EXTRA RECENSIES GONZO #89
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo (circus) #89

Acid Mothers Temple & The Cosmic Inferno
Hotter Than Inferno / Live In Sappora 2008
(VIVO/CLEAR SPOT)
Overdaad schaadt, of toch niet? We kunnen Acid Mothers Temple zeker niet betichten van luiheid, want de stroom releases houdt niet op. De meeste van hen zijn heel erg de moeite en dat maande ons ertoe deze livecd zo snel mogelijk te beluisteren, hopend op het vertrouwde gitaarfreak dat onze oren doet glunderen. Maar we zijn eraan voor de moeite. De opname is geluidstechnisch al niet zeer denderend (nochtans opgenomen in Japan) maar ook de muzikale inventiviteit laat te wensen over. Het vijfkoppige monster musiceert te braaf, houdt zich als het ware in en de meestal heel geslaagde improvisaties komen hier niet echt tot hun recht. Twee stukken staan er op. Het eerste, ‘Master Of The Cosmic Inferno’ dat wordt nagejaagd door ‘Heart Of Earth’, trapt af met een braaf spaceintrootje waarna we een glimp opvangen van een Acid Mothers Temple op een minder psychedelische trip dan we van Makoto en zijn getrouwen verwachten. Bliepjes en sporadische zang pogen enige structuur in het geheel te brengen, maar dat lukt niet helemaal. ‘Pink Lady Lemonade’, dat dubbel zo lang duurt als het eerste deel, zet een stuk beter in, maar als de band het plots nodig vindt om twintig minuten ‘Boogie Wonderland’ van Earth, Wind And Fire te gaan spelen, inclusief tenenkrullende samenzang, zijn we helemaal ontgoocheld. Wil Acid Mothers Temple plots aan de belegen funk? En laat nu net dit concert ook nog eens op dvd verschijnen. Teleurstellende schijf is dit. Lang zullen we echter niet treuren, want al snel komt er een resem nieuwe releases, die, laat ons hopen, weer stukken beter zullen zijn dan deze. (www.vivo.pl)(pb)
   
Brown Feather Sparrow
Brave
(VOLKOREN/MUNICH)
We blijven het herhalen. De releases op het Nederlandse Volkoren label zijn zo ongeveer de mooist verpakte die we altijd in handen krijgen. Ook hier is het weer raak. Deze nieuwe plaat van het Utrechtse Brown Feather Sparrow is verpakt in een openvouwbaar stuk karton met mooi artwork. Mooi maar soms zijn die verpakkingen ook onpraktisch. Als we dan uiteindelijk het album in onze cd-speler hebben gekregen horen we dat het collectief rond Lydia Van Maurik-Wever in goede doen verkeert. De subtiele indiepopliedjes, over mensen op de rand van moeilijke of doorslaggevende keuzes, zoeken zich vlot een weg naar onze oren. De mix van sixtiespop en americana doet vertrouwd en warm tegelijkertijd aan. Misschien verwonderlijk als je weet dat het andere kernlid van deze groep, Arjen Van Wijk, actief is in het emocore-gezelschap The Spirit That Guides Us. In het nummer ‘There Is No Greater Joy’ mag zijn donkere stem optoren tegen het iele stemgeluid van frontvrouw Van Maurik-Wever. Hier klinken ze lichtvoetig, iets wat contrasteert met de vaak intense en zwaardere nummers, zoals het hoogtepunt van de plaat ‘Rest My Case’. Hoewel mooi en verzorgd geproduceerd klinkt het ook allemaal nogal braaf. En braaf is voor ons muzikaal vaak synoniem met verdienstelijk maar niet blijvend. Een meer dan behoorlijke poging dus, maar net niet voldoende. Moedig, maar net niet moedig genoeg. (www.brownfeathersparrow.com)(mt)
   
Butsenzeller
Natt
(WHARF RECORDS)
U heeft nog nooit van Butsenzeller gehoord? Dan bent u vast nog nooit in Antwerpen geweest. Of alleszins nooit van de as Centraal station – meir – kathedraal afgeweken. Da’s overigens geen schande. Laat ons u toch maar voorstellen aan Geert Budts – Bootsy – Butsenzeller. De man – tegenwoordig achter de drumvellen bij DAAU - overleeft al jaren hippe Antwerpse bandjes en zal ook toekomstige generaties trotseren. Vroeger solowerk van de man was behoorlijk freeform, maar op Natt gaat Butsenzeller voluit voor De Song. Budts moet zowat zijn hele telefoonboekje hebben opgebeld, want ‘Natt’ staat boordevol gaststemmen. Da’s nu eens aangenaam – “fijne mixtape sfeer!” – dan weer behoorlijk enerverend – “is dat hier een mixtape, of wat?”. Er is nachtclubjazz met een licht-verontrustende ondertoon (‘Muted Loudness’) Als Budts zélf aan het zingen gaat, komt hij ergens bij ijskoude industrial terecht (‘Sharp’). Dieter Sermeus (The Go Find) doet waar hij goed in is: zijdezachte en melancholische vocalen over een... Maar ‘Chemicals’ is onze favoriet: Tania Jooris klinkt als Hope Sandoval die aan de paardentranquilizers heeft gezeten, met op de achtergrond een nachtelijke oorlogssoundtrack. ‘Definition of Recognition’ stond ooit – volstrekt terecht – Op Mind The Gap 50: niet veel meer dan wat schijnbaar achteloos aangeslagen snaren en ruw zoemende elektronica, maar wél perfect in balans. Een pak minder te spreken zijn we over ‘Signature Required’. Geen slecht nummer, maar het gaat helemaal ten onder aan de grap: een soortement instructiestem zoals u er ongetwijfeld wel eens op de luchthaven gehoord heeft, kan haar manieren niet houden en gaat zelfs over tot een refrein. Eén uitschuiver dus, een paar degelijke en een paar uitstekende tracks. ‘Natt’ is nog niet Butsenzellers meesterwerk, maar in afwachting dààrvan, kunnen we hier wel even mee verder.(sb)
   
The Larry Coryell Organ Trio
Impressions
(CHESKY RECORDS/CHALLENGE DISTRIBUTION)
Een rijkgevulde carrière volgestouwd met heel wat samenwerkingen (waaronder illustere figuren zoals Charles Mingus, Sonny Rollins en John McLaughlin) mocht niet verhinderen dat gitarist Larry Coryell de laatste jaren wat op de achtergrond geraakte. Een op zich onverdiend lot voor de prima jazzmuzikant die Coryell is. Op zijn jongste langspeler, ‘Impressions’, wil hij voor een jongere generatie bewijzen dat hij nog steeds iets interessants te vertellen heeft. In een voor hem nieuwe bezetting – nooit eerder nam Coryell een plaat op als lid van een orgeltrio – wist hij de jonge Turk Sam Yahel (Hammond B3) en Paul Wertico (drums) te strikken. In een uur tijd presenteert het drietal een bonte mix van eigen werk en covers van o.a. Bill Evans, George Gershwin en John Coltrane. Hoewel Coryell een belangrijke rol speelde in de totstandkoming van het fusion¬-genre, musiceert het trio op ‘Impressions’ toch vooral vanuit een zuivere jazzhoek. Hun uitstekende samenspel mag niet verhinderen dat de luisteraar ondanks alles wat op zijn honger blijft zitten. De technische perfectie van de sessie kan het gebrek aan een beetje meer enthousiasme en vuurwerk om de opname écht te doen spetteren, helaas niet maskeren. (www.larrycoryell.net)(jv)
   

 

