banner_moremusic_cactus
Blog Magazine

De programmeur is een handelaar


WORM-programmacoördinator Jan Hiddink trapt een nieuwe serie af over het nieuwe programmeren. Op basis waarvan worden artiesten geboekt, wat zijn de veranderingen daarin, en hoe kan het beter?

Binnen het brede veld dat we in de lage landen ‘de kunsten’ noemen, zijn er twee beroepsgroepen die qua werkzaamheden overeenstemmen, maar die qua professionele afwegingen niet verder uit elkaar hadden kunnen liggen: die van de curator en de programmeur. Dat is opvallend, want beiden bepalen per saldo wat wij zien en horen. Zij spelen kortom een grote rol in het bestaan en ontwikkelen van onze smaak.

De curator

De curator werkt bij een kunstinstelling. Meestal is het een zij, soms ook een hij. De wil van de curator is wet. Als die beslist om een grote overzichtsexpositie te relateren aan ‘complotdenken’, is er geen enkel obstakel dat dat in de weg staat. Het verhaal van de curator is daarbij leidend: ook werken die in aanleg niet gerelateerd zijn aan de thematiek, worden in handen en geest van een vaardige curator voor de kar van het complotdenken gespannen.
Dat is geen kwestie van zomaar een beetje manipuleren: het vergt tijd, tekst en tact. Als de curator mis schiet, is het gedaan met de naam en reputatie van de persoon en de instelling, en wacht een bestaan in anonimiteit. Het handelen, het denken, het cureren van de curator is er in alles op gericht om dergelijke trammelant te voorkomen. Hoe ze dat precies doen, blijft ongewis: hun wijze van opereren heeft te maken met zowel vakkundigheid als wereldlijke kennis, met het netwerk, met de tijdgeest, met de geschiedenis, maar zeker óók met de plek waar de curator werkt.

Het discours

Hoe de curator de operatie uitwerkt, is ook niet altijd doorgrondbaar. Menigeen met een kritisch-journalistieke blik kan in een enkele handomdraai de gepresenteerde logica bij een expositie lek schieten – vooral omdat de vrije gedachtegang van het kunstendiscours het daglicht van de Realpolitik geen moment kan verdragen. In het verleden werd die moeite nog wel eens genomen, in pogingen om hedendaagse beeldende kunst te ontmaskeren als een ijdel spel van misleiding en bedrog. Tegenwoordig komt het zelden nog zover; tegenwoordig voltrekt het geheel zich binnen zijn eigen logica en gaat het vooral om de vraag of het discours is gediend bij de expositie. Sommigen noemen dat een echoput, anderen een logische uiting van beschaving en vooruitgangsdenken.
Dat is, grofweg, het koord waarop de curator moet zien te dansen. Het discours moet gediend. De verwachtingen moeten gemanaged. De beloften moeten kloppen. De kans op kritiek moet geminimaliseerd. De kunstenaar moet geëerd. En de opening moet natuurlijk grandioos en onvergetelijk zijn. De dienstdoende fotograaf wordt gesommeerd iedereen van belang te fotograferen. Wie het allemaal tot zich door laat dringen, krijgt ineens begrip voor medewerkers bij beeldende kunstinstellingen die dagen vóór een opening al met stressvlekken in de nek rondjakkeren.

De programmeur

Groot is het verschil met de programmeur. De programmeur heeft elke dag een opening. Na verloop van tijd wordt hij daar nog amper koud of warm van. De programmeur werkt bij een popzaal. Meestal is het een hij, een enkele keer ook een zij. De programmeur heeft een eigen wil, maar hoedt zich ervoor deze professioneel uit te spelen. De programmeur is een handelaar, die bemiddelt tussen vraag en aanbod. De programmeur neemt selectief de telefoon op en beantwoordt de mail al even selectief. Daar heeft hij alle reden toe: hij wordt namelijk zeven dagen in de week overspoeld – met een aanbod van tien tot twintig keer meer dan hij een podium kan bieden. De programmeur vermijdt het liefst de discussie daarover. Daarom geeft hij ook vaak niet thuis: wie is hij om afbreuk te doen aan die razend knappe, superstrakke, volkomen relevante postrockband uit Bordeaux die zijn verhaal ook mooi op orde heeft?
Daarom houdt hij er ook niet van rechtstreeks met bands te praten; liever praat hij met hun vertegenwoordigers: boekingsbureaus. Met hen kan hij een zakelijk gesprek voeren – over tijden, over prijzen, over honoraria, over geld dat er bij moest of dat er juist overbleef. Programmeurs en boekingsbureaus ontwikkelen een zakenrelatie, die steunt op geven, nemen, gunnen en kunnen. Beide bedienen de markt.

