GC #137

In een eerste editie van 285 exemplaren brengt het collectief Kosmokrator, uit Gent en Aalst, zijn tweede ep op de markt. Al kunnen we net zo goed spreken van en debuut, want de voorganger betrof een demo op honderd exemplaren op een inmiddels onvindbaar geworden cassette, getiteld ‘To The Svmmit’. Met zijn vijven zijn ze, en live en op de hoes hebben ze lekker een zwarte kap over het hoofd. Gezichten en namen doen er niet toe. Sinds 2013 is Kosmokrator actief, met T., E., C.M., M. en J. als vaste waarden op bas, drums, gitaren en skruwels. Opnemen deed het kwintet met Phorgath en voor de mastering trokken ze naar de toepasselijk genoemde Temple Of Disharmony. Disharmonieuze chaos is zowat het streefdoel van Kosmokrator, dat in vier ijzersterke nummers een stevige mix van death en black metal neer zet. Dat houdt bij dit stelletje ongeregeld ook in dat de gitaren hier en daar behoorlijk uit de bocht mogen gaan, feedbackend en piepend van de pret. Die houding past perfect bij de in eerste instantie uitermate rommelig overkomende sound, die echter na meerdere keren luisteren toch bedachtzamer in elkaar werd gezet dan de band wil laten blijken. Dat is eveneens het geval voor de diepe grunts en screams van J., die het hellegevoel extra diepgang meegeven. De schoonheid zit bij Kosmokrator in de diepste tinten zwart. De foto op de binnenhoes, naar onze bescheiden mening op het Camp Santo kerkhof in St. Amandsberg, draagt bij tot de begrafenissfeer die over deze portie heerlijk lawaai hangt. Liefhebbers van Southern Lord, grijp deze kans.

Het nummer ‘Hanging On The Telephone’ in de uitvoering van Blondie kent iedereen. In een uitvoering, inderdaad, want het nummer werd oorspronkelijk door iemand anders gebracht en geschreven. En dat is ongetwijfeld meer iets voor een muziekquiz dan algemene kennis. Het stond op ‘Parallel Lines’, het derde en meest succesvolle album van Blondie, waarop ook ‘Will Anything Happen?’, ook al van de hand van Lee. Hij schreef het liedje in 1973 en het verscheen op een single van zijn band The Nerves in 1975. Daarin speelden verder ook Paul Collins (later The Beat) en Peter Case (The Plimsouls). Het is trouwens niet het enige nummer dat in een cover een grote hit werd. ‘Come Back And Stay’ werd bekend in de versie van Paul Young en Suzi Quatro waagde zich aan ‘You Are My Lover’. Pas in 1981 bracht Lee zijn eerste langspeelplaat uit, ‘Greatest Hits Vol. 1’, gevolgd door ‘Jack Lee’ in 1985. Daarop veel eigen nummers alsook herwerkte liedjes die hij eerder speelde met The Nerves. En daarna werd nog weinig van de man gehoord, die allicht een gewoon leven leidt en de royalties als een extraatje ziet. Nu is zijn werk verzameld op ‘Bigger Than Life’ en het valt op dat, ondanks de bekendheid van voornoemde liedjes, de rest van de nummers niet moet onderdoen. Hier staan geen zwakke nummers tussen. Het is gewoon een verzameling pre-punk liedjes die jammer genoeg grotendeels voor het grote publiek verborgen zijn gebleven. Daar kan nu verandering in komen, het zou zelfs moeten.

Het trio Papaye heeft het gehad. Aymeric Chaslerie (Room 204), Jean-Baptiste Geoffroy (Komandant Cobra, My Name Is Nobody) en Franck Lamamra (Futuruscope, Pneu), twee gitaristen en een drummer, nemen na twee albums (‘Tennis’, 2013 en ‘La Chaleur’, 2010) en heel wat concerten afscheid. Andere uitdagingen wachten en voor Papaye kunnen ze de energie niet meer opbrengen. Tevens vinden ze dat hun versie van mathrock meets no wave, het verhaal dat ze wilden brengen, uitgespeeld is. Ze hebben niets meer toe te voegen, maar laten nog één keer alle remmen los. En dat doen ze in schoonheid door acht nummers in achttien minuten te voorzien van hun virtuositeit op hun instrumenten. Een opgefokt soort mathrock is wat we te horen krijgen op ‘Para Bailar’, maar dan van het soort dat we nog niet op deze manier hebben horen spelen. En dat het grapjassen zijn, zullen we net zo goed geweten hebben. Ze rammen er ongegeneerd wat riffs door die aan klassieke rock doen denken, terwijl ze seconden later de boel op zijn Skin Grafts aan gort rammelen. Daar blijft het echter niet bij. Papaye houdt van instrumentaal rocken met een hoek af, en daar hoeft niet noodzakelijk een genre op te worden gekleefd. Bewegen mag, rare kronkels van lijf en leden inbegrepen, en als ze het ritme beu zijn, verzieken ze het wel zelf met een portie feedback. En daarna is het Papaye zegt Babaye.

