GC #133

Een maandagnacht in Stadlimiet, een van de artistieke vrijplaatsen van Antwerpen. De ruimte is leeggemaakt. Centraal staat een basdrum die Eric Thielemans toebehoort. In de trommel zitten microfoons die de geluiden van de slapende stad van binnenuit registreren. Een week later is Thielemans opnieuw in de ruimte. Met basdrum, fietswiel, vioolboog en stem bepleistert hij de omgevingsopnames met een tweede laag. ‘Aural Mist’ begint met de karakteristieke stem van Thielemans in de verte. Het geluid zwelt aan. De auditieve nevel die hij optrekt, blijft ruim een uur hangen. Dichterbij zijn er kleine verstoringen, wat gescharrel en getik, terwijl verder weg de massa aan verschillende snelheden zacht kolkt. Binnen- en buitengeluiden onderscheiden zich vaak heel duidelijk. Je hoort noties van een krakend huis én een autosnelweg. Een kippenhok én de zee. Klanken deemsteren weg en er komt iets anders in de plaats. Een klein, monotoon bataljon komt aangemarcheerd, zonder haast. Het trekkebeent wat, begint te twijfelen en te zwalpen. Eén voor één komen visuele voorstellingen voorbij, terwijl de ruis op de achtergrond aanwezig blijft. Maar ook die begint zijn eigen leven te leiden en wroet in zichzelf. Je hoort de vogels wakker worden, ergens tussen half vijf en vijf uur ’s morgens, tot alles uitdooft alsof er niets gebeurd is. ‘Aural Mist’ is opnieuw een opmerkelijke soloplaat na eerdere albums als ‘Sprang’ en ‘A Snare is a Bell’. Het werd gemaakt bij de installatie ‘MONIKER’, die Thielemans samen met Vaast Colson ontwikkelde. Ook op zichzelf is deze ‘Aural Mist’ meer dan de moeite waard.

Biezen, van pakt uw biezen, maar dat klopt niet. Eric Van Biesen spelde zijn familienaam tot een bandnaam. Hij wilde na het plotselinge overlijden van zijn kompaan Luc De Vos niet bij de pakken blijven zitten. Net geen kwart eeuw was hij de gedoodverfde en hondstrouwe bassist van De Vos bij Gorki (en niet bij het voorafgaande Gorky). Niet dat Gorki de enige band was waarbij Van Biesen ooit speelde. The Paranoiacs bijvoorbeeld hebben indertijd net zoveel gehad aan deze bevlogen muzikant. Veel van de nummers op de Gorki-platen heeft hij mee helpen schrijven, maar de teksten waren voor De Vos, waar hij veel respect voor had. Maar De Vos is er niet meer en de professionele muzikant moet ergens van leven. Een nieuw project, nieuwe liedjes en meteen een productie door icoon Daniel Lanois. En tussen de nummers die hij schreef om het verlies van zijn kompaan, en ook nog van een niet nader genoemde vriend te verwerken, staat een meer dan behoorlijke cover van ‘Bring On The Dancing Horses van Echo & The Bunnymen. Van Biesen zingt in het Engels en doet dat meer dan behoorlijk, zeker voor iemand die we associëren met louter Nederlandstalige rockmuziek. Hij bewijst met deze plaat tegelijk dat het métier van liedjes schrijven voor hem geen probleem vormt. Liefhebbers van de betere singersongwriters of van het werk van Gorki zelf kunnen ‘The Birds Return’ blind aanschaffen. Wie het doet om de ongewenste heiligverklaring van De Vos mee te helpen in stand houden, helpt de portemonnee vullen al is dat bij Van Biesen wel het laatste waar hij aan dacht bij het schrijven en opnemen van deze liedjes.