Het geld

Dat kan radicale vormen aannemen. De programmeur kan op zondagavond onder vrienden in een parmantig betoog laten horen hoe er een rechtstreekse lijn loopt van het Hollandse Gore in 1986 naar Amerikaanse adepten als Bitch Magnet en Earth enkele jaren later – en hoe daaruit weer SUNN O))) ontstond. Zo openbaart hij toch een saillante historische lijn. Niettemin peinst de programmeur niet over zulks via een boeiende totaalavond inzichtelijk te maken in de concertzaal die toch tot zijn beschikking staat. Hij mist daartoe elk curateel kunnen of inzicht; de gedachte komt niet eens bij hem op. In plaats daarvan gaat de programmeur de volgende maandag naar zijn werk, checkt de voorverkoopstanden en laat blijmoedig aan de wereld weten: “BAM! Ook het derde Paasconcert van Caro Emerald is nu uitverkocht – #gottaloveit!”
Voor de concertzaal van dienst is de programmeur daarmee goud waard. Hij levert een wezenlijke bijdrage aan een exploitatie waarin miljoenen op het spel staan – miljoenen die alleen maar hun noodzakelijke verzilvering vinden als de bak geregeld vol zit. Kortom, de programmeur moet presteren in een wereld van markt en strijd. Zijn werk benadert zo nu en dan de stress op de beursvloer. Zijn concertzaal is in de regel gesubsidieerd en hij dient in die hoedanigheid de publieke zaak, maar net als in Hilversum, bij de publieke omroep, is zijn definitie van ‘publiek’ verschoven van ‘democratisch’ naar ‘volks’: zestigduizend Pinkpopfans can’t be wrong. Wie is hij om bands inkomensverbetering te ontzeggen? Nou dan. Als dat geen sociaaldemocratie is. Iedereen wil groei.

Onvolkomen festivals

Te midden van alle groei en jubel legden recentelijk twee van de meest aansprekende festivals van het afgelopen decennium het loodje. All Tomorrow’s Parties in Engeland en Incubate in Tilburg lijken beide op sterven na dood. Beide hebben mij de beste momenten van het afgelopen decennium bezorgd – momenten van muzikale uitzinnigheid en een intens gevoelde lotsverbondenheid die ik op andere festivals niet tegen kwam. Juist hun onvolkomenheden kunnen daarbij niet genoeg geprezen worden: de concerten die zich in Tilburg afspeelden in over de stad verspreide barretjes, kunstgalerietjes of andere ruimtes die er totaal niet op gebouwd zijn, gaven het festival een charmante meerwaarde die wordt geleid door het gevoel iets te beleven waar je dat anders nooit zal beleven.
Tegen dat gevoel is geen professionele concertzaal opgewassen. Het blijft ook een onverteerbare zaak dat Le Guess Who, het enige volkomen inhoudelijk geprogrammeerde popmuzikale festival van Nederland en daarmee de hedendaagse evenknie van Holland Festival, onderdak heeft gevonden in Tivoli Vredenburg: het muziekpaleis dat er nooit had mogen komen. Je moet het willen: zoemend op de roltrap omhoog met een biertje in de hand, de foodplaza overstekend op weg naar nog zo’n volmaakte zaal met een mooie naam. Daar kom je om artiesten te zien optreden in een door en door gesubsidieerde miljoenenomgeving – terwijl diezelfde bands en artiesten in woord en gebaar, in look, feel, gestalte en bezieling producten zijn van frictie, armoe, wrok, extase, malheur en andere uitersten van het menselijk welbevinden, of beter: van het menselijk tekort. Als nu die uitersten in Tivoli Vredenburg, het warenhuis van de moderne muziek, verworden tot vanzelfsprekende consumentencultuur, dan verdwijnt er onmiskenbaar iets wezenlijks uit de ervaring van de muziek –misschien wel de essentie zelf.
Vandaar ook die voorkeur voor het afgeragde cafeetje in Tilburg, of de wanstaltige vakantieparken in Engeland waar All Tomorrow’s Parties plaats pleegde te vinden: het afzien verdubbelt de feestvreugde en intensiveerde bij uitstek de ervaring. Daar valt – natuurlijk – tegenin te brengen dat de omstandigheden voor de artiesten in Utrecht fabuleus zijn: podiumbeeld, geluid, licht, projectie, zichtlijnen, publieksspreiding bevinden zich op het hoogste niveau denkbaar. Optimaler kan een band zichzelf niet presenteren.

