Magazine

BijVoorbeeld Bert Dockx deel II: cinema en engagement


Halverwege deze zomer interviewden we Bert Dockx (Flying Horseman, Dans Dans, Ottla) over het leven en de kunsten. Het begin van dat gesprek kan u lezen in Gonzo (circus) #159 maar daarna bleven we praten – we hadden allebei niet héél veel om handen, weet u wel…

We hervatten bij onze laatste vraag.

We moeten het nog over politiek én over film hebben.
‘Ha, doe maar film. Mijn favoriete gespreksonderwerp, daar kan ik over blijven babbelen.’
Je vertelde net dat je een soundtrack aan het maken bent. Kan je iets vertellen over de film?
‘‘Parked Lives’ is het langspeeldebuut van Peter Triest. Het is een documentair portret van een Bulgaarse truckchauffeur en vertelt hoe hij vervreemdt van vrouw en kind: een impliciete kritiek op ons economisch systeem en de uitbuiting die met hedendaags transport gepaard gaat. Dat gaat een hele mooie film worden, denk ik: een klein menselijk drama, heel geëngageerd zonder pamfletair te zijn. Mensen denken vaak dat een soundtrack schrijven iets is dat mij op het lijf geschreven is, omdat ik zo van film hou, maar ik vind het toch heel moeilijk, eigenlijk.’

Je hebt met Dans Dans Morricone gecoverd, dus de lat ligt hoog.
‘Ik ben nochtans geen hardcore Morricone fan. Ik hou wel van zijn muziek, maar de manier waarop hij filmmuziek maakt overlapt eigenlijk niet met mijn filmsmaak. De films die ik echt mooi vind bevatten vaak weinig of geen muziek. Ik vind dat muziek op zichzelf vaak al genoeg vertelt en beelden ook. De combinatie vind ik vaak teveel. Ik hou van sobere films, en de muziek van Morricone is allesbehalve sober. Er is wél een link in de zin dat ik vaak in beelden of visuele sensaties denk als ik muziek maak. Als ik een song schrijf of een solo speel, denk ik narratief en in sfeer. Atmosfeer is één van de belangrijkste aspecten van cinema voor mij. Voor veel mensen is het verhaal het belangrijkste, maar ik kan echt afknappen op films die qua verhaal helemaal in mijn interessesfeer liggen, maar waarbij ik geen voeling heb met de vertelstijl. Stijl en inhoud zijn natuurlijk niet van elkaar los te denken: wat breng je wél of niet in beeld? Waar leg je de cut? Toon je het schot door iemands hoofd in closeup of skip je dat gewoon? Het is een voorbeeld dat ik niet per toeval gebruik. Ik ben meer en meer gevoelig aan hoe geweld getoond wordt.
Als geweld getoond wordt om opwinding op te wekken, de thrill van geweld, daar knap ik heel erg op af.’

Suggestie

‘Veel mensen, ook mensen die zelf met kunst bezig zijn, zien cinema vaak als een té populair medium. Eén van de kritieken die literatuurmensen vaak op cinema hebben, is dat het een te letterlijk medium is. Film kijken is volgens hen iets passief. Het is natuurlijk letterlijk een demonstratief medium: de camera registreert een gebeurtenis en die registratie wordt getoond. Terwijl in literatuur de lezer alles moet construeren in zijn hoofd. Maar het moment dat cinema mij echt pakt, is vaak als ze erin slaagt dat letterlijke medium te gebruiken om te suggereren. Dat gaat in tegen het medium zelf. Je kan suggereren met de camera, maar ook in de montage en met wat je wel of niet toont. Dat is één aspect van cinema waar ik fan van ben. Een ander aspect is de manier waarop beeld en geluid – niet per se muziek – op mekaar inwerken. Nog een fascinatie is de grote machinerie die aan cinema te pas komt: het is geen directe vorm van expressie. Een cineast moet op een scenario schrijven, casten, financiering zoeken, een ploeg bij elkaar brengen… Pas jaren na het oorspronkelijke idee kan zo’n film eindelijk worden getoond. In die zin is het een heel afstandelijk medium. En toch zijn er mensen die erin slagen er iets heel intiems en persoonlijks mee te communiceren.’