Bleached, dat zijn de twee zussen Jennifer en Jessie Clavin en één vriendin, Micayla Grace. De songs op hun tweede album kun je wel heel kort samenvatten. Het gaat van over foute mannen en uit de hand gelopen dronken avonden. Maar dan vatten we het veel te kort samen en doen we ze te kort. Want ze gooien er gewoon tien lekker rammelde songs uit. Songs die invloeden hebben van kortaangebonden punk en wilde garagerock. Zelf omschrijven ze deze plaat als Shangri-Las op speed. Perfect denken wij dan. En die korte samenvatting van de songs had trouwens ook een oorzaak. De zusjes, die verantwoordelijk zijn voor de songs, hebben een heftige periode achter de rug. Jessie was uit haar huis gegooid en Jennifer ontvluchte een gestoorde relatie. Al die frustratie bundelen ze hier samen. Energie te over in nummers als ‘Sleepwalking’ en ‘Wasted On You’. Vernieuwend? Absoluut niet, maar soms gewoon eens goed scheuren kan ook tof zijn. De iets te gladde productie moet je er wel bijnemen. (www.hellobleached.com). Heel wat minder blij worden we van de nieuwe van het viertal TEEN. De kern wordt gevormd door de drie zusjes Lieberson. Samen met Jane Herships willen Katherine, Lizzy en Kristine (Here We Go Magic) zichzelf op de kaart zetten. Maar net als op voorganger ‘In Limbo’ is de synthesizerpop van het viertal te beperkt om te blijven boeien. Op basis van het vorige album hadden we het idee dat het nog iets kon worden, maar na deze plaat zijn we daar veel minder van overtuigd. Te ééndimensionaal. (www.teentheband.com). Gelukkig zijn er Feels uit Los Angeles om de meubelen te redden. Met de hulp van Ty Segall mochten drummer Michael Rudes, Laena Geronima, Shannon Lay en Amy Allen hun titelloze debuut inblikken. En dat deden ze goed. Zelf omschrijven ze zich als een psych punk grunge post future rock-‘n-roll whatever band. En dat klopt ook, want al die muzikale stromingen zitten vervat in de negen songs die we krijgen voorgeschoteld. Toppers zijn het halverwege ontsporende ‘Slippin’’, het rammende ‘Play It Cool’ en ‘Bird’s Eye’. Dat laatste vooral door het springerige gitaarlijntje dat door het nummer loopt. (www.facebook.com/feelstheband) Vrouwen aan de macht. Vrouwen die van aanpakken weten. Zo zijn er gewoon nog te weinig te vinden in het muziekwereldje. En als er dan zijn, voldoen ze dan aan de verwachtingen? Niet altijd dus, maar gelukkig soms wel.

‘Impuros Fanáticos’ is inmiddels het tweede album van het olijke trio Fumaça Preta, bestaande uit een Venezolaanse Braziliaan uit Amsterdam, en twee Britten uit Brighton. Psychedelische rock is de formule maar dan in experimentele en lawaaierige sferen met vervormde tropicalia als inspiratiebron. Er wordt geschreeuwd/gezongen in het Portugees en Spaans en verder worden er allerlei wereldse muziekstijlen geleend en met psychedelische noiserock saus overgoten. De titelsong is een direct voorbeeld hiervan, na een intro van freejazz volgt fanatiek Portugees geschreeuw op een riedel van analoge synths en blikseminslagen van percussie en gitaar. In de knotsgekke latino metalknaller ‘Baldonero’ lijken ze The Meridian Brothers te mengen met Black Sabbath en het stemgeluid van Arrington De Dionyso. ‘Ressaca Da Glória’ is dan pure psychedelische rock-‘n-roll in jaren 1970 stijl. Psychedelische sitarklanken in ‘Morrer De Amor’ zetten de toon voor een hypnotiserende Indonesische psycherocksong in krontjong stijl. ‘La Trampa’ trekt de Arabische kant op met een snelle orgelmelodie. ‘Migajas’ is daarna van een minder kaliber, maar ‘Decimo Andar’ kan in paardengalop tempo de boel weer op de goede koers zetten in latinosferen. De afsluiter ‘A Serpente’ neigt sterk naar de Sun City Girls in bedwelmende Arabische sferen, maar plots ontaardt het in het midden in een tropische punkrocksong, om daarna weer terug te vervallen in het begin van de song. Knap staaltje muziek. Het schijnt vooral dat Fumaça Preta een sterke en energiekelive reputatie heeft. Na het horen van deze plaat kun je ze niet meer ontwijken en zullen we onszelf ooit eens moeten verliezen in zo’n optreden.

