GC #104

Wat een geweldige blazerssamples, dachten we nog, waar halen ze die toch vandaan? Nou ja, die maken ze gewoon zelf, het zijn geen samples. De zogenaamde broers, ook al hebben ze verschillende achternamen, Isaac Aesili en Mark McNeill uit Nieuw-Zeeland vormen samen Karlmarx. Aesili is de trompettist, zanger en percussionist, McNeill houdt het bij de knoppen. Beiden hebben ze de nodige ervaring opgedaan via allerhande muzikale projecten. En dat kunnen we zo ongeveer allemaal terughoren op ‘The Karlmarx Project’ dat allerlei stijlen netjes mengt. Hiphop, acid, old school electro en luisterliedjes. De electrofunk, om het maar eens onder een gemene deler te scharen, van het duo is soms wat zwabberend en vluchtig. De achttien nummers op het album zijn nergens veel langer dan vier minuten en vaak genoeg ook rond de minuut. Plots vliegt er een DJ Shadow-achtige beat voorbij op ‘Future Pop’ die na een minuut wordt ingewisseld voor een spacey uitstapje om dan de shuttleraket wat vaart te laten minderen in een langer melancholisch nummer, waarna ‘Transform’ teruggrijpt op vroege elektronica. Dan is er ‘Futuro’ nog met een viool en de terugkeer van de trompet of bugel op ‘Higgs’ en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Kijk eens wat we allemaal kunnen, lijkt Karlmarx te zeggen. Ja een hele hoop, maar op een album wil je geraakt worden, het is geen plek waar muzikanten indruk proberen te maken met veelzijdigheid. Door de variatie en de afwisseling van korte en lange nummers weet Karlmarx het pingpongen tussen stijlen nog wat te maskeren. Als geheel een aardige poging, met nog flink wat aandachtspunten.

Plots werd midden jaren 1990 Bristol het centrum van de muzikale wereld. Als paddenstoelen schoten de trip-hopbands naar het sterrendom. Massive Attack, Tricky en Portishead waren de bekendste namen. In hun kielzog trokken zij ook bands uit andere steden die bezig waren in dezelfde muzikale esthetiek naar boven. Het duo Lamb uit Manchester was er zo één. Andy Barlow en zangeres Lou Rhodes zorgden met hun eerste platen voor niet onopgemerkte releases. In die periode zorgden ze ook voor een aantal bloedmooie shows, zoals wij er ooit eentje zagen in het Brusselse Koninklijk Circus. Vijf jaar na hun titelloze debuut was met de release van ‘What Sound’ in 2001 het vet stilaan van de soep. De groep ging nog door tot 2004 maar het eerdere niveau werd niet meer gehaald. Het duo startte een aantal veel minder succesvolle soloprojecten op. Sinds 2009 werken ze terug samen. Er kwamen ook weer liveshows en nu ook een nieuwe plaat. We hadden gehoopt op een radicale ommezwaai zoals Portishead presteerde op hun vorige album ‘Third’. Dat zit er echter voor deze band niet in. Ze blijven een beetje hangen in hun bekende sound. Een mengeling van akoestische folk en knisperende drum-‘n-bass aandoende elektronica. Een beetje een overbodige plaat misschien. Zelfs een samenwerking met Damien Rice in het nummer ‘Back To Beginning’ verandert daar niets aan. Koester de herinnering aan hun oudere werk. (www.lambofficial.com) Eén van de belangrijkste labels in die hele trip-hopbeweging was Mo’Wax. Het label waarop het iconische ‘Endtroducing …’ van DJ Shadow verscheen. Nog altijd één van de beste platen van de jaren 1990. Opperhoofd van Mo’Wax was James Lavelle. Naast labelbaas spelen had hij ook zijn muzikale uitlaatklep, UNKLE. De albums van die band waren vaak collages van samenwerkingen met verschillende artiesten. Op het debuut ‘Psyenche Fiction’ waren dat bijvoorbeeld Thom Yorke (Radiohead) en Richard Ashcroft (The Verve). Echt beklijvende platen leverde dat echter nooit op, op misschien dat debuut na. En dat is ook niet het geval voor deze ‘Where Did The Night Fall’. Een album dat vorig jaar al verscheen, maar nu een vermaledijde luxe-editie krijgt met het extra deel ‘Another Night Out’. De bekende namen op beide delen, zoals Sleepy Sun, Mark Lanegan en Nick Cave kunnen er ook niet voor zorgen dat deze platen duidelijk maken dat dit soort trip-hop dood en begraven is. Het genre is ingehaald door de tijd.