Cursillistas
Wasp Stings The Last Bitter Flavor
(DIGITALIS/BAKED GOODS)
Thee Seven Storey Mountain
(L'ANIMAUX TRYST AUCTION BLOCK)
Expanses Growing
(SLOOW TAPES)
De band Cursillistas komt uit Portland. Echter niet het alternatieve artiestenbastion van westelijk Amerika dat in Oregon ligt, maar een andere stad in de staat Maine, geheel aan de oostkant van het land. Het nieuwe vreemde Amerika, niets is wat het lijkt en plaatsnamen bestaan op paralelle punten om u in verwarring te brengen. Het vierkoppige gezelschap bestaat uit drie mannen en een vrouw. En neen, de vrouw is niet de verwache zangeres. Ook dat cliché wordt ondersteboven gezet. Na diverse ongebonden cd-r en tape uitgaves op labels als Time Lag kan 'Wasp Stings The Last Bitter Flavor' het debuut album van de band worden genoemd. Ze worden bijgestaan door Sparrow Wildchild en Nemo Bidstrup van de MV/EE Bummer Road band. Het opent al direct goed met esoterische folk met een flinke nadreun van akoestisch versterkte drones. Het openingsnummer noemt dan ook toepasselijk 'Drone Groan'. Groezelige galm en bezwerende feedback overheersen het gehoorveld, de stemmen en instrumenten zijn enkel begeleiders van dit aspect. Zelf noemen de Cursillistas hun stijl neo country om niet in het freakfolk hoekje terecht te komen. Country is hier dan wel een zeer ruim te interpreteren begrip, want de nadruk ligt vooral op tribale, rituele ritmes en trancendentale speelpatronen. We kunnen de vergelijking doortrekken naar een zonnig collectief in nabij Boston en een dierrijk collectief, maar er zijn genoeg eigenzinnige kwaliteiten te ontdekken in de plaatselijke dennebossen waar vast nog onuitputtelijke Indiaanse energie moet rondhangen. We zitten en luisteren in de zweethut en de Cursillistas betoveren ons metbedwelmende lo-fi experimenten van de eerste orde. Zweetdruppels stromen uit onze porieën en smaken als bitterzoete honing. Een debuutteelt om van te smullen. Op hun toernees slepen ze ook graag zelfgemaakte en schattig versierde cd-r's mee. 'Thee Seven Storey Mountain' is een collectie van hun nieuwste improvisaties die wellicht gezien kunnen worden als demoversies en blauwdrukken voor een toekomstig album. Er staan meer liedjesvormen op waardoor de akoestische drone kwaliteiten wat meer naar de achtergrond worden verzet. Weg is de magische sfeer van de knisperende lo-fi, maar in ruil daarvoor krijgen we schone folk improvisaties afgewisseld met atmosferische galmcomposities in zuiver opgenomen geluid. Het zweet blijft nog zoet. Voor wie deze cd-r wilt najagen doet er goed aan de band te stalken, via het internet of in levende lijve. Dan verder in het hoofdstuk productknutselen; tapes! Op welk doe-het-zelf formaat werkt lo-figeluid beter dan op knusse cassettes? Sloow Tapes is het label van een Vlaams Gonzo oudgediende met goede smaak en heeft de band weten te strikken voor zijn conceptserie. 'Expanses Growing' voelt aan als een korte psychedelische trip door visioenen. Alle klanktextuur is onthecht en het rituele spel is het nieuwe evangelie dat hier gepredikt wordt. Om van in de ban te raken, luister met mate en met een sterke geest in het kielzog. Deze shamanen willen zieltjes tot hun natuurlijke aard terug laten (be)keren en daar slagen ze wonderwel in. Een nieuwe aanwinst in het rijk der trancedentalen. (www.myspace.com/cursillistas)(s.b)
   
Kimya Dawson And Friends
Alphabutt
(K/KONKURRENT)
Interessant feit: de eerste officiële release van The Moldy Peaches kwam uit op 11 september 2001. Ja, die dag dat een paar terroristen besloten hun vlieglessen in de praktijk om te zetten. Vlieglessen waarin ze landen niet hun hoogste prioriteit noemden. The Moldy Peaches dus. De groep van Adam Green en Kimya Dawson. Roergangers van de anti-folk-beweging. In 2004 besloot Adam Green solo te gaan. Het leven van Kimya Dawson werd overhoop gehaald. Eind 2005 besloot ze samen met haar ouders, haar broer en neefje naar Seattle te verhuizen. Weg uit New York. Trouwens haar ouders zaten behoorlijk aan de dope toen haar broer werd geboren, want die heeft de hilarische naam Akida Junglefoot Dawson. Leg dat maar eens uit op het schoolplein. Er zijn al kinderen voor minder gepest. Tja, en wat doe je dan als je Kimya zijnde zelf een dochter krijgt? Dan noem je die toch gewoon Panda Delilah. En via die dochter komen we bij deze plaat terecht. Een plaat vol werkelijk heerlijk absurde kinderliedjes. 'We’re All Animals' is onze favoriet. Een nummer waarin Kimya uitlegt waar een mens allemaal haar krijgt gedurende zijn leven. Ja, even down there, some people shave theirs off, I don’t, because I’m an animal! Allemaal! Misschien muzikaal niet de beste plaat die we hoorden de laatste tijd, verre van zelfs. Maar wel veruit de leukste kinderplaat. Een tip voor de Gonzolezer met kinderen. (www.kimyadawson.com)(mt)
   

Dead Shell Of Universe
Tamo Gde Pupoljak Vene…Tamo Je Moje Seme
Gruenewald
Gruenewald
(EICHENWALD INDUSTRIES)
Eichenwald Industries is een nieuw label, opgericht op 28 juli 2008, gebaseerd in Londen en met de intentie extreme metal en aanverwante esoterica in zijn catalogus op te nemen. De twee eerste releases, het Franse Dwellers Of The Twilight (atmosferische black metal) en The Wounded Kings uit Dartmoor (occulte doommetal) kregen we nog niet in handen, maar de twee erop volgende releases wel. Dead Shell Of Universe is een band uit Belgrado, Servië die koude, hypnotiserende, apocalyptisch atmosferische black metal maakt. Drie stukken staan er op hun schijfje die een mooi staalkaartje bieden van hun nihilistische, isolationistische geest. Blastbeats zijn niet alomtegenwoordig want de band kiest voor een diepzwarte atmosfeer waarop de schrille keelklanken van de zanger perfect gedijen. De naamloze afsluiter doet het zonder vocalen en sleept ons mee het zwarte gat in, ons een griezelige claustrofobische wereld binnensleurend. Net de afwisseling en de disharmonsiche riffs die het geheel doorspekken onderscheidt deze Serven van veel genregenoten. Vergelijkingen met interessante bands als Deathspell Omega en Fleurety zijn dan ook op zijn plaats voor deze in naargeestigheid grossierende band. Gruenewald, het eenmansproject van de uit Bonn, Duitsland afkomstige Christian Kolf, mikt vooral op het opwekken van een duistere sfeer. Veel metal is er op deze release niet te bespeuren. Wel ingetogen gitaarmuziekjes en fraai drumwerk waar bovenop dromerige teksten in het Duits worden gezongen. Introspectieve achtergrondmuziek is het eigenlijk, die probeert Tangerine Dream en Klaus Schulze te verweven met Anathema maar daar niet altijd in slaagt. De nummers zijn daarvoor een beetje te langdradig, drie stuks voor drie kwartier, en er gebeurt te weinig om de aandacht echt vast te houden. Mooie muziek voor een avondje romantiek bij kaarslicht is het wel, zeker voor donkere zielen. (www.eichenwald-industries.com)(pb)
   
Dianogah
Qhnnnl
(SOUTHERN/BANG!)
Na zes jaar stilte keert Dianogah terug met een halfuurtje muziek. Twaalf tracks herleid tot de essentie, en voor elk wat wils: hard en zacht, vocaal en instrumentaal. De ruwe instrumentale miniatuurtjes doen erg denken aan Ativin: aanstekelijke en afgemeten riffjes zonder arrangementen die door hun korte lengte doen verlangen naar meer. De vocale pareltjes (in alle varianten van mannen- en vrouwenstem) passen dan weer in het sobere indie-universum van The New Year; enkele pareltjes worden verrijkt met vioolspel van Andrew Bird. Dit alles levert een aanbevelenswaardig en zeer gevarieerd schijfje op voor wie in zijn platenkast nog wat ruimte over heeft naast Seam, Shellac, June Of 44 en andere gloriën van de jaren 1990. (www.diagonah.com)(dvv)
   
Dungen
4
(SUBLIMINAL SOUNDS/CLEAR SPOT)
We zijn er nog altijd niet uit of we het Zweedse kwartet Dungen eigenlijk wel enigszins de moeite vinden. Net als met de drie voorgaande platen twijfelt de band voortdurend tussen zwijmelfolk met een scheutje psychedelica en steviger werk met een sixtiesgevoel. Gustav Ejstes, nog steeds het brein achter Dungen, gaat op het wat inspiratieloos getitelde vierde album wel op zoek naar de extremen van zijn muzikale universum, al is het woord extreem hier behoorlijk relatief. Het blijven heel toegankelijke liedjes waar elk buiten de geijkte lijntjes kleurend element wordt geweerd. Voor Ejstes is deze nieuwe plaat echter wel een aanpassing. Met het toetreden van nieuwe drummer Johan Holmegard laat hij zijn gitaar grotendeels voor wat ze is, die taak overlatend aan bandlid en gitarist Reine Fiske, om zelf voornamelijk de piano te bespelen. Het geluid van Dungen is er iets klassieker en atmosferischer door gaan klinken, ook omdat het begeleidende trio, met naast voornoemde muzikanten ook nog steeds bassist Mattias Gustavsson, ingehouden musiceert. Het zijn tien korte, bij momenten bijna poppy, liedjes geworden met progpopliedje ‘Det Tar Tid’ als uitschieter. Een instrumentaal nummertje als ‘Maleras Finest’ klinkt fluweelzacht, ‘Samtidigt 1’ is dan weer meer freakfolk. En dat is allemaal zeer flink van deze band, die nog steeds Zweedse vocalen gebruikt, maar eerlijk gezegd: het raakt onze koude kleren niet. Het zijn degelijke liedjes op een degelijke plaat zonder meerwaarde die nergens beklijft, blijft hangen of verwondert. Het is gewoon een plaat. De vierde. (www.subliminalsounds.se)(pb)
   