Ik zag laatst Bas Devos’ ‘Ghost Tropic’ en dat was van het intiemste dat ik ooit zag.
‘Ghost Tropic’ heb ik nog niet gezien, maar zijn ‘Violet’ wel. Bas Devos is een zeldzame Vlaamse cineast die ook bezig is met de dingen waar ik het net over had. De intentie is heel belangrijk bij hem. Ik ging zelf niet met dat voorbeeld gekomen zijn, maar je voelt aan zijn films hoe die mens in het leven staat. Met ‘intentie’ bedoel ik ‘hoe zet die mens zijn levenshouding om in zijn werk’. Het gaat misschien meer over intuitie dan over bewuste intenties. Als ik een film bekijk, wil ik voelen wat de neuroses, interesses, de smaak van de regisseur zijn… Moeilijk uit te leggen…
Misschien moet je het illustreren met een recente favorieten.
‘Ik heb de laatste maanden veel films gezien die me hebben gepakt. Eén daarvan is ‘The Souvenir’, van Joanna Hogg, een somber relatiedrama. Ik voel me vaak aangesproken door donkere romantiek, maar het mag er niet te dik opliggen. Een bepaald soort liefdesverhalen triggeren gewoon dingen bij mij. ‘The Souvenir’ gaat dus over een aspirant filmmaakster die verliefd wordt op een iets oudere, problematische kerel. Conventioneel bekeken is die man zeer slecht nieuws voor dat meisje, hoewel ze zeker niet willoos is. Mensen die een hekel hebben aan die film bekijken dat als een toxische relatie. Nu, dat aspect zit er zeker in, maar er is veel méér gaande.’

We leven wat dat betreft natuurlijk in ééndimensionele tijden.
‘De film is veel fijner dan alleen maar een statement. Die thema’s zitten erin, maar zij is niet alleen maar slachtoffer. Ik kan mij alleszins niet voorstellen dat de maakster alleen maar dat voor ogen had. Op een mooie manier is het ook een feministische film.
De manier waarop die film geschreven, geregisseerd en gecapteerd is, is heel uitzonderlijk. Hogg heeft zich het medium volledig eigen gemaakt, met een heel eigen set regels. Ze zet haar intuïtie rechtstreeks om in een vorm die met niets vergelijkbaar is. Ze heeft ook een heel specifieke omgang met tijd. Dàt is natuurlijk ook een heel belangrijk aspect van cinema: tijd en herinnering. Ik voel ook een heel sterke link tussen cinema en dromen – montage is op zich al inherent surrealistisch: je filmt twee dingen en mensen maken meteen een connectie tussen die twee beelden. Mensen gaan er onmiddellijk van uit dat die twee gebeurtenissen zich tegelijkertijd afspelen. Terwijl dat volledig suggestie is. Filmmakers die zich daarvan bewust zijn maken vaak heel interessante films, omdat ze niet gewoon de conventies volgen. Daar kan echt een soort van poëzie uit ontstaan.

Ik vergelijk het graag met wat een schrijver doet: eenvoudige taal op zo’n manier gebruiken dat er nieuwe betekenissen ontstaan. Banale uitdrukkingen kunnen in de context van een gedicht plots veel meer worden. Dat is wat goeie filmmakers doen: een cliché of een shot gebruiken dat je al een miljoen keer gezien hebt, en daar iets méér van maken. Een goeie schrijver maakt woorden opnieuw mysterieus. Dat sluit weer aan bij die grens tussen abstract en figuratief, waar ik het daarnet over had.’

Vrouwen

‘Iets anders dat ik recent zag was ‘Zama’, van Lucrecia Martel. Het is haar vierde film op twintig jaar. Martel heeft een heel eigen manier om met beeld en geluid om te gaan en is heel radicaal in de dingen die ze niét toont, die zich vaak letterlijk net buiten het kader afspelen. Haar geluidsband is ook ongelofelijk; zij gebruikt héél weinig muziek, maar in ‘Zama’ gebruikt ze een paar keer een heel zotte, in your face synthdrone. Dat de film zich in de zeventiende eeuw afspeelt, maakt die keuze nog radicaler. De meeste van mijn favoriete nieuwe regisseurs zijn overigens vrouwen. Ik ga daar niet per se naar op zoek, maar dat werd wel eens tijd eigenlijk. Eén van die favorieten is Kelly Reichardt, die heel minimalistisch cinema maakt, waarin ze heel veel over Amerika vertelt. Het is ook heel subtiel-politiek: al haar films gaan op één of andere manier over kapitalisme, zonder echt expliciet te zijn. Blijkbaar zou haar nieuwe film – ‘First Cow’ – iets explicieter zijn, maar die heb ik nog niet gezien. ‘Old Joy’, met Will Oldham is trouwens ook van Reichardt.’