Irrelevante programmering

Maar misschien gaat het bij een festival ook helemaal niet om de artiesten. Misschien moeten we erkennen dat festivals de bio-industrie van het cultuurwezen vertegenwoordigen: in vrachtwagens tegelijk worden de artiesten aangevoerd, in vrachtwagens tegelijk worden ze afgevoerd, en tussendoor vindt er een optreden plaats dat heel succesvol dan wel hoogst ongelukkig kan uitpakken. Het publiek, hoe dan ook, heeft het eerste en het laatste woord: hun ervaring staat voorop, de rest is secundair. Het was dan ook hoogst merkwaardig dat vorig jaar, toen Lowlands meer dan ooit onder druk stond om voorbije succesjaren te evenaren, de grote kranten uitpakten met een jubelzang op de programmering “die misschien wel beter was dan ooit”. Zeker, alleen: om de programmering ging het daar toch al nooit. Dat weet iedereen die er ooit was – behalve dan de professionals van de pers, die het zicht op de campingervaring al lang verloren zijn en elkaar aanpraten dat de line-up van het programma doorslaggevend zou zijn. Maar in Biddinghuizen gaat het om het dáár zijn, afgesloten van de normale wereld, drie dagen lang in een achtbaan met vrienden en bekenden, in een wereld die nauwelijks levensecht genoemd kan worden, maar fantastisch zoveel te meer. En ja, er staan ook bands. En ja, het doet er toe wie dat zijn, hoe ze presteren, en het maakt uit of ze afgezaagd of hoogstaand zijn. Maar de beslissende factor is het niet. De beslissende factor is: gaan mijn vrienden? Zo ja, dan ga ik ook. Zo nee, dan ga ik ook niet.

De consument

De consument staat daarbij voorop; niet de artiest. De artiest is overgeleverd aan een battle for hearts and minds die hijzelf niet kan winnen. In het beste geval wacht er een miljoenenpubliek op hem, met bijbehorende verdiensten. In het slechtste geval wordt er decennialang geploeterd zonder enig vooruitzicht dat het ooit beter zal worden dan het nu eenmaal is. En steeds vaker is er een kortstondig moment van roem, waarna de vergetelheid weer opduikt. Zullen de Black Keys ooit nog opnieuw de Ziggo Dome uitverkopen?
Niettemin: aan dergelijke grillen van de markt zijn artiesten nu eenmaal overgeleverd. Het komt nog steeds voor dat een artiest het ene jaar voor duizend euro in een zogenaamd kleine zaal staat en een jaar later in een uitverkocht huis, voor een tienvoud van dat bedrag, voor een tienvoudig publiek. Het is dan ook altijd potsierlijk om te zien hoe in Nederland juist de SP – de Socialistische Partij – zich met graagte de grootste vriend van de popmuziek toont en schermt met miljoenen aan de horizon, die voor eens en altijd een eind zullen maken aan het evidente onrecht die de betalingen in de popsector vormen. Vaak gaat dat gepaard met verwijzingen naar andere sectoren – opera, theater, jazz – waar de omstandigheden zoveel beter zouden zijn. Maar die sectoren vormen helemaal geen marktplaats en zullen dat ook nooit meer worden – terwijl binnen de popmuziek de georganiseerde markt alleen maar groter en sterker is geworden. Wie dat niet gelooft, hoeft alleen maar te kijken naar het daverende succes van industrie-evenementen als SXSW in Austin en Eurosonic in Groningen. Menigeen vindt een bezoek aan beide evenementen verplichte kost, elk jaar weer, en zelfs de nationale omroep acht het noodzakelijk om onze belastingcenten in Austin stuk te slaan. Op wat eigenlijk? Antwoord: op een onwaarschijnlijke hoeveelheid artiesten. Tientallen. Honderden. Duizenden. Artiesten die ziel en zaligheid, heel hun artistieke kunnen erin hebben gelegd. Wie een innige band heeft met een artiest, weet dat een enkele uitgave een ware goudmijn kan zijn: een enkel liedje bevat vaak al een web van verwijzingen naar andere artiesten, literatuur, persona, die in samenhang met je eigen culturele vorming een rijk baken van zingeving in een onzinnige wereld kan vormen. Wat blijft er nu van dat enorme potentieel over binnen een culturele industrie waarbij artiesten als slachtvee naar het podium worden gedirigeerd? Een uitzinnige voetnoot op zijn best. En daarna is het hopen dat het goed gaat. Of goed komt.

