GC #135

Oliver Ho. Een naam die al meer dan twintig jaar de ronde doet. Vaak verstopt als aliassen en techno-dreunen. Hij heeft zich van de bastonen ontdaan en speelt met de wapens van de noise-elite uit de jaren 1980. Het is het duidelijkst wanneer hij zich, samen met Tommy Gilliard als Zov Zov vermomt. Broken English Club doet hij in zijn eentje. Hij liet zich al opmerken via een split-single op Jealous God. Niet veel later wierp hij een lp ‘Suburban Hunting’ op Cititrax. Nu tekent hij de debuutsingle voor het nieuwe Death & Leisure. Slechts twee tracks, want de liedjes worden verspreid op kleine, zwarte wax. En muzikaal verschillend van wat hij een half jaar eerder op de plaat deed. In plaats van gewoon geïnspireerd te zijn door de kilte en het jachtige van het verleden, brengt hij beklemming en angst aan fijne koperdraden. Als Zov Zov rukt hij aan diezelfde rafels. Resonanties van metaalklanken, die glitteren en glinsteren, op schaarse tribal ritmes. Rituele katarsisch bereikende. ‘Sacred Pornography of God’ omarmt het ongemak van Throbbing Gristle en Coil. Het zijn geluiden die pijn doen en schateren. Vleiend op een sombere monotone ondertoon. Een ongrijpbare hoeveelheid auditieve impulsen die het luisteren naar maken. Hypnotiserend enigszins. Vooral brutaal. Zonder dat het volume een invloed wordt.

Leden van de doommetalband Spirit Adrift uit Arizona wilden wel eens iets anders. Death metal spelen namelijk. Wel, dan richt je toch gewoon een nieuwe band op. Niet zeveren maar knallen (en zuipen allicht). Gatecreeper was geboren. En ze mogen meteen debuteren op het gerenommeerde Relapse. Gelijk hebben ze daar want al speelt Gatecreeper death metal zonder veel franjes, goed klinken doet ‘Sonoran Deprivation’ zeker. Net zo goed als oudjes Entombed, Obituary of Dismember en meer nog, de band lonkt ook naar bands als Black Breath en zal, nu ze op toer gaan met Skeletonwitch, Oathbreaker (ook een nieuwe plaat in het najaar) en Iron Reagan ongetwijfeld alsmaar meer naar zichzelf gaan klinken. Een mooie affiche trouwens, waar nu eens wel bands staan die allen extreme muziek spelen maar elk een ander aspect voor hun rekening nemen. Soit, terug naar de plaat, waar tussen de logge blasts toch ook een beetje doom en crust het geluid is binnen gesukkeld. Helemaal niet erg, want Gatecreeper weet het gaspedaal goed staan en weet een stevige pletwals van net iets meer dan een half uur neer te zetten, met de hulp van Kurt Ballou. Inderdaad, alweer deze, die, we konden het hebben geweten, ook Black Breath onder handen nam. En Nails, die er jammer genoeg (even?) mee ophouden. Gatecreeper bevindt zich in goed gezelschap en zal het, als ze zo verder doen, nog ver schoppen in het hardere segment.

