transit_skyscraper_gonzo
Blog Magazine

Minacht de luxe!


Koester de maker en zijn behoeften! Iedereen houdt van eten drinken en vrolijk zijn! In deel twee van deze reeks over Het Nieuwe Programmeren deelde Jan Hiddink in een lezing die hij uitsprak op 17 maart jongstleden in de Gentse Vooruit, zijn veertien aanbevelingen om het programmeren overnieuw uit te vinden.

Ondanks dat wij Vlamingen en Nederland dezelfde taal spreken, lijken wij regelmatig op twee verschillende planeten te verkeren. In dat opzicht ook, bevind ik mij hier, in Gent, als Nederlander, op het Groene Gras. U weet wel: het gras van de andere kant – het gras aan de andere kant dat altijd groener is. Want een Nederlander uit de podiumkunsten die kijkt naar Vlaanderen kan niet anders dan zijn vingers aflikken. De Vlaamse minister Bert Anciaux verklaarde in september 2008 in de Brakke Grond, in Amsterdam, dat het Vlaamse podiumnetwerk het beste ter wereld is. Nu weet ik niet of dat waar is, maar ik weet wel: met dank, met name, aan jullie kunstencentra, die jullie voorzien in iets dat in Nederland zo goed als verdwenen is – maar er ooit wel degelijk was.

Zedenschets

Het essay dat ik voor Gonzo (circus) #138 schreef, met als titel ‘De progammeur is een handelaar’, was een zedenschets van het heden. Vandaag wil ik een poging doen om het historische perspectief te bieden, namelijk: hoe is de programmapraktijk in zijn huidige status geraakt? En wat, maar dat komt natuurlijk aan het eind, kunnen we daar aan doen? We gaan dus de toekomst in op de enige manier waarop dat zinvol kan, namelijk: aan de hand van het verleden. Alleen als we weten waar we vandaan komen, kunnen we immers ook weten waar we naartoe moeten.
Ik doe dat vanuit het perspectief dat ik ken, dus: het Nederlandse. Maar ik vermoed dat er voldoende culturele analogie is om dit verhaal ook in Vlaanderen te herkennen. Ik zal daarbij zonder meer een aantal open deuren intrappen – maar wel deuren die niet eerder in samenhang werden gebracht als toegangspoorten tot het huis waarin de programmeur woont.

Protectionisme

Onlangs deed het Belgische postbedrijf een bod op het Nederlandse postbedrijf en dat bod, hoe hoog en goed het ook was, werd afgewezen. De reden daarvan was Nationale Trots. Nederland deed ineens aan protectionisme. De post, zo was de boodschap, mag je niet zomaar uit handen geven aan vreemdelingen – ook niet als die vreemdelingen helemaal geen vreemde taal spreken.
Protectionisme was op dat moment, een paar maanden terug, niets minder dan een noviteit in Nederland. We kenden wel het woord, maar het was meer iets voor de Fransen. Want ga maar na: in Nederland werd sinds de paarse kabinetten, mid-jaren 1990, het publieke leven geprivatiseerd als een malle. Het spoor, de zorg, de stroom, de kabel, de sociale woningbouw en andere sectoren: allemaal werden ze prooi van de privatisering, vaak met desastreuze gevolgen. Aan de basis daarvan ligt het ontzag dat in Nederland de handelaar geniet: de handelaar namelijk, is in Nederland een held. Niet iemand die je het geld uit de broek klopt, maar iemand die het geld laat rollen, zodat ook anderen in de benen komen om het geld te laten rollen. Sommige volkeren koesteren hun paleizen, hun koningen, hun geschiedenis; Nederland koestert zijn marktplaats. Het is niet anders.
Die markt nu, is overal. Ook waar je hem misschien niet zou vermoeden, dat wil zeggen: in het naoorlogse verzet, in de tegen en subcultuur van de alternatieve jongeren en popmuziek. Kortom: in de Gonzo (circus)-cultuur.

