GC #127

Blame Kandinsky is een vijftal uit Athene dat sinds 2012 verwoed om zich heen schopt. Explosieve metalcore en mathcore worden op een hoop gegooid en aan gort geschreeuwd door de brulboei van dienst. Ondertussen rijgde de band de concerten aan elkaar, tot ze vonden dat ze voldoende op elkaar waren ingespeeld om hun bij wijlen behoorlijk chaotisch aandoende muziek in goede banen te leiden en uit te brengen. Zes nummers werden uitgekozen, waarvan ‘Varnish 11 st Illinois’ begint met een streepje blues om daarna los te barsten. Twee van de zes nummers steken er met kop en schouders bovenuit. Dat komt vooral door superieur riffwerk dat bij de resterende songs niet slecht maar ook weinig memorabel is. Met ‘Nascency.Admittance.Guilt.Rebirth’ en ‘Beautiful Savages’ weten deze Grieken de middelmatigheid te overstijgen en zorgen er zo voor dat hun debuut-ep toch de moeite wordt. De zesde plaat van het Portugese collectief Simbiose, de opvolger voor het drie jaar geleden verschenen ‘Economical Terrorism’, is er opnieuw eentje om de oren uit te kuisen. Crust en grindcore gaan hand in hand bij deze Portugezen, die ook nog eens in hun moedertaal de boel op stelten zetten. Lange nummers, daar doet een band als deze niet aan natuurlijk. We horen de plaatgroeven lopen als intro, waarna ‘Ignorancia Colectiva’ meteen uit zijn voegen barst. Veertien furieuze nummers met uiteraard sociaal-politiek commentaar (hiervoor geloven we de bio zonder aarzeling) die aanleunen bij genregrootheden als Napalm Death en Disfear. En dat ze goed zijn in hun soort, is ook Bri Doom van de legendarische band Doom niet ontgaan. Hij verzorgt een ferme gitaarsolo in ‘Deixós Falar…’. Niet dat we het hadden opgemerkt. Solliciteren om bij Relapse te worden getekend, dat is dit ‘Trapped’. Het uit Perth afkomstige trio Ur Draugr zet zijn eerste stapjes aan het blackened death metalfront middels een ep die net geen twintig minuten in beslag neemt. Opener ‘Unseen Golgotha’ zet nog relatief rustig in maar ontaardt al snel in een alsmaar donkerder en chaotisch stuk black metal. Het tien minuten in beslag nemende titelnummer bevat niet alleen het geweld van het drietal zelf. De band krijgt assistentie van gitarist Daniel Wiggins om het festijn nog wat gewelddadiger te maken. Gelukkig weet Ur Draugr te doseren en sluipen er geregeld rustpuntjes in het geheel, al mocht dat stukje progrockgesoleer van diezelfde Wiggins wel ietwat compacter. Gelukkig brult Drew James Griffiths de boel al snel aan gort en wordt de death al snel gedomineerd door hemelse moderne black metal. Geen schel geluid te bespeuren hier. Wel een degelijke productie van een band die weet hoe ze zwart en heavy tegelijk horen te klinken.

Cluster, zijnde het duo Hans-Joachim Roedelius en Dieter Moebius, sproot voort uit Kluster toen Conrad Schnitzler er de brui aan gaf. Ze maakten nog een achttal platen, die net als het voorgaande werk worden beschouwd als voorlopers van de elektronische muziek, ambient en krautrock. In 1981 hield het op, tot Cluster in 1990 opnieuw opdook. Het duo maakte een aantal fel gesmaakte platen en slaagde er zelfs in om tournees te doen, zowel in thuisland Duitsland, Europa en, in dit geval het relevantst, door de Verenigde Staten en Japan. De reeksen optredens golden meteen als een vaarwel aan hun luisteraars, en daar kon Cluster alleen maar gediversifieerd voor de dag komen. Voor het Amerikaanse luik koos het duo voor het luidere, minder te verwachten aspect uit hun catalogus. Beangstigende soundscapes, onverwachte (of net wel, voor wie Cluster een beetje kent) ritmische uitbarstingen en heel wat speelse elementen. Het lijkt alsof de twee wilden aantonen dat ze helemaal geen new age en ambient maakten, maar pure, soms bijna dansbare elektronische muziek die boordevol, eerder donkere, emoties zit. Al duikt hier en daar, wat had u gedacht, een fragment verstilling op. Voor het Japanse luik, met optredens in Osaka en Tokio, koos Cluster net wel voor de meer atmosferische stukken. Of niet, want schijn bedriegt. De meeste stukken zijn inderdaad intiemer en rustiger, edoch, soms klinkt Cluster bijna als The Residents. Uiteraard is alles digitaal bij deze incarnatie van Cluster, en is er ook van analoge apparatuur nog nauwelijks sprake. Ook de opnames zelf, die werden gemaakt, en voor deze uitgaven nog wat werden opgepoetst, klinken ei zo na perfect. In het eerste stuk van de Japanse show horen we bijvoorbeeld heel duidelijk de toetsaanslagen op een keyboard die klinkt als een piano, waar bij de Amerikaanse shows de nadruk eerder lag op dreigende drones, uiteraard dreigend op de manier van Cluster, waar speelse accenten en interrumperende geluiden voor verstrooiing en verstoring zorgen. Beide cd’s geven een mooi beeld van waar Cluster op dat ogenblik naartoe was geëvolueerd. Tegelijk zijn ze een uitstekend overzicht van de diverse kwaliteiten van beide heren, als solisten of samen, en zijn, misschien ongewild, een perfecte instap in de wondere wereld die Cluster was en is.

