Blog

DOCVILLE 2011 – Archief: interview met Sofie Benoot (‘Blue Meridian’)


De fictionele werkelijkheid van ‘Blue Meridian’

Zeg nooit zomaar ‘documentaire’ tegen de films van Sofie Benoot. Ze grijpt haar beelden uit het leven, maar uiteindelijk is het haar eigen werkelijkheid die ze ermee toont. ‘Blue Meridian’ is haar tweede bespiegeling op een ongrijpbaar Amerika.

Sofie Benoot - Foto: Caroline Lessire

Haar afstudeerproject ‘Fronterismo’ was meteen een gedroomd visitekaartje: een sterk eigenzinnige, strak gestileerde film in een minder voor de hand liggend genre. De kortfilm maakte een goede beurt op diverse festivals, en scherpte de verwachtingen voor de opvolger. Sofie Benoot greep haar kans om de lat wat hoger te leggen: ‘Blue Meridian’ is een volwaardige langspeelfilm, met andermaal een verborgen hoek van de Verenigde Staten in de hoofdrol.

Je eerste film was eigenlijk nog een studentenproject, maar kwam toch heel zelfverzekerd over. Het leek wel of je er jaren op had zitten broeden.
Sofie Benoot: “Toen ik film ging studeren, was dat met de intentie om fictie te maken, maar al vanaf het eerste jaar bleek dat mijn voorkeur uitging naar documentaire. Bij fictie heb je alle controle over de wereld die je presenteert, je kunt die in zekere zin helemaal zelf opbouwen. Bij een documentaire wordt ook het onverwachte een element dat onvermijdelijk gaat meespelen. Dat vind ik spannender, dat verlies van controle.”
“In mijn laatste jaar groeide het idee om een documentaire te maken over de grens tussen Mexico en de Verenigde Staten. Uiteindelijk ben ik daarheen getrokken en heb ik er mijn eerste kortfilm ‘Fronterismo’ gedraaid. Gewoon op eigen kracht, met een kleine crew van vier mensen, die gelukkig onbezoldigd wilden werken.”
Wat trok je zo aan in de streek rond de Rio Grande?
SB: “Ik heb altijd al een fascinatie gehad voor Amerika in het algemeen, en op dat moment had ik net de ‘Border Trilogy’ van Cormac McCarthy gelezen, die grote indruk op me had gemaakt.”
Was er ook het visuele element dat meespeelde, het fotogenieke van de regio?
SB: “Natuurlijk. Ik hou zelf erg veel van westerns, dus ik had wel een idee van de landschappen die ik daar zou aantreffen. Ik ben dus aan het project begonnen met al die inspiratie in mijn hoofd – die dus eerder uit de fictie kwam dan uit de realiteit.”
Je wilde eigenlijk dat beeld gaan toetsen aan de werkelijkheid.
SB: “Dat speelde enigszins mee, ja. En omgekeerd is het fictionele aspect ook terug in de film geslopen. Eigenlijk is er veel mise-en-scène. Elk shot werd heel nauwkeurig gekadreerd en ook de personages zijn heel doelbewust gekozen, ‘gecast’ zou je bijna kunnen zeggen. Zo heb ik dan toch mijn eigen versie van die wereld gecreëerd, uit de realiteit gedestilleerd.”
Had je een vooropgesteld plan toen je naar Amerika trok? Had je genoeg research gedaan om te bepalen wat de inhoud moest worden en welke elementen je erbij wilde betrekken?
SB: “Ja hoor. Ik was er weliswaar nooit eerder geweest, maar ik heb me zes maanden lang intensief voorbereid. Ik had maar een maand draaiperiode gerekend, dus ik wilde niet voor onaangename verrassingen komen te staan. Ik wist op voorhand precies welke plekken ik wilde aandoen, wat voor soort mensen ik wilde opzoeken… Maar het is de meest desolate plek van Amerika; het is niet zo dat je die inwoners snel op Facebook zult terugvinden. Ik heb vele telefoontjes moeten doen om mijn figuranten bijeen te sprokkelen. Zo wilde ik absoluut een oude cowboy in de film. Ik heb toen oude kranten uitgepluisd tot ik uiteindelijk een klein artikeltje vond over een voormalige cowboy die een ranch had in de streek. Zo heb ik alles beetje bij beetje voorbereid.”

