GC #119

Duitsland en Japan, waarom zijn we niet verbaasd dat juist die landen zo fanatiek in hun glitch zijn? Het zal iets met technologische ontwikkeling te maken hebben, misschien overvolle steden, maar vooral een diepe liefde voor precisie. ‘Phenomena’ gaat verder waar Alva Noto en Ryoji Ikeda gebleven waren: drukke elektronica, met een laserscalpel gesneden bits en beats, ruiserupties, haperende harddisks en heel veel blieps. We hebben het allemaal al eens eerder gehoord (en ook beter), al legt Wataru Abe een zeldzame vaardigheid aan de dag in het genereren van oncomfortabele ultrasone tonen. De laatste tien minuten geeft hij de digitale tinnitus welverdiende rust wanneer hij zich Alva Noto’s ‘Xerrox’-serie herinnert (waar blijft dat derde deel toch?), maar echt onder de indruk kunnen we er niet van raken. Alleen voor de totale glitch diehards.

Nederlandstalige teksten en een blackmetalband. Ja hoor, we begrijpen ze tot de laatste komma. Uit Vlaams-Brabant (Galgmaar) komt dit kwartet om ons ten grave te dragen, en ze doen dat goed. Niet dat ze nu extreme black spelen of de vokills iedereen achterover zal blazen. De muziek zit gewoon goed in elkaar, en er worden net zo goed invloeden uit de gewone metal toegelaten, er wordt al eens gefluisterd of een poging tot gewoon zingen gedaan, zonder afbreuk te doen aan de donkere sfeer. Het is uiteraard allesbehalve evident om zich als band te onderscheiden in het zwartmetalen onderwereldje, of de band moet Alkerdeel zijn. Zo sterk klinkt ‘Ter Aarde’ niet, maar het is wel een verdienstelijke poging om uit het strakke keurslijf te kruipen. Een breakje hier en daar, een beetje sfeerzetting, een bewust duistere hoes die de obscuriteit verhoogt en eerder poëtische teksten die netjes staan afgedrukt. Die teksten zijn meer dan zomaar wat woorden. Gitarist Stijn Beeckman, drummer Johan Maes, zanger David Roothooft, tweede gitarist Kevin Deneyer en bassist Boris Iolis zetten ook daar hun beste beentje voor. ‘Treur Met Mij/Bloedend Hart/Volg Mij Na/Langsheen Het Dal’ is het refreintje van ‘Gekluisterd’. Het kan vreemd klinken, maar veel Engelstalige bands komen met dit soort tekst net zo goed weg, dus waarom niet. Het is gewoon even wennen, net als de plaat zelf die in eerste instantie misschien ietwat afstoot. Het is pas gaandeweg dat duidelijk wordt dat het kwintet probeert de clichés te doorbreken. Een opvolger zal ongetwijfeld een echt eigen gezicht laten horen. Het is een goed begin, en meteen ter aarde.

De Belgische jazz- en improvisatiewereld lijkt stilaan klaar om aan een nieuwe bloeiperiode te beginnen. Niet alleen worden voortdurend nieuwe richtingen uitgeprobeerd en verbonden aangegaan, maar muzikanten zijn gaan beseffen dat het genre voorbestemd is om nu en dan door elkaar geschud te worden. Bij de jongere generatie van o.m. Lander Gyselinck leidt dat tot een frisse aanpak die zowel terugblikt als gretig gebruik maakt van hedendaagse muziek en technologie, maar ook figuren die al even bezig zijn, zoals Lynn Cassiers en Teun Verbruggen, zijn steeds minder geremd om alles uit de kast te halen. Een mooi voorbeeld van de andere kant van de taalgrens is het in Luik gevestigde Quark, het duo Adrien Lambinet (trombone) en Alain Deval (drums). Met een jazzopleiding achter de rug, maar ook een interesse voor de muziek van Radiohead, Soft Machine en Rune Grammofon, maken ze een hybride vorm die heen en weer stuitert tussen jazz en elektronica, en passeert via gebroken beats, filmische flarden en noisy grootstadsmuziek. Twintig jaar geleden was dit soort studiogegoochel voorbehouden voor grote budgetten, nu slagen deze twee er met vrij beperkte middelen in om een bruisende, indrukwekkend klinkende plaat op poten te zetten. Centraal staat het trombonespel van Lambinet, dat door allerhande vervormingen en loops een dominante, soms van de distortion stijf staande aanwezigheid wordt. Dat leidt tot bombastisch soundtrackgepomp (‘The Strongest Infection’), staccato geëxperimenteer verpakt in Knalpotachtige beats (‘Aureole’) of geflirt met hedendaagse pop (‘Greeting Orcbit’), maar kan ook aanleunen tegen de heavy rock (‘Vortex’) of binnen een en hetzelfde stuk twijfelen tussen filmisch minimalisme en orkestraal gebeuk, compleet met lekker meesleurend strijkkwartet (de titeltrack). Hier en daar bekruipt je het gevoel dat ze misschien té veel ineens willen tonen, of zolang op dit ei gebroed hebben dat het uit z’n voegen is gaan barsten, maar het is tegelijkertijd een opmerkelijke demonstratie van creativiteit en vrij denken anno 2013.

