GC #134

De lp ‘Arc’ bevat een bewerkte versie van Jacob Kirkegaards muziek voor de zwijgende film ‘La Passion de Jeanne d’Arc’ uit 1928. De Deense componist kreeg de opdracht van festival INMUTE ’14 om een compositie te maken voor de indrukwekkende klassieker van zijn landgenoot Theodor Dreyer. In de film ligt de nadruk op de politiek-religieus ingegeven veroordeling en terechtstelling van Jeanne d’Arc; Dreyer gebruikt serene, minimalistische beelden met een sterke focus op de gezichtsuitdrukkingen. Wie de film kent, kan zich voorstellen hoe passend Kirkegaards muziek is: de langgerekte harmonische lagen van tonen, de koraalachtige drones, ze roepen een verheven sfeer op die past bij de mystieke vervoering van de hoofdpersoon en de verzorgd gekadreerde zwartwitbeelden. Bij de lp krijgen we die niet, dus we moeten ons richten op de muziek, zoals Kirkegaard die met zijn bewerking van twee maal ruim zeventien minuten biedt. Hij blijkt zijn compositie te hebben gebaseerd op het uitrekken van muziekfragmenten uit de tijd van Jeanne d’Arc. Dat kan zijn, maar ook dat moeten we voor gegeven aannemen. De langegrekte klanken kunnen evengoed digitaal gecreëerd zijn en voor het resultaat maakt het waarschijnlijk niet uit. De uitgerekte fragmenten middeleeuwse muziek zijn gestapeld, verweven, vloeien langzaam in elkaar over. De drones en licht galmende tonen, breed, ruimtelijk en etherisch: de compositie is kundig, maar niet heel verrassend. Toch? Het tweede stuk klinken er dreigender, donkerder, ruisender golven; het geluid is gevarieerder en zwaarder en ‘Arc’ ontwikkelt zich toch indrukwekkend. Alleen kant B draaien, is wat mij betreft geen optie. Juist het eerste deel is de (lange) inleiding op het dramatische tweede deel. De stem, die aan het einde van het eerste deel plots opklinkt, is een voorbode gebleken. Kirkegaard heeft me dan toch weer gepakt.

Een vibrerende zoemtoon, hoge schelle tonen, een resonerende klank. Verrassend hoe je de geluiden bijna als elektronisch gecreëerde beluistert, terwijl we hier luisteren naar Japanse cicades en reuzevleermuizen. Rodolphe Alexis heeft de geluidsopnamen gemaakt op Iriomote-Jima, het meest zuidelijke eiland van Japan, dun bevolkt en voor 90% bedekt met jungle en mangrove. De heldere, zuivere opnamen zijn verzameld als negen korte en langere composities op `The Glittering Thing On The Mountain’. Saai, luisteren naar een cd vol natuurgeluiden? Nee, integendeel. Je kunt het verhalend beluisteren, de klanken roepen een hele wereld op. Vogelgeluiden en de klank alsof er wordt getikt op hout met een scheur erin, een beetje rubberachtige resonantie ook. Het zijn de Harpist Brown Frogs, in een mooie dialoog. Gekraak van een tak, Wat gebeurt er?! Geplons in water, een eenzaam klinkende schrille kreet van een kikker. Terwijl sommige geluiden direct ‘natuurlijk’ klinken, zijn er ook die moeilijk te plaatsen zijn. Veel klanken laten zich ook ‘akoesmatisch’ beluisteren: aan puur klankintrinsieke waarde biedt de cd eveneens een fascinerende rijkdom. En bedenk je dat – al zijn de geluidsopnamen waarschijnlijk sterk ‘documentair’ – Alexis keuzes en een compositie heeft gemaakt. ‘Rhein_strom’ biedt ook dergelijke field recordings, maar dan dichter bij huis en enigszins verhalender. Zoals de ondertitel van de cd al aangeeft zijn de opnamen gemaakt ‘von der Rheinquelle bis Hafen Karlsruhe’. Lasse-Marc Riek laat ons het donker ruisende en druppelende water bij een gletcher op 2052 meter hoogte horen, het enorme geruis van de waterval van Schaffhausen, een drone van ‘Kernkraftwerk gegenüber Waldshut’, hier en daar dieren waar hij de rivier in de natuur heeft geregistreerd of verkeer en stemmen wanneer de opnamen in stedelijke omgeving zijn gemaakt. Ook hier werken de geluidsopnamen enerzijds als een audiofilm, anderzijds zijn er klanken die volledig als ‘noise’ of akoesmatisch zijn te beluisteren. ‘Naturschutzgebiet/Petite Camarque d’Alsace’ is daarvan een mooi voorbeeld. Die drones, dat percussie-achtige geluid, wat horen we daar nu eigenlijk? De relatief korte cd ‘Unter Grund’ bestaat eveneens uit veldopnames van water, oorspronkelijk gemaakt voor een zesentwintig-kanaals klankinstallatie. Voor de geluidsregistraties hebben Christina Kubisch en Eckehard Güther zich met hydrofoons en contactmicrofoons begeven in machinekamers, gemalen, waterwerken en ongebruikte mijnschachten in het Ruhr-gebied. Stijgend grondwater in oude mijnwerken moet hier worden afgepompt om aardverschuivingen te voorkomen. We horen het water plassen, klotsen, storten, borrelend stromen, tikken als houten stokjes en rommelen als onweer. Het wordt begeleid door en afgewisseld met subtiele drones, donker gebrom en geschraap van machinerieën. Minder dan de andere twee cd’s doet ‘Unter Grund’ verhalend aan, meer lijken Kubisch en Güther composities te hebben gemaakt. Er is een afwisseling van subtiele watergeluiden en bijna agressieve machines, van donker en licht, van vol en ingetogen. Wederom valt op hoe fascinerend geluiden zijn op de grens van herkenbaar en abstract. En dat geluiden fascinerend kunnen zijn in hun pure, ongemanipuleerde vorm bewijst het label Gruenrekorder met alle drie de genoemde, prachtige cd’s.