Niet Ennio maar Mica

‘Een meer recente favoriet is ‘Under the Skin’, een experimentele scifi-film die – alleen omdat Scarlett Johansson de hoofdrol speelde – toch in de grote zalen heeft gespeeld. Dat is onvoorstelbaar in tijden waarin die grote zalen alleen nog maar superheldenfilms vertonen. Maar dat was dus echt een experimentele, briljante film. En de soundtrack – van Mica Levi – is waanzinnig en mààkt die film echt. Als mensen mij iets over filmmuziek vragen, heb ik het niet over Morricone, maar over Mica Levi. Eén van de meest briljante soundtracks ooit gemaakt: absolute aanrader. Oh, er schiet me nog een favoriete regisseur te binnen, maar je gaat zijn naam moeten noteren, want niemand kan die onthouden.’
Ok, dicteer maar.
‘Apichatpong Weerasethakul. Als ik écht zou moeten kiezen is dat misschien wel mijn favoriete levende filmmaker. Hij won een paar jaar geleden de Gouden Palm. Zijn bekendste film is ‘Uncle Boonmee’, maar mijn favoriet is ‘Tropical Malady’. Zijn films zijn zo speciaal… Ik kan het echt niet omschrijven… Hij maakt trouwens ook videoinstallaties, en theater…

Ik kan overigens net zo goed genieten van Amerikaanse genrecinema, maar dan liefst van filmmakers die echt met die conventies spelen, zoals de Coen brothers. Ik wilde eigenlijk zeggen Polanski, maar mag dat nog wel? Ik snap wel dat weinig mensen zin hebben om nu naar zijn films te kijken, maar… (twijfelt) Ik heb onlangs een artikel gelezen dat geschreven was door een vrouw, en die stelde dat Polanski – die natuurlijk bekend is omdat hij een veertienjarig meisje heeft verkracht – in zijn beste films een gigantisch inzicht toonde in de vrouwelijke psyche. Ik vind het moeilijk me daar als man over uit te spreken, maar ik heb het bij een aantal vrouwen gecheckt en zij vonden ook dat uit die films een enorme empathie spreekt. ‘Rosemary’s Baby’ kan je bijvoorbeeld volledig lezen als een verhaal over vrouwen die afzien in de patriarchale samenleving: als kijker sta je volledig in haar schoenen. In hetzelfde rijtje: ‘Death and the Maiden’, over een vrouw die haar martelaar tot een bekentenis tracht te dwingen. Dat uitgerekend Polanski dan later een verkrachter blijkt, is een heel complex gegeven… Heavy hoor. Ik zit veel op online-fora over film en daar zijn écht twee kampen over Polanski. Sommigen lossen hun gewetensprobleem zelfs op door alleen maar naar de films te kijken die vòòr die verkrachting zijn gemaakt. Zelf neig ik naar het standpunt dat ik kan blijven genieten van mensen hun werk, ook al keur ik bepaalde standpunten of handelingen af. Maar ik negeer het niet, ik kan gewoon leven met het feit dat ik geniet van het werk van iemand die niet meteen een fantastische mens was.’

Horror

‘Ik zou nog één film willen vernoemen, ‘Don’t Look Now’, van Nicolas Roeg. Ik heb altijd een voorkeur gehad voor horrorfilms die het genre overstijgen. Er wordt altijd wat neergekeken op horrorfilms omdat dat voor studio’s een genre was waarmee ze sowieso volk in de zalen konden krijgen. Maar op die manier konden interessante filmmakers wel vaak films maken. En wat veel mensen vergeten is dat mysterie en het onbekende belangrijke elementen zijn in horror én dat er vaak met beeld en geluid geëxperimenteerd werd in die films. Mijn favoriete horrorfilms zijn de meer suggestieve films, waarvan hardcore horrorfans waarschijnlijk zullen zeggen dat het geen échte horror is. ‘Don’t Look Now’ is daar het schoolvoorbeeld van: een prachtige film over een getrouwd koppel die in Venetië hun kind verliezen. En terwijl ze bezig zijn dat trauma te verwerken, worden ze geconfronteerd met allerlei onheil. Het is ook gewoon een prachtig portret van een getrouwd koppel: dat is een tamelijk zeldzame filmthematiek. En tegelijkertijd is het ook een écht rauwe horrorfilm, waar je stevige nachtmerries van krijgt. Roeg was volledig geobsedeerd door montage. Hij versplintert de tijd echt in die films en vertelt daar vaak heel filosofische dingen over tijd en hoe wij daarmee omgaan mee – los van de plot.’