Sacred Bones is een label dat zich niet op een genre laat vastpinnen maar gewoon kiest voor muziek die ze super vinden. Vandaar dat in hun catalogus zowel platen zitten van Jenny Hval, David Lynch en John Carpenter als van Uniform, Destruction Unit, Lust For Youth, Marching Church en Pharmakon. Met de reeks ‘Killed By Deathrock’ heeft het label een andere missie. Geen kersverse bands met schitterend nieuw werk, maar delven in punk, new wave, postpunk, cold wave, gothrock en industrial, kortweg deathrock genoemd door Sacred Boens. Bands die de donkere kant van de ziel bezingen en fatalisme en wanhoop als motto hebben. De samensteller (labelbaas Caleb Braaten) gaat op zoek naar verloren gewaande nummers van bands die nog steeds onder de radar zijn gebleven, de meeste ervan toch. In GC#121 kwam deel 1 aan bod en was een aangename, gevarieerde verrassing. Op deel twee staan opnieuw bands van een beetje overal. Skeletal Family brengen pure gothrock. Het nummer van Veda is interessant omdat Cam Campbell van Sex Gang Children mee doet. Red Zebra mag het prijsbeest leveren met hun reeds uit 1980 stammend ‘I Can’t Live In A Livingroom’. Veel van de andere bijdragen hebben wel iets, maar zijn minder verrassend dan de even onbekende bands op deel 1. Het zijn dan ook meestal nummers die, al passen ze perfect in de tijdsgeest van toen, net dat tikkeltje extra misten. Het leukste nummer, eentje dat we nooit eerder hoorden en tevens de afsluiter van de verzameling, is van Vita Noctis, die in 2015 ‘No Place For You’ uitbrachten op Daft. Verrassend genoeg ook Belgen dus, met het nummer ‘Hade’, afkomstig van hun tape ‘In The Face Of … Deaths’ (1984). Heerlijke minimal met zo’n Thick Pigeon-stemmetje waar we steevast voor vallen.

Aires alias Isabel Fernandez Reviriego maakt deel uit van de opbloeiende Spaanse beweging waarin ongebreideld geëxperimenteerd wordt met de grenzen van de reguliere popmuziek. De jongedame, die consequent in haar moedertaal zingt, maakte in het verleden deel uit van de inmiddels opgeheven band Charades, waarin ze gitaar speelde en zong. In 2012 debuteerde ze solo met de in Spanje zeer goed ontvangen plaat ‘La Magia Bruta’. Voor de opvolger van ‘Mermelada Dorada’ uit 2014 blijft ze bij de overstap naar het label La Castanya. Ze kiest er nog steeds voor alle nummers zelf te schrijven en ook alle instrumenten zelf te bespelen. Het is meestal verre van duidelijk of Reviriego vooral synthesizers gebruikt of ook echte instrumenten bespeelt, al is haar verleden als gitariste een aanwijzing dat ze wel het een en ander in haar mars heeft. De liedjes zijn een soort op elektronica drijvende pop. Een beetje dromerig en naïef, want het is vooral de stem van Aries die de aandacht naar zich toe trekt. De beats zijn eerder ingetogen. De harmonieën twijfelen tussen de psychedelica van Brian Wilson en warme elektronica. Bij Aries is namelijk geen plaats voor negatieve emoties in wat voor vorm dan ook. Ze is een soort ingetogen, vrouwelijke versie van Panda Bear, die alleen het spoor bijster raakt in de afsluiter en tegelijk het titelnummer. Alhoewel, bijster. Het nummer duurt met zijn elf minuten een derde van de tijdsduur van de plaat en laat vooral een artiest horen die speels met haar instrumenten experimenteert en er een zweverig quasi instrumentale droommuziek mee creëert. Uiteindelijk is dit best een leuke plaat uit onverwachte hoek die voor liefhebbers van popmuziek met een gekke insteek zeker valt aan te prijzen.