In 2014 werd het trio Brian Chippendale (drummer en stem bij Lightning Bolt, Massimo Pupillo (bassist bij Zu) en Mats Gustafsson (saxofonist, onder meer Fire!) de baan opgestuurd voor een korte Europese tournee. Het trio kon improviseren en freejazzen dat het een lieve lust was, voor een select publiek dat met een open geest onverwachte muzikale wendingen weet te waarderen. De drie amuseerden zich kostelijk en wat oorspronkelijk tot een éénmalig gebeuren zou beperkt blijven, resulteerde uiteindelijk in opnames. Het trio trok een Berlijnse studio in en kwam naar buiten met twee lange en één beknopt stuk muziek. Van jazz is op ‘Melt’ net zoveel sprake als dat bij platen van Zu het geval is: weinig. Openingsnummer ‘Faces Of Fear. Transformed. Melted’ duurt al snel meer dan een half uur en vangt dan wel aan met ingetogen feedback, lang duurt die opgekropte energie niet. Al snel gaat Chippendale volledig uit zijn dak en krijgt hij er zelfs hier en daar enkele woorden tussen. Pupillo laat zich evenmin onbetuigd en gooit zijn logge basgeluid in de mix. Alleen Gustafsson houdt het meestal bescheiden, op hier en daar een uitbarsting na. Hij is wel de hele tijd aanwezig, maar de andere twee zijn zo pertinent aanwezig, dat het soms moeilijk is om de saxofoon eruit te halen. Uiteraard ook al omdat hij weigert standaardgeluiden aan zijn blaasinstrument te ontlokken. Dat vinden wij echter net wel passen binnen het concept van dit trio. ‘Flesh. Transformed.Melted.’ neemt drie kwartier in beslag. Gustafsson blaast zich, zeker in de eerste helft, heel wat meer op de voorgrond en laat zelfs meer conventionele geluiden toe. Halfweg begint Chippendale een verhaal te vertellen, met wat experimentele begeleiding, waarna het trio nog eens allesvernietigend uithaalt. Of eigenlijk duo, want we kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat het vooral Chippendale en Pupillo zijn die het laken naar zich toe trekken en een plaat hebben gemaakt als Lightning Zu of Zu Bolt. Het afsluitende ‘Melt’ is daarna een soort gewelddadige samenvatting van wat vooraf ging.