Politiek

We gingen het ook nog over politiek en engagement hebben.
(lacht) ‘Mijn minst favoriete thema.’
Je bent nochtans niet bang om af en toe een doorwrochte politiek-geïnspireerde post op Facebook los te laten.
‘Bof, ik ben heel politiek ingesteld, maar mijn muziek is geen politiek pamflet. Het is alleszins nooit enkel dàt. Maar ik zie politiek ook niet los van muziek. (denkt na)

Ik vind bijvoorbeeld de partijfinanciering in België problematisch. Dat het Vlaams Belang karren geld in social media kan pompen vind ik een groot probleem. Iemand die hun pagina geliket heeft, wordt dag in dag uit met foute cijfers en opruiende taal bestookt: gepersonaliseerde propaganda die de rest van de samenleving niet te zien krijgt. Er zijn mensen die vinden dat ze dat mogen zeggen, maar daar ga ik niet in mee: dat is anti-democratie. Democratie kan alleen werken als er onafhankelijke journalistiek is, als de academische wereld onafhankelijk zijn ding kan doen, als kerk en staat gescheiden zijn… Veel van die dingen zie je aftakelen. Op een gegeven moment moet je binnen een democratie bepaalde dingen actief tegenhouden. Mensen vinden dat ik autoritaire neigingen heb als ik zoiets zeg, maar als je Het Vlaams Belang de ruimte én de middelen geeft, ben je de democratie van binnenuit aan het uithollen. Dat zelfs mensen die nooit op het Vlaams Belang zouden stemmen dàt niet zien…

Nochtans: ik snap wél waar dat stemgedrag vandaan komt. En ik wilde nooit neerkijken op mensen die extreemrechts stemmen, al geloof ik wel dat ze tegen hun eigen belang in stemmen. Ik heb lang in cafés gewerkt en daar veel contact gehad met extreemrechtse mensen. En mijn standpunt was altijd dat dat niet per sé slechte mensen zijn. Maar tegenwoordig zie ik een bepaald soort elitair rechts opstaan. Mensen met een diploma, die op geen enkele manier aan het beeld van de proteststemmer beantwoorden. Ik heb mij onlangs nog héél kwaad gemaakt op Facebook, over die affaire Reuzegom (de Antwerpse student Sanda Dia stierf tijdens een doopritueel van de elitaire Antwerps-Leuvense studentenvereniging Reuzegom, sb). Als mensen die zich zo verheven voelen boven al de rest de macht grijpen, ga je radicaal vreselijke keuzes krijgen. Dan krijg je toestanden als Trump, die kinderen van hun ouders scheidt en in hokken opsluit. En ik maak me heel erge zorgen over de evolutie die vandaag bij ons bezig is.’

Ik verdenk sommige muzikanten ervan dat ze zich niét uitspreken omdat ze fans niet willen schofferen.
‘Hmm. Ik hou me ook heel hard in hoor. Ik doe maar heel af en toe zo’n post. Maar dat is niet omdat ik bang ben om in conflict te komen. De reden dat ik het meestal niet doe, is dat het zelden tot een bevredigend gesprek leidt. Ik steek altijd heel veel tijd en energie in zo’n posts en het verandert zelden iets. Eigenlijk trekken die hele social media vooral mensen uit elkaar. Maar soms kan ik het dus niet laten. Maar ik heb er zeker geen probleem mee om als artiest politieke standpunten te verkondigen. Ik vind dat niet per se mijn plicht, maar mijn werk komt voort uit mijn zijn. Het zit ook gewoon in mijn teksten als je goed luistert.

Ik zie trouwens het maken van kunst die op één of andere manier dingen in vraag stelt – zelfs op het intiemste niveau – kunst die niét als eerste insteek heeft om geld te verdienen, dàt is op zich al politiek. De manier waarop ik mijn leven indeel is een politieke daad. Dat hele neoliberalisme is zulk een dominante ideologie, op het religieus-autoritaire af: elk aspect van het menselijk bestaan staat in functie van dat denken. Dan ben je sowieso een rebel als je vrijwilligerswerk doet of iemand in uw buurt berzorgt. Ik word trouwens altijd een beetje droevig van kunstenaars die niets met politiek te maken willen hebben.’