Het duo Se Delan bestaat uit de Britse multi-instrumentalist Justin Greaves (Crippled Black Phoenix) en de Zweedse zangeres en liedjesschrijfster Belinda Kordic. Se Delan kende met het debuut ‘The Fall’ uit 2014 een bescheiden succesje dat scoorde bij liefhebbers van het herrezen shoegaze-genre. Niet dat het duo echt was vast te pinnen. Daarvoor kwamen te veel elementen uit andere genres piepen, waaronder pure pop, triphop en heel wat details die verwezen naar de jaren 1980. Voor ‘Drifter’ gaat het duo een beetje weg van dat eerder uitgestippelde pad en wordt er gekozen voor een donkerder geluid. Dat wil niet zeggen dat het dromerige, de triphop of de shoegaze helemaal verdwenen zijn. Toch hebben we de indruk dat Se Delan breder wilde gaan en de invloeden die beiden bij dit project kenbaar willen maken, duidelijker mogen zijn. Zo klinkt de stem van Kordic soms wel heel erg als die van Siouxie Sioux zoals die klonk bij The Creatures of bij de laatste exploten van The Banshees. ‘Gently Bow Out’ is er zo eentje waar die invloed onmiskenbaar doorklinkt. ‘She’s So Wild’ klinkt als een cover maar onze promo meldt daar niets over. Toch zou dit nummer van Bauhaus kunnen zijn, met een vrouwelijke stem in plaats van Peter Murphy. Toch klinkt Se Delan nergens ouderwets. Daarvoor zijn de liedjes te mooi en zijn ze heel goed gearrangeerd waardoor ze eigentijds klinken. En dromen vol donkere gedrochten blijven natuurlijk dromen. Dat is ook zo met ‘Drifter’, dat weliswaar donkerder klinkt maar tegelijk veel interessanter dan wat het debuut te bieden had.

Sheik Anorak is één van de vele projecten van Frank Garcia. Hij richtte in 2004 het Gaffer-label op om het debuut uit te brengen van zijn band SoCRaTeS, waarin hij gitaar speelt. Een band volstond niet, en we vinden Garcia terug in een waaier aan bands die in diverse stijlen muziek maken, waaronder Men At Sea, LOUP, Grand Royale en Neige Morte. Sheik Anorak ontstond in eerste instantie als solovehikel om zijn voorliefde voor noise een platform te bieden. Elke plaat die hij tot nu toe maakte onder deze noemer, gaat een andere richting uit. Nowave, noise, Sonic Youth-rock en ongebreidelde freejazz annex -rock. Het verbaast dan ook niet dat hij op een bepaald ogenblik aan de slag ging met Weasel Walter (Flying Luttenbachers). Samen met Walter en Garcia trad ook saxofonist Mario Rechtern toe, waarna het trio helemaal uit zijn improvdak kon gaan. Live doet Garcia dit nog steeds,maar ondertussen is het geluid van Sheik Anorak voor het plaatwerk een compleet andere richting ingeslagen. Sinds ‘Day01’ brengt hij een soort indierock die post- en mathrock incorporeert. En dat is met deze nieuwe plaat, waarop zeven nummers, niet anders. Een ingetogen Don Caballero gaat in zee met een bezadigd June Of 44, wat tot een verrassend en tranceverwekkend resultaat leidt. Zelfs de paar nummers met zang klinken zeer geslaagd. En dat is absoluut niet evident bij dit soort muziek. ‘Upp Med Armarna’ is zo’n geslaagde, woordeloze trip die nog veel langer mag duren dat de ruim zes minuten die het nummer nu duurt. Een geslaagde stap van een inventieve muzikant, die live wel nog steeds zijn duivels ontbindt.