Veel aan deze plaat van Wadada Leo Smith is ‘veel’. Het is veel muziek, verdeeld over twee cd’s; het is veel geluid ook, met een bezetting van veertien muzikanten, waaronder vier gitaristen. Gedurende de twee schijven vinden verschuivingen in geluid en sfeer plaats, maar fusion is de overkoepelende notie. De lange openingstrack ‘Don Cherry’s Electric Sonic Garden’ – al een veelzeggende titel – zet meteen stevig in: Smiths elektrische trompet, elektrische gitaren en een stampende ritmebasis. De dubbelcd sluit ook af met een lange track van stampende fusion, met een grote rol voor de wowwow van een gitaar. Daartussen horen we swingende, funky nummers als ‘The Majestic Way’ en ‘Certainty’, met snerpende gitaren, fel trompetspel en funky basloopjes. Die nummers swingen en rocken fijn, maar dragen het gevaar van overdaad en verveling in zich. Een stevig geluid kan meeslepend zijn, zoals hard schreeuwen kan overtuigen terwijl er feitelijk aloude platitudes worden geuit. Vooral het drumwerk is bij tijden zo rechttoe rechtaan dat het saai wordt. Heel prettig is het dat Pheeroan akLaff zich kan revancheren in meer swingende drumpartijen en dat er ook verrassend kalme, atmosferische composities zijn, met bijvoorbeeld zwevende, echoënde keyboards en sfeervolle bassolo’s, of een bedachtzaam klinkende piano met een zwervend gitaargeluid. In weer een andere track klinken de afwisselend lang aangehouden tonen en korte snelle frasen van Smiths trompet met vage metalige klanken op de achtergrond. Een positieve verassing is ook de toevoeging van laptops aan het groepsgeluid. ‘Heart’s Reflections’ bevat gelukkig zijn verrassende momenten, in het geluid en in de opbouw, maar de dubbelaar heeft zo zijn zwakke schakels.

Soms zijn er platen die we het liefste in tweeën zouden willen delen voor de recensie. Een recensie over kant A, de tweede over kant B. ‘Sage’, het zesde album van Across Tundras (en eerste op Neurot Recordings), is zo’n album. Op kant A weet de band uit Nashville zijn mix van psychedelische stoner met country en de blazende wind uit spaghetti westerns tot in de puntjes te verfijnen. Met ‘In The Name Of The River Grand’, de opener, staan onze oren meteen gespitst. Uitdagend, fris, afwisselend en met een verdomde fijne trombone die aan het eind als een warme woestijnwind mee komt blazen. Een broeierige sfeer die in ‘Hijo De Desierto’ wordt doorgezet. Het brandende zand worstelt zich tussen de tenen, terwijl er voor de voeten een – bezongen – ratelslang voort krult. Hier definieert en onderscheidt de band zich met een eigen en sterk geluid, dat best omschreven is als een lome en zware versie van Friends Of Dean Martinez (met vocalen). Maar met ‘Buried Arrows’, een krachtig country doom duet, wordt kant A afgesloten. Om dan op kant B toch enigszins teleur te stellen. Toegegeven, de country- en Americana-elementen zijn er nog. Toch valt Across Tundras hier min of meer terug op standaard stonerpatroontjes, die lang niet zo overtuigen als de eerste drie werken. Daar wordt nog heel even aangeraakt in de instrumentale afsluiter ‘Shunka Sapa’, waarmee de plaat weliswaar een prettig einde krijgt. Maar wel met de hoop dat de band op plaat zeven aan kant A een consistent vervolg geeft.