David Tibet, ook wel meester Current 93, is al jaren grote fan van het werk van Shirley Collins. Nu de 82-jarige grande dame van de folk uit de jaren 1970 na achtendertig jaar opnieuw een plaat uitbrengt, werd de goedheilig man helemaal euforisch. Is daar reden toe? Wel, historisch bekeken in elk geval wel. Collins trok op het eind van de jaren 1950 naar het diepe Zuiden met de legendarische Alan Lomax. Ze maakte het ene klassieke folkalbum na het andere. Haar toenmalige echtgenoot Ashley Hutchings maakte tegelijk het mooie weer als bassist bij Fairport Convention, Steeley Span en uiteraard Albion Band, waarin hij samen zong met Collins. Die laatste was vanaf 1971 haar begeleidingsband, maar maakte ook onder de eigen naam, of The Albion Christmas (Country, Dance) Band, platen. Een niet zo aangename echtscheiding maakte een eind aan haar carrière en haar stem. Ze had last van dysfonie en kon gewoon niet meer zingen. En nu, op haar gezegende leeftijd, gaat ze er toch weer voor. Haar stem is uiteraard na al die jaren een stuk lager geworden (een octaaf of zo), maar voor het overige doet ze gewoon wat ze een paar decennia geleden al deed: traditionals in een folkversie neerzetten. Ze nam ‘Death And The Lady’ dat ze in 1970 al bracht met haar zus Dolly opnieuw op, in een nog soberder versie dan toen. Die soberheid domineert de plaat, al voegt Collins ook viool, kerkorgel, cello, banjo en wat percussie toe om de nummers toch weer dat gevoel van het diepe Zuiden mee te geven. Een sacrale sfeer is evenmin veraf, of het nu verwijzingen naar god zijn of naar zogenaamde afgoden die het in de ogen van hen die er in geloven, zeker niet zijn. Feit is dat Collins ondanks haar leeftijd absoluut geen belegen nostalgische plaat heeft gemaakt, maar wel eentje die klinkt als een klok waarin de dame folk toch weer een eigen tintje meegeeft.

De uit Toulouse afkomstige Fransen van Cancel The Apocalypse maken het ons niet gemakkelijk om enige zinnige woorden over hun debuut neer te typen. De band presenteert zich enerzijds als postmetal annex screamo, en die elementen zijn zeker aanwezig. Anderzijds gaat de band aan de slag met akoestische instrumenten en wordt er samengewerkt met klassiek geschoolde muzikanten om die instrumenten te bespelen. Bovendien mogen die spelen zoals ze gewend zijn, wat niet zo evident is om dat in het metalgeluid van de band in te passen. Zeer lovenswaardig natuurlijk om te proberen metal met klassiek te verenigen en dat op een wijze die we nog niet eerder hoorden. Matthieu Miegeville (My Own Private Alaska, Psykup, The Black Painters) verzorgt de zang, die gaat van screams tot clean. Maar we houden jammer genoeg niet zo van zijn stem, dus dat is alvast een domper op de feestvreugde. Drummer Jérémy Cazorla (Shake Us) in de studio (en Hélios Mikhaïl live) bewijst in alle genres thuis te zijn. De klassieke akoestische gitaar van Arnaud Barat en de cello van Audrey Paquet (Trio Milonga, Quatuor Eveil) zorgen voor het klassieke tegengewicht. Klinkt allemaal zeer interessant, tot de cd zijn rondjes begint te draaien. Hier en daar horen we fragmenten waar we iets mee kunnen. In de crossover (waar is die tijd, weg, maar best) van afsluiter ‘We Were Young’ bijvoorbeeld. Meestal blijft het bij hardnekkige pogingen om nummers te schrijven die horen te vlotten maar het steevast net niet doen. Of we snappen de plaat gewoon niet, kan ook, maar dat vinden we absoluut niet erg. Het artwork is daarentegen wel mooi.