Twee releases die zich op het snijvlak van muziek, sound art en puur omgevingsgeluid ophouden. Lemures in een samenwerking van de Italianen Enrico Coniglio en Giovanni Lami. Coniglio maakte eerder mooie – zij het soms wat brave – platen waarop ambient en modern klassiek hand in hand gingen, terwijl Lami als field recordist en drone-artiest actief was. Beide verwerkten eerder omgevingsgeluiden in hun opnamen, vooral ondersteunend, maar op ‘Lemuria’ spelen ze de hoofdrol. Een archief aan veldopnamen van onvermelde origine werd digitaal bewerkt tot uitgebeende, gereduceerde abstracte geluiden, waarmee het duo aan het improviseren ging. De plaat begint met een mooi deel waarin bewerkte percussieve geluiden associaties oproepen zonder herkenbaar te zijn – voetstappen? pingpongballen? – terwijl heel in de verte vlagen volksmuziek lijken langs te waaien. Maar snel gaat de compositie, en eigenlijk de hele plaat, over in uitgerekte soundscapes opgebouwd uit wat lijkt op wind, water, tractormotoren, transistor-brom, verkeer, et cetera. Veel drones dus, met een paar mooie momenten, zoals het begin en einde van deel III, waarin het geheel een beetje melodischer van toon is, en in wel iets weg heeft van werk van Marcus Fischer en andere 12K-artiesten. Maar Lemures spreken uiteindelijk niet echt tot de verbeelding, en proberen dingen die bijvoorbeeld Francisco López veel beter heeft gedaan. BJ Nilsen bouwt zijn muziek al vanaf het begin van zijn carrière op omgevingsgeluiden, maar bewerkt en verwerkt ze meestal tot ambient- en dronecomposities. Daarmee is hij minder een hardliner in het field recordings-genre dan iemand als Chris Watson, maar produceert hij tegelijk wel platen die niet alleen maar klinken als een academisch onderzoek, en vaak erg mooi zijn, zoals ‘The Short Night’ (GC#84). Op ‘Eye Of The Microphone’ ligt het accent weer wel sterk op omgevingsgeluiden, in dit geval die van Londen. Tijdens een artist in residency in het Urban Laboratory aldaar componeerde hij drie lange stukken, als een audioversie van The City, het oude hart van de stad. Hadden we moeten raden, dan hadden we eerder Trondheim gezegd. Glaciale drones, wind en zeeslag en overstemmen het amper hoorbare geroezemoes van het verkeer. Initieel zijn de composities erg abstract, maar gaandeweg geeft Nilsen wat meer vorm aan de drones, met name op het Thomas Köner-achtige middenstuk, dat de luisteraar hypnotiseert en onderkoelt. Ook het laatste deel kent een aantal mooie passages, maar wat het geheel betreft, weet Nilsen niet het niveau van eerder werk te bereiken. Misschien is Londen toch minder spannend dan we dachten.

