Blog Magazine

Interview Dianne Verdonk


Menig muzikant van elektronische muziek die het experiment zoekt, bouwt eigen synthesizers. Daarbij gaat Dianne Verdonk een stap verder dan de meesten, zoekend naar een elektronisch instrument dat zich zo lijfelijk laat bespelen als akoestische instrumenten. Haar bijzondere ontwerpen zijn te zien en horen op het komende Instruments Make Play Festival.

Tijdens haar Masterstudie aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) in 2013 ontwikkelde Dianne Verdonk haar eerste elektronische muziekinstrument. La Diantenne oogt niet direct als een elektronisch instrument: een metalen plaat die je kan aanslaan of -strijken, of op een andere manier in trilling kan brengen. Met de linkerhand bespeel je de afgeronde kant van de plaat, die om je nek hangt, en zo bepaal je de toonhoogte. Door tegelijkertijd de plaat te buigen verander je de klankleur: het boventoonspectrum van de klank.

SNAAR

Hoe is La Diantenne ontstaan?
“Het prototype dat voorafging aan La Diantenne ontwikkelde ik tegen het einde van mijn Bachelor Muziektechnologie aan de HKU, in 2013. Dit instrument bestond uit een snaar van ongeveer 60 centimeter, die werkte als een soort fader; daarmee kon ik verschillende muzikale parameters tegelijkertijd aansturen. De interactie en de vorm vond ik nog te ééndimensionaal, dus tijdens mijn Master of Music – ook aan de HKU – ben ik het gaan doorontwerpen. Ik stelde mezelf daarbij vragen als ‘wat wil ik fysiek doen tijdens het bespelen van een instrument?’ en ‘op welk moment komt de klank tot stand en welke dingen bepalen dat?’ Daardoor kwam ik er onder andere achter dat ik wilde dat een instrument niets doet voordat iemand er energie in stopt.”
“Je moet dus eerst iets dóen, en het liefst niet alleen op een knopje te drukken. Er moet een zichtbare handeling zijn, die liefst enigszins aansluit bij wat er klinkt. Vervolgens wil ik graag die klank ter plekke kunnen vormen. Bij veel huidige interfaces en instrumenten voor het maken van elektronische muziek ervaar ik die aansluiting niet of te weinig. Waarschijnlijk heb ik die behoefte aan het fysiek bespelen van een instrument doordat ik oorspronkelijk cello en contrabas speelde. Dat zijn beide grote instrumenten, waarbij elke specifieke handeling een specifieke klank veroorzaakt.”

BEESTACHTIG

Waarom heb je een nieuw elektronisch instrument ontwikkeld?
“Ik wilde graag elektronische muziek maken en synthesizers bespelen, maar ik kan niet zo goed overweg met een keyboard, wat de meest voorkomende wijze is van muziek maken met synthesizers. Daarom ben ik manieren gaan ontwikkelen om ze te manipuleren tot nieuwe instrumenten waarmee ik elektronische klanken kan maken. Het fascinerende hieraan is dat door de nieuwe fysieke vorm ook nieuwe muziek ontstaat; je kunt er dingen wel en niet mee doen, die je vooraf niet had bedacht. Er ontstaat echt iets nieuws.”
“Ik noem La Diantenne een ‘instrument’ in plaats van ‘controller’, omdat ik een specifiek klankpalet toewijs aan het nieuwe ‘ding’. Je kunt een instrument dan echt gaan beheersen door er veel op te spelen, zonder dat de klank en de mogelijkheden tussendoor steeds veranderen. Het proces van het bedenken, ontwikkelen en bouwen is trouwens een heel andere bezigheid dan die van het muziek maken, dus die twee kun je het best gescheiden houden. De eerste La Diantenne, die ik zelf het meest bespeel, hangt om je nek, zodat je kunt rondlopen; je kunt je daardoor enigszins vrij bewegen. Voor het nieuwe SoundLAB – de voormalige ‘Klankspeeltuin’ – in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ heb ik ook kleinere exemplaren en een grotere, staande La Diantenne ontwikkeld.”
Als artist in residence bij Stichting Gaudeamus voor hedendaagse klassieke muziek, in Utrecht, kon je een nieuw instrument ontwikkelen: Bellyhorn. Hoe werkt dat instrument?
“Bellyhorn is een groot, organisch, tastbaar en haast beestachtig instrument, bestaande uit een hoorn, een slurf en een ‘buik’. Als je in de hoorn zingt, ontstaan er sub-bastonen binnen in het instrument, door middel van zogenaamde ‘verschiltonen’. Hoe verder je je hoofd in de hoorn steekt, hoe luider het instrument klinkt. Als je de hoorn optilt, til je ook de toonhoogte op. Als je als luisteraar op de Bellyhorn ligt of zit, kun je die bastonen enorm goed voelen in je lijf.”