De mini-cd ‘World News’ begint met een collage van nieuwsflarden in het Engels en Arabisch van radio of televisie, maar ook muziekfragmenten, geluiden van auto’s, fluitende vogels. Daarop volgt een compositie met field recordings van luchtalarm, knallen, stappen en geschuifel, in combinatie met duistere, enigszins dreigende muziek en een stem die vertelt over een luchtaanval. Het derde stuk draait om een ander mondiaal probleem: de omgang van mensen met de aarde en haar grondstoffen. De vrouwenstem is waarschijnlijk afkomstig van een documentaire en door Janek Schaefer op een enkele plaats terughoudend en – ondanks de ernst van het probleem – komisch bewerkt. Ook hier heeft hij muziek toegevoegd. Tot zover het nieuws, in drie relatief korte stukken (tussen de twee- en vierenhalve minuut), getiteld ‘This World’, ‘Our World’ en ‘Imagine a World’. De afsluitende compositie heet ‘Another World’ en wie denkt dat Schaefer ons nu een beter alternatief voor het voorgaande biedt, komt van een koude kermis thuis. De bijna elf minuten lange collage gaat van stemmen, radiogeluiden en vinylgekraak naar strijkers- en orgelpartijen van symfonische allure, uiteindelijk meer en meer culminerend in een zware, duistere drone. De mini-cd hoort feitelijk bij een – hoe passend – krantachtige uitgave: het tjjdschrift op folioformaat Epilogue van vorm- en uitgever Bas Mantel. Deze editie met de titel ‘Currents’ is een typografische presentatie van, aldus de ondertitel, “openbaringen, bekentenissen en nachtmerries’. Zestien pagina’s bieden grafische collages uit letters en tekstfragmenten, die tesamen surrealistische en duistere boodschappen doorgeven. Tegelijk zijn ze een visualisatie van fragmentarisering, wanorde en wellicht wanhoop. Bij al dit uiteenvallen zijn tijdschrift en cd een eenheid, niet in het minst door de sterke en herkenbare stijl van Mantel. Een heel mooie eenheid.

Gary Lucas, geboren in Syracuse, New York in 1952, heeft ondertussen een indrukwekkende carrière uitgebouwd. Grote successen bleven uit maar de begenadigde gitarist geeft niet alleen les in Amsterdam. Hij is tevens te horen op platen van onder meer Jeff Buckley en Captain Beefheart en hij werkte samen en maakte platen met onder meer Jozef Van Wissem, Peter Hamill en Elliot Sharp. Lucas is niet voor één stijl te vatten en slaagt er in om meestal gewoon te spelen waar hij zelf zin in heeft. Voor zijn meest recente plaat dook hij in de nalatenschap van de Oostenrijks-Amerikaanse animator Max Fleischer. Hij was een tijdgenoot van Walt Disney en al werd hij nooit zo beroemd als zijn ambtgenoot, de animatiefilmpjes van Betty Boop, Popeye en Superman behoren tot het collectieve geheugen. En daar hoorde natuurlijk muziek bij, die Lucas herinterpreteert met in de hoofdrol Sarah Stiles. Zij krijgt de moeilijke opdracht de zwoele stemmetjes van bijvoorbeeld Betty Boop in een cartooneske jazzy sfeer te zingen en slaagt daar wonderwel in. Samen met Joe Fiedler (trombone), Jegg Lederer (rietblazers), Michael Bates (akoestische bas) en Rob Garcia (drums) brengen Lucas en Stiles het werk van Fleischer opnieuw tot leven. Het is duidelijk te horen dat Lucas een grote fan is van ‘s mans werk en hij de oorspronkelijke muziek zo goed mogelijk in zijn volle glorie wil laten weerklinken. Alleen al opener ‘Sweet Betty’ maakt ons blij en zorgt ervoor dat we meteen onze dvdbox met Betty Boop-cartoons boven halen. Alvast bij ons is de missie van Lucas geslaagd: het bijzonder leuke werk van Fleischer opnieuw in de belangstelling brengen.