Euros Childs
Cheer Gone
(WICHITA/V2)
In 2006 was er de split van het Welshe Gorky's Zygotic Mynci. Sindsdien begon hun frontman Euros (spreekt uit Eye Ross) Childs aan een solocarrière. Een loopbaan die nu toe is aan het vierde album. Vier platen in krap twee jaar dus. De productie ligt hoog, maar het niveau is van eenzelfde orde. Op deze vierde plaat werkte hij samen met producer Mark Nevers. Die man is dan weer bekend van zijn werk met groepen zoals Lambchop, Calexico en The Silver Jews. Voor deze nieuwe plaat trok Childs samen met zijn vaste kompanen Steve Black en Peter Richardson naar de studio van Mark Nevers in Nashville. Hoewel ze dus belandden in de hoofdstad van de country is het geen countryplaat geworden, zo wordt benadrukt. In een kleine drie weken werd een album ingeblikt met kleine, licht psychedelische popsongs. En net zoals in Gorky’s Zygotic Mynci wordt ook weer soms in het Welsh gezongen zoals in het nummer ‘O Ein Dear’. Laat dat ondanks de taalbarrière nu net het beste nummer van de plaat zijn. Misschien wel net door het bevreemdende effect van de taal. Hoewel we het dus geen country mogen noemen duiken toch muzikale referenties naar deze muziekstijl op. Een streepje banjo hier en daar wordt afgewisseld met lap steel. Geen slechte plaat, maar echt potten breken. Dat nu ook weer niet. (www.myspace.com/euroschilds)(mt)
   
The Faint
Fasciination
(COOPERATIVE MUSIC/V2)
Een aantal genres kunnen ons minder kunnen bekoren. Normaal, want je kan niet alles goed vinden. Elektropop laat ons bijvoorbeeld grotendeels koud. Toch is er altijd wel minstens één band die onze goedkeuring kan wegdragen. Zo wordt ‘Wet From Birth’ van The Faint af en toe nog opgezet als we in een springerige bui zijn. Toch is er geen nood aan een verdere ontdekking van het oeuvre van deze band. Maar laten we nu net niet ‘Fasciination’ in onze brievenbus vinden, het nieuwste album van dit vijftal uit Nebraska. Die klinkt op het eerste gehoor minder dansbaar dan zijn voorganger. Er is een zekere melancholie in de songs geslopen. ‘Forever Growing Centipedes’ is bijvoorbeeld volgestouwd met beats en synthgeluiden, maar mist een zekere positieve energie. Het nodigt ons op geen elk moment uit om op te veren vanuit onze stoel en uit de bol te gaan. Wat gebleven is, is trouwens het irritante gebruik van een vocoder op de stem van Todd Fink. Dat is voornamelijk een persoonlijke aversie, maar toch denken we dat dit effectje al te vaak uit de kast gehaald wordt. Geen enkel nummer beklijft of is overtuigend genoeg om ons in beweging te zetten. Desondanks vinden we dit niet meteen een slecht album. The Faint blijft nog altijd een beetje onze initiatie in de elektropop, en zelfs met een gematigder geluid kan de band ons bekoren. (www.thefaint.com)(tow)
   
Gong Gong
Mary's Spring
(F COMMUNICATIONS/PIAS)
We zijn al lang het tijdperk voorbij dat de combinatie van sequencers, drumcomputers, akoestische bas en gekke samples aanleiding gaf tot opwinding. Misschien verrast net daarom ‘Mary’s Spring’ des te meer. Het Franse duo Thomas Baudriller en Jean-Christophe Baudouin maken al een poosje met grappige geluidjes volgestouwde elektronica onder de naam Gong Gong. Als de promotiemachine goed draait, zal het tweetal ongetwijfeld op heel wat succes mogen rekenen met hun versgebakken langspeler. ‘Mary’s Spring’ zit namelijk vol leuke momenten. Het tweetal grossiert in instrumentale miniatuurtjes met een dansbare beat. Van de zenuwachtige tekenfilmklanken op ‘Pinocchio’ en de op de lachspieren werkende ritmische watergeluidjes van ‘Beatle Fish’ tot het wat op oude Underworld geïnspireerde ‘Coline’ – alle tracks houden het midden tussen hedendaagse easy listening en dubby elektronica, gekruid met een gezond gevoel voor humor. Essentieel is ‘Mary’s Spring’ niet; fans van het genre kunnen zich er desondanks geen buil aan vallen. (gonggong.free.fr)(jv)
   
The Howling Hex
Earth Junk
(DRAG CITY/MUNICH)
Herinnert u zich Royal Trux nog, de koningen van de heroïnerock? Jennifer Herrema en Neil Hagerty hebben in hun ondertussen bijna twintigjarige carrieres méér heroine gebruikt dan Afghanistan in een vruchtbare maand kan aanleveren. Dat laat zijn sporen na, natuurlijk. Het laatste wat we van Herrema hoorden was een schabouwelijk slechte bandana-hardrockplaat onder de naam RTX. Hagerty is niet minder beschadigd uit de strijd gekomen, maar hij is – getuige zijn recente output, althans – tenminste prettig gestoord. Zijn voornemen was om als The Howling Hex platen uit te brengen die geen ene fuck te maken hebben met wat ie voordien gedaan heeft. Al zes platen lang lukt hem dat behoorlijk. Voor ‘Earth Junk’ was het basisidee: ‘géén drums’. Het is even slikken als in opener ‘Big Chief Big Wheel’ blijkt dat alle ritme wordt voorzien door iets wat wij niet anders kunnen omschrijven dan als een kermisorgel. Naarmate de plaat vordert, schakelt het orgel – bespeeld door Sweney Tidball - over naar psychedelischer dimensies en worden er verwoede duels tussen gitaar en orgel uitgevochten. Als Hagerty ook nog eens aan het zingen slaat, klinkt ie als een manische John Frusciante met een bijzonder uniek gevoel voor humor. Alleen die paar keer dat Eleanor Whitmore de microfoon overneemt van Hagerty, wordt ons even rust gegund. Géén plaat die we nog heel vaak gaan opleggen, dus, maar wij kijken alleszins reikhalzend uit naar Hagerty’s volgende stunt.(sb)
   

Iso68
Space Frames
(PINGIPUNG/KOMPAKT DISTRIBUTION)
Ondanks de eerder verschenen albums, waaronder ‘Mizoknek’ en ‘Here There’, brak het Duitse duo iso68 nog niet helemaal door in de Lage Landen. Het hobbyproject van Thomas Leboeg en Florian Zimmer (die beide ook actief zijn in andere bands) probeert met een overstap naar een andere platenfirma van wat nieuwe belangstelling te genieten. De mengeling van akoestische en elektronische klanken, ingezet op het grensgebied waar elektronica, jazz en popmuziek elkaar overlappen, klinkt nog steeds fris. De kracht van iso68 bestaat eruit dat Leboeg en Zimmer zich ondanks het gebruikte instrumentarium (waaronder een akoestische bas, drums en saxofoon) zich niet laten verleiden tot het spelen van goedkope nu jazz maar actief op zoek gaan naar interessantere structuren. De mysterieuze spanning van ‘Forestrain’ of het ritme van een kapot opwindvogeltje dat ‘Strange Strum’ ondersteunt, zijn hiervan goede voorbeelden. Het tweetal houdt ervan de luisteraar constant op het verkeerde been te zetten; zo sluit ‘Space Frames’ af met de bijna uitsluitend akoestische filmmuziek van ‘The Great Punster’. Iso68 verdient dringend meer erkenning. (www.myspace.com/iso68)(jv)

   
Sarah June
This Is My Letter To The World
(HAND-EYE/DARK HOLLER/CLEAR SPOT)
Sarah June neemt uit haar grote stapel gekleurd briefpapier een donkergrijs blad en begint aan haar brief aan de wereld. Ze bevindt zich in haar kamer, ogenschijnlijk een isolatiecel waar nauwelijks iets van meubels staat, zodat de echo van de muren lijkt te druipen. Het minimalisme is sowieso iets wat haar na aan het hart ligt, want met enkel een gitaar en een synth schrijft ze haar brief. Ze heeft goed geluisterd naar andere briefschrijvers als Hope Sandoval van Mazzy Star. Op een bepaald moment herinnert ze zich ’n lied uit haar jeugd: ‘Can’t Help Falling In Love’ van Elvis Presley. Dat fluistert ze in de microfoon. Desondanks is haar netjes geschreven en gezongen brief net iets te leeg in onze oren. Joanne Robertson deed het haar dit jaar voor, maar slaagde er wel in ons te bekoren. June blijkt vooral heel snel oersaai te worden. Oh, en die Elvis-cover? Wat in het persbericht een ‘Stunning version’ wordt genoemd, is helaas in hetzelfde bedje ziek. IJl klinkend, zonder enige diepgang. (www.myspace.com/sarahjunesound)(tow)
   
