Blog

De ‘vermarketing’ van het jazz-etiket en het verlangen naar schorre knorren


De ‘vermarketing’ van het jazz-etiket en het verlangen naar schorre knorren
Of:
waarom Oscar Jan Hoogland en Tobias Delius begrijpen waarover het gaat

Als een wervelwind gaan ze van start, saxofonist Yedo Gibson, slagwerker Gerri Jäger en Oscar Jan Hoogland op de elektrische clavichord. Als een wielerploeg die na achterstand door materiaalpech de rest van het peloton weer moet inhalen. Om vervolgens, als dat gelukt is, ietsjes gas terug te nemen en een tactiek uit te stippelen.

EKE noemen ze zich, wat je uitspreekt als ‘iek’. Je zou het een jazztrio kunnen noemen, maar alleen bij gebrek aan een beter etiket. Hoogland doet van alles op zijn clavichord, behalve ‘clavichord spelen’. Hij produceert vooral ‘drones’ en geruis. Gerri Jäger, bij menigeen bekend als de helft van het duo knalpot,  bespeelt zijn slagwerk als een melodie-instrument. En Gibson blaast schorre knorren. Vaak zo hard en abrupt, dat de snaren van de klavecimbel mee beginnen te trillen – waar Hoogland dan weer gretig gebruik van maakt.

Affiche Rumor

De drie musici op het podium produceren klanken en de luisteraars in het Utrechtse Rasa maken daar in hun hoofd muziek van. Zo liggen de verhoudingen. Maar natuurlijk zijn de klanken van EKE niet zomaar klanken. Ze worden van de ene naar de andere muzikant gestuurd als neurotransmitters. Iedere klank wordt beantwoord – een enkele keer met stilte, maar meestal met een andere klank. Klank en tegenklank.

Yedo Gibson verruilt zijn saxofoon voor een trombone met saxofoonmondstuk. Gerri Jäger is met een metalen ketting en een ratelende rolmaat in de weer. Oscar Jan Hoogland houdt een klein handmixertje bij de snaren. De geluiden die de drie maken benaderen elkaar steeds meer. De klanken worden organischer ten opzichte van elkaar. Een textuur die gekneed en uitgesmeerd wordt. Een deel van het publiek is even verbijsterd, laat het vervolgens over zich heen komen en tenslotte weldadig naar binnen stromen. Je weet: dit klopt! Althans, het Rumor-publiek weet dat. Doorgaans luisteraars met een open en vrije geest.

North Sea Pop

Afgelopen week werden de eerste namen voor North Sea Jazz 2011 bekend gemaakt. Paul Simon, Bootsy Collins, het nieuwe talent Rumer en Mavis Staples haalden de met de nodige poeha de krantenkoppen. Stuk voor stuk fantastische artiesten, daar gaat het niet om. Maar wel ‘popartiesten’ natuurlijk. En staat Trijntje er trouwens dit jaar? Ik heb de naam nog niet gelezen, maar het zou mij niet verbazen als zij op afzienbare termijn het aantal North Sea optredens van Rita Reijs gaat evenaren.

Grote, zich als ‘jazz’ afficherende festivals als North Sea zijn al vele jaren van sterren uit de popmuziek afhankelijk. Zij brengen het geld in het laatje waardoor ook de meer specialistischer en hoogdrempeliger jazzmusici kunnen worden geboekt, luidt doorgaans de verklaring – ik zal het woord ‘excuus’ hier maar achterwege laten.

Daar zit natuurlijk een kern van waarheid in. Met een volledige ‘piep-knor’-programmering trek je hooguit vijfhonderd bezoekers en tel je in een maatschappelijk veld, waar vooral de kwantiteiten bepalend zijn, niet mee. Maar veel meer dan een kern van waarheid bevat het standaard festivalverhaal ook niet. Want het overgrote deel van de omzet wordt gegenereerd door de popartiesten, die tegelijk ook het overgrote deel van de gages en – niet onbelangrijk – publiciteit rond het festival opeisen. De pure jazzmuzikanten verdwijnen naar de marge van het festival, zowel publicitair als financieel, hoewel ze numeriek nog altijd in de meerderheid zijn. Maar ja, tien zaaltjes waarin voor honderd belangstellenden te gekke jazz wordt gespeeld valt nog altijd in het niet bij een grote popact in een zaal met vijfduizend mensen.