Rogier Smal is een in Amsterdam residerende drummer annex percussionist die niet alleen muziek maakt met zijn band Dagora of solo. Hij gaat eigenlijk het liefst samenwerkingen aan met andere muzikanten die al eens grenzen durven te overschrijden. Zo werkte hij al met onder meer Dylan Carlson (Earth, Sunburned Hand Of The Man, Eugene Chadbourne, Colin Webster, Daevid Alen en het Royal Improvisers Orchestra. Tijdens een trip naar Japen ontmoette hij de saxofoniste Ryoko Ono, die samen met Yoshida Tatsuya SaxRuins vormt. Niet dat ze voor één genre te vangen is: ze speelt net zo goed blues, progrock, noise als improvisatie en ze runt haar eigen groep, het Ryorchestra. De twee muzikanten besloten om in Europa samen te werken aan een aantal nummers, die nu het album ‘Wood Moon’ vormen. Negen stukken geïmproviseerde muziek waarbij duidelijk is te horen dat beiden elkaar perfect aanvoelen. Al krijgen we zelf vooral de indruk dat Ryoko Ono degene is die de richting bepaalt met haar saxofoon. Ze klinkt soms een beetje minimalistisch maar meestal maakt ze op een ietwat melancholische manier toch een stevig potje herrie, waarrond Smal zijn percussie etaleert. Voor onze eigen smaak is het allemaal soms een beetje te jazzy en te braaf, waardoor we soms moeilijk onze aandacht kunnen focussen. Toch is het een dappere poging van het duo om hun beider culturele achtergrond met elkaar te verenigen. Want inderdaad, heel soms weet Ono een ietwat Oosterse sfeer toe te voegen, die de plaat toch weer net iets interessanter laat klinken.

Het Franse trio Ça schuwt elke vorm van publiciteit of een grote, niet meer beheersbare, fanbasis. Probeer maar eens uit te vogelen hoe de drie leden heten. Of probeer hun platen te bemachtigen. Dikke pech in de meeste gevallen, want beperkt tot 100 exemplaren. Wel weten we dat ze afkomstig zijn uit St. Etienne, lid zijn van het collectief Vox Project en ook musiceren in de hitparadebands Maria Magdalena, Cosmos Project en Retropolis. Ha. Grapje. Vonden ze ook. Dus brengen ze twee cd’s uit die als titel de titels van de nummers kregen. En die zonder probleem allemaal samen op één schijfje zouden kunnen. Maar dat zou uiteraard te eenvoudig zijn. En te logisch. Want dan zou de cd 12345678 heten. Te lang. Past niet bij de muziek die ergens iets weg heeft van mathrock maar door de vele sottises het niet is. Of wat dacht je van een stukje dat verwant is met bands als Orthrelm en Brise-Glace, waarin plots een exotisch ritme of een salsastukje opduikt? Ze kunnen ook gewoon een hemels stukje math- annex postrock los uit de pols spelen hoor, maar erg lang houdt Ça het nooit vol. Steevast duiken genrevreemde elementen of dwarse ritmes op die eerder aan de New Wave Of Heavy Jazz (land naar keuze) doen denken. Titels verzinnen voor hun veelal instrumentale nummers, is het een sample of een echte stem die plots de boel komt verstoren?, is te veel gevraagd. Hoeft ook niet. Beter dan bij hun debuut, Ça, waarop geen enkel nummer een titel kreeg. Ook geen nummer. Hoesjes lekker in zwart en wit, met alleen de groepsnaam prominent in beeld. Ça. Wel, Ça vinden wij super in zijn zotheid, ambetant en dwars zijn. Dat zijn we zelf namelijk ook, met veel liefde en overtuiging.

Het Zweedse Goatess verscheen in 2013 vanuit het niets met een goed ontvangen gelijknamige debuut. Nu is het stoner metalviertal terug met ‘Purgatory Under New Management’, waarop het traditionele geluid van de eerste langspeler wordt voortgezet en verder verfijnd. De plaat zet in met een dromerig gitaargeluid, dat rap bijval krijgt van zwaardere, lompere snaren. De repetitieve collectieve sound, aangekleed door catchy riffs en sterk zangwerk, geven het geheel een hoog kalm meeknikgehalte. Typisch voor het geluid van Goatess is het pendelen tussen een licht gitaargeluid en een meer ronkende brij van basgebrom. Let vooral op het creatieve drumspel van Kenta, die geregeld uitpakt met een verrassende variatie of onorthodox slagwerk.
Een vergelijking met Black Sabbath is bij Goatess onontbeerlijk. De klassieke stoner-vibe met catchy, groovy riffs lijkt een regelrechte ode aan de grondleggers van het genre. Waar in andere muziekstromingen dergelijke verering als een gebrek aan originaliteit zou worden gezien, is Sabbath-veneratie in stonerkringen volstrekt geaccepteerd. Zanger Christian “Chritus” Linderson – ook bekend van Lord Vicar, Count Raven en één album van het legendarische Saint Vitus – klinkt op sommige momenten zelfs als Ozzy.
Ondanks de verplichte overdaad aan lage tonen is het geluid van Goatess licht van aard. De band heeft sinds hun debuut hun sound verrijkt met meer psychedelische elementen. Wanneer je je laat meevoeren op de hypnotisch golvende composities begrijp je weer waar de stoner rock zijn naam aan dankt.
Wie op zoek is naar iets vernieuwends binnen de stonerscene, is bij Goatess aan het verkeerde adres. Maar liefhebbers van de klassieke sound kunnen hun lol op: de Zweden gebruiken dit oude, vertrouwde geluid als basis en bouwen dit uit tot een eigentijds en eigenzinnig product, dat voor de geoefende luisteraar genoeg creatiefs en interessants te bieden heeft.

