad waren zowaar de vaandeldragers van het genre. Kwalitatief deden ze het supergoed, al botsten de ego’s binnen de band meer dan eens. Rudeboy wilde terug naar zijn roots, de punkrock die hem initieel aanzette tot het maken van muziek. In 1977 ontdekte hij The Clash en meteen erna heel wat andere punkbands. Dit is de muziek die hij met Battles Of 19777 opnieuw tot leven wil brengen: punkrock van het eerste uur. Wel, het is goed geprobeerd, zeventien nummers lang. Rudeboy schreeuwt, briest, zingt, zijn band doet haar uiterste best en daarmee is alles gezegd. De plaat irriteert ons mateloos, we kunnen er niets aan doen. De relevantie van deze plaat en band ontgaat ons volledig.

Griekenland zit financieel op zijn gat. We begrijpen een band als Tango With Lions, die ons ongevraagd mailden met de vraag om hun album van een recensie te voorzien, maar financieel niet in staat zijnde om een fysiek exemplaar op te sturen, een link meezonden. Met ons goed hart luisteren we toch maar eens naar de plaat. We zijn er niet treurig om. De tien liedjes klinken meer dan behoorlijk en Katerina Papachristou heeft een meer dan degelijke stem om de indiepopliedjes iets extra mee te geven. ‘Verba Time’ was het debuut van het kwintet dat bestaat sinds 2007 maar nu zijn uiteindelijke bezetting heeft. Behalve bezielster, zangeres en pianiste Katerina bestaat de band verder uit Yannos Paramithiotis (gitaar, zang), Nikos Vergetis (drums, percussie, zang), Jim Staridas (trombone, zang) en Thodoris Zefkilis (bas, zang). ‘Slippery Roads’, ‘Kite’ en het titelnummer zijn behoorlijk uptempo, met de gitaar van Yannos die de liedjes de indierock binnentrekt. Katerina komt met haar verhalen, want elke song is een verhaaltje over liefde, eenzaamheid, nachtelijke trips, donkere dromen of zonnige fantasieën, het best tot haar recht in de rustigere nummers. Die zijn gelukkig in de meerderheid, waarbij haar vertellende stem, piano en de aangepaste begeleiding van haar groep de liedjes ergens tussen het melancholische van Mazzy Star en het uitgepuurde perfectionisme van Hooverphonic doen belanden. Aan de nummers werd dan ook zowat twee jaar geschaafd en gesleuteld, minutieus geknutseld tot alles in zijn plooi viel. ‘A Long Walk’ is een mooie plaat voor het jaargetijde, een beetje donker en neerslachtig als het weer buiten.

‘Between You and the Shapes You Take’: een passende titel voor een poëtische plaat. Voor Stephen Vitiello en Molly Berg is het de tweede gezamenlijke reis in door nevel verzacht landschap, na ‘The Gorilla Variations’ uit 2009. Een reis is een goed woord, want ten eerste is improvisatie waarschijnlijk een voornamelijke manier van creëren geweest en ten tweede lijkt het voorbijgaan diep in de composities te zitten; de melancholie van het voorbijgaan, in tijd, in ruimte. De eerste drie stukken delen sterk een sfeer van een loom voortstromende muziek. Vingerspel en krassen over gitaarsnaren, lang aanhoudende tonen die opkomen en wegsterven, aanzetten tot melodielijnen, de stem van Berg die aanhoudende tonen zingt, hier en daar wat kraak en andere losse klanken. Zoals verderop wat grilliger met geschraap en fluitjes. vele lagen van geluid die over en langs elkaar stromen, alsof je traag een rivier afzakt. De sferen waar je langskomt veranderen, nemen elkaars plaats in, geleidelijk en organisch. Ook ten opzichte van het geheel. De daaropvolgende nummers zijn misschien nog wat donkerder, zoals het prachtige ‘Clarinet Assembly’ met al dan niet bewerkt gitaarspel en elektronische spetters. Five (Was 5)’ en ‘Recap (With Violin)’ zijn gelaagde composities met meerdere gitaargeluiden, naast geluiden van mondharmonica, fluiten en tal van metalig klinkende en anderzins bewerkte geluiden. Alle nummers volgen hun eigen, overwegend trage ritme. Berg verzorgt met haar stem en klarinet de meer lyrische zijde van de muziek, Vitiello draagt met gitaar en elektronica vooral textuur aan. Zelfs als een compositie melodisch en iets van een ritme lijkt te krijgen, blijven sfeer en textuur de voorgrond behouden. ‘Between You and the Shapes You Take’ is geen heel verrassende maar wel een erg goede plaat, die beslist een waardige toevoeging aan de catalogus van 12K is.