Trip

Sofie Benoot - Foto: Caroline Lessire

GC: Je zei net dat documentaire ook ruimte laat voor toevalligheden. Hebben onvoorziene omstandigheden nooit je meticuleuze planning in de war gestuurd?
SB: “Eigenlijk niet. Maar het waren zeker wel moeilijke omstandigheden om te werken. Het is een vrij onherbergzaam gebied, en de grensproblematiek is daar een gevoelig onderwerp.”
GC: Heb je daardoor nooit weerstand ondervonden van de plaatselijke bevolking?
SB: “Nee, want ze begrepen al gauw dat ik gewoon hun situatie wilde tonen. De politiek van het immigratieprobleem is slechts op de achtergrond aanwezig in de documentaire. Ik heb me gericht op de mensen die toch op die plek blijven wonen, omdat ze niet weg willen of kunnen.”
GC: De film is meer een sfeerbeeld van de regio dan een diepe analyse van het probleem.
SB: “Inderdaad. Ik heb niet de bedoeling om informatief te werken; voor mij is de documentairestijl geen vehikel om informatie mee te geven. Het blijft voor mij een film, en dat is iets heel anders dan een journalistiek document waarin je een bepaalde problematiek gaat uitdiepen. Ik probeer de feiten op een andere manier te presenteren.”
Zijn er andere regisseurs die een verwante stijl hanteren?
SB: “Voor ‘Fronterismo’ was Robert Kramer een grote invloed, meerbepaald zijn ‘Route One USA’. Dat is helemaal mijn manier van werken: je komt terecht in één grote beeldenstroom. Achteraf weet je zelfs niet meer precies wat je hebt gezien, maar je hebt wél een trip beleefd. Daar streef ik naar: dat je als kijker van die sfeer kunt proeven. Het verhaal achter die beelden, en de onderlinge verbanden, die moet je zelf maar zoeken. Ik hou meer van zo’n associatieve aanpak dan van, zeg maar, een Michael Moore, die je alles oplepelt en niets aan de verbeelding overlaat.”
“Overigens mag je mijn invloeden vooral in de fictie zoeken. Daar zijn de Coen Brothers, natuurlijk. Die hebben de streek volledig raak getroffen in ‘No Country For Old Men’. Verder alle westerns van John Ford, en Sam Peckinpah. Terrence Malick, vooral ‘Days Of Heaven’. Ik heb ook veel opgestoken van Gus Van Sant, met name zijn benadering van het tijdsverloop in film in het algemeen. Lang uitgesponnen en traag – ik hou van traag (lacht). Ik vind dat nodig om de beleving ten volle over te brengen.”
Je filmtaal is dan ook sterk afwijkend voor een documentairefilm. Soms is ze zelfs meer verwant met fotografie.
SB: “Ik voel eerder verwantschap met het theater. Ik kies heel overwogen de plaats waar ik de personages in beeld breng: ik toon ze centraal in hun omgeving, en geïsoleerd, helemaal alleen. Het is bijna alsof ze op een podium staan. Zo krijg je minder het gevoel dat ze worden geïnterviewd, eerder dat ze zichzelf spelen.”
Zelfs je bewegende shots zijn heel strak afgelijnd.
SB: “Inderdaad, ik werk uitsluitend met travelings, altijd in dezelfde richting. En ook hier weer: het landschap schuift traag voorbij, net als in een traditionele road movie. En wederom ben ik heel kieskeurig over de locaties die worden getoond. Ik kan uren rondrijden voordat ik de juiste plek tegenkom: “Dít huis moet het zijn.” Heel leuk als je tegen de klok werkt (lacht).”

