GC #101

Als iemand ons op voorhand had verteld dat de bassist van Porcupine Tree en een ex-lid van progvehikel Henry Cow samen een plaat hadden gemaakt, hadden we onszelf in alle mogelijke bochten gewrongen om het ding niet te hoeven horen. Initieel is er niet zoveel aan de hand: ‘Celestial Disclosure’ begint met een oosters getint sfeerstuk waarin bas en tablas de dienst uitmaken, tegen een achtergrond van vage, klaaglijke stemmen. So far so good, maar dan doen halverwege drums hun intrede, op de voet gevolgd door saxofoon en fluit, die een minutenlange solo inzetten. Met progrock heeft het gelukkig niet zoveel van doen, maar “ambient world music jazz fusion” zijn ons toch net even te veel woorden in één zin waar we niets mee kunnen. Op het tweede nummer volgen de heren dezelfde lijn: tien minuten ambient met een oosters tintje, en een mooie, Indiaas aandoende fluit. En die onvermijdelijke sax, zij het ditmaal een stuk korter. Op het nieuwe derde nummer – de overige twee kwamen eerder uit als gelimiteerde lp – worden de heren terzijde gestaan door Rajan Spolia, een klassieke gitarist. Die, u raadt het al, een lange solo speelt. Ook op dit nummer is het klanktaptijt sfeervol, maar staat het wederom geheel in dienst van de virtuoze bijdragen van de solisten. Veel referenties kunnen we u verder niet geven – hooguit dat we heel even werden herinnerd aan dingen die Erik Truffaz, Talvin Singh en Murcof samen hebben gedaan – maar de fans vinden hun weg ongetwijfeld beter zonder onze observaties.

Joris De Buysser van het Antwerpse Conspiracy Records liet in de jubileumeditie van Gonzo (circus) optekenen dat zijn label staat voor introverte muziek. Meer bepaald muziek om “volledig te absorberen, om op in te gaan en die hopelijk ook inspireert en ontroert”. Flying Horseman slaat met hun debuut die nagel nogmaals hard op zijn kop. Deze band voldoet namelijk aan al deze criteria. Bovendien mogen hier ook de adjectieven intens en bezwerend worden opgediept. Flying Horseman, een sextet gecentreerd rond Antwerpenaar Bert Dockx, schetst een licht apocalyptisch wereldbeeld dat wordt opgeroepen door een bijzonder intuïtief aanvoelend samenspel van blues, folk, country, Americana en psychedelica. Stilistisch roept dat onvermijdelijk associaties op met Wovenhand of dichter bij huis het recente album van Kiss The Anus Of A Black Cat, maar waarmee Flying Horseman zich echt weet te onderscheiden, is de emotionele diepgang en zielkervende sfeerschepping. Zeldzaam is de muziek die emotioneel zo op het scherp van de snee wordt gebracht als die van songschrijver Dockx. Precies hier situeert zich hun lyrische kracht en uniciteit. Flying Horseman wegzetten als de zoveelste Belgische band doet fundamenteel afbreuk aan hun kwaliteiten. The National, Madrugada, het gitaarspel van John Fahey, The Velvet Underground en het latere werk van Earth bieden nog meer houvast en illustreren uit welk straf hout deze band is gesneden. Ze hoeven namelijk niet bang zijn om internationaal de concurrentie aan te gaan. Afgetekende hoogtepunten als ‘Bitter Storm’, ‘Landmark/Lament’, ‘Climb Op The Wall’ of ‘Feather’ zijn subtiele evenwichtsoefeningen tussen triest en bitter, tussen donker en hoopvol. Indien er ook maar een ons rechtvaardigheid overblijft in het hedendaagse muzieklandschap dan moet ‘Wild Eyes’ uitgroeien tot een doorbraak want dit is zonder enig overdrijven één van de beste releases van het jaar, het buitenland incluis!
Het Conspiracy labelmoto geldt evenzeer voor Head Of Wantastiquet, het soloproject van Paul Labrecque. Die is vooral bekend als lid van Sunburned Hand Of The Man en voor zijn collaboraties met onder meer Chris Corsano. Op ‘Dead Seas’ laat hij voornamelijk een soort primitieve bastaardfolk horen die is afgekloven tot haar minimalistische essentie: kaal, desolaat, puur, galmend, psychedelisch en hypnotiserend repetitief. Banjo en gitaar zijn de voornaamste instrumenten, de aanwezigheid van stem wordt beperkt tot het strikt noodzakelijke. Ambient ten slotte is de lijm die de nummers bij elkaar houdt. Dat maakt dat ‘Dead Seas’ zich niet zo makkelijk openbaart, met uitzondering van het meer toegankelijke trio ‘A Curse Repeated’, ‘Shakedown No.6’ en ‘On Earth As It Is In Heaven’.