Uit San Fernando Valley komt het kwartet Prima Donna aandraven met een ferme portie punkrock, rock-‘n-roll en glamrock. De band debuteerde met de single ‘Eat Your Heart Out’ op Puke N Vomit Records in 2007 en timmert sindsdien onafgebroken aan de weg naar roem. Het elf nummers tellende ‘Nine Lives And Forty Fives’ is hun vierde plaat, die net als de voorgangers vol staat met referenties naar een verleden dat zich net zo goed weerspiegelt in de resem bands waarmee ze reeds de zalen afschuimden: Adam Ant, The Dictators, Eddie and the Hot Rods, Glen Matlock & The Philistines en met hun poppunkende maten van Green Day. Little Steven is een grote fan van het geluid van deze bende, die als een samensmelting klinkt van voornoemde bands. ‘Born Yesterday’ duidt op dat retrogevoel, en klinkt als David Bowie in zijn glamperiode, T-Rex, en zelfs een tikje als vroege Rubettes en Mud. ‘I’m On Fire’, oorspronkelijk van Dwight Twilley (uit ‘Sincerely’ uit 1976) klinkt als stadionrock zoals Little Steven die zelf maakt. De Blondie-cover ‘Rip Her To Shreds’ (uit het debuut) klinkt met zijn uitgebreide blazerssectie als New York Dolls, terwijl ‘Eat Your Heart Out’ wat weg heeft van Iggy Pop. Het maffe orgeltje doet hier eveneens wonderen. ‘Rock And Roll Is Dead’ (The Rubinoos) klinkt al net zo rauw, punky en glam als de rest van de plaat. Geen poppunk te bespeuren hier, gelukkig maar. Wel een portie onversneden brutale rock’n’roll waarbij het leuk uit het dak gaan is. Drieëndertig minuten in een tijdscapsule terug naar het eind van de jaren 1970. Het moet kunnen.

Picastro uit Toronto, Canada is vooral de groep rond zangeres Liz Hysen. Sinds 1998 bestiert ze Picastro als enige constante in een regelmatig wisselende bezetting. Die bezettingen worden voornamelijk gekozen met de muziek die ze voor ogen heeft. De dame durft namelijk nogal eens van gemoed te veranderen voor haar platen. Folk, postrock, avantrock of meer singersonggerichte muziek, ze draait er haar hand niet voor om. Wel constant is haar lijzige stem, die alle aandacht naar zich toe trekt. En de behoorlijk spooky sfeer die ook op het vijfde album ‘You’ pertinent aanwezig is, kan als een rode draad doorheen haar oeuvre worden beschouwd. Brandon Valdivia (drums) en Nick Storring (cello) zijn twee van de muzikanten waarmee ze al eerder werkte en die ook nu hand- en spandiensten verlenen, en op indrukwekkende wijze, dat mag gezegd worden. Waar de plaat traag op gang komt met een paar redelijk gewone ingetogen liedjes, gaat Picastro op de tweede helft van de plaat aan het experimenteren. De zang moet niet meer binnen de gewone Picastro-lijntjes kleuren, en ook de cello krijgt alle ruimte, wat tot memorabele avelinkse liedjes leidt als ‘Judas Claim’, ‘State Man’ of ‘Baron In The Trees’. Evan Clarke, Tony Dekker (Great Lake Swimmers), Alex Lukashevsky, Colleen Kinsella en Caleb Mulkerin (beiden Big Blood, Cereberus Shoal) geven acte de présence en voegen kleine accentjes toe. Picastro, eigenlijk gewoon Hysen, werkte eerder al uitgebreid met Great Lake Swimmers en Nadja, wat verklaart waarom ze in een alsmaar grotere vijver muzikanten voor het kiezen heeft. De eigenzinnige liedjes op dit ‘You’ staan ver van de postrock van vroeger en zijn eerder experimentele popliedjes die nooit de hitparade zullen halen. Daarvoor zijn ze gewoon te mooi.