Tegelijk moet je je natuurlijk ook afvragen of dat erg is. In de jaren dertig en veertig was veel jazz van musici als Duke Ellington gewoon de ‘pop’ van die tijd. Dansmuziek! Eigenlijk zou een festival als North Sea Jazz zichzelf – ook historisch – meer recht doen door zich North Sea Pop te noemen. Maar dan staan de marketingmensen – de ware machthebbers in de muziekindustrie van vandaag – weer op hun achterste benen. Jazz is immers chiquer dan pop en dat werkt zowel door naar de bezoekers als naar de sponsors. Dat je een weekend naar North Sea Jazz gaat – of dat je bedrijf het festival zelfs ondersteunt – daar kun je mee aankomen op de golfclub of bij de Rotary. Maar dat je je tijd of geld verdoet aan Bospop of Pinkpop Classic klinkt maar zozo – een beetje ‘ordi’ zelfs. Terwijl artiesten als Van Morrison, Paul Simon of Bootsy Collins probleemloos in beide circuits geprogrammeerd worden.

Maar goed, afgezien van het etiket ‘jazz’, dat als label op festivals geplakt wordt om het een uitstraling van zekere ‘klasse’ te geven, bestaat er ook nog een ander soort ‘jazz’: De jazz die parallel aan de popmuziek symbool is geworden voor ‘muzikaal pionieren’. Artistiek grensverkennen. Zeg maar de jazz waar veel mensen altijd een beetje bang voor zijn.

Klankkwakjes

Ik ga er niet weer dat uitgekauwde aforisme van Frank Zappa bij halen, maar ook in die laatste betekenis van het woord leeft jazz weldegelijk! Op evenementen waar een wanstaltig groot bord ‘Jazz’ boven hangt speelt het zich misschien hooguit in de marge af maar elders staat het centraal – bruisend en zich een weg banend. Zoals op Rumor, het Utrechtse festival voor avontuurlijke muziek, dat al twee decennia lang volop ruimte biedt aan groepen als EKE.

EKE - Live at the BIM

Onlangs verscheen – hoewel binnenkort pas officieel – het debuutalbum van EKE: ‘Live at the BIM’, dat al even weerbarstig begint als het concert in Rasa. Vervolgens krijgt de luisteraar vijf fascinerende klankkwakjes voor de kiezen die gekneed, gewogen en herkauwd kunnen worden. Klank die zich heel langzaam als muziek ontvouwt – al gaat dat bij beluistering van het album wat trager dan wanneer je de musici erbij aan het werk ziet, Ja, je moet je er in vastbijten en dat kost energie. Maar dat is precies het essentiële verschil met de popacts die op de grote jazzfestivals staan.

Hoogland, Gibson en Jäger behoren tot de nieuwe generatie improvisatoren in ons land. De generatie die zich heeft laten inspireren door de ICP, maar tegelijk meer rock- en elektronica-elementen in de muziek haalt. Met name Hoogland belijdt zijn bewondering voor de ICP onomwonden. Niet alleen vormt hij zo nu en dan – als pianist – al een duo met Han Bennink, maar zijn andere groep, The Ambush Party, is direct door de ICP beïnvloed. Hier speelt de inmiddels achtentwintigjarige Amsterdammer samen met de in Nederland residerende Argentijnen Natalio Sued op tenorsax en Marcos Baggiani op drums, en de Noor Harald Austbø op cello.

The Ambush Party

Het zojuist verschenen titelloze debuutalbum laat horen dat dat heel andere muziek oplevert dan EKE. Meer op melodie gebaseerd, waarbij saxofoon, cello en piano elkaar soms op traditionele wijze ondersteunen. Dat is vooral goed te horen in ‘Nachtcafé’, een van de langste stukken van de cd. Niet alleen Hooglands spel, maar ook de keuze van de – Nederlandstalige! – titels (‘Vogelverschrikker’, ‘Flipperen’, ‘Mond stuk’) verraadt hoezeer Mischa Mengelberg een voorbeeld is geweest. Geen ‘live’-cd ditmaal, maar dat zegt verder weinig. Ook het Ambush Party album is in de studio al improviserend en zonder plak-en-knip-werk tot stand gekomen.

Stottertenor

Het kan nauwelijks toeval zijn dat The Ambush Party weer de nodige overeenkomst vertoont met het Tobius Delius 4tet, al werkt de laatste met een bassist – Joe Williamson – in plaats van een pianist. Maar de cello die beide groepen gemeen hebben zorgt voor een karakteristiek overeenkomstig geluid. Behalve tenorsaxofnist Delius maken ook slagwerker Han Bennink en cellist Tristan Honsinger deel uit van de vaste ICP-bezetting.