Het Britse Portico Quartet is de afgelopen maanden in Nederland en België vooral de jazzfestivals afgegaan. Terwijl een clubtour ze toch ook niet had misstaan. Het is misschien niet de standaardopstelling die we vaak in de clubs zien, zo met die saxofoon in het middelpunt en de Zwitserse hang drums, maar toch. Het is ook zeker geen standaard jazz dat het Portico Quartet maakt. ‘Isla’ is eerder een ratjetoe, van (free)jazz, niet-westerse muziek, postrock en nog meer moois, uitgevoerd door vier topmuzikanten. Wie vreest voor kil en statisch toonladdergefröbel kan gerust ademhalen. ‘Isla’ is meer dan enkel een vingeroefening in virtuositeit. Ieder van de tien nummers is sterk opgebouwd en altijd keert het heilig vuur terug. De nummers zijn juist krachtig dankzij een flinke scheut zeggingskracht en emotie die nergens achterwege wordt gelaten. De kracht van de compositie krijgt altijd voorrang op de techniek. De saxofoon van Jack Wyllie is het sterkste punt op ‘Isla’. Nergens storend op de voorgrond, maar altijd langzaam opkomend en waar nodig op volle kracht geblazen. Het Portico Quartet is eigenlijk te goed en te breed om een jazzgeheim te blijven. Het is te hopen dat ‘Isla’ daar verandering in brengt.

De Amerikaanse cellist Erik Friedlander kreeg in 2008 van het San Francisco Contemporary Jewish Museum de opdracht om een compositie te maken, geïnspireerd op de letter Nun van het Hebreeuwse alfabet. Het stuk is uitgevoerd in het kader van een geluidsproject van het museum, maar Friedlander wilde de muziek graag ook uitbrengen op zijn eigen Skipstone-label. Niet zomaar: de stukken wilde hij daarvoor remixen en een nieuwe volgorde toebedelen. De huidige structuur van ’50’ bestaat uit vijftig miniaturen, gegroepeerd in zeven langere stukken. De eerste zes worden gevormd door zeven miniaturen, de laatste uit zeven miniaturen en een lange afsluiting. Daarmee verwijst hij naar de tocht van Mozes en de Israelieten tijdens de Exodus, 49 dagen van kennisvermeerdering tot zij op de vijftigste dag gereed waren om de Tien Geboden in ontvangst te nemen. Is die ontwikkeling herkenbaar in een muzikale opbouw? Niet voor ons in elk geval. Misschien ontbreekt ons daarvoor voldoende kennis van de Thora, maar anderzijds vinden we dat een (kunst)werk zelfstandig moet kunnen worden beoordeeld. En dan zijn we tevreden. De verzameling van vijftig gecomponeerde stukken begeven zich van modern gecomponeerd naar improvisatiejazz en terug. Er wordt gevarieerd in sfeer, bezetting (gebaseerd op viool, cello, bas, drums en piano), tempo en lengte. Lyrisch vioolspel kan worden gecombineerd met percussieve vrijheid, swingende jazz volgt haaks op gecomponeerde abstractie. In die vijtig kleine composities is er voor elke instrumentalist ruimte gemaakt om te improviseren. De miniaturen zijn afwisselend, maar vormen toch een mooi en gedegen uitgevoerd geheel.

Pieter ‘Pete Mush’ Van Den Broeck, dat is de naam die we dienen te onthouden als het om het uit Lokeren afkomstige Quantum Fantay gaat. Hij schrijft niet alleen alle songs, hij neemt ze ook op, mixt ze af en neemt ook binnen het geluid van de band een prominente rol in met zijn synthesizerspel. De bandnaam zegt het natuurlijk al een beetje: dit is voor de kosmos bedoelde, instrumentale muziek. Mush komt uit de progrockband Oregon, en die invloed is nog steeds te horen, ook op dit inmiddels vierde album onder de noemer Quantum Fantay. Gelukkig is dit geen oubollige progrock, maar weet Mush vakkundig progrock met spacerock te mengen, waardoor de band eerder in de richting van Ozric Tentacles in zijn meest bevlogen momenten valt te situeren. Er zitten uiteraard wat zweverige stukken in die veeleer verwijzen naar bijvoorbeeld Tangerine Dream en ook een oude glorie als Uriah Heep is deze Lokerenaren niet vreemd. En het lijkt misschien vreemd, maar deze nederige Belgen schopten het vorig jaar tot Nearfest USA, en dat is zowat de hoogmis van de progrock. Ze speelden er tussen Uriah Heep, Pain Of Salvation en Opeth, en kregen er nog warm applaus ook. Het verwondert ons niet, want al zijn de synthesizers dominant, hier en daar vliegen de gitaren stevig uit de bocht, en gaat Quantum Fantay van krautrock, kosmische muziek over progrock tot bijna progmetal.

Vijf jaar geleden sloot Sufjan Stevens een periode af met het album ‘Illinoise’: deel twee van zijn project om over elk van de vijftig Amerikaanse staten een plaat te maken. Of hij dat ooit echt gemeend heeft, durven wij te betwijfelen. Er verscheen nog de bijwijlen hilarische box ‘Songs For Christmas’ en toen werd het stil. Af en toe doken er nog wel eens verhalen op over de slechte geestelijke gezondheid van de man. Maar nieuwe albums verschenen niet. Vorig jaar dook hij dan terug op met ‘The BQE’, een plaat over een snelweg. Wat productie van nummers betreft, zit hij blijkbaar weer op kruissnelheid want een paar maanden geleden verscheen ‘All Delighted People’, een ep van albumlengte. Nu, is er ook ‘The Age Of Adz’. Een plaat die de koerswijziging die op de twee vorige releases te horen was volledig doortrekt. Weg pure georchestreerde folk, daar komt de elektronica. In plaats van gitaren, banjo’s, blokfluiten en allerhande akoestische instrumenten duiken beats en bleeps op. Uit de teksten kunnen we opmaken dat de man een diep dal heeft overwonnen, een gevecht met zichzelf heeft moeten voeren. Welk pad moet hij volgen in de toekomst bijvoorbeeld. In het bijna puur op zijn stem drijvende ‘Now That I’m Older’ wordt dat heel duidelijk. Het magnum opus van de plaat is het meer dan vijfentwintig (!) minuten durende ‘Impossible Soul’ – een klassiek opgebouwde compositie, koorgezangen, knisperende elektronica. Dat één van de meest getalenteerde artiesten van zijn generatie nieuwe wegen opzoekt, juichen we toe. Alleen is het soms, om het met de titel van tweede nummer op het album te zeggen, een beetje ‘Too Much’.

Jonge hond Francesco Tristano Schlimé zet zijn pianoverkenningen buiten de concertzaal voort. Getraind en gevierd als klassieke concertpianist besloot hij een aantal jaren geleden dat een mens niet van Bach alleen kan leven. In 2007 verscheen ‘Not For Piano’, een door Murcof geproduceerd album met onder meer covers van Derrick May, Jeff Mills en Autechre, gemaakt met vrijwel alleen maar piano. Een conceptplaat, die het ergens midden hield tussen new music – Mills’ ‘The Bells’ leek opeens heel erg op Wim Mertens – en moderne jazz. ‘s Mans reputatie was gevestigd, en sindsdien werkte hij samen met Moritz von Oswald en trad hij op met Murcof. Met ‘Idiosynkrasia’ bouwt Tristano voort op die ervaringen, en levert hij een gevarieerd werkstuk af waarop hij zich uitleeft in zijn verschillende muzikale voorkeuren. Dat is zowel modern klassiek, als techno, als jazz – en alle mengvormen die je daarvan kan maken. De technonummers werken het beste, misschien omdat de plaat werd opgenomen in de studio van Carl Craig, maar misschien ook omdat Tristano zich door het minimalisme niet al teveel kan verliezen in gepingel in de hoge registers. Wanneer dat wel gebeurt, zoals op ‘Eastern Market’, is het resultaat behoorlijk cheesy. Het kan sowieso geen kwaad als je een beetje van jazzy piano houdt, want die keert in veel nummers terug. De verschillende stijlen zijn het beste in balans op ‘Fragance De Fraga’, dat in het verlengde ligt van wat Tristano eerder met Von Oswald deed, maar het prijsnummer is de lange afsluiter waarop de elektronica langzaam maar zeker de ruimte om de repeterende new music-piano overneemt. Een mooi einde aan een wat onevenwichtige plaat.

In afwachting van het volgende album – intussen zitten ze aan nummer zeven – van deze Noorse geweldenaars, presenteert de Vikingmetalband Helheim ons dit minicd’tje, dat toch een half uur blijkt te duren. En we zeggen het meteen: dit is geen black metal die zich aan de regels houdt, evenmin als het folk- of vikingmetal is die binnen de lijntjes kleurt. Daarvoor is Helheim veel te eigenwijs. En denk nu niet: “we wachten wel op hun nieuwe album, die tussendoortjes, daar hebben we het wel mee gehad.” Verkeerd deze keer. Twee nummers van dit ‘Asgards Fall’ zullen namelijk niet op de komende cd staan. Die songs staan aan het begin van de plaat, en spelen met genregrenzen: blazers, een zeer rustige sfeer, allemaal schijn. In de achtergrond horen we uiterst snelle blackmetal donderen, maar die zit helemaal naar achteren gemixt. Piano hier, een zanglijn daar, alles draagt bij tot de schijnbare lieflijkheid van Helheim. Want dan komen ze plots vanuit het niets naar voren gedonderd met hun satanwaardig geweld. ‘Dualitet Og Ulver’ staat wel op het komende album, ‘Heidendomr Ok Motgangr’, dat in februari de rekken zal aanvallen. De song ‘Jernskogen’ van het album ‘Blod & Lid’ werd opnieuw opgenomen en komt nog beter tot zijn recht. Gastzangers zijn er in de gedaantes van Hoest (Taake) en Gunnar Emmerhoff (Emmerhoff & The Melancholy). ‘Asgards Fall’ is een geslaagd plaatje. Het is meer dan een doekje voor het bloeden maar een volwaardige release, bijna een waardige opvolger voor het reeds fantastische ‘Kaoskult’.

Het trio Eternal Elysium uit Japan is toe aan zijn vijfde album en gaat gewoon verder waar ze op de vorige cd’s al mee in de weer waren: het maken van stevige psychedelische rock met ruimte om de platgetreden paden te verlaten. Er bestaan trouwens verschillende versies van dit ‘Within The triad’. De Europese cd-versie bevat twee songs die niet op de Japanse staan, en de vinylversie bevat drie songs die niet op de cd zijn te vinden. Er zal dus in elk geval één song staan op het vinyl die nergens op cd is te verkrijgen. Dit volledig terzijde uiteraard, want zo fanatiek zijn we zelf geenszins. We zijn al lang tevreden dat gitarist Yukito Okazaki, bassist Tana Haugo en drummer Antonio Ishikawa erin slagen om een heel divers plaatje te maken, die plaats laat voor kraut, noise, Afrikaanse beats, melodie, groove en aan stoner verwante heavy rock. En dit zonder de song zelf uit het oog te verliezen. Eternal Elysium stopt met freaken of experimenteren als het net te veel dreigt te worden en de song dreigt te verzuipen. Luister naar opener ‘Agent Of Doom’ en je wordt meteen opgezogen in een donkere psychedelische wereld vol doemscenario’s. En het album borduurt daarop vlot verder, met uitstapjes richting Hawkwind en Black Widow. Ook The Godfathers en Black Sabbath zijn uiteraard nooit ver weg, maar de Japanners trappen niet in de val en gooien voldoende andere elementen in de mix om interessant te blijven. Het is dan ook lekker wegdromen of de stevige beats van ‘Within The Triad’.

The Jon Spencer Blues Explosion werd opgericht in 1991. De drie leden, die ook nu nog steeds de drijvende kracht vormen, hadden toen al een interessant muzikaal verleden achter de rug. Jon Spencer had al vijf jaar aan destructierock gedaan met Pussy Galore en samen met zijn vrouw Christina Martinez ook Boss Hog in ons geheugen gehamerd. De platen van beide bands kennen we nog steeds uit het hoofd, en daarvan zijn er niet veel. Spencer, die korte tijd bij Gibson Bros. speelde, leerde Judah Bauer (Spitters) en Russell Simins (beiden Crowbar Massage) kennen toen ze alle drie deel gingen uitmaken van Jerry Teel’s Honeymoon Killers. Tot in de essentie uitgepuurde rock-’n-roll, soul, funk, blues, rockabilly, garage, noiserock en een uitermate arrogante attitude zorgden ervoor dat de muziek van Blues Explosion bij een klein maar select publiek al snel aansloeg. Spencer, de verlegenheid zelf naast het podium, ontketent zijn duivels bij de geur van elk podium, waarop het drietal wild uit zijn dak gaat en korte, gebalde songs op zijn publiek loslaat, publiek dat alsmaar groter wordt, mee met het alsmaar toegankelijker worden van het geluid van het trio. Gelukkig zonder dat de band zijn roots verloochent of op automatische piloot gaat spelen. Het gaat in onze contreien zelfs zo goed, dat Humo de band plots ontdekt en ze op T/W spelen, terwijl ze de jaren ervoor als een stel herriemakers werden aanzien. Tja, dan speelden ze hele goede concerten in het clubcircuit natuurlijk, daar zagen we geen Humo’s. Na ‘Damage’ uit 2004 wordt het wat stilletjes rond de band. De plaat wist, net als voorganger ‘Plastic Fang’, weinig brokken te maken en al zijn de songs niet slecht, het vuur lijkt een beetje uitgeblust. Tijd voor een rustpauze, tijd ook om de groepsgeest weer op één lijn te krijgen en de kleine strubbelingen onderling op te lossen. 2010 zou weer een succesjaar moeten worden. Het trio heeft zin om de podia opnieuw af te schuimen, de gitaren, de drums, de stembanden en de theremin nog eens te mishandelen zoals in hun beste periode. En daar horen een hele zwik heruitgaven bij. ‘Dirty Shirt Rock’n’Roll’ bevatte een uitgelezen collectie songs die de band zelf tot zijn beste rekent. ‘Year One’ bevat ‘Crypt Style’ en het naar zichzelf genoemde album, of kortweg ook de opnames die de band met Kramer en Steve Albini maakte. Vroeg werk, heerlijk om terug te horen en net als alle heruitgaven voorzien van uitgebreide hoesnota’s en onuitgegeven nummers. ‘Orange’ staat samen met ‘Experimental Remixes’; ‘Extra Width’ en ‘Mo Width’ delen een pakket, ‘Acme’ krijgt een extra schijfje, en ook ‘Now I Got Worry’ staat helemaal volgestouwd. Horen we zwakke nummers, of songs die we nooit hoorden en daar ook geen behoefte aan hadden? Neen, absoluut niet. Dit zijn de platen die er toe doen, en al zijn niet alle tracks zo swingend als ‘History Of Sex’, ‘Son Of Sam’, ‘Bellbottoms’, ‘Wail’, ‘Talk About The Blues’, ‘Burn It Off’, ‘Sweet’n’Sour’ of ‘Mo’Chicken – Let’s Get Funky’, dit swingt als geen ander. Als toemaatje is er het album ‘Controversial Negro’ uit 1997 dat alleen in Japan officieel uit kwam. Het album geeft een mooi beeld van hoe de Blues Explosion live klinkt, al zou het nog beter geweest zijn als er ook een dvd werd bijgeleverd. Maar we zijn tevreden. Dit is een stapel cd’s waar we nog vele keren van zullen genieten.