Polderen

Het is dan ook geen toeval dat juist vanaf begin jaren 1990 Lowlands in Nederland en Pukkelpop in België een grote vlucht namen. Gerelateerd aan de toen nog courante term ‘indie’ ontstond er zoiets als een ‘indiestry’, die nog het best gesymboliseerd wordt door de vele miljoenen die de grungeband Nirvana ineens waard bleek te zijn. De identificatie met die band, de identificatie ook met die festivals, was dusdanig sterk dat het zicht op de marktplaats helemaal verdween.
Het was alsof het naoorlogse cultureel verzet eindelijk zijn eigen, grootste vrijhaven had gevonden – ver weg van hitparades en mainstream cultuur. De gunfactor was grenzeloos. De groei was al snel ook grenzeloos. De massa lag in het verschiet – voor menigeen, die tot dan toe weinig meer dan punkrocker was. We moeten daarbij niet uit het oog verliezen dat Lowlands werd gezien als het festival van het clubcircuit, waar programmeurs welkom waren met hun suggesties, hun bandjes, hun ideeën. Dat kwam dan allemaal samen op dat festival en zou later weer goed zijn voor programma en publiek in de clubs zelfs. Dat bedoel ik met die gunfactor van daarnet: het was polderen in optima forma, daar in Biddinghuizen. Letterlijk en figuurlijk.
Daar komt nog iets bij, en dat is, vanaf diezelfde jaren, de opkomst van Dance. Want de belangrijkste legitimatie van Dance is de massa. Zonder massa is er geen feestje namelijk. Gert van Veen, destijds journalist bij de Volkskrant en een voorbeeldig evangelist van de house in Nederland, had dat in zijn recensies ook al snel in de gaten. Er was toen geen geschikt vocabulaire om deze nieuwe muziek te duiden – dat lijkt er soms nog steeds niet te zijn, maar wat hij al wél snel wist te vertellen, waren de verkoopaantallen van de 12inch die hij besprak. En die waren hoog: heel erg hoog. Hoger en groter dan ooit in de punkrock het geval was geweest, zo leek het. Het was ook niet zonder reden dat sommige voormalige punkrockers house gingen maken. Ook dat was, met dank aan de apparatuur, DIY, Do It Yourself. Alleen verdienden ze er ineens geld mee.

Massa

Dus: of het nou ging om house of om grunge, er was een markt voor de alternatieve cultuur – en die markt was groter dan ooit voor mogelijk gehouden. Geld, tot dan toe een abstractie, kwam ineens binnen handbereik. Punkers hadden ineens hypotheken.
Het was dan ook geen toeval dat vanaf die jaren in Nederland de ene na de andere nieuwe popzaal werd opgeleverd. De voormalige jongerencentra, in de jaren 1970 opgezet om de jeugd van de straat te houden, werden een voor een gesloten; in plaats daarvan werd het clubcircuit uitgebreid. Vaak waren die zalen troetelkindjes van paarse wethouders, in de ban van citymarketing en vaak geblindeerd door de gedachte dat ook zij moesten tonen handel te snappen – want pas dan ben je een echte vent in Nederland. Het leidde tot onrealistische exploitatiemodellen, waarbij de voorstelling van zake vaak veel te optimistisch was – allemaal in dienst van het politieke draagvlak. Veel van die zalen werden door kritische gemeenteraden gejast met een veel te zonnige voorstelling van zaken.
De massa werd zo de legitimatie van de popzaal. Dus niet: de jeugd, en al helemaal niet: de inhoud. Want in dat opzicht heb je in Nederland ook nog de rokken van Thorbecke, waar politici onder duiken zo gauw het inhoudelijk gaat over de kunsten: zij stellen dan met een vroom smoeltje dat het niet aan de politici is om over de inhoud van de kunsten te oordelen. Wat tegelijk de reden is dat de meeste cultuurwoordvoerders uit de politiek dwaallichten, kneuzen en muurbloempjes zijn: ze hebben toch niks anders dan lege briefjes in te brengen. Ze bedrijven vooral symboolpolitiek.

Slaven

Ook zonder die zwaktes overigens, is het van belang te memoreren dat popcultuur helemaal achteraan aansluit in het lange lint van subsidiabele kunsten. Wie daarbij al het langst bediend wordt, heeft ook zijn belangen het beste gewaarborgd. Dus hoe hard men ook roept dat het toch eens gedaan moet zijn met de opera of de symfonische orkesten: die strijd gaat de popcultuur altijd verliezen. Alleen al de film, grofweg dertig jaar ouder in professionele en subsidiabele zin, heeft in dat opzicht een voorsprong van dertig jaar. Zo dus, word je ook wel als vanzelf in de armen van de markt gedreven.
Goed. De programmeur verwierf dus zijn aanstelling in een brandnieuw cultuurpaleis waarvan de exploitatie onhaalbaar bleek. Net als de zaal zelf werd hij heen en weer geslingerd tussen het noodlottige huwelijk van markt en overheid. De programmeur werd een dienaar van de markt en een slaaf van de overheid. Hij zat gemangeld. De oorspronkelijke rock-‘n-rolldromen gingen in rook op. In plaats daarvan leerde hij zichzelf het vak van handelaar aan.