Khan Of Finland
Khan Of Finland
(I'M SINGLE)
Vijf minuten zijn we ver in Khan Of Finland, de groep die Can ‘Khan’ Oral rond zich verzamelde, of we overwegen ernstig de cd als frisbee de wereld in te sturen. Reden is de schabouwelijke cover van ‘Walking In The Rain’. Flirt het origineel van Flash and The Pan nadrukkelijk met de grenzen van de popmuziek (de tekst, de donkere sfeer), dat wordt het hier onderuitgehaald en verpakt tot een halfbakken light-jazznummertje. Het is niet de enige miskleun op Khan Of Finland. Erger nog: het is speuren naar iets van kwaliteit. Helaas, driewerf helaas, want Khan veroverde in het verleden ons hart. De muzikale duizendpoot vervelde keer op keer en zijn recente passage ‘Who Never Rests’ op Tomlab was geen wereldplaat, maar zette wel de deur op een kier voor een geslaagde rentree. Met ‘Khan Of Finland’ spoelt alles weg. Het is een kwade dronk, met weinig lichtpunten en veel foute keuzes. Niet alleen de halfslachtige poging om iets met “Walking In The Rain’ te ondernemen, maar ook de versie die hij brouwt van ‘Vier Jahrszeiten’ is ondanks het métier van human beatboxer Mark Boombastik een pijnlijke uitschuiver. Genadeloos gezakt, terug naar af.(pds)
   
Rima Khcheich
Falak
(JAZZ IN MOTION RECORDS/CHALLENGE DISTRIBUTION)
Naar aanleiding van een eenmalig optreden op het Nederlandse World & Peace festival, werkte de Libanese zangeres Rima Khcheich een programma uit, samen met enkele Nederlandse jazzmusici waarvan Yuri Honing (saxofoons) de bekendste deelnemer is. Khcheichs jongste cd ‘Falak’ vormt een neerslag van het experiment om traditionele Arabische liederen te koppelen aan een modern jazzidioom. De versmelting van de twee vrij uiteenlopende genres komt heel spontaan over; de Arabische invloeden wegen wat meer door. Bassist Tony Overwater, drummer Joost Lijbaart en gitarist Maarten van der Grinten stellen hun talenten dan ook hoofdzakelijk in dienst van de zangeres – wat niet betekent dat jazzy solo’s geen plaats krijgen op deze plaat. Toch valt het ons bijzonder moeilijk om écht warm te lopen voor ‘Falak’. De muzikaliteit staat op een laag pitje. De liederen draaien vooral rond de teksten, die door de taalbarrière helaas onbegrijpelijk zijn (het cd-boekje voorziet evenwel in beknopte vertalingen). Rima Khcheich zingt toonvast, maar beschikt niet over een opvallend mooi stemtimbre of opmerkelijk bereik. Het technische vernuft van de muzikanten in kwestie, kan het negatieve oordeel niet vermijden: ‘Falak’ mist hoorbaar speelplezier en blijft gedurende de hele lengte een eerder saaie bedoening. (www.challengerecords.nl)(jv)
   
Nina Kinert
Pets & Friends
(V2/V2)
Nina Kinert heeft al een kleine reputatie opgebouwd als voorprogramma van de Zweedse Ane Brun en probeert met deze ‘Pets And Friends’ haar carrière een boost te geven. Daarbij klinkt ze een beetje als iedereen tegelijk, van extreem poppy (‘Combat Lover’) tot een replica van Emiliani Torrini (‘I Shot My Man’). In de eerste variant horen we ze niet al te graag bezig: te radiovriendelijk en daarom ook een te groot gebrek aan muzikale spanning. Neem bijvoorbeeld ‘Beast’ dat iets te hard neigt naar Tori Amos (en vreemd genoeg ook als een goedkope rip-off van ‘Mad World’ van Gary Jules, bekend van de soundtrack van 'Donnie Darko') Pas als Kinert de radiowegen wat verlaat, al blijft ze altijd wel redelijk op de berm en zet ze geen voet in het weidse muzikale landschap achter de heuvels, kan ze op onze goedkeuring rekenen. ‘Pets & Friends’ is bijvoorbeeld een erg mooie ballade die ook op de nieuwste van Torrini had kunnen staan. Kinert wisselt trouwens in twaalf songs voortdurend van stem: bij elk nummer moeten we aan een andere zangeres denken. We kunnen ons dus voorstellen dat er voor iedereen die van vrouwelijke singersongwriters houdt minstens één song op ‘Pets And Friends’ staat dat hem of haar zal kunnen bekoren. Bij ons scoort ze 6 op 12, met een speciale vermelding voor 'Libras'. Toch erdoor. (www.ninakinert.com)(tow)
   
King Darves
The Sun Splits For The Blind Swimmer
(DE STIJL)
Het is onvermijdelijk dat je met een zware basstem als King Darves vergeleken wordt met DIY-held Calvin Johnson. De vergelijking is nu eenmaal erg accuraat (luister maar naar ‘She Wants My Song’), met dat verschil dat King Darves het meestal net iets melodieuzer aanpakt. Dan komt ineens die andere zware mannenstem in ons op: Stephin Merritt van onder andere The Magnetic Fields. Met voornamelijk een akoestische gitaar en hier en daar enkele spaarzame muzikale liflafjes toont King Darves dat hij in staat is om ons dertig minuten lang te entertainen met nummers die onderling vrij inwisselbaar zijn. Alleen in ‘For Sure’ laat hij zijn stem even iets hoger oprekken, maar echt opvallend verschilt dit nummer ook niet van de rest. Toch een charmant singer-songwriterplaatje dat we vaker zullen opzetten. (www.myspace.com/darves)(tow)
   
Kontour
Scanners
(SOME BIZARRE/BERTUS)
In de twintig jaar dat David Hunt met elektronica experimenteert heeft hij nauwelijks iets uitgebracht, en op basis van deze cd zijn we daar niet echt rouwig om. Kontour bevindt zich aan de minimale zijde van de elektro-industrial. Er wordt trots gemeld dat er authentieke synthesizers en stemeffecten gebruikt worden, en dat alle patronen van de oude drumcomputers manueel werden ingespeeld. Er zit dus een opzettelijk gedateerd jaren 1980 haakje in elke track, maar vooral de artisanale stemvervormingen waar Kontour zo graag mee uitpakt vervelen snel, omdat hij steeds hetzelfde kunstje opvoert. Elke track klinkt bijgevolg als een doorslagje van de vorige, waardoor één uur muziek dubbel zo lang lijkt te duren. Zet de meest geslaagde nummers (‘Necromance’ en ‘Lest We Forget’) op een 7inch, of los mondjesmaat iets via compilaties als ‘Some Bizarre Double Album’, want meer zit er echt niet in. (www.somebizarre.com)(pv)
   
Bartek Kujawski
Murlull Movies
(WARSZTAT8R)
Als 8rolek houdt deze Pool zich vooral bezig met loops en ritme-experimenten, maar op de eerste cd onder zijn geboortenaam tapt hij uit een heel ander vaatje. Af en toe schemert nog door dat we met ritmisch bronnenmateriaal te maken hebben, maar Kujawski herleidt alles tot minuscule geluidsflarden, die vervolgens in de elektro-akoestische traditie weer aan elkaar worden geplakt. Onvrijwillige bijgeluiden en andere menselijke vergissingen worden samen met metalige musique concrète, blaasinstrumenten en vervormde stemmetjes mee in de composities opgezogen. Soms lijkt de chaos nabij, maar Bartek Kujawski garandeert dat we wel degelijk met een filmisch verhaal te maken hebben. Met een opeenvolging van titels als ‘Good Night’, ‘Bad Morning’, ‘Onion Tears’ of ‘Expectations Lead To Disappointment’, gokken we op een komedie. (www.warsztat8r.pl)(pv)
   