Het Droste Effect uit de buurt van Eindhoven is een duo dat eerder al heel wat bandjes versleten heeft. Hermann Blaupunkt (gitaar, bas, studiotechnieken) speelde bij stonerrockers Lupu Negru, psychheads Cone en zat in het analoge technoproject S.T.Cordell. Daarnaast runt hij de Casa Cassette-studio in Eindhoven, alwaar hij opnames voor bandjes doet, op cassettes. Zijn maatje, drummer en percussionist Thompson Dubé, zat ook in S.T.Cordell, en maakte ook deel uit van Wild West Coniferen en Senga Etna. Hij behoudt wel zijn positie bij het stonerjazzduo On A Green Slope In Dark Water, benevens zijn plekje in dit Droste Effect uiteraard. De twee heren debuteren met deze vier songs, gratis te downloaden op onderstaand webadres, en die bestrijken een mooie waaier aan instrumentale muziek, gaande van postrock over mathrock, stoner en psychedelica. En doe daar maar nog wat jazz, field recordings en ambient bij. Het duo, aangevuld met een aantal gastmuzikanten, toont zo duidelijk zijn veelzijdigheid. Opener ‘Balsem Voor De Oren’ is een goeie psychedelische stonersong, die van traag naar sneller, en terug, en weer terug gaat, met een verslavend ritme. ‘Sweet Dream Bandito’ leunt wat meer aan bij Tortoise, postrockjazz, waarna een blaffende hond de inzet wordt van een nummer dat eerst stoner is, dan jazz, en uiteindelijk heftige psychedelische rock, waarin blazers de teneur zetten, al dan niet verstorend, opdringerig of zwoel. Om uiteindelijk uitbundig te eindigen, in een euforie na een nachtje stappen. Of hoe de twee laatste songs in elkaar overlopen en één geheel vormen. Enige coherentie tussen de songs mag dan wel ontbreken, als visitekaartje om te hengelen naar optredens die ze toch niet willen doen, kan dit tellen.

Na een boel singletjes en twee ep’s achtten de Australische jongelingen hun tijd gekomen voor een volledig album. Het album ‘Bliss Release’ verscheen al vorig jaar in hun thuisland. Daar werd het bedolven onder de muziekprijzen, waaronder de Australian Music Prize. Het equivalent van de prestigieuze Britse Mercury Music Prize. Al die prijzen zorgden voor de nodige aandacht voor de Australische band. Niet dat de band deze aandacht niet verdient, maar wij horen vooral op zich een tiental catchy psychedelische indiepoppareltjes die schipperen tussen ingehouden folksongs en uitbundige indiesongs zoals ‘Ghost Story’. Iets waar ook hun landgenoten Tame Impala een handje van weg hebben. Bescheiden hoogtepunt van de plaat is ‘Gold Canary’. Een nummer dat met zijn Afrikaanse ritmes en zanglijntjes klinkt als iets dat Local Natives vergat op te nemen voor hun ‘Gorilla Manor’. We zouden dan ook wel eens willen checken of ze live ook even overtuigend zijn als die band. Want het probleem met die band was een beetje van dezelfde orde lijkt ons. Op plaat net niet, maar live wel straffer dan de meeste lichtvoetige indiebands die we horen. Iets wat we afgelopen jaar gelukkig zelf twee keer mochten ondervinden. We leven dus op hoop na deze plaat.