Meer dan dertig jaar maakt de componist Jim Of Seattle, het alter ego van Jim Owen, reeds muziek. Hij componeerde voor theater, film en musicals en droeg zelfs bij aan sommige films van Disney. Ondertussen speelde hij heel wat covers op zijn piano, thuis, in zijn kelder. Het is daar dat hij tot op heden al zijn muziek in elkaar zette. Hij speelde tot nu toe nooit iets van zijn muziek op een podium of voor een publiek. Misschien komt daar wel verandering in als ‘We Are All Famous’ voor enige interesse en bekendheid zorgt. De laatste paar jaar schreef Owen een hoop liedjes in allerlei genres die niet bedoeld waren voor een bijdrage aan een werkstek van een derde. Hij vond echter steeds dat hij niet voldoende nummers had die op een of andere manier bij elkaar pasten om ze samen op een schijfje te laten stansen. Tom Dyer, hoofd van Green Monkey, verzocht Owen een selectie op te sturen zodat er kon worden gekeken of het label er toch iets mee aan kon. Owen stuurde meer dan zestig nummers, waaruit Dyer een keuze maakte en die aan Owen voorlegde om er enige orde in te steken. Tot zijn verwondering bleek de eclectische mix toch te werken. Jim, in werkelijkheid inderdaad uit Seattle, klinkt soms als Frank Zappa, lijkt net zo losgeslagen als de Britse humor van Monty Python, terwijl andere stukken eerder singer-songwriter zijn, een kinderliedje, iets dat geschikt kan zijn voor een musical, speels klinkend of als psychedelica uit de jaren 1960. Het is het werk van een creatieveling die allerlei genres hanteert, er iets mee maakt dat anders klinkt dan wat anderen er mee doen en ons voortdurend verrast. ‘Welcome To Windows’ is bijvoorbeeld de opstarttune van Windows XP en piano, die wonderwel samengaan. Een opname van de stem van zijn dochter van lang geleden fungeert bij de traditional ‘Twinkle Twinkle Star’, terwijl zelfs het liedje dat Madi Owen ooit schreef, ‘The Martians Are Going To Eat Us’, opduikt. Excentriek, boeiend, divers en knotsgek tot in de kleinste details, wat ons betreft hoeft Jim uit Seattle niet weer zo lang te wachten alvorens hij een soloplaat maakt.

Polvo is een bandje dat tijdens zijn bestaan altijd een beetje onder de radar is blijven opereren. De hoogdagen van de band lagen in de jaren 1990. Toen kwamen de baanbrekende mathrockplaten ‘Today’s Active Lifestyles’ en ‘Exploded Drawings’, die echter net als de band zelf nooit de aandacht kregen die ze verdienden. Ash Bowie en de zijnen maken het de luisteraar dan ook nooit erg makkelijk. De melodieën en gitaarlijntjes zitten steeds vol weerhaakjes, die het grote publiek minder weet te bekoren. Op vraag van Explosions In The Sky, die in 2008 All Tomorrow’s Parties cureerden, kwam het tot een reünie en bracht de groep in 2009 zelfs een nieuwe plaat uit, ‘Prism’. Die krijgt nu een opvolger middels het acht songs tellende ‘Siberia’. Het is in de carrière van het kwartet uit Chapel Hill pas hun zesde album, weinig gezien het langdurige bestaan van de band. Het eindeloos sleutelen aan de songs is daar mee verantwoordelijk voor, een procedé dat voor ‘Prism’ werd toegepast maar niet voor ‘Siberia’. De acht nummers werden, dixit Bowie, nauwelijks gerepeteerd. Niet dat het opvalt. Alleen lijken de songs net iets avontuurlijker en opener dan op de vorige platen. Op het eerste gehoor lijken de nummers net iets minder volgestouwd, toegankelijker ook. Al blijft het wennen aan de exploten van Polvo. Net als voorheen is deze nieuweling niet in één keer te doorgronden. De liedjes vragen tijd om ze te laten doordringen, om open te bloeien, om hun schoonheid prijs te geven. Eenmaal die stap gezet, is ‘Siberia’ net zo goed als de klassiekers die ze lang geleden maakten.

Elektrische gitaar solo. De eerste vier nummers geen ronkende of ruisende effecten, maar een haast droge klank die licht resoneert. We ondergaan verschillende akkoorden in verschillende kadans. Alle nummers zijn hypnotiserend als ‘Canto Ostinato’ van Simeon ten Holt. Met het nummer ‘Transition’ begint de tweede helft van het album. Trage gitaarambient waarin een spanningsboog aanwezig lijkt te zijn, maar die uiteindelijk meanderend van aard blijkt te zijn en niet voor een climax zorgt – dat hoeft ook het niet, het is geen Hollywood. In ‘Shifting Patterns’ worden twee gitaarpartijen opgenomen en bij het spelen van de derde partij afgespeeld. Dit doet uiteraard denken aan ‘Electric counterpoint’ van Steve Reich. Waar Reich in 1987 in totaal elf partijen over elkaar heen schuift, houdt Waisapy het op drie. Het resultaat is een heldere klank en een minimaal patroon.

Alan McGee, ooit de bezieler achter het legendarische Creation Records, heeft een nieuw label. De man die onder meer Oasis tot de massa bracht, heeft meteen een eclectische verzameling artiesten aan zijn rooster toegevoegd. Chris Grant, afkomstig uit Liverpool, speelde indertijd bij The Grants. McGee ontdekte Chris Grant toen hij met die band speelde, maar hij kon toen geen deal maken, bij gebrek aan een label. Dat heeft hij nu wel, waardoor Grant meteen een soloalbum mag uitbrengen. ‘It’s Not About War’ is een schot in de roos. Grant heeft zijn tien liedjes zo eenvoudig en goedkoop mogelijk opgenomen, en dat mag letterlijk worden genomen. Hij deed alles met zeer goedkope apparatuur in zijn garage, al is dat er niet aan te horen. Zijn teksten zijn uitermate belangrijk, alsof hij de mensheid een geweten wil schoppen / zingen. De plaat begint eerder braaf, als een doorsnee singersongwriter. Stilaan echter kruipt er meer emotie uit de man, worden de songs urgenter, politieker misschien, donker en melancholisch zonder in een introverte zeeschelp te belanden. ‘Too Cool To Die’ is naar de normen van Grant een behoorlijk stevige rocker, en een ijzersterk nummer bovendien. Titel, refrein, de melodie, het is een van de betere indierockers die we recent hoorden. Het nummer steekt torenhoog boven de rest uit, stelt die andere liedjes een beetje in de schaduw, al is dat eigenlijk onterecht. Meerdere luisterbeurten leren dat minstens de helft van de plaat uiterst memorabel is. Een mooi begin alleszins voor zijn solocarrière. Mineral tapt uit een ander vaatje. Het kwartet speelt een soort veredelde popmuziek, gemaakt met elektronica. Soms melancholisch, soms uitermate dansbaar, soms als een soundtrack voor een televisiereeks. Opener ‘Serial Monkey’ zet ons ietwat op het verkeerde been. De mannenstem doet ons denken aan Bobby McFerrin, maar daarna komt een frivole dame binnenvallen, en zijn we meteen mee met het verhaal van Mineral. Craig Walker (voorheen Power Of Dreams, Archive), Thierry Fournié, S. Armelle en Damien Li maakten met ‘Plastic Ekphrastic’ een plaat die in de kast zijn plek zal vinden bij Air, Saint Etienne en soms zelfs Daft Punk. Franse projecten die zich in de danshoek bevinden, en dat is niet vreemd als we weten dat drie van de vier woonachtig zijn in Parijs. De ietwat dromerige, melancholische en donkere stem van Walker geeft een mooi tegengewicht aan het engelenstemmetje van Armelle. Hier en daar duikt wat New Order op, of de funky kant van Talking Heads, zonder dat die invloeden afbreuk doen aan de nummers. ‘Stone’ is een verslavend dansbaar stuk, en voldoende vreemd om ook onze oren te verwennen. ‘1989’ en ‘Brainwashed’ baden in een gloedvol synthtapijt, terwijl het titelnummer meteen zeer bekend overkomt en het toch niet is. ‘Atoms’ trekt dan weer de epische kaart, dertien minuten heerlijk wegzwijmelen in een melancholische sfeer. We wisten wel dat McGee het niet bij singersongwriters of louter Britten ging houden. Mineral bewijst ons gelijk.