Susanna Karolina Wallumrød is een Noorse zangeres die naast spelen in haar bands Susanna & Ensemble neoN (pas recent opgericht) en Susanna And The Magical Orchestra, waarmee ze elektronica, jazz en Noorse pop vermengt, ook nog eens een solocarrière heeft en haar eigen label heeft opgericht in 2011 (SusannaSonata), waarop voornamelijk haar eigen werk verschijnt. Een bezige dame dus, die al een hele resem albums op haar conto heeft staan sinds ze de eeuwwisseling gebruikte om haar zangtalenten te etaleren. Op al haar platen is het vooral haar stem die de aandacht naar zich toe trekt. Haar frigide, breekbare stemgeluid zuigt de aandacht naar zich toe. De muziek mag klinken hoe die wil, Susanna torent overal bovenuit met haar geluid dat het midden houdt tussen Kate Bush (dit was de eerste naam die bij ons naar boven kwam), Jenny Hval ook, met wie ze ‘Meshes Of Voice’ (2014) maakte en Liz Fraser (Cocteau Twins) in een jazzy bui. Het woord is gevallen: jazz. Niet dat er veel jazz valt te horen op ‘Triangle’, maar doordat ze een graag geziene gaste is in de Noorse jazzmiddens, zijn het vooral jazzmusici die haar bijstaan. Helge Sten (Deathprod, Supersilent), Anja Lauvdal (keyboards), Hans Hulbækmo (drums), Heida Mobeck (tuba), Jo Berger Myhre (contrabas, bariton gitaar), Rolf-Erik Nystrøm (saxofoon), Fredrik Wallumrød (synthesizers), Andreas S. Lowe (synthesizers) en Harpreet Bansal (viool), en dat zijn ze nog niet allemaal. Alle gasten zijn ondergeschikt aan het spirituele verhaal dat Susanna wil vertellen, een verhaal dat bij ons net iets ze zweverig over komt. Gelukkig is het stemtimbre dominanter dan de tekst zelf. Susanna poogt behoorlijk wat afwisseling aan te brengen, maar tweeëntwintig nummers in ruim zeventig minuten is te veel van het goede. Halfweg de plaat hebben we het wel een beetje gehad. Trop is trop natuurlijk. Doseren is de boodschap.

Het label Barreuh maakte de keuze om voornamelijk cassettes uit te brengen. Een keuze voor een bepaald muziekgenre heeft het trio dat het label runt, echter niet gemaakt. Experiment, ambient, noise of singer-songwriter, het kan allemaal. En meer. Want Naagauk uit Nijmegen en Arnhem debuteert met vier nummers snoeiharde black metal. Geen nieuwerwets gedoe hier, geen ambientstukjes of andere sfeerfragmenten. Gewoon doorrammen tot iedereen murw is gebeukt. En daarvoor hebben ze maar vier nummers nodig. Naagauk werd opgericht door gitarist GWIIR (Wouter Jansen, ook Frank.Wheeler) en bassist/schreeuwlelijk HAASK (Bert Van Beek, ook Skymme, Scheerling). Om oldskool black metal te brengen, met teksten en songtitels in het Noors (vermoeden we), had het duo eigenlijk nog een drummer nodig. Die werd gevonden in een ander lid van Skymme, waarvan eerder ook al een cassette verscheen bij Barreuh, in de vorm van KHO. Die laatste is eigenlijk gewoon Peter Johan Nÿland, die heel actief is binnen deze scene en ook nog eens indruk weet te maken met zijn band Distel. Het trio trekt zich net als het label geen ruk aan van begrenzingen. Geen wave in wat voor vorm dan ook bij Naagauk, gewoon, pure en onversneden black metal. Gelimiteerd tot 65 stuks.