We kunnen ze niet altijd volgen, daar bij Southern Lord. Het merendeel van de catalogus is meer dan de moeite waard, daar niet van. Nu en dan duiken er echter platen om waarvan we niet zo goed begrijpen waarom ze op Southern Lord moeten verschijnen, obscuur of niet. Of toch, want de labelbazen van Southern Lord zijn ware metalfreaks die ook wel van een vette scheut hardcore houden. En dat is zeker het geval met Lies, een van de vele bands waar Ryan Mattos in zat/zit. Hij komt uit Oakland, Californië en speelde in een resem bandjes, waaronder Ceremony, Jealous Again, Skin Like Iron en Scissorhands. Neen, niet die, maar een obscuur bandje dat in 2002 een split uitbracht met The Lab Rats. Van Lies kwam in 2013 een cassette uit, waarvan het gros van de nummers het jaar erna verschenen op ‘Abuse’. Een plaat met de muziek aan de ene kant en een ets aan de andere kant. ‘Plague’, dat tegelijk met de cd verschijnt, is van hetzelfde laken een pak. Mooi vormgegeven, mooie ets, maar uiteindelijk toch wel weinig muziek. Acht nummers in hardcoretempo, dat is snel gedaan. De cd bevat beide platen op één schijfje, om de kostprijs toch enigszins te verantwoorden. Verwacht geen enkele verwantschap met metal of drones bij Lies. Onvervalste, pure en brutale punk annex hardcore zonder veel nuances wordt uw deel. In een razend tempo spuwt Mattos zijn teksten en voor we het door hebben, is het allemaal voorbij. Alles kapot. Einde verhaal.

Mark Fisher, sinds jaar en dag (inmiddels een kwart eeuw!) onbetwiste baas van Skin Graft, heeft altijd gehouden van obscuur doen. Een beetje averechts, een beetje anders, een beetje gek ook zo nu en dan. We menen ons te herinneren dat hij mee op tournee was toen we ooit een concert van Shorty organiseerden, de voorloper van U.S.Maple. Hij was nog gestoorder dan de mannen van de band zelf. Doorheen de jaren schijnt de man niet echt mensvriendelijker te zijn geworden, maar zijn muzieksmaak heeft hij steevast behouden. En ook die is zo dwars als maar zijn kan. Hij houdt ook wel van een specialleke zo nu en dan. We herinneren ons de singlesreeks met eigenzinnige AC/DC-covers, of het wel heel erg apart verpakte album ‘Camera Within’ van Colossamite. Tijd om het ook eens voor de helden van Arab On Radar te doen. Een single met twee herwerkingen van nummers die oorspronkelijk op de splitsingle met The Locust prijkten. Die twee versies lagen tot nu ergens in een schuif en waren geproduceerd door Weasel Walter (onder meer Flying Luttenbachers). Speciaal aan deze uitgave is echter het artwork. Net als bij de eerste vinyleditie van ‘Long Hair In Three Stages’ van U.S.Maple is het hoesje vervaardigd van aluminium, en in nog beperktere oplage van koper. Elk stuk is uniek, want geknipt door Ralph Fisher, gepolijst door Mr. Clinical Depression (Jeff Schneider van Made In Mexico) en van een zeefdruk voorzien door twee voormalige Arab On Radar-bandleden. Elk stuk is daarmee uniek, en ook wel een beetje duur. Voor de gewone sterveling die wil kennis maken met deze unieke band is er ook een cdversie, waarop naast deze twee nummers ook de integrale zwanenzang is opgenomen: het schitterende, acht nummers tellende ‘Yahweh Or The Highway’. In twee versies, de hoes verschilt namelijk. Wie wil weten waar uit Arab On Radar voortgevloeide bands (Doomsday Student, Made In Mexico, Athletic Automaton, The Chinese Stars, Chrome Jackson) de mosterd haalden biedt deze release een mooie inhaalbeweging. Of waarom Arab On Radar als opvolger van Mars, The Contortions of Teenage Jesus & The Jerks wordt beschouwd. Absoluut aan te raden voor verzamelaars (de single) en de nieuwsgierigen (de cd) onder ons.