De componiste/saxofoniste/vocaliste Matana Roberts is een van de belangrijkst nieuwe stemmen uit de Chicago jazz-scene. Haar groeiende faam dankt zij aan haar felle in de free jazz dedoopte saxofoonspel, maar zeker ook aan haar grenzenloosheid in compositorisch opzicht: ze put voor haar composities uit de hele jazz-geschiedenis en met evenveel gemak uit de (Chicago) postrock. ‘Live in London’ laat Matana Roberts echter horen in een vrij gangbare kwartetbezetting. Met de drie Britse muzikanten – naast Roberts op sax horen we drummer Chris Vatalaro, bassist Tom Mason en pianist Robert Mitchell – speelt zij misschien minder experimenteel, maar de instrumenten en hun bespelers hebben elk volop ruimte om loos te gaan. Zo geeft Mitchell een aantal fijne solo’s weg, bijvoorbeeld in de lange interpretatie van de Chad Jones-compositie ‘My Sistr’. Roberts is bij deze live set uit april 2009 ook minder eclectisch: ze houdt het bij postbop. De abstractie van Coltrane, of diens lamenterende spel met herhaalde, lange uithalen, dan weer lyrisch spel met vibrato. Heftige vrije improvisaties wisselen af met swingende boppende, stukken, zoals in het Art Blakey-aanse ‘Turn it Around’ of ‘Oska T’. Roberts is hier wellicht niet de avontuurlijke vernieuwer die het ‘Coin Coin’-project laat horen, maar ze speelt uitstekend, haar begeleiders zijn uitstekend en ook het publiek vond het een geslaagd concert, afgaande op het luide applaus.

Mountains zijn Brooklynites Brendon Anderegg en Koen Holtkamp (een Nederlander die op zijn derde naar de States verkaste). De twee runden ook het (ondertussen ter ziele gegane?) label Apestaartje en solowerk van Holtkamp verscheen al op Type. Deze ‘Air Museum’ luidt een belangrijke koerswijziging, voor Holtkamp en Anderegg. ‘Choral’ uit 2009 stond nog vol orgeldrones, akoestische gitaren, belletjes, melodica’s en cello’s – op ‘Air Museum’ niets van dat alles. Mountains zijn de studio ingetrokken met analoge synths en een batterij effectpedalen, om ter plekke alles spontaan bij elkaar te improviseren. Van het oorspronkelijke folky gevoel van Mountains’ drones blijft bij een eerste beluistering weinig over, tenzij misschien de voorzichtige, tactiele aanpak en hier en daar een geluid dat aanvoelt als een strijker of een heel diep in de effecten verborgen menselijke stem. Zeven tracks lang schuiven dikke én lichte lagen synths langs, over en onder elkaar heen, nu eens naar kosmische en ambient lonkend, dan weer naar Yellow Swans en Fennesz (‘Newsprint is zo’n track die je beter niet oplegt als de schoonouders op de koffie zijn). Maar hoe meer je luistert, hoe meer je hoort dat Mountains’ nieuwe geluid een voorgeschiedenis heeft. De drones zijn misschien ad hoc bij elkaar gespeeld, en niet zorgvuldig gesculpteerd zoals vroeger, maar ze zitten wél nog boordevol micro-melodieën. Mountains laat zich op ‘Air Museum’ beluisteren als een band in transitie: een behoorlijk ritmische rechttoe-rechtaan track als ‘Thousand Square’, mag dan wel een ietsje ongenuanceerd uitvallen, maar doet wél vermoeden dat ‘Air Museum’ geen eindstation is. Ook goed: ‘Sequel’, dat aansluit bij het ijlste van Fuck Buttons. En helemaal aan het einde van het behoorlijk tempeestende ‘Backwards Crossover’, wordt voor een pastoraal coda van luttele seconden dan toch nog de akoestische gitaar bovengehaald. Waarna op ‘Live At The Triple Door’ nog één keer alle sluizen opengaan. Wij zijn alvast benieuwd naar de volgende keer dat Anderegg en Holtkamp vervellen.