De Franse band Head On, voortgesproten uit Witcherry Wild, zocht voor zijn derde album de moerassen rond Rennes, hun thuisstad, op. Figuurlijk dan wel, maar het zou wel toepasselijk zijn geweest. Het geluid van Head On leunt namelijk dicht aan bij de swamprock die in Australië in de jaren 1980 schering en inslag was. Dan denken we vooral aan bands als Beasts Of Bourbon en The Saints die duidelijk tot de favorieten van het kwartet behoren. De groepsnaam is echter gepuurd uit een film en een nummer van The Stooges, wiens invloed absoluut niet aanwezig is. Head On zwalpt een beetje op twee benen op ‘Woman On A Wall’, dat wel beter is geproduceerd dan voorganger ‘Changing Shape’, maar klinkt tegelijk een heel stuk braver. Waar voorheen geregeld de garagebocht werd ingeslagen, klinken de nummers heel wat gelikter. De teksten komen voor de helft ui het boek ‘Filth And Other Poems’ van Hugh Tolhurst (uit 1997) en het andere deel werd geschreven door Susy Sapphire, die ook een bescheiden muzikale bijdrage levert. Prijsnummer vinden wij ‘Primates In A Human Zoo’, het enige nummer dat echt de Australische invloed ten volle uitbuit. Op de overige nummers doet Head On een beetje te veel zijn best om mooi en zonder foutjes te spelen en het gecroon van Seb Boogie werkt na een tijdje ietwat op onze zenuwen. Het mag gerust weer wat ruiger allemaal.

Bij F.A.T. doen bassist Thomas Coquelet, gitarist en zanger Paul Ménard en drummer Pierre Pasquis het met zijn drieën. Voor Eliogabal, met de plaat ‘MO’ onder de arm, zijn ze met zijn vieren. Of met zijn vijven, hangt van de plaat en het moment af. Net als bij Ça vinden deze Fransen hun muziek het belangrijkste en kan al het overige gedoe van de muziekbusiness hen gestolen worden. Waardoor we meteen door hebben dat de muziek ook lekker dwars zal klinken. Slechts vier nummers prijken er op ‘Animal’, die samen op nog geen 20 minuten afklokken. Veel te weinig als je het ons vraagt, want de mix van experiment, ambient en math- en noiserock werkt uitstekend. Het trio klinkt bij momenten als een waar powertrio waarbij repetitief beuken aan de orde is. En net als de trance komt, gaat de band een andere kant op. Friemelen, sfeer creëren en gewoon doen waar ze zin in hebben. Er mag al eens een stukje aan jazz verwante muziek bij. Geen zang, maar die zou ook niet passen bij het erudiete werk van F.A.T.. Of stukjes die bijna ambient zijn, of een drone. Wat over de vier nummers wel domineert is een gevoel van een geïmproviseerde jam waarbij het trio vertrekt van oerdegelijke noiserock waarna ze elke begrenzing overboord gooien en het genre helemaal oprekken door genrevreemde elementen toe te laten en er nog mee weg te komen ook. Intrigerend en verrassend tegelijk.

Het trio Black Lung uit Maryland, Baltimore kiest voor zijn tweede plaat een ietwat andere muzikale koers. Gedaan met de softie uit te hangen. En ook de fascinatie voor jaren 1970 bluesy hardrock werd op een lager pitje gezet. Black Lung kiest voor ‘See The Enemy’ resoluut voor psychedelisch aandoende doomy stoner die wel nog omkijkt naar de jaren 1970, maar net zo goed als het beste van Danzig. Dave Cavalier (gitaar, zang), Adam Bufano (gitaar) en Elias Schutzman (drums, percussie, zang, harmonium) maakten trouwens nog een andere opvallende keuze. Voor een gezelschap dat zich graag wil meten met een meesterlijke band als Sleep is het namelijk niet evident om zonder basgitaar voor het voetlicht te treden. Toch is dat waar Black Lung mee naar buiten komt. Uiteraard zijn de gitaren lager dan laag gestemd, zodat het nauwelijks opvalt dat er zonder bas wordt gespeeld. Al is Black Lung, zoals in veel zaken blijkbaar, niet echt consequent. Het hoesje vermeld namelijk J. Robbins als basgitaar, weliswaar als gastmuzikant. Of dat over de hele lijn zo is, geen idee, daar wordt geen melding van gemaakt. Een beetje vreemd vinden we dit natuurlijk wel. Het gros van de nummers is behoorlijk stereotiep te noemen binnen de genres waarin de band opereert. Alleen het van een uitermate aanstekelijke riff voorziene ‘Transmissions’ en het in een stevige spacerocksaus gedoopte ‘Crooked Finger’ steken boven de middelmaat uit. Jammer dat de single die aan het album voorafging, waarop een cover van ‘Inner City Blues’ van Marvin Gaye prijkt, niet op dit album staat. Want daar zijn we wel nieuwsgierig naar.