Tobias Delius 4tet - Luftlucht

Delius is zo’n blazer die zijn saxofoon laat praten. Niet dat bij nogal wat zondagmiddag-jazzliefhebbers populaire, altijd wat patserige muur-tot-muur-geluid waar iemand als Dexter Gordon beroemd mee is geworden en waar onze eigen Hans Dulfer nog altijd patent op heeft, maar hortend, stotend en stotterend, zuchtend en mompelend. En altijd balancerend op dat slappe koord tussen improvisatie en compositie – die term ‘Instant Componeren’ kwam destijds niet uit de lucht vallen. Deze routiniers, die al jaren samen spelen, gaan daar ver in. Op het eind 2010 verschenen album ‘Luftlucht’ – live opgenomen in het Bimhuis – etaleren ze het vermogen om al improviserend vrijwel gelijk een bekend thema op te pakken en – want dat is de kunst! – het na een paar maten, of zelfs een enkele maat – alweer los te laten. Schmieren is er niet bij. Wel een smakelijk te pas en te onpas duelleren en duetteren van Delius en Honsinger waarbij regelmatig plagerig van de salonmuziek van de vroege twintigste eeuw naar de ‘confrontatiejazz’ van het heden wordt geschakeld en terug. Honsinger speelt zoals een danser danst – sierlijk en fysiek. En de argeloosheid waarmee Bennink het hele album lang speelt is geen resultaat van gedactenloze routine, maar van souplesse. Samengebalde creativiteit waarbij je als luisteraar voortdurend van de ene verbazing in de andere valt.

Tobias Delius speelt ook met bassist Joe Williamson samen in het trio Booklet – ditmaal met de van oorsprong Australische slagwerker Steve Heather.

Booklet

Op Williamsons label Jedso Records verscheen onlangs een, wederom in het Bimhuis opgenomen, cd van Booklet. Hier klinkt Delius nog een tikkeltje traditioneler – uitwaaierend op composities van Williamson en zo uitbundig uit het werk van Ellington, Jimi Hendrix en Buck Owens (!) citerend, dat hij wel verplicht is dat in de ‘credits’ te vermelden. Maar het blijft helemaal Delius: hakkelend, fluisterend, betogend en smekend op zijn tenorsax. Vaak met een aangename schijnbare nonchalance, als een fuitende postbode op de fiets.

En nu ik toch bezig ben mag ook Heaven End wel even genoemd worden: Het internationale gezelschap waarin we wederom slagwerker Steve Heather tegen komen. Ditmaal vergezeld van Tony Buck, eveneens op drums, en met Martin Siewert en Zeitblom op gitaren, bas en klavieren.

Heaven And - Sweeter as the Years Roll by

Die bezetting lijkt meer ‘rock’ maar is dat niet – althans niet in compositorische zin. Net als bij EKE, Ambush Party en Delius’ kwartet, wordt op het album ‘Sweeter as the Years roll by’ de luisteraar uitgedaagd om zijn of haar weg te zoeken in de muziek, met als houvast de zang van Neubautens Alexander Hacke die in twee nummers een soort schoenlepel-functie heeft.

Jazz, ’t is me wat. Trijntje Oosterhuis nam haar nieuwe cd ‘Sundays in New York’ op voor het Blue Note label. Haar zoveelste alweer. Geweldige zangeres, daar kan geen misverstand over bestaan. Haar haar is gedaan door Marco Testa, haar make-up door Benjamin Puckey en haar styling door Thomas Vermeer, zo vermeldt het cd-boekje. En er wordt knap gemusiceerd. Knap en keurig en smaakvol. North Sea Jazz jazz.

Wie schorre knorren wil horen moet elders zoeken.

Meer info

Rumor: www.rumor.nl
EKE – Live at the Bim (Red Note / Konkurrent)
The Ambush Party – The Ambush Party (De platenbakkerij / Toondist)
Tobius Delius 4tet – Luftlucht (ICP / Toondist)
Booklet – Booklet (jedso)
Heaven And – Sweeter as the Years roll by (Staubgold / Konkurrent)
Trijntje Oosterhuis with the Clayton-Hamilton Jazz Orchestra – Sundays in New York (Blue Note – EMI)


Reacties