Ramp

Sofie Benoot - Foto: Caroline Lessire

‘Fronterismo’ werd alleszins enthousiast ontvangen. Ik veronderstel dat je tweede project al makkelijker was om op poten te zetten?
SB: “Productiegewijs was ‘Blue Meridian’ een stuk ambitieuzer. Ik heb het geluk gehad dat ik met ‘Fronterismo’ een geldprijs van VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds, dv) heb gewonnen, waarmee ik al aan de slag kon. Maar dat was eerder het budget voor een kortfilm, en ik wilde dit keer absoluut een lange documentaire draaien. Ondertussen was ook het idee gegroeid om een trilogie van films over Amerika uit te werken.”
“Dankzij Herman Asselberghs – mijn projectbegeleider tijdens ‘Fronterismo’ – ben ik toen bij het productiehuis Auguste Orts terechtgekomen. Alhoewel die voornamelijk kunstprojecten doen, vonden ze dit wel een interessante uitdaging. Zij hebben enorm veel geholpen bij de financiering – partners zoeken, subsidies, de boekhouding – zodat ik me volledig op de creatie kon richten.”
Had je dit keer je onderwerp snel te pakken?
SB: “Dat wist ik al toen ik besloot een trilogie te maken. De ondertitel luidt namelijk ‘American Water’, en dat gegeven vormt de rode draad tussen de films. In de eerste film was het de Rio Grande, en de derde film wordt een documentaire-western over het gebrek aan water in de streek van Utah, Wyoming en Nevada. ‘Blue Meridian’ handelt over de ‘Deep South’, het gebied rond de Mississippi.”
Sinds de ramp met Katrina is die regio, en vooral dan New Orleans, het onderwerp geweest van enkele veelbesproken documentaires, en nu ook een televisiereeks (‘Treme’, van de makers van ‘The Wire’, dv). Was het een uitdaging om nog een eigen invalshoek te vinden?
SB: “Een beetje wel. Zoals je zegt: daar wordt vooral gefocust op New Orleans, en dat was niet mijn bedoeling. Mijn film eindigt daar, en het verhaal dat ik vertel gaat over het Zuiden, niet over Katrina en haar gevolgen.”
Draagt de rest van de omgeving ook niet de repercussies van de ramp?
SB: “Zeker wel, maar het is sowieso een streek met een zeer turbulent, dramatisch verleden. De slavernij, de burgerrechtenoorlog… Het zijn allemaal factoren die ervoor gezorgd hebben dat het Zuiden wat in verval is geraakt. Ik moet wel toegeven dat ik er ook voor gekozen heb om vooral dat aspect te belichten. Zonder dat het karikaturaal wordt, maar ik toon toch weer mijn eigen versie van die wereld.”
Nu je het zegt: dat verwrongen beeld van de Verenigde Staten, en vooral de dunbevolkte, achtergestelde regio’s, is iets wat de jongste jaren wel sterk leeft in Europa. De berichtgeving vanuit de Verenigde Staten is hier ook vrij selectief en oppervlakkig, waardoor je al snel een erg eenzijdig beeld krijgt, en bepaalde ontwikkelingen maar moeilijk kunt begrijpen. Je bent bij het filmen in aanraking gekomen met de onderlaag van de plaatselijke bevolking – hoe heb je die maatschappij zelf ervaren?
SB: “Voor alles wat je in algemene zin over de Verenigde Staten kunt zeggen, kun je evengoed het tegenovergestelde beweren. Je hebt er fenomenen als de Tea Party, maar er is ook een heel grote linkse beweging; het zijn de grootste vervuilers, maar er is ook een zeer fanatiek milieuactivisme. Dat soort extreme tegenstellingen kunnen wij hier maar moeilijk begrijpen. Het is uiteindelijk een land dat veel mensen intrigeert – of afstoot. Er gaan inderdaad ook heftige gevoelens mee gepaard; je kunt er moeilijk neutraal tegenover staan. Amerika doet mensen dromen, en bij mij was dat ook het geval. Mijn fascinatie met de Verenigde Staten is dan ook een soort haat-liefdeverhouding, precies omdat je daar die diversiteit hebt. Ik probeer daarom ook mijn eigen vooroordelen compleet weg te cijferen in mijn werk. Een redneck in het Zuiden benader ik op dezelfde manier als een linkse protestzanger.”
Nooit op je lip moeten bijten, wanneer iemand voor de camera dingen begon te verkondigen waar je het heftig mee oneens was?
SB: “Jawel hoor, vaak zelfs (lacht). Vooral ook omdat ze je vaak volledig in hun leven toelaten. Dat zijn dan ongelooflijk open en sympathieke mensen, en opeens hoor je ze dingen zeggen die je zo hard tegen de borst stuiten… Maar dat is tegelijkertijd het fascinerende aan mijn werk: zo begeef ik me noodzakelijk in een milieu waar ik anders nooit zou komen.”
Heb je bij die mensen ook nooit enige achterdocht gemerkt?
SB: “Toch niet. Misschien wel omdat de crew uit drie jonge vrouwen bestond (lacht). Natuurlijk zijn ze wel bekommerd om de manier waarop ze zullen worden geportretteerd, maar daar ben ik vanaf het begin duidelijk over: ik ga geen oordeel over hen vellen. Al blijft het wel een kritische film, denk ik, gewoon door de associaties die je als kijker gaat maken.”
Je hebt je ook nooit onveilig gevoeld daar? Want dat is nog zo’n cliché over het Diepe Zuiden.
SB: “Ja, New Orleans heet de derde gevaarlijkste stad van Amerika te zijn… Daar hebben we niks van gemerkt. En ik was nauwelijks terug in Brussel, of ik werd beroofd (lacht). Zo relatief is het dus.”
“Maar ik heb me soms wel ongemakkelijk gevoeld, bijvoorbeeld toen we in een kerk gingen filmen waar de misgangers compleet uit zichzelf traden. Op zo’n moment voelde ik me daar echt niet op mijn plaats, en dat was heel dubbel. Enerzijds ben je gefascineerd, maar daardoor voel je je ook een voyeur. Dat voelde bijna té intiem. Dat heb je ook wanneer je sommige verhalen hoort: die waren zo triest, het was niet altijd makkelijk om daarmee om te gaan.”