Eindhoven is altijd al een stad geweest waar muzikanten hun gang konden gaan. Het hoeft bovendien niet altijd rock te zijn. Een productiehuis als Zesde Kolonne kan er heel goed gedijen. Het is eerder een huis van kunsten dan zomaar een platenlabel. Die platen zijn namelijk slechts een gedeelte van de werking, al is de zichtbaarheid ervan buiten de eigen stad groter dan veel van de andere activiteiten die de Zesde Kolonne sinds 1984 opzet. Na enkele jaren van mindere activiteit is de Stichting opnieuw volop actief en komen er ook weer op meer regelmatige basis albums uit. Steevast op vinyl natuurlijk, in een mooie vormgeving en altijd vergezeld van een klein extraatje. Voor de feestdagen heeft Zesde Kolonne maar meteen drie nieuwe pareltjes aan de catalogus toegevoegd. S.T.Cordell, met leden die ook actief zijn bij Het Droste Effect, Long Life Heads en Woody & Paul presenteren twee lange nummers. ‘Do Not Do Gentle’ is opgebouwd rond een versregel van Dylan Thomas, ‘Exodus’ rond een regel van Ernest Gold. Het eerste is een brok avontuurlijke rock die stilaan evolueert naar een danstune, terwijl het tweede behoorlijk funky klinkt. Door de stem van Woody Veneman en de muzikale omlijsting komen bands als New Order, A Certain Ratio en Mekanik Kommando bovendrijven, allen in een hedendaags jasje. Eurorock noemt het kwintet de muziek, verslavend en actueel noemen wij het. En dansbaar ook nog. Met een vel tijdelijke tattoos als bonus. De plaat van NickLeBeat is al net zo onvatbaar. Poëtische teksten die tegelijk een politieke lading hebben worden verteld op beats die soms naar techno neigen en dan weer naar meer abstracte ambient met field recordings. Zachtjes dansen, dat wel, een beetje als de beste triphop, maar dan net een beetje anders en diverser. Een twintig pagina’s tellend boekje vergezelt de vinylplaat, waarin de teksten en kunstige foto’s. Migratie en vluchtelingen nemen een prominente plaats in wat de teksten betreft, zelfs zover dat ‘No Land’ deels in het Arabisch wordt geciteerd, op een bedje van exotische ritmes en instrumenten. Op kant B horen we meer geluidscollages die een verhaal vertellen, met uitzondering van afsluiter ‘Balance On The Fence’, waar opnieuw een beat opduikt. NickLeBeats debuut is in elk geval een intrigerend werk geworden. Erik Vermeulen mocht, net als bij zowat alle recente platen op de Zesde Kolonne, helemaal loos gaan bij het ontwerp van het tweede album van The Flipside Paradox, waar een grote poster wordt bij geleverd. Het project rond labelbaas Luc Sponselee (elektronica) en Niels Duffhues (gitaar, Fable Dust) zet een aardig potje geïmproviseerde freejazz neer. De band, variërend van kwintet tot een waar orkest van veertien mensen, speelt alles steevast voor een publiek, en destilleert daarna de beste stukken voor een album. Ook dit keer voorziet Nick J. Swarth, met een Ton Lebbink refererende stem, van woorden. Het gaat van rustig tot uitermate hotsebotsend en levert een aangename plaat op voor luisteraars die een tandje meer van hun jazz verwachten.

Derde plaat van de band uit Brighton. Ze waren bij hun eerste (en ook wel nog hun tweede) het snoepje van de dag voor de Britse muziekpers met hun muzikale mengeling van shoegaze (vooral de eerste plaat, ‘Toy’) en een streep kraut (dan weer meer de tweede plaat ‘Join The Dots’). Zoals dat gaat met de snoepjes van de dag in Groot-Brittannië, zijn ze ook gauw doorgeslikt. Hun sound is heel Brits met hun melodieus songschrijven opgesmukt met uitgesponnen, lome grooves. We moeten daar eerlijk in zijn: wij waren niet direct méé met de hype. We komen dit nog wel eens tegen. We moeten wel zeggen dat de tweede plaat ons bij momenten kon bekoren, dan vooral door die krautinsteek. Op deze derde langspeler wordt de focus alweer wat verlegd. Ze hebben intussen Max Oscarnold (Proper Ornaments) als toetsenist ingelijfd wat hun songs rijker maakt. Maar ook beter? Sowieso probeert Toy hun songschrijverschap op deze plaat sterker in de verf te zetten. En dat lukt maar heel magertjes. De plaat opent direct met een topper. De titelsong heeft een verslavende en intelligente songstructuur en weet de volle 6 minuten te boeien. De tempowisselingen tussen de catchy strofes en het trippy refrein in ‘Another Dimension’ is op zijn minst interessant te noemen, maar je hebt ook het gevoel dat je het allemaal al eens eerder hebt gehoord. De uitgesponnen en psychedelische afsluiter ‘Cinema’ is ook een goed nummer. Misschien wel het beste nummer van de plaat. De rest van de nummers glijdt van ons af. Drie goede tot memorabele nummers op de tien. Dik gebuisd heet dat.