Libythth
Disslove A Diamond
Almost A Trillion Years
(PHTHALO RECORDS/IMPORT)
Elektronische knip- en plak muziek uit Amerika leek al op zijn retour te zijn, want de laatste paar jaar hebben we weinig tot geen nieuw materiaal gehoord van de bekendere ondergrondse labels zoals Tigerbeat6 en Phthalo. Ook de jongeren van de Silicon Valley generatie groeien op en beginnen aan het volwassen leven van huisje, boompje, beestje. Althans, dat dachten we. Bij Tigerbeat schijnen er weer uitgaves aan te komen en in Phthalo is ook weer nieuw leven geblazen. De vers toegediende adem is in dit geval zijn nieuwe langspeler 'Upside Down Helicopter', maar juist deze hebben we bij Gonzo (Circus) om een of andere reden niet ontvangen. Neen, in plaats daarvan wel twee heruitgaves uit begin van deze eeuw als een eerste verkenningsslinie in een nakende guerilla promotiestrijd. Ach, we hijsen de witte vlag en pakken het aan, vooruit dan maar. Libythth is een oudgediende in de wereld van de Amerikaanse glitch. Op deze twee albums staat het bol van ultra snelle drumritmes en allerlei samples, aan elkaar gespeeld door een zelfgemaakte drum die als een electrische gitaar fungeert (echt waar!). Noem het vroege breakcore met een hoge humorwaarde of snelle elektronica met de nadruk op glitch en chaos. Het zijn mijmeringen aan 2000, toen vernieuwende Amerikaanse mengsels onze contreien begonnen te overspoelen via namen als Kid606, Hrvatski, enzovoort. De creaties van Libythth voelen echter niet meer zo spannend aan als toen en klinken gedateerd in vergelijking met de huidige elektronica. Deze eerste albums zullen eerder een meerwaarde zijn voor trouwe volgers van de stroming of voor verzamelaars van alles chaotisch. En over de echte aanvalslinie? We zijn nog in het ongewisse wanneer deze onze deur zal intrappen. (www.phthalo.com)(s.b)
   
Lisa Li-Lund & French Cowboy
Share Horses
(HAVALINA)
Een man en een vrouw die duets zingen op een lo-fi album dat bij momenten aan country doet denken? Het wordt haast onmogelijk om dan niet met Nancy Sinatra en Lee Hazlewood op de proppen te komen, al is de vergelijking oneerlijk. Toch zijn de raakvlakken duidelijk. In het opzwepende ‘The End Of The Story’, dat muzikaal wat aansluit bij Calexico, gaan Lisa Li-Lund en French Cowboy duidelijk met elkaar in duel. Het resultaat is een broeierig nummer. Die sfeer komt wel in meer nummers terug, maar de songs waar Lisa Li-Lund alleen op de voorgrond treedt (de meeste), houden niet allemaal even goed stand. Niet dat ze slecht zijn, maar ze vallen niet erg op. Wat dat betreft lijdt ze een beetje aan het Isobel Campbell-syndroom. Samen met Mark Lanegan geweldig, solo een pak minder. Toch proberen ze af en toe wat variatie te brengen. Zo is 'Little 15' een ietwat vreemd minimalistisch nummer, terwijl je bij 'Timeless Melody' een pak feedback over je heen krijgt, zodat we plots heel erg aan The Cranes moeten denken. En wat te denken van 'Stormy Weather' waar French Cowboy plots weer opduikt en zijn beste The Velvet Underground-song uit de mouw schudt. Gevarieerd album, maar voor ons mag het over het algemeen toch iets meer zijn.(tow)
   
Lucky Dragons
Lucky Dragons
(SOUTHERN/BANG!/KONKURRENT)
In de bio halen ze zowel Tina Turner als Bruce Nauman aan als invloeden. Luke Fischbeck en Sarah Rara zijn met ‘Dream Island Laughing Language’ alweer aan hun achttiende release als Lucky Dragons toe. Lucky Dragons zijn nog steeds evenveel performance-kunstenaars als muzikanten. Ze spelen dan ook zowel in het Parijse Centre Pompidou als in de terminaal hippe club ‘The Smell’ (zie ook No Age, Health, Mika Miko, ...) in Los Angeles. Lucky Dragons staan voor een mooie ontmoeting tussen vaak zelfontworpen software en primitieve ritmes. De software draait nogal eens op toevalsfactoren en krijgt daardoor een bijzonder menselijke touch. Zo ontwierpen Fischbeck en Rara een nieuwerwetse theremin die reageert op stenen. Overal waar ze spelen integreren ze de lokale geologie in hun set met ter plekke geraapte keien. Maar is het resultaat ook een beetje beluisterbaar, wilde u weten? Jazeker! Al dient hier wel meteen de waarschuwing te worden meegegeven dat wie allergisch is aan repetitieve ritmen deze beker beter aan zich voorbij kan laten gaan. Al de anderen zijn vriendelijk uitgenodigd om te luisteren hoe op ‘Free Guys by the Sea’ die oude Moondog de éénentwintigste eeuw wordt in gekatapulteerd. Of hoe ‘Givers’ klinkt als een audioverslag van een ruzie tussen Morton Feldman en Penguin Café Orchestra. En ‘Typical Hippies’ is een geheel uit delay opgetrokken antwoord op de hypothetische vraag ‘wat als Ozric Tentacles ook maar enig idee hadden gehad waar ze precies mee bezig waren?’. Het allersimpelste nummer van de plaat - ‘Oh I Understand’ - is één wondermooie minuut a-capella. Om kort te gaan: ‘Dream Island Laughing Language’ is een uiterst geslaagde oefening in ‘minder is meer’. Meer, dus graag.(sb)
   
Miya Masaoka
While I Was Walking, I Heard A Sound…
(SOLITARY B)
Een dertig minuten durend stuk voor drie koren en negen solozangers, opgenomen in een reusachtige kathedraal met een bijna drie seconden durende echo: het uitgangspunt van ‘While I Was Walking’ overdondert reeds op zich. De avant-gardecomponiste Miya Masaoka, die eerder al samenwerkte met Pharoah Sanders en Fred Frith, laat de door haar gekoesterde vrije improvisatie even los voor dit gecomponeerde werk voor tweeënveertig stemmen. Helaas valt er weinig interessants te beleven. In vier bewegingen laat Masaoka de drie koren polyfoon enkele drones, onomatopeeën, glissando’s en atypische koorgeluiden (sisklanken en dergelijke meer) maken. Verder blijft het gezang beperkt tot oh’s en ah’s: Masaoka voorzag immers geen tekst, een gemiste kans. Buiten het gebruik van de echo en sporadische momenten van leuke vondsten, kan ‘While I Was Walking’ de aandacht van de luisteraar niet vasthouden. Daarvoor is het aangereikte compositorische materiaal te beperkt en vallen er te weinig treffende thema’s te ontdekken. (www.myspace.com/miyamasaoka)(jv)
   
Mercury Rev
Snowflake Midnight
(COOPERATIVE MUSIC/V2)
Sinds eind jaren 1980 maakt dit combo uit de Catskill Mountains in de buurt van New York naam met zijn psychedelische pop. Afgelopen zomer waren ze nog te bewonderen op Pukkelpop. Opper-Rev Jonathan Donahue mocht daar zijn favoriete kunstje opvoeren. Als een gekwelde Jezusfiguur in tegenlicht nam hij ons mee op een trip in zijn eigen spookachtige wereld. En nu is er deze nieuwe plaat. Een album dat moeite kostte om te doorgronden. Ook al is het bekende bombastische geluid overeind gebleven, door de andere muzikale invulling duurde het even voor we het album doorhadden. De gitaren ruimen plaats voor meer elektronica. Gewaagd, maar begrijpelijk in het universum van Mercury Rev, een groep die altijd probeert om nieuwe wegen in te slaan, ook al lopen die soms dood. Dat dachten we bij de eerste beluisteringen, tot de pracht zich stilaan openbaarde. En toen hoorden we de mooie, psychedelische klanklandschappen die de groep construeerde. De eerste dertig seconden van de plaat dachten we trouwens dat er iets mis was. We hoorden elektronische dub die zo van het ~scape-label leek weggelopen. Gelukkig klonk toen de vertrouwde stem van Donahue. Eén van onze favoriete nummers op de plaat heeft de meer dan treffende titel ‘People Are So Unpredictable’. Mercury Rev ook. Deze release heeft ook nog een digitaal broertje. Sinds begin oktober kan je op de website van Mercury Rev het album ‘Strange Attractor’ downloaden. Jammer genoeg was dat niet op tijd voor de deadline. Omdat deze plaat meer dan de moeite waard is, kunnen we het online album aanraden. Verliezen doe je er niet mee, want het is volledig gratis. (www.mercuryrev.com)(mt)
   
Miko
Parade
(PLOP/MDM)
Japanse elektronica: soms is het geniaal, maar het kan ons ook ontzettend irriteren. Helaas is dat wat Miko met haar cd ‘Parade’ voornamelijk doet. Buiten de een of twee positieve uitschieters, kabbelt dit plaatje helemaal nergens heen. Riviertjes zonder monding, da’s dus voornamelijk stilstaand water. Meest irritante song is ‘Heartbreak Blues’, waar Rie Mitsutake zich waagt aan een vreselijke kakafonie van geluiden die gedrenkt zijn in de reverb-knop. Experimenteren, we zijn er dol op, maar dit leidt absoluut nergens naartoe. Voor fans van ijlerige nietsigheid. (www.myspace.com/mikohome)(tow)
   