Talentontwikkeling

Dat is intussen vergevorderd. Wie een congres van de VNPF, de Vereniging van Nederlandse Poppodia en Festivals bijwoont, komt terecht bij een meeting van marktprofessionals. Je ziet daar ook in de praktijk overheid en markt in elkaar overlopen. Er komt dan bijvoorbeeld aan bod dat een fonds wil inzetten op talentontwikkeling. De vingers in de zaal gaan dan omhoog bij de boekingsbureaus. Zij zeggen: geef ons het geld van die talentontwikkeling. Want wij bezorgen een band het eerste jaar vijf- en het tweede jaar tienduizend bezoekers. Als dat geen talentontwikkeling is.
Intussen zijn festivals de exclusieve speelplaats van boekingsbureaus geworden. De middlemen hebben de macht gegrepen, de zalen hebben vaak het nakijken. Wie daaraan twijfelt hoeft alleen maar naar het lot van Incubate te kijken – hoe anders was het gelopen wanneer ook dit festival in handen was van de markt zelf? Het is intussen ook een gangbaar verschijnsel dat programmeurs vanuit de zaal de overstap maken naar de markt, naar de boekingsbureaus. De beste handelaren hebben daarbij een streepje voor: wie de markt snapt is welkom, wie dat niet snapt blijft maar zijn eigen gekke kleine rondjes draaien. Even goede vrienden.

Anouk

We moeten daarbij niet vergeten dat de vanouds beste vriend van de kunsten, de pers, sinds dezelfde jaren 1990 een speelbal werd van het grootkapitaal. Of het nou gaat om de grote kranten in de lage landen, of een muziekblad als Oor in Nederland: ze raakten allemaal in handen van durfkapitalisten met vaak desastreuze gevolgen. Popcultuur wordt daarbij gezien als een gouden kansje om het publieksbereik te vermeerderen. Anouk moet in de krant want Anouk verkoopt – en dan is het niet de bedoeling om met een kritische beschouwing van Anouk te komen. Festivals worden aangewend als een uitgelezen kans om in de schijnwerpers de komen – en dan is het niet de bedoeling dat we lezen wat voor een gedrogeerde smeerboel het daar eigenlijk is. We springen zo van hoogtepunt naar hoogtepunt, als bevonden we ons van maart tot oktober op een voortdurende hoogvlakte vol festivals.
De publieke omroep werkt in deze niet mee – zeker niet in Nederland. De legitimatie daar is bijna geheel verschoven van democratisch naar volks. Een democratische publieke omroep bekommert zich om minderheden – minderheden in de breedste zin van het woord. Een volkse publieke omroep bekommert zich om het bereiken van een zo groot mogelijk publiek – ook als dat een nichepubliek is. Want: cultuur moet naar de mensen en de mensen moeten naar de cultuur. Die ambitie kan alleen maar gerealiseerd worden met grote gemene delers.

Mijnwerkersgevoel

Dat maakt tegelijk dat velen afhaken. Het is intussen vrij gangbaar dat mensen geen televisie meer kijken. Het gebeurt elke dag dat je sterren in de krant ziet waarbij je eigenlijk geen idee hebt wie het zijn – omdat je als niet-kijker niet weet dat het hier gaat om een soapie of een zangertje. In plaats daarvan begeef je je nog eens op het stonerforum waar jijzelf zo’n schitterende hoofdrol speelt, dag in, dag uit, met exclusieve kennis die niemand anders lijkt te hebben. Zo vindt iedereen z’n eigen medium en zo beheerst iedereen z’n eigen media, maar het heeft er wel toe geleid dat de mainstream alleen maar sterker is geworden. Want dezelfde mainstream wordt niet meer tegengesproken. We kijken of luisteren simpelweg niet meer. Kritiek bereikt de mainstream dus maar in beperkte mate. Als dat wel gebeurt, horen we ook meestal dat men zuur is, of zeurt.
Niet te onderschatten daarbij is de culturele overlevingsdrang. Zelf ben ik opgeleid als radiojournalist. Ik werkte tot 2003 bij de publieke omroep in Nederland. Toen al, had ik als radiomaker een mijnwerkersgevoel: onmiskenbaar voelde je aan dat het medium zijn beste tijd had gehad, omdat we in een wereld van beeldcultuur belandden. Je wist: dit kan niet lang meer duren. Maar je ziet: vanuit die culturele overlevingsdrang verschanst de radio zich op een steeds hoger, groter en sterker fort. Het gaat daarbij niet langer in de eerste plaats om informatievoorziening, waaronder ook cultuur en muziek. Het gaat voortaan in de eerste plaats om het vermogen van de radio het publiek op maat te bedienen. Marketing, vroeger een afgeleide, is daarbij tegenwoordig het doel op zich geworden. Het leidde tot een radiolandschap dat dor als een verzuurd bos in het leven staat, met ook nog eromheen een hekwerk met daarop borden Verboden Toegang. Want wie zich ermee bemoeit krijgt op zijn donder: hij of zij snapt namelijk niet hoe de publieke omroep nou eenmaal werkt.