Je wordt zalig en volmaakt kalm wakker, je bent plots in India, er loopt een sprekend hologram voorbij en het is het jaar 2158. Dat is zo’n beetje de associatie die ‘The Rules Of Another Small World’ oproept, de derde plaat binnen iets meer dan een jaar van M. Ostermeier. Zo kalm en minimalistisch zijn zijn pianocomposities, en zo klinisch-organisch de klankvelden die hij eromheen bouwt, als grillig woekerende bacterieën in een vlekkeloos laboratorium. Als Google ons niet misleidt (wat natuurlijk heel goed mogelijk is) is Ostermeier in zijn dagelijkse job dan ook moleculair bioloog. Zijn elektro-akoestische drones vloeien, stromen en overwoekeren alles wat u eventueel dwars mocht zitten. Dat de plaat verdeeld is in elf stukken van popsong-lengte, doet er eigenlijk geen klap toe. Ostermeier houdt de hele plaat lang immers precies dezelfde sfeer vast, en gebruikt ook regelmatig weer precies dezelfde effectjes en trucjes in zijn audiosoftware. Dat kan op de zenuwen gaan werken, maar je kunt je ook laten verrassen door de plots opkomende regengeluiden in ‘Ngth’ of geboeid volgen hoe de melodie uit ‘Floorboards, Well-Worn’ telkens uit elkaar valt in echo’s, en en zich dan weer hervormt en doorgroeit. ‘The Rules Of Another Small World’ is dan ook het soort plaat om van begin tot eind en met een open gemoed te beluisteren, of in het geheel niet. Van ons mogen er zo wel meer zijn.

Deadlines dienen om niet te worden gerespecteerd. En zeker niet als het gaat om de lokale bands wat aandacht te geven. We woonden lange tijd in Gent en sinds een paar jaar in Kortrijk. Räpe Blossoms is een Gents collectief dat zijn debuutplaat op het Kortrijkse Vlas Vegas uitbrengt. Het kwartet heeft een verleden in diverse bands als Penguins Know Why en The Germans. Puur voor de volledigheid hoor, want eigenlijk doet het niet ter zake. Wat wel ter zake doet, en waarom we deze recensie er nog snel in rammen, is omdat de plaat alleen op vinyl is te krijgen, op hun shows, en er maar driehonderd van zijn. En ze heel goed is natuurlijk. De mooie silkscreencover doet al het beste vermoeden en de tegendraadse noisepunk op de plaat is uitermate bevredigend. Een ietwat schreeuwerige stem en een sound die Gang Of Four met Fugazi en Liars verenigt, ja, daar kan de gemiddelde Gonzolezer niet aan weerstaan denken we zo. Zes nummers staan er op dit schijfje, die vakkundig door Hein Devos (werkte onder meer met Hitch als bijna vierde bandlid en Amen Ra) op band werden gezet op 6 januari jongstleden in De Kreun in Kortrijk, en later door Josh Bonatti (Zu, Oneida, Health) in New York werden gemastered. De nummers klinken dan ook zoals het hoort, met elke gitaarnoot als een tandartsboor die op de verkeerde plek tekeer gaat. Elk geluid is dwars, lijkt verkeerd te zitten, maar klinkt perfect. Niets is wat het lijkt. 3 Voor 12 vindt hier geen ruk aan, ach ja, waarom zou een band als Räpe Blossoms zich daar zorgen om maken. Noise zal het zijn, of we willen of niet. En wij willen.

Hoeveel dood kun je in een bandnaam proppen? Niet zoveel als je invloeden in je muziek kwijt kan, blijkbaar. Het Engelse duo Necro Deathmort is wars van conventies en dendert vrolijk als een tank door de oorlogszone tussen metal en dance heen. In het verleden verzandden vergelijkbare experimenten nogal eens in megalomane cartoon-muziek (herinnert iemand zich Mighty Force en Nerve nog?), en ook Necro Deathmorts debuut ‘This Beat Is Necrotronic’ was niet helemaal serieus (getuige titels als ‘I Fought The Law And The Law Won Because Fighting Is Against The Law’). Maar op ‘Music Of Bleak Origin’ worden doom metal, drones, elektronica en techno aan elkaar gesmeed tot een groot, zwaar geheel dat wel degelijk gemeend is. De plaat heeft een fijne flow: na een zwaar en traag begin dat het ergens tussen Godflesh en Neurosis houdt, worden gaandeweg steeds meer elektronische elementen toegevoegd. Gotische keyboardpartijen, een beat die steeds meer op die van Scorn gaat lijken, vervolgens analoge synths en drones, tot de gitaren opeens helemaal verdwenen zijn. Niet dat de muziek daar minder zwaar van wordt, want de plaat beukt behoorlijk. Wanneer ook acid-bleeps de kop op steken, dreigt het de kant van Front Line Assembly ten tijde van ‘Tactical Neural Implant’ op te gaan. Maar voordat we kunnen afhaken, worden we er met Swans-achtig beukwerk weer aan de haren bijgesleept. En zoals dat gaat op dit soort platen willen de heren graag ook nog even laten zien dat ze niet vies zijn van een stukje onheilspellende illbient om mee af te sluiten. Dat u niet denkt dat u veilig bent, of zo. Fijne plaat.

‘Speculative Solution’ wordt bij de H van Hecker besproken, maar de uitgave bestaat uit een doosje waarin naast de cd met muziek van Florian Hecker ook een boekwerk met (boeiende) teksten van Robin Mackay, Quentin Meillasoux en Elie Ayache, en vijf kleine stalen kogeltjes zijn opgenomen. De muzikant en de schrijvers hebben een gelijkwaardige rol in deze uitgave. Uitgangspunt is Meillasoux’ filosofische concept ‘hyperchaos’, oftewel de volkomen onvoorspelbaarheid. Ook natuurwetten hebben hun geldigheid alleen in bepaalde situaties. Er zijn oneindig veel mogelijke, zelfs meer dan de voorstelbare, uitkomsten, op elk moment – bijvoorbeeld bij de richting van een biljartbal als die wordt geraakt door een ander. Meillasoux proclameert de radicale zekerheid dat er absoluut geen causale noodzakelijkheid is en dat de natuurwetten voorwaardelijk moeten zijn. Om toch uitspraken te kunnen doen over de wereld stelt hij het ‘speculatief realisme’ voor. Terug naar Hecker. De cd bevat vier composities, waarvan openingstrack ‘Speculative Solution 1’ de langste is. Ze bestaat feitelijk uit een groot aantal korte sonische gebeurtenissen, van metalige tikken tot gruizige patronen. Soms veranderen ze licht in tempo of toonhoogte, maar vooral vormen ze een klein half uur abstracte geluidsbrokken. De volgende stukken zijn beduidend bondiger. Het tweede is bijvoorbeeld een tamelijk minimaal maar swingend, ja dansbaar stukje computermuziek, met soms verrassende, onverwachte haperingen. Toch gaat het niet om onvoorspelbaarheid of toeval in composities. Dat zou ook totaal geen recht doen aan de idee van hyperchaos. Vooral lijkt Hecker een ‘Meillasoux-aans’ denken te willen stimuleren: luister naar wat je hier hebt, niets meer en niets minder, en stel je voor wat daarvan niet het noodzakelijke maar het mogelijke is. Vooral, zo stellen de makers van ‘Speculative Solution’, moeten de verschillende onderdelen van de uitgave steeds opnieuw en met elkaar worden ervaren, om het denken open te breken.