Laagdrempelig

De Pulseyarn lijkt weer heel anders te werken. Of is er toch een overeenkomst tussen de drie instrumenten?
“Pulseyarn is een behoorlijk ander instrument dan Bellyhorn. Bellyhorn is vooral geschikt om drones mee te spelen. In tegenstelling tot die langgerekte, aanhoudende tonen is Pulseyarn gemaakt voor korte klanken die zich in patronen herhalen. Pulseyarn is een ritmisch, fysiek soort ‘loop station’, bestaande uit een bijna drie meter hoge slinger. Als je objecten die uit verschillende vormen en materialen zijn gemaakt in de baan van de heen en weer slingerende klepel legt, klinken verschillende geluiden. De ritmes die zo ontstaan kun je continu aanpassen door objecten te verschuiven, toe te voegen of weg te halen.”
“Voor zowel La Diantenne, Bellyhorn als Pulseyarn geldt: als je ze niet eerst zelf bespeelt, dat wil zeggen: er energie instopt of ze in beweging brengt, gebeurt er niets. Met elk van de drie instrumenten moet fysiek en daardoor ook zichtbaar iets gebeuren om er geluid uit te krijgen.”
Is Pulseyarn een echt instrument of eerder een installatie?
“Pulseyarn is op dit moment wat minder ver ontwikkeld dan Bellyhorn. Het heeft wel de potentie om tot een echt instrument uit te groeien, maar voelt op dit moment wat meer als een installatie omdat er nog een aantal uitwerkingen moet plaatsvinden in de constructie, in de totstandkoming van de klank en in het uiterlijk van het instrument. Pulseyarn werkt heel goed als installatie op dit moment, want het bespelen ervan is toegankelijk en de interactie behoorlijk helder. Maar omdat er een paar basiselementen moeten veranderen, maak ik er nog niet veel muziek mee. Ik heb nog niet de tijd genomen om het als instrument te leren kennen en bespelen, zoals met Bellyhorn. Die is nu echt een instrument voor mij geworden, waarop ik precies kan reproduceren wat ik eerder speelde.”
Zijn je instrumenten moeilijk te bespelen?
“Als je ze voor het eerst in handen hebt, is er gemakkelijk klank te maken. De drempel tot bespelen is laag en dat is aantrekkelijk. Ze zijn wat lastiger om volledig te beheersen als instrument. <i>Easy to learn, hard to master,</i> dus.”

Nagelbeweging

Hoe het instrument er uit ziet en hoe het bespelen ervan oogt, lijkt bij jouw ontwikkelingen een belangrijke rol te spelen. Waar gaat het je om bij het ontwikkelen van de nieuwe instrumenten?
“In de eerste plaats wil ik elektronische muziek maken. Als performer wil ik graag tijdens het samenspelen kunnen communiceren met anderen, door middel van mijn lijf, bijvoorbeeld. Als ik met één nagelbeweging een explosie kan veroorzaken, zoals met de Korg Monotron bijvoorbeeld, dan wil ik dat dat zichtbaar is voor anderen. Ik wil die uitbarsting op z’n minst aankondigen. Met akoestische instrumenten zitten die bewegingen haast aan het instrument vast: je haalt diep adem voor een flinke aanzet, maakt een voorbeweging met je strijkstok of mallet: er is iets te zíen. Dat is handig voor de timing en het op elkaar kunnen inspelen.”
“Voor mij als speler is mijn lijf hét middel om een instrument te bespelen. Hoe meer ik daarvan voel in mijn lijf, hoe meer ik het idee heb dat ik het instrument zelf kan laten doen wat ik wil. Ik heb een voorkeur voor grotere bewegingen, maar dat is persoonlijk. Bewegingen kunnen heel goed een mix van groot en klein zijn. Of alleen maar klein, zoals bij een theremin. Daarbij moet je heel stil staan omdat elke beweging die je met je vingers en handen maakt hoorbaar is.”
“Een tweede reden volgt uit een wens die ik als publiek heb. Veel artiesten doen geweldige dingen met elektronica op het podium. Maar het bespelen van die elektronische instrumenten is vaak onzichtbaar, of bij meerdere elektronische instrumenten is het onduidelijk wie wat doet. Dat hoeft niet erg te zijn, maar als ik kom luisteren naar mijn favoriete artiesten die live spelen, dan wil ik hun vakmanschap op dat moment kunnen ervaren; dan wil ik zien waardoor de klanken die ik hoor en zo waardeer tot stand komen. Bij akoestische instrumenten ziet het publiek zichtbare fysieke uitbarstingen of juist kleine bewegingen en de concentratie die daarbij hoort. Als niet duidelijk is wie wat doet, en zelfs niet duidelijk is of het ‘live’ wordt gemaakt op dat moment, dan vind ik dat jammer. Een concert is vaak zo veel gaver als je kunt zien hoe de mensen, van wie je de muziek geniaal vindt, hun muziek daadwerkelijk máken. Mijn wens is het op een expressieve manier kunnen creëren en uitvoeren van elektronische muziek en ik zoek daarvoor naar manieren van muziek maken die bij mij passen.”

BIGBAND

Zoek je ook naar nieuwe klanken die je met bestaande instrumenten niet kan maken?
“Dat er nieuwe muziek en nieuwe klanken ontstaan doordat je een nog niet bestaand fysiek instrument maakt, en dat daarbij in het bespelen van dat instrument nieuwe klankmogelijkheden ontstaan die je niet vooraf kunt bedenken, dat vind ik heel gaaf. Zo deed ik bijvoorbeeld na een aantal maanden experimenteren met La Diantenne een ontdekking. Je kunt met je stem boventonen opzoeken van de toon die je speelt en die kun je laten pieken, laten doorklinken en gecontroleerd laten feedbacken door die tonen tegen de plaat aan te zingen. Ik had vooraf niet bedacht dat op deze manier controleerbare feedback als muzikaal element van La Diantenne een grote rol ging spelen.”
Zie je een rol voor dit soort zelfgebouwde instrumenten binnen grotere ensembles?
“Jazeker! In juni speelde ik bijvoorbeeld Bellyhorn samen met de David Kweksilber Bigband in het BIMhuis, in het stuk ‘Way Up’ van Joost Buis. Dat was ontzettend leuk en ook een uitdaging. We moesten zoeken naar waar de bigband en de Bellyhorn elkaar het beste konden vinden. Toen ik iets meer vertelde over hoe het instrument werkt en hoe dat dan uiteindelijk klinkt – de lage bastonen die ontstaan door middel van verschiltonen – en vervolgens suggereerde dat de bandleden die tonen ook konden opzoeken, smolten alle klanken heel mooi samen. Ook speelde ik een duo met een baritonsaxofonist: een geweldige klankcombinatie met Bellyhorn. Dat is natuurlijk een kleine bezetting, maar door steeds een mooi passende klank toe te voegen, vind ik steeds meer context voor de instrumenten. Ik experimenteer veel door met verschillende mensen en hun instrumenten samen te spelen. Welke klanken passen mooi bij de nieuwe instrumenten, hoe schrijf je er stukken voor, repeteer je er mee, et cetera. En ook: welke contexten zijn verder interessant? De instrumenten zijn een soort personages die een theatrale waarde hebben. Dit gegeven is er, maar ik wil graag met mensen uit andere podiumcontexten samenwerken om die kwaliteiten te kunnen uitbuiten.”
“Momenteel ben ik naarstig op zoek naar bandleden voor het uitwerken van een album waarmee ik bezig ben. Ik heb bijzonder veel zin om meer samen te spelen en te componeren met de nieuwe instrumenten. Het blijven natuurlijk middelen om mooie dingen te kunnen maken, dus het is nu tijd om meer te gaan jammen en composities uit te werken met een band, in het theater en op plekken die ik nu nog niet kan bedenken.”

Comments

comments


Reacties


Deel jouw respons

Geen facebook? Laat dan hier een commentaar achter!

Laat het mij weten wanneer er
1500
wpDiscuz