De tabla tarang is een set tabla’s die in een halve cirkel rond de speler opgesteld staan en die gestemd kunnen worden in toonschalen van raga’s. De eerste beschrijving van zo’n set dateert uit de late negentiende eeuw. De trommels werden toen gebruikt bij zangonderricht. Dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat de eerste stap in het aanleren van tablaspel van oudsher gebeurt door studenten de slagen te laten zingen. De Indiase tablaspeler Kamalesh Maitra, in de jaren 1950 muzikaal leider van de dansgroep van Uday Shankar (broer van sitarspeler Ravi Shankar), verfijnde de techniek en maakte naam met virtuoze raga’s in optredens en op cd’s. Na zijn overlijden in 2005 dreigde de tabla tarang in vergetelheid te raken. Daar heeft de Franse slagwerker Philippe Foch nu een stokje voor gestoken. Hij heeft zich het spelen op deze trommels, waarop melodieën in golven heen en weer spoelen, eigen gemaakt. Op de cd ‘Taarang’ combineert hij ze met elektronica en laat hij zich bijstaan door enkele muzikale vrienden, zoals de briljante doedelzakspeler Erwan Keravec en Benoît Delbecq op geprepareerde piano. Daar heeft hij verstandig aan gedaan. Nadeel van de gestemde trommels is dat ze qua dynamiek vrij vlak klinken en dat ze niet de subtiele glijtonen kunnen maken van andere Indiase melodie-instrumenten. Dat weet hij te ondervangen met deze gastmusici en door de trommelset in steeds andere elektronische omgevingen te plaatsen. Vooral als die decors een koortsachtige intensiteit hebben, zijn de trommelslagen weldadig verkoelende druppels. De geprepareerde piano biedt de afgepaste slagen een weelderig en gelaagd tegenspel. Maar het meest opwindend zijn de hogedruktonen die Erwan Keravec speelt in ‘Ujaraq’. Het lijkt een oproep tot een verpletterende tweekamp, waarin de slagen je letterlijk om de oren vliegen.

‘A Heart That Responds to Schooling’ is een vervreemdende plaat, ondanks zijn eenvoudige eerste impressie. De Italiaanse componist en muzikant Alessandro Bosetti en de Australische pianist Chris Abrahams presenteren hier een verzameling ‘kleine’ nummers. Het album bevat zowel intieme, geïmproviseerde nummers als interpretaties van bestaande composities, zowel minimalistische repeterende melodielijnen als experiment met spraakmelodie. Zo brengen ze een versie van jazzpianist Steve Lacy’s ‘Esteem’, voorzien van een tekst van Bosetti. ‘Bridges’ is een Engelstalige versie van Milton Nascimento‘s ‘Travessia’, een Braziliaanse klassieker. De zang in beide nummers is breekbaar – vooral in het tweede nummer bijna letterlijk. Als Abrahams in ‘Bridges’ zijn soberheid verlaat en wel heel veel nootjes produceert, is de romantiek nauwelijks nog serieus te nemen. Wellicht een ironische noot om het evenwicht terug te vinden. Bosetti’s altijd terugkerende interesse in de muzikaliteit van taal komt vooral goed naar voren in ‘La nourriture’, waarin piano en voordracht gelijk op gaan. Abrahams, van huis uit jazz- en improvisatiepianist, houdt het op deze plaat bedachtzaam en ingetogen. Zijn kleine, sobere melodielijnen worden soms begeleidt door elektronica die nerveus spettert, bromt en ritselt (‘Eye’), een andere keer door Bosetti wordt bediend alsof hij morse-codes uitzendt (‘Reservoirs’). Zeven nummers die je het gevoel geven aanwezig bent bij een moment van vertrouwelijkheid, waarop de muzikanten hun gevoel laten spreken.

Fat Supper is een kwartet uit Rennes, dat zijn plaat opent met de song ‘Clutter’, waarin toch wel een heel erg aan David Bowie verwante gitaarriff domineert. De periode ‘Young Americans’ denken we, al kunnen we het mis hebben. In elk geval, iets van Bowie voor hij helemaal de mist in ging. Niet dat het een slecht nummer is geworden. Integendeel. Het gros van de liedjes op hun tweede album klinken verrekte goed. Een beetje dwars misschien om voor reguliere rockmuziek door te gaan, maar net dat tikje venijn vinden wij leuk. En hoe meer liedjes we horen, hoe beter we ze lijken te vinden. Alsof Fat Supper rustig opbouwt, de ene geniale riff na de andere weet te verzinnen om ons zo hun universum binnen te rijven. We horen ‘Narvana’ en zijn mee, maar daarna komt het nog veel sterkere ‘Sandcastle’ waarin het viertal experimenteert met de rockstructuren en lichtjes naar noiserock neigt, net door die bijgevoegde elementen. Pierre Marolleau en Yoann Buffeteau drummen beiden, al is het vooral die eerste die met zijn inventieve ritmes de liedjes net dat beetje extra weet te verlenen. ‘Surrogate’ heeft wat mee van dEUS, niet alleen wat betreft het liedje zelf maar ook de dwarsigheid die telkens komt bovendrijven. Die verwijzing houdt trouwens nog wel bij een aantal nummers steek, zonder dat het kwartet aan het imiteren gaat trouwens. Luister maar eens naar ‘Oddbox’ en ‘Basement’. We hadden zo onze twijfels over de relevantie van deze plaat na ‘Clutter’, maar die hebben we in dit geval snel aan de kant gezet. Uit Kroatië komt het trio Vlasta Popić aanwaaien met de opvolger voor het debuut ‘Za Očnjake’ uit 2012. Negen nummers sieren het schijfje, die een beetje in twee helften uiteenvalt. De eerste drie nummers tonen verwantschap met bands als Fugazi, Shellac en door de zangeres ook aan Dog Faced Hermans. Al snel neemt de noisy punkrock echter de overhand en is er van eigenwijze noiserock nog nauwelijks sprake. Ook zangeres Tena laat dan meer haar punkzieltje spreken waardoor die liedjes allemaal nog net dat tikje ruiger en viezer gaan klinken. We vinden het echter vooral leuk dat het trio alles onderneemt om een eigen geluid te creëren, zelfs al zit het dan in de noisy punkrockhoek. Het zingen in de moedertaal geeft uiteraard een extra exotisch tintje, wat ook tot gevolg heeft dat we geen flauw benul hebben waar nummers als ‘Nervozno Se sanjari’ en ‘Slijepa NaÅ¡a (Mržnja)’ over gaan. Misschien maar goed ook, want dan kunnen ze zingen wat ze willen, we begrijpen er toch geen sikkepit van.

Het in Gent gevestigde Consouling heeft niet alleen zijn eigen label Consouling Sounds. Er worden ook platen uitgebracht als Consouling Agency, waarbij Consouling de bands met raad en daad bijstaat maar die niet onder de paraplu van het eigen label passen. En nu is er ook 9000 Records, een label dat interessante projecten uit het Gentse wil promoten. In samenwerking met het in jazz gespecialiseerde De Werf mag het kwartet Nordmann de spits afbijten. Via het Consouling Agency (eveneens in samenwerking met De Werf) kon Nordmann reeds een drie nummers tellende ep uitbrengen, een voorsmaakje voor wat komen ging. Nordmann wil bewijzen dat ze hun verrassende tweede plek in Humo’s Rock Rally 2014 verdienden, en ze doen het met kunde. Tenminste, als je een portie jazz kan smaken. Want dat is wat Nordmann in al zijn variëteiten brengt: jazz. Soms conventioneel, soms iets gewaagder of experimenteler, zonder echt uit de genrebeperkingen te springen. ‘Pfut’ steekt voor ons zijn neusje net iets verder vooruit dan de andere stukken. Misschien omdat we menen enige invloed van Peter Vermeersch en zijn Flat Earth Society te horen. Nummers als ‘Ohm’ en ‘Paling’ klinken bezadigd, rustig, conventioneel zonder afbeuk te willen doen aan de kwaliteit van de stukken of aan de kunde van de vier heren muzikanten. Hier en daar duiken verrassende stukjes op. Zo bevat het lome ‘Paling’ een bevreemdend einde met een paar moeilijk thuis te brengen maar mooie geluidseffecten. Het zeven minuten durende ‘Jumanga’ wordt aangestuurd door een repetitieve trommelslag, en later freaky blazers. Een tweede hoogtepunt. In het afsluitende ‘Nightwork’ worden alle remmen losgelaten en gaat het kwartet helemaal jazzloos. Gelukkig maar. Al is de fluitsolo naar het einde toe dan weer tenenkrullend. Net de variatie houdt het boeiend, zodat ‘Alarm!’ een aangename en bevredigende luisterervaring wordt.