Zijn curriculum vermeldt bijdragen aan artiesten uiteenlopend van Magnus tot Zap Mama en van dEUS tot Gabriel Rios, maar onder de naam El Feo Projects start percussionist Kobe Proesmans een serie samenwerkingen vanuit eigen ideeën. Zijn bedoeling is om in meerdere sessies met muzikale verwanten uit binnen- en buitenland zonder druk of beperkingen een klanklandschap uit te tekenen. ‘Dopli’ is het eerste resultaat, ontstaan vanuit een samenwerking van ‘El Feo’ Proesmans met toetsenist Joris Caluwaerts. De cd opent met een fijn swingend ‘Ernesto’, gevolgd door het minstens zo swingende ‘Feland’. Wat volgt is een verscheidenheid aan sterk elektronische liedjes en sfeerschetsen; Proesmans en Caluwaerts bouwen ze gelaagd op, wisselen regelmatig van lijn binnen een compositie, maken bijna verhaaltjes in klanken, die worden afgemaakt met bijdragen van diverse gastmuzikanten. Een enkele keer is zang toegevoegd, zoals in ‘The Old Three’ dat in de verte doet denken aan Cocorosie. Daarna volgt er weer een instrumentaal nummer, waarbij laag voor laag (met name) elektronische klanken over elkaar worden gelegd en elkaar opvolgen. De cd heeft echter een probleem, dat zich al in het begin voor doet, maar na verloop van tijd niet valt te negeren. ‘Dopli’ is wel erg vol: vol van wendingen (tussen nummers, binnen nummers ), vol van geluidjes, vol van ideeën. Wat overigens niet leidt tot een cd vol verrassingen. Door die veel- en volheid groeit de wens naar meer focus, meer eenheid. Het kan bij El Feo’s volgende project, met Aarich Jespers en zangeres Sumie Nagano zou het best zo kunnen uitpakken.

Je moet het maar doen natuurlijk. Al jaren is gitarist Jussi Lehtisalo met de band Circle aan een volledig eigen, weird universum aan het bouwen. Een wereld waarin muzikale vernieuwing, eigenzinnigheid en musiceren wars van alle trends centraal staan. En dat is ook met het nieuwe album van Circle het geval. We kijken alleen al naar het hoesje, dat net als dat van Pharaoh Overlord al getuigt van een grote dosis a-commercialiteit. Voor de gelegenheid werd de band uitgebreid tot een sextet, wat de mogelijkheden om muzikale verkenningen te ondernemen er nog groter op maakt dan in bijvoorbeeld een bezetting als trio. Naar opera neigende, exotisch klinkende zanglijnen, fragmenten epische hardrock, schelle black metal, kraut, jazz, experiment, vaudeville: het zit er allemaal in en wordt door een aantal verslavende riffs bij elkaar gehouden. Zoals veel platen van Circle is ook dit ‘Rautatie’ niet in één luisterbeurt te doorgronden. Het album laat telkens weer nieuwe elementen naar boven drijven. Zo blijft Circle verrassen, net als ze op een podium doen. Lehtisalo is benevens bezieler van het label Ektro en gangmaker van Circle ook nog actief in een resem andere bands, waaronder Pharaoh Overlord. Hierin exploreert hij met zijn maten de wereld van doom en stoner, al was dat vooral het geval op de vier voorgaande, chronologisch genummerde platen. Op deze vijfde is in de drie lange tracks namelijk nog weinig te merken van de oorspronkelijke bedoelingen. Excursies in aan jazz verwante muziekstijlen, met dank aan de experimenten van averechtse bands op een label als Skin Graft, is wat we te horen krijgen. Storm & Stress die John Coltrane covert in een winters landschap vol rendierkarkassen. Jussi Lehtisalo en de vele bands waar hij al dan niet rechtstreeks mee te maken heeft: het blijven vreemde kwieten die echter interessante muziek blijven produceren, ook na al die jaren.