Dat het label Silken Tofu van toffe peer Wim Pauwels geen grenzen respecteert, wisten we al langer. En dat het label niet vies is van een avontuurtje of een stukje experimentele, moeilijke muziek meer of minder, wisten we ook. Het is dan ook niet vreemd dat ‘The Multiverse Ennui Can’t Last Forever’ op dit label uit komt, weliswaar op gelimiteerde cassette (70 exemplaren) en eindeloos digitaal verkrijgbaar, maar de muziek ziet zo wel het levenslicht. Jonas van den Bossche (gitaar en veel effecten) woont afwisselend in Gent en Tallinn (de hoofdstad van Estland). Gentenaar Benne Dousselaere (elektronica, synthesizer, tevens lid van Violent Husbands en Tape Tum) houdt het bij zijn eigen stad, maar eenmaal beiden samen aan de slag gaan doen stads-, lands- of muzikale grenzen er helemaal niet meer toe. Dousselaere houdt sowieso wel van aparte muziekjes, zie zijn dj-project Kopi & Luwak, waar hij samen met Thomas Smetryns 78toeren platen draait. De twee improvisaties die op de cassette prijken, ‘Antiquark’ en ‘Supersymmetry’, laten de ongebreidelde experimenteerdrang van beiden goed tot uiting komen. Noise, maffe geluiden, hier en daar een verborgen melodielijntje, drones, loops, zelfs een als gitaar herkenbaar schrapen en krassen, het zit er allemaal in. Chaos is echter geen doel op zich. Het geheel werd dan wel volledig geïmproviseerd, het duo weet toch heel duidelijk waarmee ze bezig zijn. Daardoor worden de twee stukken (18 en 13 minuten) verrassende collages die noise niet als hoofddoel hebben maar dwingen tot aandachtig luisteren en meereizen op een uitdagende muzikale reis. De eenvoudige synthesizerlijntjes die het eerste stuk openen, worden meedogenloos aan gort gepiept met soms ietwat enerverende klanken die toch het verhaal rijker maken. Deze cassette klinkt als een belevenis en verdient meer aandacht dan ze tot nu toe wist te verwerven. Wij vinden ze alleszins heel erg de moeite.

De Portugese bassist Gonçalo Almeida kennen we vooral van het jazzpowertrio Albatre, zie het interview dat we met hem deden in GC#134. Dat is echter verre van zijn enige muzikale bezigheid. Almeida speelt in tal van andere bands en projecten en houdt enorm veel van het samen musiceren met anderen. En dat hoeven absoluut niet steevast mensen zijn die enige affiniteit met jazz vertonen. Het mag wat hem betreft best wel breder gaan dan jazz, al speelt hij dat met evenveel liefde en plezier. Daarnaast runt hij ook nog eens een eigen labeltje, vanuit Portugal vooral al woont hij in Rotterdam. Die releases zijn bij noodzaak verkrijgbaar op cd-r, maar worden voornamelijk digitaal verspreid. Hij bezorgde ons de downloads van drie recente werkjes die hij recentelijk uitbracht en waar hij ook zelf een stevige lepel in de pap te brokken heeft. Voor ‘Earcinema’ bespeelt Almeida net als Van der Weide een contrabas. Van der Weide hanteert daarbij tevens een cello en beroert allerlei niet nader gedefinieerde objecten. De Portugese Rotterdammer en de Amsterdammer tasten elkaars geluiden af, gebruiken hun instrument in zijn geheel als geluidsbron, dus snaren en alles wat eromheen zit. Acht verstilde improvisaties die stilaan opbouwen van het korte ‘Picture 1’ naar ‘Picture 8’, dat meer dan acht minuten duurt en als een climax komt na het elkaar aftasten in de zeven voorgaande stukken. In de meeste gevallen stelt Almeida zich ten dienste van de ancien Van der Weide, die voortdurend zoekt en experimenteert met nieuwe geluiden, die door Almeida’s ondersteunende spel toch voor een aangename luisterervaring verwordt. Het kwartet Tetterapadequ bestaat naast Almeida uit drummer João Lobo, pianist Giovanni di Domenico en tenorsaxofonist Daniele Martini. Als we het goed hebben, is dit na ‘And The Missing R’ (2008, Clean Feed) en ‘Chopingle’ (2015, Creative Sources) is dit de derde plaat die de samenwerking bezegelt. Verwacht opnieuw geen doordeweeks stukje jazz. Wat we krijgen zijn een zestal warme, ingetogen improvisaties waarin stijlvol de instrumenten zachtaardig worden bepoteld. Nochtans zit onderhuids steevast een dreigende ondertoon, die echter nergens losbarst. Het kwartet houdt het bescheiden, neemt slechts twintig minuten de tijd (het mocht best wat meer zijn) maar komt zo sneller met een opvolger dan de vorige keer. Afsluiten doen we met het kwartet Susana Santos Silva (trompet), Jasper Stadhouders (gitaar), Gustavo Costa (drums) en uiteraard Gonçalo Almeida op contrabas. Dertien stukken staan er op het album, dertien stukken die deze keer wel ferm uit de bocht mogen gaan. Dit is een plaat voor jazzliefhebbers voor wie het allemaal wel een beetje mag botsen, gecontroleerd mag freewheelen of anderszins een stevige portie herrie mag bevatten. Er zit hier en daar wel een fragmentje verstilling tussen, maar in zijn geheel genomen is ‘Buku’ een fel plaatje dat ongetwijfeld meer tot de verbeelding kan spreken tijdens het bijwonen van een concert waar dan duidelijk te zien is hoe het kwartet volledig opgaat in zijn muziek en band en publiek uit hun dak kunnen gaan. Zoals gezegd, drie verschillende incarnaties van Almeida, en er verschijnen op regelmatige basis nieuwe excursies.