Lynn Maring (gitaar, zang) en Saskia Fuertes (drums, zang) steken voor hun derde album meteen een tandje bij. En dat op een paar vlakken. De meiden trokken naar Tucson, Arizona om er te werken met Jim Waters, die eerder werkte met grote namen als Sonic Youth en The Jon Spencer Blues Explosion. Het verwondert dan ook geenszins dat ‘Wrong Motel’ veel meer impact heeft dan voorgangers ‘Butchery’ (2011) en ‘Distoris Clitortion’ (2014), zelfs al stonden daar ook al meer dan behoorlijke nummers op. De dames kiezen voor ruige rock-‘n-roll waarbij al eens lekker geschreeuwd mag worden. Niet dat ze zich willen meten met bijvoorbeeld Babes In Toyland. Dat soort feminisme en heftige noisy rock is niet aan The Chikitas besteed. Puur en eerlijk zonder moeilijk te doen. Gewoon gaan , een leuke melodie verzinnen of dat toch opzijn minst proberen, en dan ongekunsteld proberen samen te zingen, in mislukte duetten die zo slecht zijn gedaan dat ze weer charmant gaan klinken. Het is net dat rommelige, dat gelukkig maar niet plat werd geproduceerd, die van dit duo een leuk en innemend bandje maken. Grote ogen zullen ze nooit ogen, ook niet met deze beter klinkende plaat. In het ondergrondse clubcircuit waar al eens een ferme portie punk en pure rock-‘n-roll mag passeren en er lustig met bier mag worden gegooid tijdens het crowdsurfen, zullen band en publiek zich rot amuseren.

Consouling Agency is een project van het Gentse label Consouling Sounds waarop bands hun werk kunnen uitbrengen dat niet echt past binnen het kader van het label zelf. Voorwaarde is uiteraard dat het op menselijk vlak klikt en de band ondersteuning en begeleiding nodig heeft of wenst bij het opnemen en uitbrengen van een geluidsdrager. Niet alles dat op Consouling Agency het licht ziet, is voer voor ons blad. Toch duiken geregeld interessante platen op, die net zo goed proberen de geijkt paden te verlaten. Twee daarvan hebben we hier samen gebracht. Carneia verloor sinds de drie jaar geleden verschenen voorganger ‘All Tongues Of Babel’ hun bassist maar besloot om die niet te vervangen en van het verlies een opportuniteit te maken; en het bandgeluid een ietwat andere wending te geven. Dat Carneia ervaring zat in huis heeft, met leden die ook spelen bij King Hiss, No More Faith en Vermillion, helpt uiteraard ook. De muziek blijft wel aanleunen bij hun grote idool Tool, al probeert het kwartet er een eigen draai aan te geven. Muzikaal wordt op dit vier nieuwe nummers tellende plaatje gekozen voor technisch sterke progmetal, die zich onderscheidt door de eerder voor powermetal geschikte stem van Jan Coudron. Toch werkt de combinatie na enkele beluisteringen wel degelijk. Het Genkse trio Hedonist kiest dan weer resoluut voor riffgeoriënteerde harde rock. Ook hier hebben de leden ervaring zat. Gitarist Roel Paulussen kennen we van Sardonis, Solenoid en Barabbas, drummer Frederik Cosemans van Hemelbestormer, Serpentcult en Death Penalty en laatste aanwinst Frank Homolka zit ook al in Solenoid. Na de split met Your Highness is er nu een langspeler die duidelijk laat horen dat het trio een stevige portie sludge/stoner kan neerzetten die niet moet onderdoen voor internationale bands als Karma To Burn of zelfs High On Fire. Alleen de stem mag hier en daar een tikje ruwer. Toch is dit een overtuigend debuut van een geolied klinkende, hard rockende band die het met een beetje meeval ver kan schoppen.

