Blog

The National en de valkuil van de ‘Grote Kunst’


Het kwintet The National uit Brooklyn, New York, wordt beschouwd als een van de meer serieuze groepen binnen het internationale spectrum van de pop. Serieus genoeg voor de Nederlandse popcritici om het meest recente album van het gezelschap ‘High Violet’ in 2010 in de top van de zogenaamde ‘jaarlijstjes’ te kiezen.

The Long Count

De musici van The National willen ook graag serieus genomen worden. En de geschiedenis heeft geleerd dat als popmuzikanten zich als serieuze kunstenaars willen positioneren, ze zich doorgaans op het terrein van andere artistieke disciplines gaan begeven. Disciplines die in de algemene opinie wat meer met ‘kunst’ geassocieerd worden dan popmuziek.
En vaak komen ze daar ook prima mee weg.
Neem nu dEUS’ Tom Barman. Diens film ‘Any Way the Wind blows’ heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat zijn status in België van ‘popster’ naar ‘cultuurpaus’ is gestegen. Trouwens, ook Barmans voormalige companen Rudy Trouvé en Stef Kamiel Carlens zijn mannen waar in België rekening mee wordt gehouden in het beeldende kunst circuit. Nick Cave is gerespecteerd als literator. Kim Gordon beweegt zich probleemloos in de Amerikaanse mode- en performance-artwereld. En Mike Patton wist zich vorig jaar tijdens het Holland Festival probleemloos in het twintigste eeuwse gecomponeerde repertoire van Luciano Berio te voegen.
Het aantal voorbeelden is nog veel groter. Dat is ook niet zo vreemd. Veel popmuzikanten hebben een blauwe maandag of langer aan een kunstacademie, conservatorium of filmacademie gestudeerd. En dat dubbeltalenten eerder regel dan uitzondering zijn ligt ook voor de hand. Creativiteit kan tal van gedaanten aannemen. Wat vooral meetelt is of je meerdere media of disciplines ambachtelijk een beetje in de vingers hebt.

De gitaarspelende tweelingbroers van The National, Bryce en Aaron Dessner, kregen in 2009 het verzoek van de Brooklyn Academy of Music om iets te maken voor het Next Wave Festival in oktober van dat jaar. Het werd een ‘multimediaal muziektheaterstuk’, waarvoor werd samengewerkt met ondermer videokunstenaar Matthew Ritchie en een twaalfkoppig kamerensemble onder leiding van violist en gitarist Rob Moose, die bij sommigen ook bekend zal zijn van zijn betrokkenheid bij Antony and the Johnsons.
Het thematische uitgangspunt van de Dessners was tweeledig: Enerzijds hun onderlinge relatie als tweelingbroers. Daarnaast bleek het mythische scheppingsboek van de Maya’s uit Guatemala, de Popol Vuh, een inspiratie. En laat in dat boek nu ook weer een ‘heldentweeling’ figureren. De titel van het geheel luidt ‘The Long Count’, verwijzend naar de ‘scheppingskalender’ in de Popol Vuh. Aan een verhaallijn hebben de broers zich verder niet gehouden. Hun voorstelling omvat een tiental songs die losjes gebaseerd zijn op de thematiek en aaneengekit door uitgesponnen instrumentale stukken.

The Long Count

Het oogt allemaal fraai in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ‘t IJ op de openingsavond van het Holland Festival. Subtiel decor, fraaie abstracte videobeelden. En zangeres Shara Worden van de groep My Brightest Diamond – één van de drie gastvocalisten – draagt een opvallend duidelijk aan de Maya-cultuur refererend masker. Maar waar ‘The Long Count’ nu eigenlijk over gaat; welk verhaal er verteld wordt, daarover blijft het publiek in het ongewisse.
Het begint met één getokkelde gitaar. Vervolgens komt daar een tweede gitaar bij en daarna steeds meer instrumenten uit het ensemble. Een vorm die je met enige goede wil nog wel als ‘scheppingsverhaal’ zou kunnen interpreteren. Maar daarna is het snel afgelopen met de verhaallijn of spanningsopbouw. Bij de Amerikaanse concerten in 2009, werkten Kim en Kelley Deal van The Breeders als vocalisten mee. Ook een tweeling, net als de Dessners. Amsterdam moet het echter met alleen Kelley doen en daarmee verdwijnt gelijk weer een deel van de symboliek. Maar wat Kelley Deal laat horen maakt indruk. Ze heeft een rauwe, diepe stem die wel wat aan Marianne Faithfull doet denken. Haar bijdragen vormen het meest overtuigende onderdeel van het programma.
National-zanger Matt Berninger mag ook voor één liedje opdraven. Het is de bijdrage die het meest op een reguliere National-song lijkt.

Tussen de vocalisten door spelen de het ensemble en de Dessner-broers het soort romantisch schmierende minimalmuziek waar iemand als de Vlaming Wim Mertens patent op heeft. Welluidende klanklagen met asymmetrische ritmes die geraffineerd over elkaar schuiven. Het ensemble speelt het goed. Feilloos zelfs.
Toch overtreft het eindresultaat nergens het ‘oh wat mooi’ niveau. Muziek die degelijk in ekaar zit en ongetwijfeld behaagt, maar nergens beklijft. Daarvoor is de impact te gering en de thematiek te mager uitgewerkt en de algehele artistieke visie te dun. Zo slaan beide broers een aan een touw slingerende elektrische gitaar naar elkaar met een soort cricket-bat – verwijzend naar een millennia oud balspel dat door de broers in de Popol Vuh wordt gespeeld. Het blijft hier echter een gimmick zonder enige muzikale functie.
‘The Long Count’ kabbelt voort, zonder merkbare ontwikkeling, opbouw of climax. Een vrijblijvend mozaiek van muzikale elementen dat na zeventig minuten gewoon weer stopt. En dan is het afgelopen.
Als poging van de organisatie om gelijk in de eerste week de gemiddelde leeftijd van het Holland Festival publiek aantrekkelijk laag te houden zijn de twee ‘The Long Count’-avonden zondermeer geslaagd. Maar eerlijk gezegd heeft The National met deze voorstelling niet aan artistiek krediet gewonnen. Integendeel.

Gezien: Wo 1 juni 2011, Muziekgebouw aan ‘t IJ, Amsterdam

Comments

comments


Reacties


Laat een reactie achter