NQ Arbuckle
XoK
(SIX SHOOTER RECORDS/BERTUS)
Tijd voor een beetje good ol’ fashion countryrock. Het Canadese NQ Arbuckle mag daar deze keer voor zorgen. De groep rond Neville Quinlan, vandaar de NQ, kwijt zich naar behoren van deze taak. Mooi is alleszins hoe ze de waanzin van de oorlog op muziek zetten in het tweede nummer van de plaat. Hier wordt een deel uit een gedicht van de Canadese dichter Alden Nowlan gebruikt. Een gedicht dat het heeft over gevoelens van soldaten uit de Eerste Wereldoorlog gelegerd in de buurt van Ieper. Voor wie nog niet overtuigd was weet het nu wel zeker. Oorlog is waanzin. De andere nummers van de plaat mogen dan een meer persoonlijke inslag hebben, ook die klinken meer dan behoorlijk. Het is vooral de soms rauwe stem van de frontman die de songs naar een behoorlijk niveau tillen. Goed gespeelde countryrock daar is niets mis bedachten wij toen we op Pukkelpop genregenoten Drive-By Truckers zagen. Maar om nu te zeggen dat we hier nu compleet wild van zijn, dat gaat echt te ver. Daarvoor kleuren ze te veel binnen de lijntjes. (www.myspace.com/nqarbuckle)(mt)
   
Our Broken Garden
When Your Blackening Shows
(BELLA UNION/V2)
Our Broken Garden is het project van de Deense Anna Bronstedt. Haar kennen we nog van Efterklang. Zij maakt nog altijd deel uit van de livebezetting van deze sprookjesachtige Deense groep. Een groep waarvoor ze opende op het afgelopen Dominofestival. In het voorjaar verscheen ook nog de gelimiteerde E.P. ‘Lost Sailor’ en nu is er de volwaardige opvolger, het debuutalbum ‘When Your Blackening Shows’. Deze plaat nam ze samen met een aantal bevriende muzikanten op in een verlaten dorpsschool. Tekstueel gaat ze op zoek naar de donkere kanten van de menselijke natuur en relaties. Relaties die blijkbaar niet altijd even rimpelloos verlopen als we alleen al afgaan op de titel van de plaat. De sfeer is duister en hypnotiserend. De muziek klinkt warm en soms afstandelijk tegelijk. Grootste troef is misschien wel de licht hese en engelachtige stem van Bronstedt. Haar stem kreunt onder de druk van de thema’s die ze behandelt. In het oog te houden voor mensen die houden van rust en warme klanken aan het oppervlak, en onrust daaronder. Mooi, maar soms net te braaf uitgewerkt muzikaal. (www.myspace.com/ourbrokengarden)(mt)
   
Plebeian Grandstand
The Vulture's Riot
(BASEMENT APE INDUSTRIES/BASEMENT APE INDUSTRIES)
Net als Goodbye Diana (zie elders) brengt het uit Toulouse afkomstige Plebeian Grandstand zijn debuut uit op het Franse label Basement Ape Industries. Waar Goodbye Diana grossiert in mathrock, stort het kwartet Plebeian Grandstand zich vol overtuiging op hardcore / screamo. We krijgen zes nummers voorgeschoteld in iets meer dan een half uur, wat de band zelf ‘The Vulture’s Riot’ tot een ep doet bombarderen. Na meerdere keren luisteren besluiten we zelf om dit kleinood tot een volwaardig album te verheffen. Simon, Adrien, Jerome en Raphael spelen namelijk een heel intense vorm van screamo, waarbij meer te veel zou zijn. Openen doen ze met de heavy instrumental ‘Sloven & Slow’, die ons eerst op het verkeerde been zet. Spierballenhardcore zonder de obligate schreeuwerige stem, het stemt ons blij en verrast, want dit hadden we niet zien aankomen. Iets minder verrassend zijn de overige vijf nummers, waarin de schreeuwzang wel prominent aanwezig is. Gelukkig weten de heren zich muzikaal toch enigszins te onderscheiden van het peloton, en dit voornamelijk door de inbreng van aan mathrock verwante complexe structuren. Plebeian Grandstand heeft het meer voor de vernieuwers van het genre, denk Botch, Converge, Dillinger Escape Plan en vooral Shai Halud in hun beste doen. Dit is een zeer veelbelovend debuut van een band die hardcore en emotie weet te verenigen tot vernietigende luisterbommen. (www.basementapesind.com)(pb)
   
Quantic Presenta Flowering Inferno
Death Of The Revolution
(TRU THOUGHTS/ROUGH TRADE)
Er komt maar geen einde aan de werkkracht van Will Holland aka Quantic. De hoeder van de Britse funk- en soulrevival heeft al enige tijd zijn tenten opgeslagen in Latijns-Amerika. Zijn vorige werkstuk 'Tropedelica' sloeg de brug tussen salsa, cumbia, deep funk en afro beat. Op deze Death Of The Revolution, opgenomen in Colombia, verzoent hij Latijns- Amerika met Jamaïca. Multi- instrumentalist Will Holland is een meester- producer, met een goede neus voor wat authentiek en toch vernieuwend is. Wat hij doet is retro en toekomstgericht tegelijk. En ook nu weer brengt hij het voor mekaar: dit is een feelgood plaat, die je doet wegdromen naar strooien hutjes, palmbomen en sloten rum. Het rammelende pianootje, de spaarzame trompetten en sax, de landerige reggae en dub werken en doen verlangen naar zwoele zomernachten. Holland doet uitgebreid beroep op Latijns- Amerikaanse muzikanten, wat bijdraagt aan de authenticiteit. Het lijkt allemaal schijnbaar achteloos en volkomen live op plaat gezwierd. En dat is meteen ook de zwakte van de plaat. Vaak lijken de tracks schetsen van wat ooit échte songs kunnen worden. Zelfs met dat minpunt blijft Death Of The Revolution aangenaam luistervoer. Maar van de man die met zangeres Spanky Wilson het onvolprezen 'I'm Thankful' afleverde, mag je nog net dat ietsje meer verwachten.(lv)
   
Dijf Sanders
Homesick
(NOISESOME/EMI)
We voelden David – Dijf – Sanders een dikke drie jaar geleden keihard aan de tand over zijn op licht schizofrene wijze tussen Tom Waits en Four Tet schipperende plaat ‘To Be A Bob’. De man sprak toen – in zijn prachtig met opgezette kraaien, mismeesterde synthesizers en gestolen verkeerssignalisatie ingerichte kruipkot – de oprechte wens uit om ooit één eenduidige technoplaat te maken. We willen de party niet crashen, maar in dàt opzet is ie met ‘Homesick’ alleszins niét geslaagd. Hij is wél zuiniger geweest op scheurende saxofoonsolo’s, en daar zijn we niét rouwig om. Maar Dijf blijft een eclecticus die graag citeert uit zijn platenkast. En da’s gelukkig een smaakvol gevuld meubel. Opener ‘Birth of Dijf’ kan wat ons betreft zo onder een natuurdocumentaire gemonteerd worden: een savanne die langzaam ontwaakt, we zeggen maar wat. ‘The Great Downfall’ is uitstekende elektrofunk die de übergay in ons naar boven haalt. Not a pretty sight, als u het dan toch wil weten. ‘To Be A Bob’ herinnert vervolgens niet alleen qua titel aan de vorige plaat: wat ons betreft een beetje een te lollig-vrijblijvende jazz-oefening. In dezelfde categorie: ‘Tiptoe Monster’. Wél fijn: het op een voorzichtige dreun van allerlei verknipte Afrikaanse geluidjes voorthuppelende ‘African Wanker’. Vergeet ook zeker niet door te luisteren naar de bonustrack ‘My Machine’: een fijne elektrohop-ode aan Dijfs drumcomputer: “factory preset is the game, if you know what I mean, it’s why i bought this self-composing new drummachine”. Maar eigenlijk horen we Dijf nog ’t liefst bezig als hij ouderwets melancholische slaapkamerliedjes van een simpel elektroakoestisch arrangement voorziet. ‘Sugar Frosted Milk’ is zo’n liedje, met een mooie bijrol voor de trompet van Jon Birdsong. En ‘Cold Ostrich’ is veruit ons favoriete Lou Barlow-nummer van 2008: grote klasse. Een schone plaat, voor wie tegen een beetje popmuziek en de occasionele misser kan, dus. U weet bij deze of u tot de doelgroep behoort. (www.dijf.be)(sb)
   