Tobias Freund heeft alles bij mekaar een toch wel erg verrassende carrière tot dusver. Stond hij eerst Milli Vanilli, Meat Loaf en La Bouche bij als geluidstechnicus, mixte hij ooit nog werk in voor Scatman John, dan werd hij later co-producer voor ondermeer Margaret Dygas en Ellen Allien en zou hij recenter nog werk mixen voor het Moritz Von Oswald Trio. God weet wat we nog kunnen verwachten. Maar Freund steekt z’n muzikale strafblad niet weg – meer nog, hij hanteert z’n ruime productionele bagage volop voor een elpeedebuut dat er, na een kwarteeuw in de muziek, dan eindelijk is gekomen. In de underground is Freund trouwens ook bekend als Pink Elln, sidekick van Atom Heart, en als de helft van bijvoorbeeld NSI, een project dat hij deelt met Max Loderbauer van Sun Electric. De weg naar Ostgut Ton, zo ongeveer het hipste technolabel dezer dagen, was dan ook een stuk korter. Al zou de plaat oorspronkelijk uitgebracht worden bij Tobias’ eigen Non Standard Productions label. Wat opvalt aan ‘Leaning Over Backwards’ is de aandacht voor sfeerschepping. Dat hoeft niet te verbazen voor wie Ostgut Ton zo’n beetje volgt sinds Shed’s ‘Shedding The Past’. Het monochroom dubby ‘The Girts’ klinkt alsof het binnenregent in de Basic Channel studio, ‘Party Town’ -vocaal bijgekleurd door Aerea Negrot van Hercules And Love Affair– kiest halfweg en in de epiloog voor de sound van de vroege Music Man en Frankfurt techno. Met ‘Voices Told Me To Do That’ lijkt Drexciya even herrezen, en het hardleerse ‘Skippy’ is rechttoe rechtaan marstekno – wij zouden eerder zeggen ‘skip it’. Electro met een Detroit feel staat voorop in ‘Free N° 1’ en nog meer in het geraffineerde ‘The Key’, dat zelfs even herinnert aan The Other People Place’s classic ‘Styles From The Laptop Café’. ‘Observing The Hypocrites’ is muzikale tongue-in-cheek, ‘We Stick To The Plan’ is wat bronstiger electrotech, en dan is er de microtonale, ambiented heartcore van ‘Now I Know’, dat deze technisch hoogstaande plaat niet beter had kunnen besluiten.

Woods doen niet aan spaarzaam releasen. Vorig jaar kregen we ‘At Echo Lake’, nu is er alweer ‘Sun And Shade’ – ook een goeie. Het is op ‘Sun And Shade’ minstens even zonnig als op de laatste Ducktails, maar terwijl Matt Mondanile op een zilveren strand naar de golven zat te staren, zitten die van Woods op de boerenbuiten bovenop een hooibaal met voor elke song een verse madelief in de mondhoek. En dan maar met een goeie spliff door de kaleidoscoop loensen. De plaat opent meteen met dé knaller: was Ducktails’ ‘Killin’ The Vibe’ de zomerhit van vorige winter, dan is ‘Pushing Onlys’ de zomerhit van komende zomer: een verslavende wolk van een jangly popsong. Tenzij u allergisch bent aan Jeremy Earls dichtgeknepen falsetto, natuurlijk, maar in dat geval waren ook de vorige platen van Woods niks voor u en kunt u ook ‘Sun And Shade’ maar beter op de plank laten liggen. Hoewel, het grootste verschil met ‘At Echo Lake’ zijn de twee lange instrumentals die van ‘Sun And Shade’ een nét iets spannender luisterervaring maken. Ok, met ‘From The Horn’, stond er ook op ‘At Echo Lake’ een kort instrumentaal intermezzo, maar de instrumentale stukken op ‘Sun And Shade’ zijn essentieel. Te beginnen met ‘Out Of The Eye’ – 100% ‘Hallogallo’ van Neu!, maar dan met een gitaarsolo die uit de Lou Reed van 1966 had kunnen ontspruiten. Tweede instrumentaal: ‘Sol Y Sombra’ is even laidback als spaced-out, en ondanks het feit dat er bijna negen minuten lang volstrekt niéts in gebeurt, is het toch de juiste track op de juiste plek. Daarrond en daartussen: pastorale toverfolk die ons doet mijmeren hoe het ook weer met Elly En Rikkert’s Oinkbeest zou zijn (‘Wouldn’t Waste’), Pink Floyd op 1,5 volt batterijen (‘To Have In The Home’) en een eerbetoon aan het obscure sixtiesfenomeen Terry Boylan (‘Who Do I Think I Am’). Een hoogstaand maar complexloos feelgood plaatje, dus. Soms hebben wij niet meer nodig. En u?