Engagement

Sofie Benoot - Foto: Caroline Lessire

Had je bij het maken van je tweede film het gevoel dat je als filmmaker in een bepaalde richting evolueerde?
SB: “Zeker wel. Mijn eerste film was voor een eindwerk al vrij lang, maar een echte langspeelfilm maken is toch nog andere koek. Ik ben ook iemand die zeer systematisch filmt en werkt, maar ik wil niet in systematiek vervallen – dat je als kijker snel doorhebt hoe de film werkt, waarna die voor de rest helemaal niet spannend meer is. En het is moeilijk om die spanningsboog aan te houden gedurende tachtig minuten. Dus zeker in de montage achteraf heb ik echt nieuwe manieren moeten vinden om mijn eigen stijl ook boeiend te houden. Gelukkig heb ik uit de ervaring met de eerste film ook geleerd om veel meer te filmen; toen had ik bijna te weinig beelden.”
Het Zuiden is ook de bakermat van veel muziekgenres. Is die erfenis ook in ‘Blue Meridian’ terug te vinden?
SB: “Er is geen muziek voor de film gecomponeerd, maar er zit wel heel veel muziek in, allemaal live vertolkt. Zo toon ik een barbershopkoor, een stel rappers, cajun en blues… Er zit veel variatie in. De muziek wordt bijna een personage in de film. Ik heb ook veel aandacht besteed aan het sounddesign; daarvoor heb ik samengewerkt met Senjan Jansen. Ik vind de geluidsband eigenlijk even belangrijk als de film zelf.”
Wat zijn nu je verwachtingen voor deze film? Je hebt deze week première in de Beursschouwburg; liggen er ook al andere vertoningen in het verschiet, of festivals?
SB: “We moeten nog beginnen met de distributie, dus dat wordt nog even spannend. Festivals blijven een hangende zaak – Fronterismo heeft wel een mooi parcours afgelegd, en dat opent wel deuren, maar uiteindelijk weet je nooit of je film geselecteerd zal worden. Er zijn een paar filmclubs, zoals Cinema Zuid in Antwerpen, die Blue Meridian zullen vertonen, en dankzij Orts kunnen we ook in enkele kunstencentra terecht. Ik merk wel dat de laatste tijd de interesse in documentaires wat opwakkert. Maar in het reguliere circuit blijft het echt wel moeilijk om voet aan grond te krijgen, zelfs een distributeur vinden is al moeilijk genoeg. Helaas!”
Zie je jezelf ooit nog de stap naar fictie zetten?
SB: “Wie weet… Ik maak voor mezelf eigenlijk het onderscheid niet zo. Film is film, en ik ben vooral geïnteresseerd in de verschillende manieren waarop je daarin een onderwerp aanpakt.”
Denk je dat een sociaal-kritische noot altijd een element in je films zal blijven?
SB: “Hm, het woord ‘sociaal’ doet me onwillekeurig denken aan Ken Loach, of zo. Dat is niet de bedoeling. Ik zou eerder spreken van engagement, en dat kun je op veel manieren uitdrukken. Ik ben niet zo’n fan van puur realisme. Ik ben wel geïnteresseerd in het achterliggende verhaal, maar ik wil dat op een andere manier naar voren brengen. Ik vertrek meer vanuit een fascinatie dan uit sociale bewogenheid.”
“Overigens ga ik na de trilogie echt wel mijn focus buiten de States richten. Misschien dat ik dan wel een film maak over België, als het nog bestaat (lacht).”

Comments


Reacties


Geen facebook? Reageer hier

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.



%d bloggers liken dit: