GC #129

Titus Andronicus, de groep rond frontman Patrick Stickles, vindt het na tien jaar spelen, veertien singles en drie langspelers, tijd voor een ambitieus project. Het kwintet, dat in een decennium tal van muzikanten versleet, poogt middels een ware rockopera geschiedenis te schrijven. Stickles vond het tijd om zijn depressies en decadente levensstijl, of zo meent hij toch, van zich af te schrijven in negenentwintig nummers die op een dubbel-cd werden gestanst. Of we daar blij om moeten zijn, is een ander paar mouwen. De instrumentale opener en ‘No Future Part IV: No Future Triumphant’ zetten de plaat in. Heel even denken we aan ‘Tommy’ en ‘Quadrophenia’ van The Who. Het zijn op deze zondagochtend de enige twee memorabele rockopera’s die we ons voor de geest kunnen halen. Halfweg laatstgenoemd nummer trekt Stickles zijn bek open en dan is het over met de pret. Zijn rauwe, ietwat punky stem versjteert het nummer, en dat is bijna met alle erna volgende liedjes het geval. ‘I Lost My Mind’ klinkt nog enigszins zeurderig als vroege Elvis Costello, in ‘I Lost My Mind’ klinkt de woede van The Clash door en hier en daar horen we leuke fragmentjes die doen denken aan glamrock en indie. ‘Look Alive’ is wat ons betreft het beste nummer van het hele stel. Zeer kort, gebald en punky, lekker ruig en niet te veel gekweel. Op het tweede schijfje gaat het kwintet gewoon verder met het afwisselen van genres, terwijl Stickles net iets minder irriteert dan op het eerste. Onze aandacht heeft Titus Andronicus nauwelijks weten te vatten. Ons irriteren, enerveren en hoofdpijn bezorgen des te meer. Lamentabel tijdverlies zouden we zelfs durven stellen, in een persiflage van de titel van de plaat. Te ambitieus en te weinig doorwrocht om een degelijke rockopera te zijn.

Uit Long Beach, Californië komt het trio Tijuana Panthers aanwaaien met een opvolger voor het vorig jaar verschenen album ‘Wayne Interest’. Hun vierde inmiddels sinds hun debuutsingle ‘Girls Gone Wild’ uit 2009, hun tweede voor Innovative Leisure. Het trio, dat voortsproot uit The Fancy Lads en The Pencils. De voorliefde voor skateboards, surfen en muziek bracht het trio uiteindelijk op de been. De band maakt een mix van surf, punkrock, rock en pop waarbij de liedjes steeds opgewekt en zomers klinken. En dat is ook nu weer het geval, al menen we hier ook wat invloeden van de Britpop van de jaren 1980 ter bespeuren (‘Send Down The Bombs’). De diverse stijlen duiken bijna in alle liedjes in meer of mindere mate op. Gitarist Chad Wachtel, bassist Daniel Michicoff en drumer Phil Shaheen kiezen echter steeds voluit voor het liedje, liefst met een zekere mate van popgevoeligheid. De meeste klinken uitermate vlotjes, zeker ook gezien het feit dat de plaat in slechts twee dagen werd ingeblikt. De zang is soms ietwat te zeurderig naar onze smaak, maar het kan er mee door. Echte hoogvliegers staan er eigenlijk niet op ‘Poster’. Draken staan er echter evenmin tussen. Tijuana Panthers is vooral vlot in het schrijven van luchtige en tegelijk vluchtige deuntjes die bij de meeste mensen een glimlach op het gezicht kunnen toveren. En even daarna is een mens ergens anders mee bezig, of passeert een andere plaat en is er geen luis meer die zich ook maar een noot van deze plaat herinnert. Zo voorbij, zo vergeten. Instantplezier en daarna niets meer, dat is ‘Poster’ ten voeten uit.

Pentagram is zo’n band die eigenlijk steevast onder de radar is blijven hangen, zelden een breed publiek heeft bereikt maar doorheen de jaren toch een zeer trouwe schare fans bijeen heeft gesprokkeld. Bobby Liebling, zanger, leider, gerenommeerd drugsmisbruiker en zotskap schijnt al een paar jaar clean en relatief gezond door het leven te stappen. Zijn leeftijd zal daar ongetwijfeld eveneens mee te maken hebben, want Pentagram is ondertussen aan zijn vijfde decennium bezig! Liebling richtte zijn band op in 1971 en is sindsdien in meer of mindere mate actief gebleven. Het duurde tot de jaren 19810 alvorens een eerste album het licht zag. Slechts wat demo’s gingen eraan vooraf, die nu echter als heel invloedrijk worden beschouwd op het ontstaan van de heavy metal. De jaren 1980-platen worden dan weer beschouwd als voorbodes tot wat tot het doomgenre zou uitgroeien. Na ‘Last Rites’ uit 2011 is er nu opnieuw een plaat, met nieuw werk dan nog wel. Snel voor een band als Pentagram, die ondertussen een pagina vol oud-leden telt. Net als op de vorige plaat wordt Liebling bijgestaan door gitarist Victor Griffin (Place Of Skulls, Death Row) en bassist Greg Turley (Place Of Skulls en tevens het neefje van Griffin). Drummer Pete Campbell is alweer weg en werd vervangen door Pete Campbell, ook al lid van Place Of Skulls. Toch weet het trio Liebling’s kijk op zijn muziek te vertalen naar Pentagram en klinkt ‘Curious Volume’ niet als een Place Of Skulls-plaat met een legendarische zanger. De drie leven zich volledig in en maken van deze elf nummers een soort synthese van Liebling’s carrière. Klassieke doom en heavy metal weven goed in elkaar en het kwartet levert een heel degelijke plaat af waar geen missers, maar ook geen echte uitschieters, op staan.

De Fransman Sylvain Chauveau stond voornamelijk bekend om zijn minimalistische elektronische muziek, toen hij in 2005 opeens met een akoestisch eerbetoon aan Depeche Mode kwam. Nu, tien jaar later, brengt het label Ici d’ailleurs een heruitgave op de markt van het album waarop Chauveau voor het eerst ook zingend te horen was, met een stem die allicht niet zo sterk was als die van Dave Gahan en Martin L. Gore, maar toch zeker recht deed aan de muziek. Er zijn een paar negatieve uitschieters, zoals ‘€˜Home’€™, waar de oorspronkelijk prachtig door Gahan gezongen zinnen “and I thank you/for bring me here/for showing me home/for singing these tears”€ in de versie van Chauveau plotseling een beetje zeurderig klinken. De liefde voor de muziek van Depeche Mode klinkt echter duidelijk door in zijn uitvoeringen. De minimale aanpak van Chauveau krijgt een enigszins vollere (hoewel dat een groot woord is) omlijsting door de muziek van het Ensemble Nocturne. De samenwerking pakt over het algemeen goed uit, daar waar de nummers net dat beetje meer sfeer krijgen, zoals in ‘Freelove’€™ en ‘Never Let Me Down Again’€™ (misschien wel het sterkste nummer van deze plaat). Hier en daar ligt echter het melodrama op de loer, zoals in opener ‘Stripped’, waar de strijkers het wel erg dramatisch maken. Daar waar de muziek klein gehouden wordt, zoals in het prachtig uitgepuurde ‘€˜Death’s Door’€™, is Chauveau op zijn sterkst. Wat hij in ieder geval bereikt met deze plaat is dat men de originele muziek van Depeche Mode weer in een nieuw licht beluistert. Dat is misschien nog wel het grootste pluspunt van dit eerbetoon. Bij ieder nummer is daar namelijk het besef dat het verdomd goede muziek is.

Toen John and Dominique de Menil de Rothko Chapel in Houston lieten realiseren, hadden ze een ruimte voor spirituele en artistieke ontmoeting voor ogen. Op verzoek van de De Menils maakte Mark Rothko 21 schilderijen voor de meditatieve omgeving. De kapel staat open voor iedereen en de beherende organisatie verzorgt er kunstzinnige projecten. Het akoestisch ensemble Mural trad er al meermaals op; in 2013 verzorgde het trio een vier uur durend optreden. Mural, dat bestaat uit de Australiër Jim Denley (blaasinstrumenten) en de Noren Kim Myhr (gitaar) en Ingar Zach (percussie), was dermate tevreden met het resultaat dat het trio besloot er een box met drie cd’€™s van uit te brengen. Op ‘Tempo’ horen we drie uur en de coda van het stuk. De muziek lijkt ter plekke haar (nooit definitieve) vorm te hebben gekregen, maar is beslist consistent en de muzikanten hebben een duidelijk eigen stem. De blaaspartijen van Denley klinken piepend, pruttelend, klepperend, hijgend; Myhr krast, slaat en tokkelt op zijn gitaar; Zach zorgt voor zacht getik, verre dreunen, rinkelend metaal en een verspreide gongslag. Kalme, bijna aftastende passages wisselen af met apotheoseachtige momenten; de luisteraar mag zich ondertussen afvragen of er überhaupt een structuur wordt opgebouwd. ‘Tempo’ is vooral textuur, ruw en onregelmatig, met wisselingen in intensiteit, dichtheid van geluid en klankkleur. Vormontwikkeling lijkt vooral in kleinere brokken plaats te vinden. Enerzijds schept dat variatie, waarbij terugkerende elementen en de herkenbare stem van de muzikanten eenheid schept; anderzijds houdt ‘Tempo’ iets van een collage aan ideeën, die voor een tijdje worden uitgeprobeerd en dan weer losgelaten om iets anders te proberen. Drie uur blijkt dan toch te lang om aan een stuk te boeien. ‘Tempo’ is de moeite waard, maar beluister per een of twee cd’s.

Midas Fall uit Manchester werd in 2009 opgericht. Sirene Elizabeth Heaton trekt door haar stem, die het midden houdt tussen Elizabeth Fraser (Cocteau Twin) en Beth Gibbons (Portishead), het laken volledig naar zich toe. Voor deze derde langspeler slaagt het trio dat haar begeleidt, zijnde Rowan Burn (gitaar, piano), Steven Pellatt (drums/percussie/piano) en Chris Holland (bas), er echter in om de onderdanige rol die we hoorden op voorganger ‘Wilderness’, enigszins los te laten. Op die plaat klonk Midas Fall als een veredelde postrockband die de, weliswaar mooie, zang van Heaton ondersteunde. Niet dat die insteek helemaal is verdwenen. ‘The Morning Asked And I Said No’ op ‘The Menagerie Inside’ is er ook weer zo eentje. Maar omdat het nummer na een vijftal songs komt die voornoemd stigma weten te overstijgen, past het liedje, een behoorlijk ingetogen ballade die een mengeling is van postrock, shoegaze en goth, toch binnen het geheel van de plaat. Midas Fall slaagt er deze keer namelijk wel in om de diverse genres die ze met elkaar proberen te vermengen, zijnde shoegaze, postrock, indie, gothic, prog en ietwat zweverige elektronica, tot een intrigerend geheel te smeden. De diversiteit is iets groter dan voorheen, al blijft Heatons inbreng van zeer groot belang. Dat verwondert ook niet. Het timbre van haar stem en de vele mogelijkheden die ze heeft qua bereik, intensiteit en variatie, benut ze in hoge mate. Daardoor klinkt Heaton nergens eentonig of vervelend maar weet ze telkens opnieuw te verrassen en te bekoren door de vele wendingen die ze met haar zangtalent neemt. Ze verheft voor dit album tevens haar muzikanten tot een hoger niveau dan voorheen, omdat de band nu als een kwartet klinkt en niet meer als een begeleidingsband voor een begenadigde zangeres.

Bij het horen van de naam van het Duitse duo Tiefschwarz moet men allicht denken aan duistere industrial. Niets is minder waar, want de broeders Basti en Ali Schwarz maken al sinds 1997 een over het algemeen erg fijne vorm van house met techno-invloeden. Wat ons betreft waren ze op hun hoogtepunt zo rond 2006, het jaar waarin we een sterke liveset van hen hebben gezien op het Hongaarse Sziget Festival. Dat was de tijd dat techno en elektro hun house net dat beetje meer diepgang en punch gaf, voordat ze zich op het gladdere pad van de techhouse begaven van de afgelopen jaren. Nu is daar hun zesde lp, ‘Left’, welke ons enigszins verbaasd achter laat na de eerste luisterbeurt. We zijn voornamelijk confuus wat betreft het tijdperk waarin we leven, omdat de muziek ons tien jaar terug brengt, naar de tijd van de minimalistische en vrolijke elektrohouse van een Tiga en Booka Shade. Paradoxaal genoeg klonk Tiefschwarz juist wat steviger in die tijd, maar daar is op ‘Left’ weinig meer van te merken. De helft van de plaat bestaat uit samenwerkingen met Khan, Mama en Emily Karpel en dit deel met vocalen beklijft niet heel erg. De tracks waarop de broers zelf al het werk doen zijn iets pakkender, zoals het Ellen Allien-achtige ‘Morgen Abend’ en afsluiter ‘Laid Black’, dat qua naam de muziek op deze plaat perfect samenvat. Ogenschijnlijk duister, maar eigenlijk heel erg lichtvoetig. Tiefschwarz anno 2014 is op zijn beste momenten muziek voor in de ochtend op een festival als Fusion na een nacht doorgezakt te hebben, of fijne achtergrondmuziek voor tijdens een after in een zonnig park. Op de mindere momenten neigt Tiefschwarz echter, ik durf het bijna niet te zeggen, hier en daar een beetje naar Bloemendaalmuziek…

Op 27 september 2014 werd in de Ancienne Belgique West-Vlaamse doom/sludgemetal gekoppeld aan Oost-Vlaamse poëzie. Amenra kwam tot rust in een zelfopgelegde volumeberperking, licht en elektriciteit werden in een zwart gat gezogen, en de bevroren stem van de Gentse dichteres Sofie Verdoodt spookte vanuit het lichtledige tussen spierwitte handen en een nog blanker kapsel. Sfeermatig werd de laars op de buik gezet middels een melodieus en organisch dreunende ondersteuning van Amenra, voor de verdovende voordracht van Verdoodt, die een selectie bracht uit haar debuutbundel ‘Doodwater’. Een titel die thematisch erg goed aansluit bij de Leven/Dood dualiteit die Amenra voortdrijft. Bij ‘September’ moeten we onwillekeurig terugdenken aan Fovea Hex of een fel wit uitgelichte Nico en haar harmonium. ‘Buiten Datum‘ laat iets meer kleurtoetsen toe dankzij de repetitieve minimale akoestische gitaarklanken van Amenra. Deze geslaagde samenwerking is op 300 exemplaren gelimiteerd 7inch vinyl geperst, en de ingetogenheid overspeelt haar hand in een iets te sobere (of: gebrek aan) lay-out. Wie rechtstreeks bij het label koopt, heeft de mogelijkheid om single en dichtbundel als één pakket aan te schaffen. En indien je de rokerige doem nog dieper wil inhaleren, kunnen we ook een luisterbeurt op 33 toeren aanbevelen.

Eigenlijk is dit best wel een moeilijke plaat om over te schrijven. Als we puur op muzikale mérites afgaan, kunnen we stellen dat er hier en daar heel goede riffs en hypnotiserend drumwerk valt te horen. En een jongedame die de meest waanzinnige zanglijnen uit haar strot perst, alles gevend wat ze in haar lijf geeft. Verder horen we trompetten, harmonica’s, regenstokken, monotrons, melodica’s, fluiten, synthesizer, gitaar en een massa maffe percussie. Al deze instrumenten worden bespeeld. De manier waarop is wat anders. Sla erop, mep ertegen, klinkt het niet, dan botst het. Is het gestemd? Geen idee, want daar hebben de deelnemers aan dit slagveld geen boodschap aan. Wild Classical Music Ensemble is dan ook eerder een project dat overal uitbundig wordt onthaald omdat er een stel verstandelijk beperkten muziek aan het maken zijn, onder de leiding van professioneel drummer Damien Magnette (Zoft, Facteur Cheval). Niets op tegen uiteraard, maar waarom Magnette nu plots denkt dat de hele gemeenschap interesse moet tonen in zijn zwaar gesubsidieerd project? Geen idee, want zo bijzonder klinkt het nu ook weer niet. Eerder rommelig en goed geprobeerd, vermomd en gepropageerd als experimentele muziek. De deelnemers doen hun uiterste best en verleggen allicht hun eigen grenzen. Dat is bewonderenswaardig. Laat hen maar muziek maken en er uitgebreid van genieten. Zonder de wetenschap dat het om een project rond mensen met een handicap draait, raakt deze plaat nooit verder dan de huiskamers van de verwanten en medewerkers. Een beetje dierentuin gapen, zoals we het zagen tijdens een fragment van een concert op de televisie. Kijk eens wat die mensen kunnen en kijk eens hoe flink ik hen muziek laat maken. Ach ja. Voor wie geïnteresseerd is: de vinylversie kost tien euro. Of gratis te downloaden op volgend webadres: moncul.org/bands/wild-classical-music-ensemble.