Bureau B heeft er zin in, net als Hans-Joachim Roedelius. De man, geboren in 1934, wordt door het label niet alleen geëerd middels een resem heruitgaven, hij maakt tevens nog nieuw werk, en dat is heel verrassend. Een krasse oude knar, dat is zeker, ook wat de plaat zelf betreft. Roedelius gaat aan de slag met Onnen Bock (geboren in 1973), vanaf 2007 en doet dat sindsdien op regelmatige basis. Bock heeft in zijn korte carrière, toch in vergelijking met Roedelius, al heel wat watertjes doorzwommen. Hij werkte bij het Berlijnse Filharmonische Orkest, richtte Aquarello op, speelde samen met onder meer Zeitkratzer en Christina Kubisch, om er maar een paar te noemen. Beide heren hebben nu het plan opgevat om een trilogie uit te brengen, ‘Fragen’, ‘Rufen’ en ‘Antworten’, waarbij analoge elektronica en improvisatie centraal staan. ‘Fragen’ is dus het eerste deel, een ascetisch klinkende tour de force die voor een 77-jarige zeer fris en actueel klinkt. De mannen hebben elkaar duidelijk goed aangevoeld, de klanken zijn mooi, glijden, verrassen. Geen psychedelisch aandoend zweefpatroon, geen meditatiemuziek, geen new age, wel pastoraal soms, maar net door de inbreng van Bock wordt Roedelius’ spel interessant gehouden. Luister naar het impressionante ‘Wurzelwelt’, en laat u verrassen door een bejaarde muzikant die nog steeds op zoek is naar vernieuwing. ‘Wie Das Wispern Des Windes …’ is een toevoeging aan de reeks heruitgaven die het label al een tijd geleden heeft aangevat. Het is een plaat uit 1986, die oorspronkelijk uitkwam op het kleine Noorse label Cicada, een dromerig fantasierijk soloalbum waarin hij voor het eerst echt aan het improviseren ging met zijn later gerenommeerd geworden grand piano. Het instrument ging hem, mede door het opnemen van de albums ‘Jardin Du Fou’ (1979) en ‘Lustwandel’ (1981), alsmaar meer intrigeren. De geluiden op deze plaat liet Roedelius grotendeels onbewerkt, zoals ze uit de piano kwamen, live en geïmproviseerd. Net doordat hij geen keyboards gebruikte en nauwelijks overdubs of andere bewerkingen toeliet, werd deze elfde soloplaat oorspronkelijk op een klein label uitgebracht. Nu is ze, met uitgebreide nota’s van Asmus Tietchens, voor een ruimer publiek beschikbaar. Een essentiële plaat in de evolutie van Roedelius, en een aangenaam verpozen bij de meanderende pianocomposities. Op ‘Piano Piano’ is helemaal geen elektronica meer te bekennen. Het album, oorspronkelijk verschenen op het Italiaanse Materiali Sonori in 1991 en nu met drie bonustracks, buit het begrip pianissimo helemaal uit. De plaat is rustig van toon, aardig, sereen, ingetogen, donker sprookjesachtig, fantasievol, speels, waardoor de twaalf stukken sterk aan het werk van Eric Satie doen denken. De drie bonustracks zijn een mooie aanvulling, en vormen samen met de negen oorspronkelijke nummers toch een coherent geheel. Afsluiter ‘In Der Dämmerung’ schiet er een beetje uit, vooral door zijn tijdsduur die dubbel zo lang is (vijftien minuten) als de langste nummers die eerder al aan bod kwamen. Hier puurt Roedelius zijn opzet helemaal uit, om eigenlijk te extrapoleren wat we eerder op de plaat al hoorden.