Tijd voor onversneden rock-‘n-roll. Logisch als we een aantal platen van het vanuit Rennes opererende Beast Records aan onze oren (en draaitafel) laten passeren. Het kwartet (vroeger een trio, nu met extra gitarist) Sapin, eveneens uit Rennes, mag de spits afbijten. Na een cassette en een geweldig debuut (‘Wrong Way’, 2014) hebben de garagerockers een opvolger klaar. Garage is op zich wel een beetje te beperkt voor de liedjes van deze band. Ja, het klinkt soms allemaal een beetje rommelig en lo-fi, maar ze schipperen wel tussen diverse genres. ‘No Secret’ is frisse surf, ‘Hipster Johnny’ is bijna country en ‘I’m Alive’ is zo positief dat het ergerlijk wordt. Er staan ook heel wat nummers op die behoorlijk punk klinken. Punk zoals het oorspronkelijk was bedoeld: korte liedjes met een leuk refrein en feestelijk rammelend en tegelijk aanstekelijk. ‘For My Girl’ zou, in een gladdere productie, bijna als pop klinken, inclusief koortjes. Die koortjes duiken trouwens geregeld op en zijn soms net een beetje te schreeuwerig. Leuk ook dat het Engels van deze Fransen heel goed meevalt en de hoes de aandacht weet te trekken met zijn cartooneske invalshoek. Dirty Deep uit Straatsburg begon als onemanband maar is ondertussen uitgegroeid tot een trio dat blues hoog in het vaandel voert. En de blues kan allerlei vormen aannemen bij Dirty Deep. ‘Light And Blue’ is een trage sleper maar ‘How I Ride’ en ‘Holy Pocket Boogie’ schurken aan bij ruige bluespunkrock. Daarin komt de bas van Adam Lanfrey (ook Adam And The Madams) helemaal naar voor gekropen. Zanger, gitarist en harmonicaspeler Victor Sbrovazzo moet nog een ietwat ruigere stem kweken om helemaal te overtuigen. Soms, zoals in ‘You Don’t Know’, klinkt hij nog te jong en onbeslagen. Op een aantal andere nummers, die minder de kant van geliktere bluesrock opgaan, komt zijn stem veel beter tot zijn recht (‘Can I Kick It?’, ‘Messin’ Around’). ‘Leave Me Alone’ klinkt net zo goed als Left Lane Cruiser, een band waarmee Dirty Deep wel enige affiniteit heeft. Leuke plaat. Ook uit Rennes komt Chouette, dat eindelijk een opvolger heeft voor de ep ‘Chouette’ uit 2012 alweer. Het heeft zijn tijd geduurd, maar ‘You Don’t Know Why You Run’ is dan ook een heerlijke plaat boordevol psychedelisch aandoende poprock, met een scheut humor. De twee rennende naakte mannen op de hoes (en op het vignet op het vinyl, met het gaatje precies door hun geslachtsdeel) en de mededeling dat geen dieren werden mishandeld (het rennende schaap) geven daar al een indicatie van. Een klein meesterwerkje is ‘The Last Ride’, waar bassiste Cécile Fraval haar engelenstemmetje mag etaleren in een quasi perfecte song. De overige negen nummers moeten amper onderdoen en laten horen dat psychedelisch aandoende liedjes, mits toevoeging van een nononsense punkhouding, ook nu nog heel erg de moeite kunnen zijn.