Smile Down Upon Us
Smile Down Upon Us
(STATIC CARAVAN/KONKURRENT)
Static Caravan zullen wij altijd huldigen als de band die ons Tunng leerde kennen. Hun nieuwste aanwinst heet Smile Down Upon Us. De ontstaansgeschiedenis van deze groep is erg web 2.0: muzikanten Keiron Phelan en David Sheppard leerden via de muzieksite MySpace de Japanse MoomLooo kennen, die meteen mee in een muzikaal project stapte. Het resultaat: een zweverige, soms kinderlijk aandoende folkplaat die af en toe aan Björk zonder de elektronica doet denken. Alleen irriteert de stem van de Japanse ons net iets minder. Het liefst blijven ze volgens ons wat ingetogen. Zodra ze een halve versnelling hoger schakelen, lijkt MoomLooo moeite te hebben (‘My Body Continents’). Erg mooi is trouwens het instrumentale ‘The Qookino Farm And Tractor Factory Band’, waar je beide invloeden met elkaar vermengd ziet. Een Japans aandoend folkdeuntje gaat in duet met een op banjo. Het internet kan soms erg mooie dingen opleveren. (www.smiledownuponus.org)(tow)
   
Son Ambulance
Someone Else's Déjà Vu
(DOMINO/MUNICH)
Vier jaar geleden bracht Son, Ambulance ‘Key’ uit op het Saddle Creek-label waar ook Bright Eyes toen furore maakte. Helaas klonk het album toen ook als een slap afleggertje van de band rond Conor Oberst. Na enkele jaren stilte komt Joseph Knapp met opvolger ‘Someone Else’s Déjà Vu’ op de proppen. Nu Oberst met zijn band slechts de schim is van de songwriter die hij tot voor kort was, voelt Son Ambulance zich klaarblijkelijk niet meer genoodzaakt om hem te imiteren. Dat levert dus een album op dat danig verschilt van het vorige, al weten we niet of deze nieuwe worp ons lang zal kunnen bekoren. Het nieuwe geluid grijpt terug naar een soort exotische melancholische pop, die ons wat doet denken aan een extreem slome Belle And Sebastian of een Beach Boys op tranquilizers (zoals in ‘Legend of Lizeth’). Eigenlijk is het grote dilemma: is dit nu mooi of gewoon kitsch? Één nummer verdragen we nog wel, maar zodra het extreem melige ‘Wild Roses’ inzet, kunnen we niet snel genoeg de next-button induwen. En zo balanceert elk nummer op die dunne scheidingslijn. Hier en daar is er wel een lekker wegluisterend nummer (‘Horizons’), maar het uiteindelijke oordeel is toch negatief. We blijven licht allergisch voor zoveel zeemzoetigheid. (www.sonambulance.com)(tow)
   
Tayside Mental Health
Hit Me At 30 & I'll Bodypop
(I BLAME THE PARTENTS RECORDS)
Een cdsingletje met acht minuten waanzin doet ons zin krijgen om onze 7 inches van Cosmonauts Hail Satan nog eens op te poetsen. De ingrediënten zijn rudimentaire (speelgoed)elektronica, wat verwarrende ritmes, en vrouwelijke PMS speedvocalen. We worden uitgenodigd om ons eigen geschreeuw toe te voegen aan de instrumentale ‘Trip To Tayside’. Natuurlijk zijn we achterlijke snobs, maar het verschil tussen aardig en cult is in dit geval het feit dat ‘Hit Me @ 30 And I’ll Bodypop’ helaas niet op vinyl werd uitgebracht. (www.myspace.com/iblametheparentsrecords)(pv)
   
The Walkmen
You & Me
(TALITRES/MUNICH)
Eerst was er Jonathan Fire*Eater. Toen deze band uit Washington ter ziele ging, ontstond in 2000 The Walkmen. Een groep die ontstond in de opnamestudio die een aantal leden oprichtten. Ondertussen zijn we acht jaar verder. Met deze release, hun vijfde, proberen ze nu ook voet aan grond te krijgen in Europa. Gelukkig denken we als we deze plaat horen. Eén van die vorige vier platen was de opmerkelijke coverplaat ‘Pussy Cats: Starring The Walkmen’, hun versie van een plaat uit 1974 van Harry Nilsson die werd geproduceerd door John Lennon. Werd er op vorige platen nog alle kanten uit geëxperimenteerd, dan is hier het geluid zeer consistent. De band rond zanger Hamilton Leithauser opteert hier voor uitgepuurde indierock met verwijzingen naar country en post-punk. Een op het eerste zicht misschien rare combinatie, maar werken doet het wel. Toch na een paar luisterbeurten, maar vanaf dan werden we lichtjes verslaafd. Grandeur en wijdse melodieën gekoppeld aan intense songs. Dat doet het voor ons. Lange tijd onbekend gebleven in onze contreien door slechte of onbestaande distributie, maar met deze plaat mag daar stilaan verandering komen. En terecht. (www.myspace.com/thewalkmen)(mt)
   
Tilly And The Wall
?
(MOSHI MOSHI RECORDS/V2)
Hele computersystemen van muziekbladen slaan op hol, want er moet toch echt een titel ingevuld worden bij de gegevens, maar het nieuwe album van deze Amerikanen heeft eigenlijk geen titel. Het rondje op de voorkant van de hoes lijkt op een O, maar is het niet. Het is een rondje om ‘in te kleuren’. In eerste instantie heeft de band artistieke vrienden uitgenodigd om het ontwerp te maken, met als gevolg dat het album iedere maand een andere cover heeft. Het is natuurlijk ook mogelijk om zelf een hoesontwerp te maken. De vraag is: zetten we het album op als we de kunstenares gaan uithangen? Het antwoord luidt ja, maar of het de artisticiteit van het hoesontwerp ten goede komt, is een andere vraag. De muziek van Tilly And The Wall is van het vrolijke popsoort, waarvan we er al héél wat gehoord hebben. Het is van too-doo-too-doo tot yeah-yeah-yeah en alles wat daar tussen zit. In plaats van de hoes zouden we graag de muziek wat willen beïnvloeden, met wat peper bijvoorbeeld. Het blijft te veel tussen de, eh, lijntjes.(mvh)
   
Toxic Holocaust
An Overdose Of Death
(RELAPSE)
Toxic Holocaust of hoe Joel Grind op zijn eentje een uitstekende portie thrash uit zijn koker wurmt. ‘An Overdose Of Death’ is zijn debuut op Relapse en het derde album dat de man in elkaar knutselt. Voorheen deed Grind het allemaal op zijn eentje, maar voor zijn nieuwe album lijfde hij drummer Donny Paycheck (Zeke) in. Deze toevoeging zorgt er meteen voor dat de thrash van voorheen geïnjecteerd wordt met behoorlijk wat invloeden uit de punkrock, de snellere versie dan weliswaar. Zeke staat namelijk vooral bekend voor zijn speedpunk. Origineel is het allemaal niet wat Grind presteert, degelijk is het echter wel. De sound van de plaat zit helemaal in de jaren 1980 verankerd, toen Kreator, Slayer, Motörhead en Discharge het genre definieerden. Erg is dat allemaal niet. Een portie nostalgie is wel eens leuk en als het dan nog zo goed gedaan is als deze plaat, hebben we geen bezwaar om nog eens wild enthousiast ons haar alle kanten op te zwiepen. Jazeker, we hebben er nog, en het is zelfs lang. Blasfemisch is onze Grind ook nog, ‘Nuke The Cross’ is daar een mooi voorbeeld van. Er zit dan ook een beetje vroege black metal in de punky thrash verscholen, wat het old skool-gevoel er alleen maar groter op maakt. Wilde, retestrak gespeelde retrometal: het is Toxic Holocaust ten voeten uit. (www.relapse.com)(pb)
   
Yo! Majesty
Futuristically Speaking... Never Be Afraid
(MUNICH/MUNICH)
''Laat deze sampler niet in gedeelde kantoorplekken liggen en leg deze achter slot en grendel liggen''. Bij het Domino label is men blijkbaar zo bang geworden voor het uitlekken van muziek door journalisten en reviewers (we zijn toch zulke dieven), dat er een langdradige, dikgeletterde exclaimer gedrukt staat. Met doodskop nog wel en dat op een lelijk geel hoesje, bravo! 'Never Be Afraid' is de songkreet van Yo! Majesty en sluit meteen aan bij de eigen gedachtengang. Het vrouwelijke hiphopduo bestaat uit Shunda K en Jwl. B en zijn van het zonnige Florida. Uit die streek kennen we de lompe maar feestelijke Miami Booty Bass stijl en die krijgt op deze plaat een verjongingskuur. De vrouwen nemen geen blad voor de lippen. Op rauwe beats rappen over militante, lesbische en christelijke perikelen. "Waarom mag 50Cent wel met ontbloot bovenlijf op het podium staan en wij niet?" Zulke uitspraken dus en de hype die binnenkort zal ontstaan in de hippere media. Terug naar muzikale zaken. Qua stijl loopt het van zuiderse crunk hiphop, grime, bliepende en minimale elektronica tot aan ronduit platte pop toe, deels door inspiratie en hulp van producers als Basement Jaxx, Radio Clit, Dee Kline en anderen. Het is daarom een reis tussen hits en missers, waarbij de minst hitgerichte en ruigere songs het best smaken. Jammer dat pop teveel de boventoon voert. "Het is uw verantwoordelijkheid om deze schijf veilig te bewaren", luidt het laatste advies op de hoes. Welnu, wat is Domino's straf als ik de schijf in mijn afval zou willen deponeren? (www.dominorecordco.com)(s.b)
   