Retromania

Wie het publiek op maat wil bedienen doet dat het best met sentiment en schandaal. Daar zit de massa – niet bij de ratio en het vooruitgangsdenken. Niemand in de cultuursector kan zich ook onttrekken aan de oerkracht die er van de retromania uitgaat; wie wil scoren bedacht vroeger iets moderns en tegenwoordig iets sentimenteels. Zo zitten we sinds een jaar of tien met een constante rem op het vooruitgangsgeloof in de kunsten – ook als het gaat om artiesten die ooit een onbetwiste artistieke voorhoede vormden. We doen liever het verleden opnieuw dan daadwerkelijk iets nieuws mee te maken en rijden met een steeds grotere achteruitkijkspiegel door het heden de toekomst in.
Daarmee weten we waar we vandaan komen en daarmee ook, weten we waar we nu staan. Mijn aanbevelingen voor het nieuwe programmeren zijn, met dit verhaal in het achterhoofd, de volgende:

1. Kijk vooruit. De toekomst is ongeschreven, de toekomst is een braakliggend terrein. Er hangt revolutionair elan in de lucht – op links en op rechts: de voortekenen zijn toch dat we bezig zijn afscheid te nemen van een oude wereld. Dat geeft terecht aanleiding tot allerlei zorgen, maar draai het liever om en zorg hiermee je eigen voordeel te doen. Er hangt immers verandering in de lucht.
2. Maak jezelf tot de maat der dingen. Ga uit van eigen kracht. Zorg dat je het spel en het krachtenveld waarin je je bevindt doorgrondt, maar maak je er niet van afhankelijk; definieer kortom je eigen autonomie. Daar hoort bij dat je jezelf en je mogelijkheden eerlijk onderkent. Scherm niet met 3000 bezoekers als je weet dat het er driehonderd zijn; zet niet in op driehonderd bezoekers terwijl het er eerder 30 zullen zijn. Ken kortom jezelf, je programma en je publiek. Ga niet zonder meer uit van groei.
3. Minacht de luxe. Bewaar dat maar voor thuis. Menig cultuurhuis is voor veel te veel geld opgeleverd, je hoeft er alleen maar om je heen te kijken om te zien dat dat nooit uit kan, financieel. Spiegel je kortom niet aan een prestigieus onderkomen of aan prestige in het algemeen. Het zal je namelijk de kop kosten.
4. Iedereen houdt van eten, drinken en vrolijk zijn. Veel minder mensen houden zomaar van kunst. Erken dat. Verwerf een tap en ga bier schenken. Want stromend bier en vastgoed zijn zowat de enige bewezen verdienmodellen, ook in de kunsten.
6. De middleman, de tussenhandelaar, de boekingsagent: hij is niet je vijand maar ook niet je vriend. Schat hem op waarde. Gebruik hem waar nodig. Wijs hem de deur bij ongewenste voorstellen. Doe niets waarvoor je je eigenlijk schaamt, alleen maar omdat hij het zo graag wil en omdat aan het eind van de dag zijn marktkraam leeg moet. Het zijn toch altijd rotte tomaten waarmee je dan thuiskomt.
7. De media is niet je vijand, maar ook niet je vriend. Maak je nooit van ze afhankelijk. 3 voor 12 gaf met een staaltje accurate journalistiek het Incubate-festival onbedoeld wellicht de doodsteek. Maar het blijft de vraag of hetzelfde stuk ook was geschreven als dit platform zich wel in een vroegtijdiger stadium aan het festival had gelieerd. The Quietus, het Engelse cultuurblog, speelde een sleutelrol in het neerzetten van de internationale naam en reputatie van Incubate, maar een bericht over de droeve neergang van het festival heb ikzelf op die website niet eens gezien. Met andere woorden: media hebben hun eigen afwegingen – en die zijn simpelweg niet de jouwe. Wees je daarvan bewust.
