René van Peer
Een korte zoektocht op Harolds website harsmedia.com sleept je onverbiddelijk en ogenblikkelijk mee in een draaikolk van mogelijkheden, met overal links naar weer andere onderwerpen waar hij zich mee bezighield, of waar hij zijn gedachten over had laten gaan. Je kunt naar zijn soundblog gaan, naar overpeinzingen over de meest uiteenlopende zaken, naar zijn liefde voor sudoku’s als puzzel en als middel dat hij kon inzetten om muziek te maken.
Op Bandcamp kun je luisteren naar ‘Rites (sudoku triangelkwartet)’. Het zijn inderdaad tikjes op vier instrumenten van driehoekig metaal, dat laatste toepasselijk gezien het getal 9 dat centraal staat in deze van oorsprong Japanse cijferpuzzels. Het is een album met 36 variaties die op basis van een bepaalde sudoku te maken zijn. Alles bij elkaar, zo schrijft hij, zijn er 382.880 verschillende combinaties mogelijk. Het afspelen van al die combinaties zou vijf jaar in beslag nemen, rekent hij voor. Het is muziek, voegt hij daaraan toe, die je op fluisterniveau moet beluisteren, met gesloten ogen. Het klinkt als druppels water op glas, aardewerk of metaal. Als cijferfanaat geeft hij verdere uitleg op zijn Soundblog.
Als Harold iets zag of hoorde, ging zijn creatieve knobbel ermee aan de haal
Maar je kunt ook terecht komen bij twee cassettes die hij ‘Ik besta’ noemde, en die uitgegeven zijn door De Fabriek. De teksten (die in verschillende talen gezongen en gesproken worden) zijn gebaseerd op een roman die Harold geschreven heeft, maar die tot op heden niet gepubliceerd is. Voor een van de tracks (‘J’existe’) gebruikte hij de geluiden van een installatie die hij tegen het lijf liep bij V2_, de naaste buren van Worm, waar hij aan de opnamen voor de cassettes werkte. Het tekent zijn manier van werken. Hij liep ergens binnen, zag of hoorde iets, en onmiddellijk ging zijn creatieve knobbel ermee aan de haal.
Die onderzoekende geest is ook wat oprijst uit ‘Ultra’, het boek dat Harold schreef over de bands die verbonden waren aan de gelijknamige concertserie begin jaren 1980 in de Amsterdamse jongerensociëteit Oktopus. Hij weigerde Ultra te omschrijven als een stroming, maar wat de bands en de muzikanten gemeen hadden was een drang om onderzoek uit te voeren in de muziek die ze maakten. Het boek werd de aanleiding voor de serie ‘Harolds Hoofd Stuk’-essays die hij schreef voor Gonzo (circus).
Het mooie van het boek is dat Harold niet alleen de bands beschreef die in die periode actief waren, hij creëerde een brede context: de tijd waarin het zich afspeelde, met zijn krakersrellen; zijn eigen leven in Amsterdam, met liefdesperikelen en huisvesting in panden die nauwelijks bewoonbaar waren; zijn betrokkenheid bij het blad Vinyl (het tijdschrift met flexidisc); én zijn jeugd in Maastricht. Alles is opgetekend met een enigszins afstandelijke blik, een milde toon van humor en ironie. Het maakt nieuwsgierig naar de roman die nog steeds wacht om uitgegeven te worden.
Want ook die milde humor en ironie tekenden Harold. Hij was plezierig in de omgang, stond open voor ideeën en gedachten die mensen aandroegen. Alles kon bijdragen aan weer een nieuw werk, ongeacht of dat muziek was, een blog of een andere tekst. Niet dat hij altijd mild was in zijn oordeel. Hij kon uiterst scherp uit de hoek komen over politieke ontwikkelingen van de laatste jaren, over de bureaucratie bij instellingen waar hij als docent op losvaste basis aan verbonden was. Eigenlijk over alles wat een vrije stroom van zijn creativiteit in de weg stond.