Live Footage is een duo uit Brooklyn, New York dat zich sinds 2007 specialiseert in het schrijven en spelen van muziek bij documentaires. Ze kiezen daarbij voornamelijk voor natuurbeelden die gerust een dromerige sfeer mogen hebben. Ze maakten muziek voor zowel HBO als Unicef en besloten om nu ook eens een plaat helemaal van henzelf, zonder dat ze bedoeld zijn voor een documentaire van iemand anders, in elkaar te zetten. Uiteraard mag een concept niet ontbreken. Mike Thies (drums en keyboards, die hij tegelijk bespeelt) en Topu Lyo (cello en een verzameling effecten en loops om de klanken ervan te vervormen, veranderen en bij te sturen) kozen voor de woestijn in al zijn veranderende gedaantes. Van de immense hitte overdag tot de bittere koude ‘s nachts tot aan een vlucht met de helikopter over de Grand Canyon vormen de basis voor het creëren van een begeleidende soundtrack. Het is een verhaal als een ander, want uiteindelijk vormen de vier nummers, gegroeid uit beider ervaring in het samen improviseren van muziek en hun postrockachtergrond, een twintig minuten durende droomreis. Of het nu om een woestijn, een berg of een vlak stuk natuurgebied gaat, is nergens terug te horen. Zonder voorkennis is ‘Moods Of The Desert’ twintig minuten heerlijke ambient die net voldoende variatie te bieden heeft om meer te zijn dan louter zanderig behang. ‘View From A Desert Helicopter’, het sluitstuk, is het meest verrassende. Horen we daar zang of keyboards die iets gelijkaardigs uitspuwen? Horen we daar plots duidelijk de invloed van de releases op een label als Bureau B? Het nummer is plots meer dan standaard ambient en veroorzaakt een hypnotiserend effect dat de cd uiteindelijk boven de middelmaat uit doet stijgen.

The Conformists maken het zichzelf en ons graag een beetje moeilijk. Dat doen ze al met hun korte persblaadje, waarin de helft van de woorden geschrapt is en andere zaken, die nogal tegengesteld zijn als wat doorgestreept werd, eerder het tegengestelde blijken. Misschien zijn die doorgestreepte zaken gewoon dingen die ze graag in hun wereld en/of leven anders hadden gezien. Zo zouden ze uit Frankrijk komen en een plaat hebben opgenomen in 1976, met Quincy Jones. Het kwartet komt echter uit St. Louis, Missouri en kroop de studio in met niemand minder dan Steve Albini. Albini staat erom bekend zich weinig in te laten met de bands en hun songs maar er gewoon voor te zorgen dat alles zo goed mogelijk op de band belandde. Het zou kunnen dat hij net dat ietsje meer heeft gedaan voor The Conformists, gewoon omdat hun muziek net zo dwars is als het gros op Skin Graft of zijn eigen onnavolgbare Shellac. Doe daar ook maar wat bands bij uit de beginjaren van Touch & Go en de bands die niet in het hardcorevakje horen van Dischord. Daarmee benaderen we al aardig hoe deze band klinkt. En dat ze dwars zijn, daar kunnen we van op aan. ‘Meow’ duurt meer dan een kwartier, zowat de helft van het album, en is vooral tien minuten feedback. ‘S Apostrophe Period S Period S Period Opening Parenthesis J Period B Aposthrope Period Closing Parenthesis’ duurt maar even maar heeft een aangenaam verwarrende lange titel. The Conformists zet de luisteraar op elk gebied graag op het verkeerde been (of liever een ander lichaamsdeel) en weet zo de aandacht vast te houden en zich te onderscheiden binnen het noiserockgenre tegelijk.