Het Brusselse Mont-Doré heeft een opvolger klaar voor ‘Escalades’, een felle brok screamo-hardcore die we in GC#122 de revue zagen passeren. Dat hardcore ons deel ging zijn, konden we al vermoeden met een bezetting waarbij leden zitten die bij bands als Thot, Hurt Them Back, Prairie en Serious Kids spelen of gespeeld hebben. Die plaat bevatte vijf nummers met één ware uitschieter. Inmiddels zijn we twee jaar verder en lijfde Mont-Doré een extra gitarist in om zijn geluid nog voller te maken en tegelijk te verbreden. En dat is ze nog gelukt ook. Opener ‘Before We Go’ laat meteen horen dat Mont-Doré het ook anders kan aanpakken. Postrock zet de toon van het nummer, alvorens alsnog uit te barsten. Ze zijn ook slim, deze Brusselaars en ze passen niet elke keer hetzelfde trucje toe. Postrock, screamo en hardcore worden vakkundig met elkaar verweven. Mik van Death Engine neemt de vocale honneurs waar op ‘What You Gave Me Is Not A Gift’, waardoor ook in de screams en zang enige variatie zit ingebouwd. Magnus Lindberg (Cult Of Luna) deed de mastering, waardoor ‘Fractures’ ook nog eens uiterst professioneel klinkt. Af klokkend net onder het half uur duwen deze hoofdstadsbewoners ons op de harde feiten van het dagelijkse leven en schreeuwen ze het uit in de drang naar een ander en beter leven. Na de aanslagen in Brussel heeft deze bende nog meer reden tot wanhoop, voor zover die al niet heel sterk aanwezig is op deze plaat.

Het uit Wellington, Nieuw-Zeeland afkomstige viertal Orchestra Of Spheres is best wel een vreemde eend in de bijt van het muzikale landschap. De band zegt geen politieke intenties te hebben maar brengt zijn nieuwe plaat wel kort na de verkiezingen in hun vaderland uit om daar de nodige kritiek op te spuwen. Ook muzikaal zit die politieke stormdrang er beetje in. Op de manier van Sun Ra en ESG dan wel. Een beetje onderhuids, gebracht in een muzikaal kader dat al net zo onvatbaar is als de groep zelf. Psychedelische stukken wisselen af met Afrikaanse aandoende ritmes, bewerende zanglijnen en exotica van zowat overal op onze aardbol. Mos Iocos, EtonalE, Baba Rossa en drummer Tooth, inmiddels vervangen door Woild Bain, geven zichzelf ook al minder voor de hand liggende artiestennamen. Het kwartet gebruikt in de nummers ook nog eens een scala aan exotische instrumenten, met een voorliefde voor allerlei belletjes. De nummers zijn iets makkelijker te behappen dan het werk van bijvoorbeeld Sun City Girls, mede door de focus op enige dansbaarheidsfactor. De muziek is wel net zo avontuurlijk en tast de grenzen van niet voor de hand liggende jazz af door toevoeging van allerlei elementen die er niet thuis horen. Net zo buiten de lijntjes kleurend is de derde plaat voor Abduction, het label gerund door Sun City Girls. Met een bezetting bestaande uit Steve Schmitt (gitaar), drummer Dave Abramson (Master Musicians of Bukkake) en Simon Henneman hadden we ook niet anders verwacht. Sinds 2005 bestookt het trio de mensheid met een maffe mengeling van surf, jazz, filmmuziek op een manier waarop voornoemde genres steeds uit balans lijken te klinken. De saxofonisten Skerik (Critters Buggin, Wayne Horvitz) en Neil Welch (Bad Luck, King Tears Bat Trip) blazen bijna letterlijk een aantal nummers in de vernieling, die zonder hen gewoon als bijvoorbeeld ordinaire surf zouden klinken. Op wat voor extra verwarring zorgende samples na is de muziek instrumentaal en klinkt ons vooral in de oren als komende van de indertijd zeer bloeiende New Yorkse scene rond The Knitting Factory. Niet het soort voortkabbelende jazz of ‘kijk ik eens wat ik kan’-muziek maar de avontuurlijke variant waarbij muzikale grenzen geen rol speelden.