Psycho 44 komt uit Grobbendonk, in de Kempen, al zegt de bio Antwerpen. Klinkt indrukwekkender in het buitenland natuurlijk. In 2010 zat de band in de finale van Humo’s Rock Rally. In 2011 verscheen de ep ‘Demon’, ze mochten openen voor Queens Of TheStone Age en speelden op Pukkelpop. Het zijn ferme honneurs voor een band, welk soort muziek ze ook mogen spelen. Door de groepsnaam zochten we het richting psychobilly, maar daar is weinig van aan. Een klein snuifje misschien hier en daar, maar meer dan dat zeker niet. Rock’n’roll en een beetje punk, dat wel. Zeker op de eerste helft van de plaat is de groepsnaam eerder misplaatst. We hoorden te veel poppunk naar onze zin. Te braaf, te netjes, te veel geproduceerd misschien door Stéphane Misseghers (Soulwax, dEUS) en Adam Noble (Coldplay, Muse). Een beetje te snel willen gaan misschien, de boel ietwat willen forceren en te hoog grijpen. Daarna gaat het echter beter, met toch een paar zeer degelijke nummers naar het einde toe. De remmen mogen los, de meute is veroverd en eindelijk mogen de heren spelen wat ze zelf willen. Het titelnummer, het steengoede ‘Dance MTHRFCKR Dance’ en afsluiter ‘Tamiko’ overtuigen ons wel. Het kalf was bijna verdronken, want de zeven liedjes die ervoor kwamen, waren geen spek voor onze bek. We hielden vol, zagen die drie liedjes liever op een ep. Ach, laat ze maar doorbreken, het zal ons verder worst wezen.

Het duo Postmarks, multi-instrumentalist Boris Hauf en pianist D Bayne, liet in 2012 voor het eerst van zich horen met het in beperkte oplage uitgebrachte ‘Western Ave’, waarvan elk van de 100 exemplaren een unieke cover kreeg die bestond uit een collage van postkaartjes uit de jaren 1920. Voor ‘National Parks’ baseerde het duo zich op een vaag verwante inspiratiebron: de nationale parken van de Verenigde Staten en hoe ze weergegeven werden op affiches uit de jaren 1930 en 1940. Verwacht daarbij echter geen reis met de teletijdmachine naar een wereld van oerfolk of swingjazz, maar een geïnspireerde combinatie van bariton- of tenorsax en piano, nog eens aangevuld door het gitaar- en elektronicaspel van derde man Martin Siewert (Trapist, e.a.). Diens bijdrage is hier en daar behoorlijk prominent en verleent het geheel een dwarse, soms onheilspellend aliënerende sfeer en een link met de wereld van het elektroakoestische experiment. De stukken zijn hier echter grotendeels gecomponeerd en laten vooral verschillen horen wat lengte betreft. Zo start het album met twee korte schetsen alvorens over te schakelen naar meer uitgewerkte composities, met vaak een wat spookachtige, zelfs licht surreële twist. Zo moet je bij ‘Hubbell Trading Post At Dusk’ meteen denken aan Bernard Herrmanns muziek voor Hitchcocks ‘Vertigo’, en krijgt het een iets minder sinistere, maar al even indringende uitwerking in hoogtepunt ‘Hubbell Trading Post At Dawn’. Sax en piano voeren een ongemakkelijk zittende dans uit, als twee partners die een serenade spelen met het mes op de keel. Het totaalresultaat blijft niet fascinerend tot de laatste minuut, maar voert de luisteraar wel langs een parcours met knappe vergezichten en slinkse binnenwegen.

Here & Now is een anarchistisch spacerockcollectief dat bestaat sinds 1974 en nauwe banden heeft met die andere legende, Gong, en bij uitbreiding met Daevid Allen natuurlijk, die Here & Now geregeld mee op tournee nam als Planet Gong. Het collectief had van bij de aanvang nooit een vast omlijnde bezetting, die doorheen de jaren gul zielsverwante muzikanten in zijn rangen opnam. In een recenter verleden hielden bands als Ozric Tentacles, Eat Static en Oresund Space Collective het spacerockvaandel hoog. Het verwondert geenszins dat leden van de eerste twee genoemde bands opduiken bij Here & Now. De opname die op deze cd prijkt, is er eentje die werd ingeblikt in Dingwalls, Camden Town op 28 juni 2007, op de opener ‘Intro’ na, die werd ingeblikt in het Phoenix Arts Centre, Exeter op 10 april 2004. Die intro is trouwens een perfecte binnenkomer voor wat komen gaat: Joie Henton (ex-Ozric Tentacles, Dream Machine, Eat Static) mag ons synthesizergewijs meteen de ruimte doen verkennen. De bezetting voor het concert oogt trouwens interessant: Joie, drummer Steve Cassidy en Gwyo Zepix op synthesizers en bovendien twee originele leden: Keith Da Bass en Steffe Sharpstrings. In tegenstelling tot de verwachtingen wordt er relatief weinig gejamd maar horen we drie songs uit ‘UFOasis’ uit 1994 en een aantal nooit eerder verschenen en nieuwe nummers, waarbij de focus goed zit, de vijf muzikanten alert op elkaar reageren en er weinig tot niet op los wordt gefreakt. Niet dat er niet wordt loos gegaan, dat is inherent aan dit soort spacerock, maar het blijft behapbaar. Er is trouwens opvallend veel zang aanwezig, wat er ook op wijst dat er hier geen sprake is van oeverloos gefreak. Naar het einde toe neemt de dub de overhand, en sluit de plaat af met een dankwoord en tot straks. Wie weet komt het tweede deel ooit nog uit, of is het een grapje van de groepsleden.

