Als saxofoniste werd Adia Vanheerentals grotendeels gevormd in de moederschoot van de Belgische jazz. Toch is haar verhouding met het genre niet vanzelfsprekend. Tijdens haar opleiding aan het conservatorium had ze een sabbatjaar nodig om uit de verstikkende institutionele houdgreep te komen, aangezien die niet compatibel bleek met haar eigen artistieke ambities. Met Bodem, haar trio met drumster Anke Verslype en gitarist Willem Malfliet, eigende ze zich daarom voor alle zekerheid een plekje toe op het kruispunt van verschillende genres, terwijl ze tegelijk het vrijere werk ging verkennen: een trio met Hendrik Lasure en Simon Beeckaert, samenwerkingen met onder meer freejazzveteraan Cel Overberghe en Hanne De Backer (g a b b r o) en als kers op de taart een uitnodiging van Mats Gustafsson om Fire! Orchestra te vervoegen tijdens het Summer Bummer-festival van 2024. Meer recent verscheen ‘My Hair Is Everywhere’, de eerste langspeler van Klinck Trio dat ze vormt met Elisabeth Klinck en Maya Dhondt, en op het Amerikaanse Relative Pitch bracht ze de opmerkelijke solo-cd ‘Taking Place’ uit, waarop zelfs enkele kippen een duit in het zakje doen. Net terug van een opnamesessie in Stockholm (opnieuw met Fire! Orchestra) ontvangt Adia Vanheerentals ons in haar woning in Borgerhout, waar een heerlijke pot filterkoffie ons van de nodige vocale brandstof voorziet.
Omgevingsgeluid
‘Taking Place’ is niet je eerste soloplaat, want op Ultra Eczema was er eerder al ‘Here Are 5 Reasons To Meditate’, maar wel de eerste waarop je exclusief voor sopraansax kiest. Waarom die keuze?
‘Dat was op expliciete vraag van Kevin Riley van Relative Pitch. Ik heb dan wel mijn eigen voorwaarden gesteld: ik wilde namelijk in interactie gaan met verschillende locaties. Je moet weten dat de opnames voor mijn eerste soloplaat nogal moeilijk waren verlopen. Ik deed het thuis op mijn eentje en maakte eindeloos veel takes, terwijl ik voortdurend reflecteerde en piekerde over de keuzes die ik had gemaakt. Ik werd er compleet gek van. Zo wilde ik het dus niet opnieuw aanpakken. Ik zocht nu heel bewust naar plekken met veel geluid, zodat ik eigenlijk duetten speelde.’
Je koos soms voor heel uitdagende plekken, zoals een lege silo en een hok vol kakelende kippen.
‘Aangezien ik ben opgegroeid in hartje Antwerpen, vlakbij de kathedraal, ben ik veel omgevingsgeluid gewend. Door die specifieke locaties op te zoeken kon ik niet zoals voordien in de woonkamer eindeloos blijven experimenteren en had ik bovendien iemand nodig om mij te begeleiden. Willem Malfliet (Woolvs, Bodem, jc) heeft ervoor gezorgd dat de locaties goed hoorbaar zijn. Die opgelegde beperkingen werkten voor mij veel beter, en uiteindelijk werden de opnames in slechts twee dagen afgerond.’
Hoe belangrijk is het voor jou om iets terug te krijgen van een publiek of een ruimte?
‘Ik vind de akoestiek van elke ruimte interessant. Als ik hetzelfde speel in een andere ruimte, dan gaat dat sowieso anders klinken, wat mijn improvisatie op een positieve manier beïnvloedt. Met het publiek vind ik het leuk als ik voel dat er wordt gereageerd. Onlangs tijdens een soloconcert in Nova Express in Mechelen werd er in het publiek veel gehoest. Daar heb ik tijdens mijn improvisatie op ingepikt waardoor ik plots een techniek gebruikte die ik nog nooit had gebruikt. Als ik voel dat er betrokkenheid is vanuit het publiek en de beleefdheid wat verdwijnt, dan komt de inspiratie vanzelf.’
De sopraansax verdient een delicatere aanpak.
Sopraan
Terug naar de sopraansax nu. Is het je voorkeursinstrument?
‘Sowieso. Ik speel het al sinds mijn negende. Een zestal jaren geleden ben ik ook tenorsax beginnen spelen om wat toegankelijker te kunnen zijn en meer te kunnen spelen in andermans bands. De klank van de tenorsax ligt veel aangenamer in het gehoor dan die van de sopraan. De combinatie met andere instrumenten is evidenter.
Is de soms wat moeilijke klank van de sopraansax de reden waarom zo weinig muzikanten exclusief voor het instrument kiezen?
Waarschijnlijk. Maar in het jazzmilieu zit je ook met het bigband-gegeven, waar je alt-, tenor- en baritonsaxen nodig hebt, maar geen sopranen. Het wordt meestal ook nogal nasaal gespeeld, wat ook wel een rol zal spelen.’
De legendarische sopraansaxofonist Steve Lacy ging overstag toen hij Sidney Bechet ‘The Mooche’ hoorde spelen. Heb jij ook zo’n moment waarop het heilige vuur voor de sopraansax ging branden?
‘Niet specifiek, al hou ik uiteraard wel van Lacy. Ik herinner me dat ik tijdens de middelbare school een stuk vanop ‘Reflections’ heb getranscribeerd, een album waarop allemaal composities van Thelonious Monk staan. Ik vond dat zo mooi en nauwkeurig!’