Als er één ding is dat altviolist Oene van Geel kenmerkt, dan is het zijn ongeremde speelplezier. Hij is zo iemand waarvan je meteen denkt, dat hij gewoonweg móet spelen. Hij kan niet anders. Mogelijk is het dwangmatig, misschien zelfs een obsessie, maar dan wel met een aanstekelijke energie. Doorgaans is hij te horen in groepen als Zapp4 en The Nordanians, en treedt hij op met een indrukwekkend aantal musici, zoals Michel Banabila. Op ‘Sudoku’ is hij ook solo te horen. Tot op zekere hoogte, tenminste. Hij heeft zichzelf in de eerste vijf nummers vermenigvuldigd, zodat hij digitaal een heel ensemble vormt. Hij laat zijn fantasie de vrije loop, danst met zichzelf in ‘Seven Riffs’, plaatst zich in een omgeving van metal viool en kraakdoosjes in ‘Theotuma’. Maar Van Geel is bovenal ook een sociaal muzikant. Hij kan het toch niet laten om ook andere mensen op dit solo-album mee te laten spelen. De overige zeven nummers zijn duetten met bevriende musici als basgitarist Mark Haanstra, met wie hij in ‘Maribor’ even heel snel gelijk oploopt, in een late echo van John McLaughlins Mahavishnu Orchestra. Het klinkt allemaal heel enthousiast, en Van Geel kan laten horen hoe goed hij thuis is op zijn instrument, en hoeveel muzikale verbeeldingskracht hij heeft. Maar hij is ook bescheiden, en gunt zijn medespelers het volle licht. Een mooie eigenschap, al zou je hem graag vaker op het eerste plan horen. ‘Sculptures’, het langste nummer van de cd, is ook het minst gestructureerd. het is een duet met de jonge pianist Matteo Mijderwijk, die net als Van Geel blaakt van de energie. Soms ontaardt hun spel in doelloos gerommel, om daar dan ineens glorieus bovenuit te stijgen.

Met zijn vieren zijn ze, die van Survive. Austin, Texas is hun uitvalsbasis en dan verwachten we eigenlijk een behoorlijk geschifte band in een genre naar keuze. Het kwartet synthesizerspelers beweert inderdaad behoorlijk experimentele muziek te maken, maar daar horen we op dit ‘RR73489’ toch maar heel weinig van terug. Wat we wel horen is een portie relaxatiemuziek die nu en dan aanleunt bij ambient en dan weer meer neigt naar soundtrackmuziek. Maar dan van die vrijblijvende zwevende muziekjes die net zo goed in de lift kunnen worden gespeeld om het ergernisgevoel tenminste de juiste intensiteit te laten behouden. Dat vrijblijvende geldt voor de volledige plaat, die er eentje is geworden van het ene oor in het andere oor uit, als ze er al in slaagt om in het oor te geraken. Heel soms weet het kwartet even de aandacht te trekken met een of ander geluidje, dat wat doet denken aan de intermezzo’s in een sciencefictionfilm. Overgangsmuziek of veredeld behang, het kan allebei. Gelijkaardige bands, denk aan Zombi bijvoorbeeld dat ook op Relapse zit, brengen aanvaardbare soundtracks die een ode zijn aan John Carpenter of de films van George A. Romero. Survive speelt duidelijk een divisie lager, al poogt de band eigenlijk hetzelfde trucje toe te passen. Meer experimenteren is de boodschap om de brave en banale huiskamermuziek te overstijgen.