Aan die vrije gedachtenstroom is een einde gekomen. Het almaar uitdijende universum dat Harold creëerde en waar hij in kon rondwaren, is gestopt met groeien. Maar nog steeds is het een duizelingwekkende omgeving om je in te begeven. Een bezoek is een wandeltocht langs schier eindeloze paden, waarvan je niet weet waar ze uitkomen. Waarvan je niet weet of je er wel uit kunt komen. Het is een waar labyrint. Het verdient aanbeveling om je brein uit te rusten met stevige schoenen en een open, onderzoekende blik. Voor de soepelen van geest verdient het eveneens aanbeveling om te kijken in hoeverre je met Harolds overpeinzingen een lont in je eigen creativiteit kunt aansteken. Kleurrijke explosies, sterren van vuur, meanderende gedachtenspinsels kunnen je deel worden. Trek dat hersenschoeisel aan! Ga erop uit! Neem deel aan adembenemende omzwervingen! En bovenal: ga zelf iets maken! Doe iets!
Dat is het voetstuk waarop je Harold kunt gedenken, en zijn nalatenschap eer kunt aandoen.
—
Alec Schellinx en Gersande Schellinx
Eén met zijn bureau. Voor hem scheen altijd wel een scherm, soms twee. Vergezeld door een enorm kop koffie die steeds weer gevuld zal worden, typte hij de hele dag door, soms ook midden in de nacht; slapen deed hij nooit zo veel. Altijd bezig met een nieuw artikel voor de Soundblog, of een stukje voor zijn dagboek, dan niet wat onderzoek ter voorbereiding van zijn volgende stuk voor Gonzo. Altijd te laat met Gonzo was hij. Net een muziekstuk, het moest gecomponeerd worden; net een optreden, het moest hardop geoefend worden, dagen, weken, soms maandenlang, zodat het juiste woord op de juiste plek zou klinken. Ritmisch perfect voor oor en oog, dan pas kon het worden opgestuurd. Het clicketyclack-geluid van zijn toetsenbord steeg boven de stroom klanken die eeuwig uit zijn speakers barstte: soms muziek, vaker echter non-descript geluid, oftewel een of andere opname willekeurig uit zijn archief geselecteerd. Hij leefde in klank; hij leefde voor klank. Hij was zelf ook klank: een warm en troostend geruis.
—
Emmanuel Ferrand
I met Harold in 2004 in Paris, in an abandoned opera house that had also briefly served as an amusement park. This place, suspended in time, had reopened exceptionally for a long participatory sound performance, in which we were both taking part. It was there that Harold, looking for a cigarette (it was still natural, at that time, to smoke in such circumstances), struck up a conversation with me. We quickly discovered that we shared a deep attachment to mathematics, even though our areas of expertise were (apparently) disjoint: Harold, a logician, belonged to the realm of the discrete, algorithms, and formal rigor; I, for my part, wandered in the fluid and soft domain of the continuous and topology.
This first encounter marked the beginning of an uninterrupted dialogue. Harold drew me into an incredible maelstrom of artistic projects and intellectual explorations. Analog technology (magnetic tapes), chance, and accident (obsolete, malfunctioning machines) were our main fields of exploration. We often invoked mathematics in general, but it was unfortunately after his tragic death that I realized I had never discussed with him the substance of his research in logic, mainly collected in a thesis published in 1994, with a title so typical of Harold: The Noble Art of Linear Decorating.
He simply showed me a printed copy of this thesis, which, as I recall, was bound with screws, like an old medieval grimoire that someone had wanted to seal shut. I read it for the first time last June, and it was a shock. To evaluate the scientific results themselves, I had to call on colleagues more qualified than myself, who confirmed the astonishing quality of this research, clearly carried out in a very short period of time and leading to several international publications. This work is therefore already an impressive scientific achievement. But, of course, Harold had added all kinds of elements not usually found in standard scientific publications, paying particular attention to the writing, which reflects his mischievous, elegant style and delicate poetry, enhanced by the layout and typography of the formulas, which make this thesis a remarkable visual object. Some pages even evoke musical scores, as if logic could be sung rather than read.
It so happens that the subject matter—linear logic, proof theory—is particularly resonant and relevant today, at a time when the digital and the virtual are covering up reality with their veil of falseness and insignificance. But beyond the scientific scope of his work, I think that everyone can appreciate, poetically, by browsing through it at random, this thesis in which Harold ‘decompose classical logic’ and ‘deconstructs intuitionistic logic.’