Het Italiaanse label Glacial Movements specialiseert zich in ‘isolationistische ambient en arctische klanklandschappen’. Binnen deze ijzige niche heeft platenbaas Alessandro Tedeschi al richting dertig sfeervolle platen uitgebracht van bijvoorbeeld Loscil, Celer, Rapoon en – recent – Chihei Hatakeyama & Dirk Serries. Daaraan heeft Philippe Petit nu ‘You Only Live Ice’ mogen toevoegen. Petits elektroakoestische werk kan – zeker als hij met vrienden opneemt – behoorlijk vol zijn, maar deze twee stukken zijn redelijk uitgebeend, of: leger geveegd – zoals sneeuw en ijs een landschap door het wegnemen van kleur en details abstracter en essentiëler kunnen maken. ‘You Only Live Ice’ bestaat uit een kleine drie kwartier lagen aan- en afrollende klanken, zwevende subtiele melodielijnen – zo subtiel dat ze werken als drones – die laag over vloeien en langzaam verschuiven. Interessant: de meeste muzikanten die dergelijke drone-constructies componeren, gebruiken louter aanhoudende (sinus)tonen. Petit laat hier en daar tinkelende of metalige klankjes over de dichte lagen dwarrelen. Langzaam verschuift de toon en daarmee de textuur en de sfeer. Het geheel blijft consistent en fascinerend. Het landschap wordt donkerder in het laatste kwartier dreigt een ijzige storm. Maar je wilt al niet meer weg.

Uit Lissabon komt meer dan alleen maar Buraka Som Sistema of Principe. Octa Push is het broederlijke duo Leo en Bruno. In 2008 werden de broers gecoached door Conspira, één van de lokale Portugese pioniers van heavy bass muziek, om samen een live act te beginnen. Hun productie kwam weldra op gang en hun stijl was een mengeling van UK garage en elementen uit techno en Afro-beat dat op hun debuutalbum werd uitgespreid. Na de afgelopen jaren remixes gemaakt te hebben voor Buraka Som Sistema, Jahcoozi, MC Zulu en Débruit was het tijd voor hun vervolgalbum, uitgegeven op het nieuwe Combatentes label. ‘Lingua’, betekent ‘taal’ alsook ‘tong’ in het Portugees en met deze insteek trekt het duo dubbelzinnig een nieuwe kant op. Het is een experimentele elektronische exploratie in hedendaagse Afro-Portuguese geluidssferen; batida, kuduro, batuka, funk, griot sferen en traditionele muziek waarbij ze diep in hun wortels van Guinee Buissau hebben gegraven en met veel gastmuzikanten uit de Lissabonse Afrikaanse scene hebben gewerkt. ‘Cueca’ is een speelse zonnige track met funky electrobeats en vrouwelijke zang van Maria Joao. Titelsong ‘Lingua’ is dé track van het album om in het hart te sluiten, met warme organische synthmelodieen die versmelten met de zoete tokkels van een koraluit door Braima Galissa en Alex Terrakota op gitaar. Op een ritme van gemoedelijke Afrikaanse beats voegt ook Catia Sá haar sensueel donkere stem toe voor ritmisch gesproken woord. ‘Trip Makakas’ is zoete tropical bass met een verslavende beat en ‘Xilofone Teteté’ is een lekkere electro marimbatrack met Afrikaanse beats en synths. ‘Mana’ brengt gedreven synth-kuduro voor de wildere sferen met rake raps van Bruno do Show. Het album eindigt met ‘Zeca’ in een zoete elektronische track in traditionele sferen als eerbetoon als de Portugese protestzanger José Zeca Afonso. Magistrale klank.