De Amerikaanse geluidskunstenaar Ben Fleury-Steiner houdt ervan om zijn composities te vormen als een soort droomachtige constructies. Fragmenten van vaag opdoemende herinneringen en zintuiglijke indrukken schuiven over en in elkaar tot een soort vloeiend en golvend geheel. Zijn nieuweling ‘While the Red Fish Sleeps’ is daar een goed voorbeeld van, om te beginnen al met het titelnummer. Die compositie is verdeeld in twee stukken van respectievelijk ruim 21 en 10 minuten en wordt gekenmerkt door een bijna letterlijke diepte. Om bij de associaties met water te blijven: we zien het stromende oppervlak en vaag, soms wat duidelijker, zien we wat zich daaronder afspeelt. Het nummer ‘While the Red Fish Sleeps’ bestaat uit ruisende drones op de voorgrond en op verdere afstand klinkend een subtiel, telkens herhaald traag loopje en field recordings. Soms vallen drones en ritme kort weg, om even later weer op te duiken. ‘White Moth Arcade’ lijkt te beginnen met willekeuriger geplaatste geluiden, maar al snel ontstaat hierin structuur. Hier rammelen de verspreide, metalige klanken juist op de voorgrond en zijn het de ruisende geluiden die er achter schuiven. ‘Sea Of Secrets’ biedt indringende, golvende en donkere drones met op de achtergrond scherpe, snerpende en krakende geluiden en verrassend goed passende field recordings van vogelgeschreeuw. Afgezien van ‘White Moth Arcade’ zijn de nummers sterk gebaseerd op duur, herhaling en, zoals aangegeven, gelaagdheid. Fleury-Steiner levert hier zorgvuldig gecomponeerde stukken, waarin de luisteraar fijn mag drijven en mijmeren. De professioneel geperste cd-r met prachtige fotografie van Julien Lambrechts heeft een oplage van honderd exemplaren.

John Tejada en Kompakt zijn een gouden combinatie. Sinds de Californische producer van Oostenrijkse afkomst neerstreek bij het platenlabel uit Keulen is zijn geluid gladder en gepolijster geworden zonder aan kracht in te boeten.
Mooiste voorbeeld? ’Parabolas’ (2011), z’n eerste album voor Kompakt en een speelse mengeling van rauwe, crunchy techno en warme melodieën en harmonieën.
Op ‘Signs Under Test’ schuift Tejada, nog meer dan op Kompakt-voorgangers ‘Parabolas’ en ‘The Predicting Machine’ (2012), naar textuur. Tejada is er hoorbaar op zoek naar ruimtelijkheid en minder naar pop-esthetiek. En zo beweegt hij zich ergens tussen het ambientgeluid van Thomas Fehlmann, de atmosferische techno van Conforce en de experimentele pop van I’m Not A Gun – zijn project met Takeshi Nishimoto – in. Leidt tot een gelaagd, dromerig album waarop Tejada house- en techno-esthetiek door elkaar laat lopen. Zoals dat in de beginjaren van elektronische dansmuziek nog zo gewoon was.
Dat Tejada de basis van ‘Signs Under Test’ heeft gemaakt met behulp van zijn collectie analoge synthesizers draagt eveneens bij aan het open, dromerige geluid op z’n derde voor Kompakt. De gelaagdheid van het album en de rust die de muziek van Tejada uitstraalt, maken ‘Signs Under Test’, overigens gestoken in een prachtige hoes, tot een nieuw hoogtepunt in Tejada’s muzikale zoektocht.
De producer uit L.A. heeft de neiging om zijn muzikale projecten abrupt af te sluiten en verder te trekken wanneer hij alle hoekjes in kaart heeft gebracht. ‘Signs Under Test’ biedt echter genoeg aanknopingspunten om te veronderstellen dat Tejada nog niet klaar is bij Kompakt.