De nieuwe elektronische muziek uit Argentinië blijft ons maar verbazen, met name nieuwe tonen uit de rangen van het eigenwijze ZZK Records label en de digitale cumbia. De proeftijd is inmiddels voorbij en het moment is aangebroken dat het label en de artiesten zich moeten bewijzen met opvolgers. ‘Río Arriba’ is dan ook de tweede plaat van Chancha Vía Circuito, het solo project van Pedro Canale uit de periferie van Buenos Aires. Zijn debuut ‘Rodante’ uit 2008 was een regelrechte klassieker in de digitale cumbia, waarvan de uitstekende song ‘Zorzal’ nooit vergeten zal worden. De blauwdruk is nog altijd even duidelijk; gestripte cumbia waarbij minimale elektronica en dub hand in hand gaan met zwoele, ijle zang en volkse melodieën uit de Andes. Verwacht op deze plaat dus zeker geen cumbia in dubstep -of dancehallsferen, noch opgepimpte versies van cumbia klassiekers. Canale kiest liever het verfijnde pad van de tijdloosheid met een diep geluid en geen enkel element klinkt overdadig. Dit is perfect te horen in de tracks ‘Cumbion De las Aves’, de titeltrack, ‘Prima’, ‘Puente’ en ‘Desportes’; plus een aantal ontmantelde remixen (waaronder een kuduro track) die allen uitblinken in zwoele minimaliteit. Canale is een ware meester van elektronische harmonie in Latino sferen zoals landgenoten Marcelo Fabian en Gustavo Llamas deze beheren. In ‘La Revancha De Chancha’ doen ZZK collega’s Fauna mee, waarvan vocalist Frederico Rodríguez aka Catar.sys eind november op onfortuinlijke wijze plots het leven heeft gelaten door een hoge val uit een Braziliaanse hotelkamer. Hij zal gemist worden, dat is zeker. Niet alleen fans van digitale cumbia, maar ook mensen die zich kunnen warmen aan Kompakt, Chain Reaction en dergelijke labels zouden deze exotische prachtplaat niet mogen missen.

Mea Culpa. We hebben tijdens een redactievergadering ooit dwars gelegen om een interview met Margaret Dygas. De naar Duitsland uitgeweken Poolse maakte toen furore als deejay in de Berlijnse club Berghain, maar had nog geen enkele release uit en laat het etiket ‘deejay zonder meer’ voor ons altijd te licht wegen om onze m/v het pad op te sturen. Onze confrator van toen was en is een visionair, want drie jaar later ligt haar betoverend debuut ‘_How Do You Do_’ voor ons. Helaas, onze eindejaarslijst is gisteren digitaal de wereld ingestuurd, want anders gaven we deze parel moeiteloos een plaatsje in de hoogste regionen. Dygas liet zich inspireren op het werk van bioloog Desmond Morris en flirt met minimal techno, late night jazz (kurkdroog, ontbeend en gloeiend heet) en zinderende leegte (ja, dat kan). ‘_How Do You Do_’ overstijgt de stempel dansplaat met verve. ‘_How Do You Do_’ heeft de potentie in zich om even belangrijk te worden als ‘Alcachofa’, de plaat waarmee Ricardo Villalobos ooit in een klap het gezicht van de techno wist te veranderen. Al even smaakvol vinden we de nieuwe mixcompilatie van Robag Wruhme. De ene helft van het ter ziele gegane duo Wighnomy Brothers levert op Kompakt een verbluffende minimale technoset af. Wat Wruhmes mixplaat zo uitzonderlijk maakt, is dat hij de nummers van Claro Intelecto, Moderat en Four Tet bijstuurt en verknipt tot een lang uitgesponnen verhaal. Twee meesterlijke platen die bewijzen dat het genre ook vandaag nog springlevend is. Hoog tijd dus om onze m/v op pad te sturen.