Je hebt je ook geroerd in het debat over de cultuurbesparingen, eind vorig jaar.
‘Ik had me voorgenomen om daar iets over te zeggen op optredens en had dat heel goed voorbereid. Eén van de plekken waar ik dat deed was De Singer in Rijkevorsel. Dat is een heel fijne zaal, die heel eigenzinnige keuzes maakt, en die financiert door ook populairdere concerten te organiseren. Op die manier zijn ze erin geslaagd om bijvoorbeeld Anthony Braxton te programmeren en daar komen dan ook mensen uit het dorp op af die niet per se op voorhand weten wie Anthony Braxton is. Daar zitten dus gewoon mensen uit de buurt die meegroeien met de programmatie. Ik vind dat een heel fijne plek om te spelen. Dus ik had daar voor mijn bisnummer de tijd genomen om uit te leggen hoe weinig artiesten verdienen en dat het idee dat wij profiteurs zijn, rechtse propaganda is. De paar mensen die niet doorhadden dat mensen zoals ik zo onder die besparingen lijden, kwamen achteraf met mij praten en vertelden me dat ze niet doorhadden dat het zo precair was. Ik linkte dat ook aan de situatie van de zaal zelf en het economisch belang van de kunsten. Ik had echt heel lang gewerkt om dat een beetje vlot te kunnen vertellen en kreeg daar een gigantisch applaus. Maar een paar dagen later deed ik dezelfde uitleg in een Cultureel Centrum en daar gaven sommige mensen een beleefd applausje, maar er waren er ook die ostentatief vertrokken.’

Antwerpen

In het begin van ons gesprek had je het over je haat-liefde verhouding met Antwerpen. Ligt het rechts gehalte van Antwerpen van – laat ons zeggen – de laatste zeventig jaar ook aan de basis van die verhouding?
‘Zeker. Ik zeg al minstens vijf jaar dat ik terug naar Brussel wil verhuizen, alleen daarom. Maar ik rij niet met de auto en ik ben gehecht aan deze stad, waar mijn familie en veel vrienden wonen. Brussel is bovendien heel duur en ik ben een loner, ik wil niet samenwonen met anderen. Dat zijn dus al drie redenen om niet te verhuizen. Maar als het hier nog verder zou evolueren naar een agressief angstklimaat waarbij bepaalde minderheden echt moeten vrezen voor hun fysiek welzijn, en als dat klimaat gerechtvaardigd of zelfs aangemoedigd wordt door het beleid, dan denk ik dat ik op een bepaald moment wel zal moeten vertrekken.

Ik heb het gevoel dat er in Brussel een omgekeerde beweging bezig is, met veel jonge mensen die dingen in vraag stellen. Maar misschien is dat wel wishful thinking hoor. Wat ik heel moeilijk vind in Brussel is dat je de armoede echt ziét: vluchelingen die samentroepen rond het Noordstation. Op zich is het wel gezond om daarmee geconfronteerd te worden. Hier in Zurenborg (de chique Antwerpse wijk waar Dockx woont, sb) word ik daar niet mee geconfronteerd, natuurlijk.

Anderzijds: Antwerpen is een rechtse stad, maar we hebben wél een fantastische underground. Een plek als Het Bos, daar voel ik mij echt omringd door mensen die het beste met mekaar voorhebben én kritisch staan tegen het beleid van het stadsbestuur. Daar hangt echt een bepaalde dynamiek. Als dat er niet meer zou zijn, zou ik mij een vreemdeling in eigen stad voelen. (lacht luid) Hoor mij hier een Vlaams Belang cliché gebruiken!

Politiek is een netelige kwestie natuurlijk. Sommige mensen waarmee ik speel en die zeker het hart op de juiste plek hebben, willen daar toch niet mee bezig zijn. Maar eigenlijk: ik moet niet teveel zeggen hé. Ik doe mijn mond wel open, maar tegelijkertijd doe ik ook geen vrijwilligerswerk ofzo hé. Ik ben heel erg op mezelf gericht…’

Af en toe de naam Chomsky droppen in een interview is misschien ook al heel wat.
‘Ik heb bewondering voor zijn moreel kompas, hoe hij heel zijn leven lang al op dezelfde nagel blijft slaan… Zijn carrière als linguist had nog veel hogere toppen kunnen scheren als hij niet zoveel energie in zijn activisme had geïnvesteerd. Keer op keer botste hij op dezelfde muur, maar hij bleef met de glimlach zijn verhaal over het neoliberalisme vertellen, al vanaf zijn originele analyse uit de jaren zestig. Als men hem vraagt hoe hij de energie opbrengt om te blijven hameren op dezelfde kwesties, zegt hij dat hij niet anders kan, dat het zijn plicht is om z’n positie te gebruiken om onrecht aan te kaarten. Misschien weerhoudt dát mij om écht tot actie over te gaan: eens je de keuze maakt om activist of hulpverlener te worden, kan je moeilijk terug. En ik wil toch ook vooral gewoon graag muziek maken. Hopelijk is dat ook een zinvolle bijdrage tot de samenleving. Anderzijds: die paar keer dat ik een onbekende in nood daadwerkelijk heb geholpen, deed dat echt wel deugd.’


Dit artikel verscheen eerder in GC #159.

Koop deze editie in onze webshop!

Reacties