De jaren 1990 zijn springlevend en maken het prima, dankuwel. Hun huidige woonplaats? Remixplaten. Jazeker, die dingen, fossielen uit een tijd dat platenmaatschappijen nog geld hadden en dat uitgaven aan idiote crossoverpogingen, worden nog altijd uitgebracht. Doorgaans door muzikanten die hun carrière in dat tijdperk begonnen, zoals dus Mark Lanegan. Deze oude grunge-brombeer maakte met ‘Phantom Radio’ al een (best fijne) plaat die volop achterom keek, naar triphop, synthpop en new wave uit de jaren 1990 en 1980. Waarom je dan niet helemaal uitleven in nostalgie, moet Lanegan gedacht hebben, en hij bestelde een remixplaat met producers zoals (godbetert) Moby en UNKLE. In welk jaar leven we ook weer? Nostalgie is allemaal goed en wel, maar het concept deejay-remixt-rockband was twintig jaar geleden ook al te pijnlijk voor woorden. En de klungelige, steevast te lang uitgesponnen pogingen op deze plaat maken maar weer eens duidelijk dat dat nog steeds opgaat. Maar ook hedendaagse muzikanten uit nieuwe, hippe genres vallen soms prooi aan de egotrip van het remixalbum. Piano Interrupted is een Brits duo in het overbevolkte neoklassiek/ambient-genre: pianist Tom Hodge speelt minimalistische deuntjes en producer Franz Kirmann voegt daar wat koffiebar-proof elektronische lagen en dunne beats overheen. Hun debuutalbum ‘The Unified Field’ verscheen ruim twee jaar geleden, een eeuwigheid in deze tijden waarin iedere week weer een nieuw project opstaat in dit genre. De makers vonden het desondanks tijd om ons weer eens aan die plaat te herinneren en warmden hem op middels een complete remake door producers als Hidden Orchestra, Origamibiro en Floex. Nu klonk de originele plaat al vrij generiek. Zoals verwacht voegt een plaat met bewerkingen door zeven verschillende producers weinig persoonlijkheid toe. De gehele plaat klinkt als een reeks commercials of als een fijne achtergrondplaat voor uw nieuw te openen hippe bar. Heel functioneel, maar tot meer dan achtergrondmuziek wordt het nergens. Dan kun je het toch nog het beste aanpakken als singer-songwriter Will Samson en de Berlijnse producer Heimer, die samen de plaat ‘Animal Hands’ maakten, die klinkt als wat een remixplaat had kunnen zijn: alle tracks lijken te vertrekken vanuit een vocale lijn van Samson, maar gebruiken dat vooral als een startpunt voor lange krautrock-achtige producties die lekker psychedelisch doormeanderen en waarin de song soms helemaal verdwijnt. Samsons stem doet sterk denken aan Bon Iver en de producties zijn gelaagd en fijn. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook van deze plaat uiteindelijk niet waanzinnig veel beklijft.

Seattle zal wel voor eeuwig verbonden blijven aan de grunge van Nirvana, Soundgarden en Pearl Jam. Toch stonden er enkele jaren geleden twee erg boeiende, futuristische hiphopacts op: Shabazz Palaces en THEESatisfaction. Ze deelden hun label, studio en producer, doken op elkaars platen op en trokken samen op tour. Ook nu schreef Ishmael Butler van Shabazz Palaces mee aan ‘EarthEE’ en verzorgde zijn kompaan Maraire de percussie op verschillende nummers. THEESatisfaction, bestaande uit en zangeres Catherine “Cat” Harris-White en rapster Stasia “Stas” Irons, laat zich inspireren door de wonderlijke wereld van Sun Ra (die platenhoes!) waar ruimte en tijd rekbare begrippen zijn, door de subtiele soul van Erykah Badu en de poëtische spoken word van Ursula Rucker. De dames pennen al van kindsbeen af hun eigen teksten neer en zitten niet verlegen om een intieme tekstflard meer of minder. Al kaarten ze in nummers als ‘Planet For Sale’ en ‘No GMO’ ook bredere, maatschappelijk relevante thema’s aan. Stas en Cat vormen niet langer een liefdeskoppel, hun muzikale relatie is er des te inniger op geworden. Zo klinkt ‘EarthEE’ warmer en organischer dan voorganger ‘awE naturalE’, niet in het minst door de bijdragen van bassiste Meshell Ndegeocello, trompettist Peter Lynch en toetsenist Taylor Brown. Het resultaat is een smaakvolle plaat die rijker is dan het debuut en als geheel meer te bieden heeft.