Goednieuwsshow?

Kortom: de programmeur mag onderhand eens met de curator om tafel. Hij mag zich afvragen waarom hij als dienaar van de publieke zaak functioneert als een doorgeefluik van de entertainmentindustrie. Hij mag stilstaan bij een gesubsidieerde programmapraktijk die zich bijna geheel afhankelijk heeft gemaakt van de cultuurindustrie – en waarbij de krenten uit de pap steeds vaker het onderspit delven tegen de grote gemene delers. Hij mag zich achter de oren krabben bij de voortschrijdende festivallisering van het cultuurlandschap, waarbij de grote getallen de even machtige als exclusieve legitimatie van de kunsten vormen.
De programmeur moet, met andere woorden, op zoek naar betekenis – dezelfde betekenis die tot voor kort werd aangeleverd via de cultuurkritiek binnen de media, maar die daar nu een zieltogend bestaan leidt, vooral omdat ook binnen de media popcultuur geldt als het gouden kansje om je eigen publieksbereik te vermeerderen. Omroepen schooien via festivals leden bij elkaar; kranten sluiten partnerships in de hoop op abonnees. We lezen en zien daarom vooral dat het druk was, dat het goed was, en dat het publiek een vreselijk fijne tijd had – als een voortdenderende goednieuwsshow, waarbij steeds vaker de analogie met de sportwereld zich opdringt. Verkocht het potjandorie deksels nog aan toe toch weer uit? Hoeveel bezoekers waren er? Wat waren de hoogtepunten? Hoeveel werd er betaald voor de per privéjet aangevoerde rockmiljonairs?
De programmeur weet het zelf ook wel: het kan beter zijn om veel te betekenen voor weinig mensen, dan weinig voor veel. Menigeen is zelf ook zo begonnen: je muziekhobby brengt je op een donkere dinsdagavond, begin jaren 1990, bij een Zwitserse hardcoreband die optreedt aan de rand van een donker, kletsnat park in een grote stad. Je bent niet alleen: je bent met nog zes anderen. De band speelt loeistrak op leven en dood. Je vergeet het nooit meer. Je koestert dit voor het leven. Er ontstaat een liefde, zo diep, dat je van die liefde als vanzelfsprekend eigenlijk werk gaat maken. Want dat is het goede bij popmuziek: wie echt wat wil, kan nog steeds binnen afzienbare tijd zijn eerste deuk in een pak boter slaan – allemaal ondenkbaar binnen de film, het theater of de jazz. Er ligt dus een kans die benut moet worden – een kans die steunt op liefde. Wie nu die kans opoffert aan de logica van de cultuurindustrie, verliest niet alleen zichzelf, maar ook de liefde. Dat tekent nu grofweg de geestelijke armoe die zich zo onmiskenbaar laat voelen binnen het cultuurlandschap. Het is daarom tijd voor verrijking. Voor herijking. Het is tijd voor betekenis.

Over Jan Hiddink

Jan Hiddink is programmacoördinator bij WORM, Instituut voor Avantgardistische Recreatie te Rotterdam. Hiddink werkte ruim twintig jaar als programmeur in Paradiso Amsterdam en was tien jaar lang programmamaker bij de VPRO radio. Daarnaast leidde hij het 5 Days Off Festival en was hij actief als programmeur mediakunst voor de Melkweg.

 

Comments

comments


Dit artikel verscheen eerder in GC #138.

Koop deze editie in onze webshop!

Reacties