Milk Music is afkomstig uit Olympia, Washington en dat is er eigenlijk ook een beetje aan te horen. Het kwartet ziet er een beetje gestoord uit op de groepsfoto. Drie langharige weirdo’s en een kale baardman. Eentje doet ook nog eens een poging om net zo nerdy te kijken als de heren van Dinosaur Jr. en ze hebben de dwarsheid van hun thuisstad in hun genen natuurlijk. Riot Grrrls, K Records, Kill Rock Stars en een waslijst aan interessante bands. Het is de ideale voedingsbodem voor heren die zich hebben gevoed aan de muziek uit hun thuisstad en er hun eigen ding uit hebben gedestilleerd. Niet dat ze niet verder hebben geluisterd dan hun oren groot zijn. Invloeden van het SST-label, met name Meat Puppets en latere Hüsker Dü zijn duidelijk, net als Creedence Clearwater Revival en Neil Young. Toch klinkt Milk Music net weer even anders, voornamelijk door de bewuste keuze om alles DIY en lo-fi te doen klinken. De liedjes rammelen een lekker eind weg, maar onder de dreinende stem en jengelende gitaartjes zitten pareltjes verborgen. Een beetje zoals J.Mascis zijn aardige liedjes verzuipt in feedbackfestijnen, maar dan in meligheid en dreinerigheid. Niets mis mee uiteraard, als er nummers op de plaat staan als ‘Caged Dogs Run Wild’, ‘Illegal And Free’ en ‘I’ve Got A Wild Feeling’. ‘Cruise Your Illusion’ klinkt gruizig, ongekunsteld en kinderlijk speels, met zanger en bandleider Alex Cohen in een rol die Jad Fair met de glimlach goedkeurt.

Het is in deze contreien een beetje onopgemerkt voorbijgegaan, maar een tijd geleden verscheen in de Verenigde Staten een documentaire over de beruchte Source Family; voor de ene een spirituele commune, voor de andere een radicaal samenlevingsexperiment of een bende doorgeslagen hippies die nooit zoveel geld hadden mogen bezitten. Hoe dan ook: onder de leiding van de charismatische Father Yod, een voormalige oorlogsheld en judokampioen met dertien vrouwen, vermeiden de leden zich met een vage vorm van mystiek, utopieën, vegetarisme en psychedelische rock-‘n-roll van Ya Ho Wha 13. Kortom, een verhaal dat de fictie gewoonweg overtreft. Negenendertig jaar na de opnames ervan verschijnt nu een album van Aquariana, een van de dertien vrouwen van Father Yod en een lid van de gemeenschap die er al vanaf het begin bij was en een kind baarde van de grote leider. Helaas is het geen openbaring. Integendeel. Als deze release, nochtans van het gerenommeerde Drag City, iets bewijst, dan is het wel dat een goed verhaal ook een paar stinkende neveneffecten op gang kan brengen. Dit is immers een verzameling halfzacht gewauwel van een dwalende vrouw die best een degelijke stem had (vaagweg doet ze hier en daar aan de jonge Patti Smith denken, muzikaal leunt het eerder aan bij Carly Simon, Bette Midler en Broadwaygezemel), maar zo hard haar best doet om haar volledige gereformeerde geest en lichaam in de strijd te gooien, dat ze terechtkomt in de zone van naïef-schaamtelijk sirenengewauwel. Zichzelf begeleidend op piano (en een enkele keer gitaar), gaat het over de zon en extase, over licht in een bestaan, de aanwezigheid van het lichaam en de ziel die gepenetreerd wordt. Net als bij andere hoofdstukken van het familieverhaal vraag je je voortdurend af of je eigenlijk niet in de zeik gezet wordt, maar dan besef je weer… dat ze in alle kleuren en gedaanten komen. Yuck.