Een paar maanden geleden waren we getuige hoe gitarist Timmy Simons op zijn geheel eigen gedreven wijze een optreden regelde voor zijn vanuit Gent opererende band in het Kortrijkse Ciné Palace, alwaar ze de affiche konden delen met de eveneens bij Consouling Agency getekende Luikse blackmetalband Deuil. We sloegen een praatje en ik beloofde het concert bij te wonen en de cd waarvoor promotie zou worden gemaakt, te beluisteren en te recenseren. En zo geschiedde. Zelfs al hadden we heel snel door dat de muziek van het kwartet, verder keyboardspeler Michael Penson, bassist TomEveraert en drummer Tom Vansteenkiste (ook Carneia), die tevens de soundscapes verzorgt, helemaal niet aan ons besteed is. Edoch, we konden na hun concert alleen maar bevestigen dat, zelfs al is prog, symfonisch en djent (wat het precies inhoudt snappen we nog steeds niet) absoluut ons ding niet, Vermillion het métier tot in de kleinste details beheerst en iedereen wist te overtuigen van de doordachte kwaliteit van hun muziek. Instrumentaal, overladen met kleine details, spelplezier, perfect op elkaar ingespeeld en ondanks het genre slaagde het kwartet er toch in aanhoudend ieders aandacht vast te houden. Hoedje af, en dat is net zo goed het geval voor hun cd ‘Sentience’. Bij momenten behoorlijk stevig, dan weer ingetogen, virtuoze technicitijd, moeilijke maar toch meeslepende ritmes, veel afwisseling en slechts hier en daar een fragment waar onze tenen van gaan krullen. Het is een krachttoer om dit te bewerkstelligen. Invloeden? De grote namen kon Timmy ons alleen maar bevestigen: Yes, Van Der Graaf Generator, King Crimson, Soft Machine en veel, zeer veel metalbands die bij prog en symfonische rock aanleunen. Soit, het gebeurt ons niet dikwijls dat een band en een plaat in een genre waar we niets mee hebben, ons weet te overtuigen. Vermillion doet het wel.

Het tweede album van Evans The Death wordt net zoals het debuut vooral gekenmerkt door de makkelijk herkenbare zang van Katherine Whitaker. Haar ietwat zeurderige stem, waarmee ze net zo goed een stevig potje kan schreeuwen, past bovendien perfect bij de fuzzy rammelpunk die ze met haar band maakt. Net als op de voorganger zijn de liedjes vooral melancholisch van aard, met mijmeringen over zichzelf, haar vrienden en breder, over de teloorgang van de sociale maatschappij en hoe het vroeger soms of altijd zoveel beter was of kon zijn. Ze werkte opnieuw samen met producer Rory Atwell, wat zo zijn voordelen heeft als band. De man kent ondertussen de bedoelingen van Evans The Death, en weet hun liedjes, die soms heftig punkrocken (‘Enabler’) of meer de poppunkkant opgaan (het titelnummer), goed te vatten. Melodisch en vrolijk wisselt af met rauw en soms zelfs behoorlijk dissonant, waarbij hetzelfde ‘Enabler’ als perfect voorbeeld kan dienen. ‘Waste Of Sunshine’ is er dan weer eentje dat de wanhoop, het hopeloze gevoel dat de Londenaars ervaren in een situatie waar iedereen blut is, geen uitzicht heeft op een job en alles, inclusief relaties, stilaan uit elkaar vallen, weet te vatten. Whitaker weet het in aandoenlijke liedjes te gieten geruggensteund door de broertjes Dan en Olly Moss en de nieuwe drummer James Burkitt (gerekruteerd uit ABC Club). Evans The Death belichaamt doorwrochte rammelpunk die rammelt omdat het past, niet omdat de leden niet kunnen spelen. Een beetje naïef misschien, maar wel leuk.