Volgens Lacy waren de mogelijkheden van de sopraansax nog te weinig verkend. Is dat nog steeds het geval?
‘Naar mijn gevoel wordt de sopraansax vaak te brutaal gespeeld. Veel muzikanten spelen het met de ademsteun van een tenorsax, waardoor het bijna als een schalmei klinkt. Het is een delicaat instrument dat een elegantere aanpak vereist. De klank die ik op het instrument heb ontwikkeld is gericht op het blenden met anderen, ik wil er niet per se bovenuit steken of opvallen. Met de tenorsax gaat dat makkelijker, want je zit sneller in die warme frequenties.’
Solo
Wat maakt solo spelen zo anders in vergelijking met musiceren met anderen?
‘Ik vind solo spelen erg eng en mentaal zwaar. Je moet in een hyperfocus zitten waar je niet van kan afwijken, want als je een steek laat vallen kan niemand die voor je oprapen. Het is fly or die, om het met de woorden van jaimie branch te zeggen. Op de dag van een soloconcert heb ik er eerlijk gezegd vaak spijt van, maar de hoge dosis adrenaline die ik krijg tijdens het spelen maak ik nergens anders mee.’
Voel je dan de behoefte om dat verder te blijven doen en ontwikkelen? Of voelt het toch vooral als een opdracht?
‘Goeie vraag. Ik vind het wel interessant om te doen, ik krijg er veel ideeën door en leer veel bij omdat het zo confronterend is. Maar het blijft toch een opdracht. Ik speel liever met anderen. Solo doe je echt alles alleen: soundchecken, wachten, eten. Geef mij dan maar de interactie en het warme contact met andere muzikanten.’
Spaarzaam
Je bent net terug uit Zweden, waar je met Fire! Orchestra opnames maakte voor een nieuw album. Is dat nog een gevolg van je deelname aan het speciale project van het orkest tijdens Summer Bummer 2024?
‘Na het concert in Antwerpen had Mats me gezegd dat hij in de toekomst graag nog eens wilde samenwerken, maar ik dacht dat hij dat gewoon uit beleefdheid tegen iedereen zei (lacht). Het bleek dus wel gemeend te zijn. Dankzij hun zogenaamde Community Based Activities, waarbij een kern van het orkest met muzikanten speelt van het land of de stad waar het te gast is, lijken er wel wat nieuwe muzikanten te zijn aangetrokken. Naast Antwerpen deden ze ook een project in Keulen en daarvan zijn nu ook twee muzikanten aangesloten.’
Het wordt een nieuwe incarnatie van Fire! Orchestra genoemd. Wat betekent dat precies?
‘Om de twee of drie jaar worden er nieuwe mensen aangetrokken voor de opnames van een volgende plaat. Op die manier is het telkens een nieuw project. Zo hebben we eerst getourd om het nieuwe repertoire in te spelen en vervolgens pas de studio in te trekken. Voor de release wordt gemikt op het najaar en dan volgt ook nog een tournee om het album te promoten.’
Naast Mats Gustafsson en jezelf zijn er nog twee andere saxofonisten in de huidige bezetting: Mette Rasmussen (ØKSE, The Sleep of Reason Produces Monsters) en Anna Högberg (Attack). Dat zijn er twee die, net als Mats uiteraard, behoorlijk explosief uit de hoek kunnen komen. Het contrast met jou vind ik daarom wel interessant. Jij trekt zelden de kaart van het grote geweld.
‘Ik denk dat ik inderdaad wat spaarzamer omga met die energie en dat bevalt Mats ook wel denk ik. Met Fire! Orchestra spelen we soms ook in kleinere combinaties. Zo moesten onlangs de vier saxofonisten een kwartet spelen, maar het moest van Mats absoluut zacht en stil zijn. Hij is daar dus niet ongevoelig voor.’
Voel jij je eigenlijk deel uitmaken van de jazztraditie?
‘Ik ben er al van jonge leeftijd mee vertrouwd maar omdat het me tijdens mijn studies door de strot werd geramd, heb ik een zekere afkeer van de jazztraditie. Die moeilijke verhouding heeft er anderzijds wel voor gezorgd dat ik de muziek maak die ik nu maak. Dus ja, ik ben een kind van de jazztraditie, maar wel een rebels kind.’
Waar ben je de komende tijd nog zoal mee bezig?
‘Door Fire! Orchestra ben ik geïnteresseerd geraakt in schrijven voor en improviseren met een groot ensemble. Ik vind het fascinerend hoe Mats met zijn directieven mensen op bepaalde momenten of op bepaalde manieren kan laten improviseren. Die collectieve energie en focus vind ik heel bijzonder. Daar hoop ik binnenkort zelf wat mee te gaan experimenteren. Met Klinck Trio zijn we opnieuw regelmatig aan het samenkomen om verder aan onze muziek te werken. Dat is ook een samenwerking die ik geweldig vind. Ook met Bodem worden er nieuwe muzikale plannen gesmeed. In het najaar zal er waarschijnlijk een opname verschijnen samen met zangeres Anaïs Vijgen. Voor de rest zal ik ook veel solo spelen, onder meer in Luxemburg en in (de Antwerpse zaal) Rataplan.’