I would like Harold to be remembered also as a mathematician-poet of great finesse.
Emmanuel Ferrand (Rébus), Institut de Mathématique de Jussieu, Sorbonne Université.
—
Oscar Smit
RIP Harold Schellinx, een vrije geest minder
De redactie van het moderne maandblad Vinyl bestond begin 1981 uit een stel vrijbuiters. Harold was misschien wel de meest vrije. Hij was vaker niet dan wel bij redactievergaderingen omdat hij veel in Engeland zat. Hij kwam dan terug met allerlei nieuwe namen waarvan ik veelal nooit gehoord had. Hij had een eigen platenlabel, Amphibious, waarop een serie voor mij toen bijna onbegrijpelijke singles uitkwam. Pas na een tijd heeft de muziek hierop bij mij een plaats gevonden.
Later, na het verschijnen van zijn magnum opus over de Ultra-beweging, bleek dat hij de redactievergaderingen waar hij wel bij was, stiekem had opgenomen. Hij was toen al in de ban van de muziekcassette. Hij stond dan ook aan de basis van het eerste overzicht van Nederlandse cassettelabels, in Vinyl 13 (april 1982). De cassette liet hem niet los. ‘De cassette lijkt bij uitstek het medium voor mensen die experimenteren met geluid en muziekvormen’ schreef hij in Vinyl 13. Hij verzamelde zelfs tapejes die hij op straat vond. Toen ik hem een aantal jaar geleden sprak over mijn plannen voor een cassettetentoonstelling, riep hij direct dat hij een beeldje had van Lou Ottens, de uitvinder van de cassette, dat ik wel mocht lenen.
Londen werd verruild voor Parijs. Toen hij in 2012 ‘Ultra’ uitbracht kwamen we elkaar weer regelmatig tegen omdat we beide veel evenementjes deden. Harold liet zijn boek dan voorlezen door zijn laptop, een ongebruikelijk tafereel. Experimenteren deed hij intussen zonder cassettes onder noemers als ‘ookoi’ of ‘Stduio’. Al deze spontane experimenten werden bewaard op zijn website. ‘UnPublic’ was een serie improvisaties met wisselende muzikanten op een doordeweeks dag opgenomen in een niet speciale ruimte, al of niet met de ramen open voor de omgevingsgeluiden. Allemaal heel apart. Nog aparter was zijn voorliefde voor sudoku. De laatste maal dat ik hem zag performde hij samen met Peter Mertens in een hoekje van Arti et Amicitiae, voor twee man publiek, iets met sudoko getallen. Het ging mij de pet te boven maar ik bewonderde zijn niet aflatende inzet om dit soort experimenten te blijven doen. Het tekende zijn vrije geest. Ik was dan ook zeer benieuwd naar zijn muzikale experimenten uit de Worm studio. Helaas begaf zijn vrije geest het voortijdig in Rotterdam!
—
Ronnie Kroes
Opeens een berichtje van Harold, hij ging een boek schrijven over Ultra. En of hij kon afspreken over mijn tijd in Jongerencentrum Oktopus, de hotspot waar de Ultra avonden plaats vonden, muziek- en video (ja toen al!) opnames werden gemaakt, het Amsterdams Popgroepen Overleg (nu GRAP) werd opgericht. Ik liep toen stage (Cultureel werk), zat achter de kassa, nam video’s op van de bandavonden en was heel veel aan het genieten van een gave tijd. Dank aan Harold voor het mooie terugkijken, want mijn herinneringen kwamen in de gesprekken en later in het boek weer lekker los. En het was extra geweldig om ook mee te werken aan de presentatie van het Ultra boek, als de ‘pr dame’ die ik nu ben geworden. En met mijn oor op de cover was het natuurlijk een must-do! Het balletje was weer rond: toen in Oktopus als stage en nu als professional met hem en Ultra/Vinyl/feestteam samenwerken.