In GC# 112 bespraken we ‘Hello Black Halo’ van Becky Lee And Drunkfoot. De one womanband leverde daarmee een plaat af met elf rudimentaire murder ballads die ons heel erg bekoorden. We dachten dat de plaat een hemels debuut was waarmee Becky Lee zich meteen op de blueskaart zette. We hadden het echter deerlijk verkeerd. Becky Lee, afkomstig uit Arizona maar na heel wat omzwervingen uiteindelijk in Zwitserland beland, treedt op sinds 2008. Toen verbleef ze nog in het caravanpark Zaffaraya, in de buurt van Bern. Ze leerde gitaar spelen, en na twee maanden oefenen en twee optredens, besloot ze samen met Oli Bösch, een legendarische Zwitserse producer, acht liedjes op te nemen. Dat cd’tje kon dan verkocht worden tijdens haar optredens om wat geld in het laatje te brengen. Ervaring had Becky Lee nauwelijks, gitaar spelen bevond zich net zo goed in een rudimentair stadium en ook haar zangtalent stond op dat ogenblik nog in de kinderschoenen. Toch is het net de kracht van de acht liedjes dat ze puur klinken, rudimentair en toch krachtdadig. Net als Beatman noemt Becky Lee haar muziek Arizonablues. Die blues vormt inderdaad de hoofdmoot, lekker primitief, meestal gewoon haar gitaar en haar gebroken engelenstem. Voor een paar liedjes leende ze een stomp box en Jingle Ring van Beatman. ‘Waterfalls’ bijvoorbeeld klinkt er behoorlijk ruig door, terwijl ze elders teruggaat naar de pure essentie van haar zwerfverhalen: stem en gitaar. Punt. Toch weet ze elkeen bij het nekvel te grijpen.

De gitarist en componist Burkhard Stangl heeft al een behoorlijke discografie aan uitgaven op verschillende labels, al dan niet in samenwerking met collega’s als Franz Koglmann, Olga Neuwirth, Anthony Braxton, Dieb 13 en Fennesz. Kortom: hij begeeft zich tussen avant garde-jazz en noise, maar ‘Unfinished. For William Turner, Painter’ is dan weer een zeer ingetogen project. Het is geïnspireerd op de schilderijen van de Britse schilder Turner. Stangl legt uit dat hij vooral overdonderd was door de late en de onvoltooide werken en de kracht van de stilte daarin. “Vrij, puur schilderen – niets als licht, lucht en water”, zegt Stangl over die laat-impressionistische werken. Sinds de confrontatie met de schilderijen in de Tate heeft Stangl geprobeerd muzikaal dichter en dichter bij Turners complexe eenvoud te komen. Op ‘Unfinished’ is hij er in elk geval in geslaagd om eigen, suggestieve, naar abstractie neigende muzikale landschappen te creëren. De cd bevat drie composities, respectievelijk bijna 34 minuten, bijna 17 minuten en een kleine drie minuten lang. Het kalme, warme gitaarspel van Stangl lijkt vooral te gaan om sfeer, suggestie, om klank en kleine veranderingen daarin. In de lange openingscompositie ‘Unfinished – mellow, waiting, longing’ wordt het gitaarspel na verloop van tijd gecombineerd met field recordings. Kinderstemmen, geruis, de sfeer van een waterkant, zacht, alsof het van een verre achtergrond komt. Op sommige momenten gebruikt Stangl een flink tremolo, dat zich al wegstervend vermengt met een lichte elektronische drone. Of – zoals in de derde compositie – zo zwaar nagolft, dat het een drone wordt. Het klankpalet wordt verder gevuld met gekras over de snaren en elektronica dat ruist als wind, kraakt als en lp en dan weer druppelt als water. Met een uiteindelijk klein palet aan geluiden heeft Stangl een intense cd gemaakt, die mag worden beluisterd op flink volume.

Een mooi verhaal: Mego-baas Peter Rehberg vroeg in 2001 aan Goodiepal – Kristian Bjørn Vester voor de Deense burgerlijke stand – of hij een keer ‘iets’ voor het label wilde doen. Hoewel de twee elkaar nog vaak ontmoetten, kwam het er nooit van. Tot er twaalf jaar later opeens twee acetaten in de bus vielen, met Goodiepal live opnamen uit 2002. De plaat begint met een gesproken boodschap over de toer in kwestie, over zijn recette (Rehberg mag het geld houden – “stuur in plaats daarvan maar een brief aan m’n grootmoeder”) en kant d een in het vinyl gekerfde brief aan de labelbaas. Daar tussen drie kanten onnavolgbare muziek uit het persoonlijk universum van de Deen, die inmiddels bejaarden verzorgt op de Faeröer eilanden. Vester schreef een aantal boeken, en in een pleitte hij onder meer voor niet-lineaire composities, als wapen tegen wat hij ziet als de stupiditeit van moderne computermuziek. En niet-lineair is wat deze opnamen zijn: collagemuziek samengesteld uit Scandinavische folkmuziek, commercials, speeldoosjes, kinderliedjes, computermuziek, kermismuziek en wat dies meer zij. Het geheel is komisch, surrealistisch en onnavolgbaar, en boven alles een aanbeveling om Goodiepal in het echt te gaan zien, als u de kans heeft. Zijn verhalen, de mechanische vogel die hij overal mee naar toe neemt, het aangezicht van de zelfgemaakte instrumenten, en bovenal de man zelf laten zich nou eenmaal slecht naar vinyl vertalen. Goodiepal is een dankbare artiest voor de muziekjournalist: je kunt net zo lang en kort over hem schrijven als je wil, omdat je van tevoren al weet dat het onmogelijk is hem te verklaren. De muziek is zo persoonlijk, en de man zelf zo excentriek, dat iedereen maar voor zichzelf uit moet maken wat ‘de’ Goodiepal voor hem of haar betekent.