8. Koester de maker en zijn behoeften: de kunstenaars en muzikanten zelf. Haal ze in huis. Laat ze dingen maken. Geef ze opdrachten. Maak ook ruzie met ze, zodat je samen tot nieuwe, onverwachte hoogtes komt. En staar je niet blind op helden en heiligen. Wie iets moois wil maken heeft in de praktijk meer een aan coöperatieve kunstenaar uit de middenmoot dan aan een goudhaantje uit de top.
9. Wantrouw perfectie. Wie artistieke perfectie wil presenteren moet zichzelf goed afvragen of je daartoe wel in staat bent. Het kost namelijk tijd, geld en toewijding die je maar in huis moet zien te hebben. Met andere woorden ook: durf te falen. Het levert veel op aan verrijkende inzichten waarmee je echt je voordeel kunt doen.
10. Denk multi, in elk opzicht. Maak je niet afhankelijk van één uitingsvorm, één publiek, één discipline. Wie het speelveld breed houdt en ramen en deuren niet te snel dichtgooit, is beter in staat de hele wereld een huis te bieden. Je haalt daarmee rijkdom in huis, die je anders niet ten deel zou vallen.
Zeker, het kan ook anders; je kunt ook alleen maar dat ene ding willen, omdat je daar nu eenmaal in gelooft, met zijn allen – of het nou gaat om dubreggae, blackmetal of tekenkunst. Dan moet je eigenlijk zorgen dat je daarin de beste ter wereld wordt. Maar dat is een ander verhaal.
11. De komst van familie, vrienden en bekenden is belangrijker dan de uitkomsten van een marktonderzoek. Markt- en publieksonderzoek leidt in de praktijk tot een vervreemding van het publiek, omdat het publiek in die onderzoeken een abstractie wordt. In het slechtste geval ga je daardoor rare dingen doen, zoals de Nederlandse musea momenteel doen, alleen maar omdat onderzoek ze dat ingefluisterd heeft. Nick en Simon, de volkszangers uit Volendam, stellen dan een expositie in Zwolle samen. En het geachte Boijmans in Rotterdam heeft een overzichtstentoonstelling die ‘Gek van Surrealisme’ heet. ‘Ben je klaar voor raar?’ heet een van de online spelletjes die bij deze tentoonstelling is ontwikkeld. We zien dus zo een infantilisering van een van de belangrijkste kunststromingen van de twintigste eeuw. Waak ervoor in die rol te komen.
12. Schat marketing op waarde: marketeers zijn vaklui in het overbrengen van de boodschap, maar marketeers zijn geen tovenaars die een publiek kunnen binnenhalen dat er toch al nooit was. Reken jezelf in dat opzicht niet rijk. Staar je niet blind op sociale media, als intussen het multinationale bedrijfsleven 24 uur per dag teams in dienst heeft die daar de boel bespelen. Bedenk ook dat big data gepaard gaan met big money – met meer geld dan je zelf waarschijnlijk in huis hebt.
13. Wees veelkleurig, maar denk zwart-wit . De optelsom van het geheel moet veelkleurig zijn, maar vaak bereik je dit het beste door te kiezen voor programma’s die dan wel zwart, dan wel wit zijn. In de praktijk kun je beter kiezen voor een clubnacht met gladde trap en daarna een avondje weerbarstige impro, dan dat je stuurt op een programma waarbij die twee uitersten samengebracht moeten worden. Die inzet is namelijk gedoemd te mislukken.
14. Tot slot: ken uw publiek. Dat wil zeggen: u kent het toch niet. Het publiek weet tegenwoordig alles beter, sneller, eerder, completer. Het publiek is een optelsom van ondoordringbare, individuele bubbeltjes. Die strijd gaat u niet winnen. Stuur daarom op de onderscheidende ervaring in uw club zelf – laat daar de meerwaarde uit komen, want die hebt u zelf in de hand. De rest niet.

Comments

comments


Dit artikel verscheen eerder in GC #139.

Koop deze editie in onze webshop!

Reacties