Ik bleef Harold volgen via mails en social media. Voor hem was muziek een way of life, steeds nieuwe plannen, optredens, opnamen, geen gesloten boek voor Harold, een levensstijl met steeds nieuwe projecten. Jammer dat we die niet meer mogen meemaken. Dag aardige en enthousiaste creatieveling.
—
Richard James Foster
Words: their choice, and deployment. That is what comes to mind when I think of Harold Schellinx. He was someone who seemed at home with words, in a number of languages, often all at once. Those who knew him remember his conversations peppered with French, English, Dutch and German. In my experience of him, words drove his music: his remarkable show at TAC, Eindhoven in 2012 is one example. Sat on a stool, in the middle of the hall, behind a table-cum-lectern, with a small reading lamp there to guide him as he read and a jumble of equipment there to sample, distort and remix these words as they tumbled out of his mouth and populated the space. His show in Leiden’s tiny SUB071 with Jacco Weener and Gul Night Out back in 2014 is another, where he performed his words as an improvised theatre to counterbalance the band’s antediluvian noise. Yet another setting was a more portable and formal one: his book, ‘Ultra, opkomst en ondergang van de Ultramodernen, een unieke Nederlandse muziekstroming (1978-1983)’, which – no surprise, given we are talking of Harold – was that rarest of things, a readable and informative book on pop music. Harold was a verbose man and I can’t imagine his music without his spoken and written words.
—
Peter Mertens
Deze bijdrage is een versie van de (afgewezen) aanvraag voor een kunstenaarsresidentie door Harold Schellinx en Peter Mertens die ze in 2024 samen schreven. Onverkort — mét de vele links — staat die op ookoi.nl/doesburg.
Nog voor de jaren tachtig begonnen maakten Harold en Peter kennis in The Young Lions. Beiden met een gitaar om de nek, beiden – dat wisten ze toen nog niet – experimentele postpunkmuzikanten. Op zoek naar grenzen om te verleggen, ongehoorde klanken. Samen muziek maken bleek de snelste vorm van ideeën uitwisselen. Het was, zoals ze het later noemden, Mindpublishing avant-la-garde.
Harold was, met een parafrase van de Roxy Music/Eno-advertentie, opgeroepen. Hij dacht te begrijpen wat de anderen bandleden zochten, al wisten die het zelf niet. Het resultaat: binnen een jaar een ep, audiocassettes, een VPRO-video en een handvol nicheoptredens.
The Young Lions werden een synergetisch gesammtmediakunstwerk. Kunst, een beetje kraken en muziek waren het leven.
Later bleek dat zelfs een heuse beweging: Ultra. Dertig jaar later werd er een dik geschiedenisboek over uitgebracht.
Geschreven door Harold.
Met de jaren tachtig al doemend op stoom verloren Harold en Peter elkaar uit het oog. Harolds huis brandde af; hij belandde in Parijs, gediplomeerd in seriële computercompositie, professor in de wiskunde en theoretische informatica. Net als Harold kocht Peter – met cadeaugeld van zijn oma – een computertje, dat een nieuw vierdimensionaal universum opende.
In 1994 zocht Harold, nu via internet en e-mail, opnieuw contact. Er was een bomaanslag op mede-Young Lion Rob Scholte gepleegd.
Dat werd het begin van een voortdurende gedachtewisseling over kunst, politiek en technologie. Altijd in verwondering over alles dat ergens anders op lijkt. In die kern van zoeken en niet-weten ligt hun samenwerking. Zingend met gitaar, kraakdoos, cassettespeler of gebroken riet in de hand. Muzikanten in het Multiverse. Kunstenaars die onwetend elk medium verkennen dat binnen handbereik komt.
Mettertijd ontstonden nieuwe plannen. Ze werden een duo, kozen namen als H@r$ & ƒpcm of Frans Peterman & Hars Hefferman in Second Life, waar ze een harmonieorkest formeerden.
Ze ontwikkelden muziekapps (RJDJ, Raudio, Wandelzand, Stduio), maakten de okidoki-podcast, en traden op als ookoi, gelijk gekleed in groene kunstjassen. Vulden de media met geluid, voor Harold vooral om erover te kunnen verhalen.
Extensief blogt hij op zijn eigen harsmedia.com, nóg meer dan muzikant is hij een schrijver, die schreef om gelezen te worden: zo is er dan toch het ongeschreven b.ookoi te lezen. Je raakt niet uitgelezen. Lees Harold.
—
Leonor Jonker
Alles heeft met alles te maken
Augustus 2012, een kraakcafé in Utrecht. We zijn aangeland bij de laatste avond van een minitour om onze boeken te promoten: Harold Schellinx met zijn ‘Ultra’, Martijn Haas met zijn jaren 1980-trilogie en ik. Dichter GW Sok (The Ex) en gitarist Steve Lake (van anarchopunkband Zounds) treden ook op. We krijgen een veganistische maaltijd, een eerste bezoeker komt aarzelend binnen. Een stamgast met dreads eet zijn linzensoep. Buiten is het nog licht als we de barman helpen de stoelen rond het gelijkvloerse podium te schuiven. Ik bijt het spits af en lees een stukje voor. En dan stapt Harold naar voren, met in zijn kielzog zijn vriend en Ultra-collaborator Peter Mertens. Een glimlach, een kwinkslag, een zijspoor, een vreemd geluid. En de avond komt tot leven, door Harold.
In mijn dagboek lees ik een bondige notitie over deze optredens: ‘Bijzonder weekend, opkomst viel tegen, shows waren erg goed en inspirerend.’ Tijdens die avond in Utrecht gaven Harold en Peter een performance waarbij blaadjes werden rondgedeeld. Ik zie ze rondgaan; de bezoekers (er waren er nog een paar binnengedruppeld) kwamen in actie, pakten ze aan, raakten betrokken. Wat erop stond? Geen idee meer, helaas. Maar wat de optredens zo inspirerend maakte weet ik nog wel. Dat was toch vooral Harold, die alle vier de avonden voor een andere aanpak koos. Gewoon telkens iets voorlezen, dat was hem te saai. In Utrecht nodigde hij Peter uit, in Groningen stelde hij voor dat Steve hem muzikaal zou begeleiden, een impromptu improvisatie. Steve herinnert zich: ‘Het was zo leuk om iets spontaans en experimenteels te doen. Hij las voor, ik maakte geluiden op de gitaar.’
Misschien was Harold boven alles een improvisator. Hoe beperkter de omstandigheden, hoe meer mogelijkheden hij zag. Het verschijnen van zijn boek viel samen met een hausse aan events rond punk en Ultra. Zoals hij een spil was geweest van Ultra, was hij nu een spil van deze revival. Bij de meest onwaarschijnlijke events – tijdens de spits in een leegstaande winkelruimte in een metrostation, concertavonden (ook als ze minder goed bezocht werden) en rommelige in-stores – bracht hij enthousiasme, vindingrijkheid en een goed humeur. Andermaal mijn dagboek, 7 april 2012: ‘Harold en Peter Mertens gaven weer een knettergekke performance in Concerto.’ In het metrostation experimenteerde hij met een zelfgebouwde module in een iPad-app; bij een lezing in Utrecht werd Peter ingeschakeld als ‘levend museumstuk’ uit de Ultratijd (een echte Young Lion!). Want bij Harold was er altijd ruimte voor humor.
Dat was hoe ik Harold leerde kennen. We zagen elkaar daarna sporadisch, maar de laatste jaren kruisten onze paden vaker. Hij was dan altijd open en geïnteresseerd, want ook in de bezigheden van anderen zag hij raakvlakken. Van de improvisatie met Steve bestaat een opname – dissonante gitaarklanken gevolgd door de stem van Harold: ‘Alles heeft met alles te maken.’ Nog een herinnering aan dat ultrajaar. Aangestoken door de sfeer van vrolijk experiment van die dagen probeerde ik ook zelf dingen uit. Ik schreef een gedichtje om razendsnel voor te dragen tijdens het afsluitende ULTRA-evenement in de Melkweg. ‘Ultra-was-ultra-is, ultra-raak-ultra-mis’, begon het, om zo nog even door te gaan, eindigend met ‘ultra-had-ultra-heeft, ultra-dood?-ultra-leeft!’ Waarna Harold, met perfecte timing, uitriep: ‘PUNT!’