Yasushi Yoshida
Little Grace
(NOBLE)
Zelfs de met een razend tempo vooruitschrijdende communicatietechnologie vermag niet te verhinderen dat er nog altijd een grote afstand heerst tussen Japan en Europa. Op zich draagt dit interessante fenomeen er toe bij dat de Japanse scene in vele gevallen nog altijd haar eigen stem heeft bewaard en invloeden van buitenaf slechts mondjesmaat doorsijpelen. Getuige daarvan ‘Little Grace’, de nieuwste langspeler van Yasushi Yoshida. Acht composities in een muzikale taal die hier in Europa alweer zo’n tien jaar geleden haar hoogtepunt kende. Of hoe moeten we de instrumentale muziek, die rijkelijk put uit filmmuziek, artistieke postrock en de (neo-)klassieke traditie anders omschrijven? Qua invloeden moeten we zeker Rachel’s vernoemen, doch aan de kwaliteit van voornoemde band kan Yoshida vooralsnog niet tippen. Op alle tracks speelt zijn piano de hoofdrol; vaak wordt haar melancholische klank aangevuld met atmosferische samples of instrumenten van divers pluimage (fluit, akoestische gitaar, drum, knisperende elektronica, ...). Door gebrekkige distributie bleef het Europese continent verstoken van Yoshida’s debuutalbum ‘Secret Figure’ – het is dus voorlopig onmogelijk in te schatten welke evolutie er in het werk van de componist zit. Hoe dan ook, ‘Little Grace’ blijft te braafjes en te voorspelbaar om écht te boeien. (www.noble-label.net)(jv)

EXTRA RECENSIES GONZO #88
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo #88

Rabih Abou-Khalil
Em Portugués
(ENJA/CODAEX)
Rosa Passos
Romance
(TELARC/CODAEX)
De Portugese taal wordt in muziek voornamelijk geassocieerd met de fado en met Braziliaanse (feest)muziek. Op ‘Em Portugués’ werkt de Libanese oud-speler Rabih Abou-Khalil met de Portugese zanger Ricardo Ribeiro. Diens rol is zo belangrijk dat de plaattitel dat maar gelijk aangeeft. Rosa Passos is een Braziliaanse zangeres, ontdekt en gepromoot door de klassieke cellist Yo-Yo Ma, die zich op haar plaat ‘Romance’ presenteert als jazzvocaliste. Portugees en Arabische muziek. Portugees en jazz. Op zich is daar natuurlijk niks mis mee. Op ‘Em Portugués’ laat Rabih Abou-Khalil in een kwintet horen dat fado en Arabische muziek meer met elkaar gemeen hebben dan je zou denken. En Rosa Passos laat horen dat Engels heus niet de enige taal is waarin jazzkan worden gezongen. Niettemin is ‘Em Portugués’ geen hoogtepunt in Rabih Abou-Khalils uitgebreide oeuvre. En voegt Rosa Passos met ‘Romance’ weinig toe aan wat de vocale jazz internationaal tegenwoordig te bieden heeft. Gelukkig bezondigt Passos zich niet aan flauwe jazzstandards; alle liedjes die ze zingt, zijn geschreven door Braziliaanse componisten. Typisch Baziliaanse elementen, zoals de bossa nova- en samba-ritmes, spelen echter een geringe rol. Zo gering dat jazzliefhebbers dit plaatje beter links kunnen laten liggen. Dat laatste kun je niet zeggen van Rabih Abou-Khalils ‘Em Portugués’. Slecht zijn zijn plaatjes immers nooit. Geen hoogtepunt in zijn oeuvre betekent hier gewoon dat de fans van Abou-Khalils fusion tussen Arabische muziek en westerse improvisatiemuziek niet zonder dit plaatje kunnen. En dat wie Abou-Khalils muziek nog niet kennen, zich beter kunnen storten op één van zijn oudere platen. De uitgave en geluidskwaliteit van ‘Em Portugués’ zijn trouwens onberispelijk en het spel van accordeonist Luciano Biondini en tubaspeler Michel Godard –en natuurlijk van Rabih Abou-Khalil zelf– zijn zeer geïnspireerd – en inspirerend!(kpo)
   
Albert Ayler
Slugs Saloon
(ESP)
New Orleans brassbands en freejazz lijken uitersten op de schaal van jazz. Maar Albert Ayler, die freejazz tot het uiterste voerde, haalde veel inspiratie uit oude brassbands en marsmuziek. Hoe hij dat verwerkte hoor je op de dubbel-cd ‘Slugs’ Saloon’. Even duidelijk hoor je dat hij zijn vrije muziek bedoelde als een schreeuw om eenheid, liefde en spiritualiteit. ‘Slug’s Saloon’ is opgenomen in de gelijknamige New Yorkse bar in mei 1966, dat wil zeggen: nog in zijn creatieve hoogtijdagen. Gespeelde stukken – met veelzeggende titels als ‘Our Prayer’, ‘Bells’ en ‘Ghosts’ – behoren dan tot zijn hoogtepunten op plaat; ‘Truth Is Marching In’ – waarmee hij zijn ‘free spiritual music’ bedoelde – zou later dat jaar op lp verschijnen. De live-opnamen voor deze – geremasterde - heruitgave waren niet perfect. Instrumenten klinken soms zachter, dan weer harder, maar dat is geen probleem. Alsof een brassband door de straat trekt en het geluid soms wegwaait, of opeens vol tot je komt door een opening tussen de huizenblokken. Kortom: de imperfectie draagt zelfs bij aan de ervaring van spontaniteit en rauwheid. Flarden marsmuziek en New Orleans jazz gaan over in heftige vrije improvisaties, om even later weer te veranderen in samenspel of in een repetitieve basis waarop Ayler trage melodielijnen legt. In de vrijere delen klinken met name Aylers saxofoon en de trompet van broer Donald als diep vanuit hun ziel. Elders klinken mantra-achtig herhaalde patronen. Overigens speelt de Nederlander Michel Sampson, wiens vioolgeluid perfect aansluit op de blazers, ook mooie partijen. Dit is muziek die je niet makkelijk wegslikt, maar wie bereid is zich met open geest en oor over te geven, wordt waarschijnlijk – net als ik - geraakt door Aylers schreeuw. (www.espdisk.com)(rm)
   
Alev
S/t
(EIGEN BEHEER/ROCK INC)
De Duitse band Alev is alleszins vasthoudend. Ze proberen voet aan de metal- en popgrond te krijgen sinds 2002, en dankzij enkele catchy demosongs is het hen ook gelukt. Hun eerste album verscheen in 2004 (‘We Live In Paradise') en op deze tweede is duidelijk te horen dat hun vingeroefeningen resultaat hebben opgelverd. Hun songs zijn sterk, staan puur op zichzelf, en hoeven geen leentjebuur te spelen bij hun grote idolen. Hun sound creëren ze zelf wel. En het lukt. Alev is een mengeling van (goth)metal zoals Evanescence en Within Temptation, pop met weerhaakjes à la Björk en Garbage, en zelfs wat rock zoals good old Jon Bon Jovi en Bryan Adams die kunnen maken. De leadzangeres Alex Janzen houdt haar bandleden goed in toom, en het geheel ligt vlot in het gehoor. Uiterlijk lijkt ze wel een mix van Blondie en Kim Wilde, maar die stem doet dan weer eerder denken aan Tori Amos, Jewel en Robyn. De baslijn van de hand van Martin Fahrnho is een excellente tegenhanger voor Alex’ sterke stemtimbre. Ook Patrick Fleischer (gitaar), Saner Ariduru (gitaar en keyboard), en Niki Brockt (drums) zorgen voor een mooi evenwicht in de totaalsound. Niemand die de leiding van de songs naar zich toe trekt, maar een goed samenspel dat in aangenaam luistervoer resulteert. Het album roept voorts gelijkenissen op met bands als Leaves’ Eyes en Autumn, en Avril Lavigne. Alex geeft ervan langs, en hopelijk doet ze dat nog een tijdje. Eindelijk een goede zangeres in een goede band die het niet alleen van haar mooie snoetje moet hebben, maar ook genoeg haar op haar tanden heeft om haar eigen ding te doen, en zich niks aan trekt van de grote platenbonzen. Dat gevoel hebben we hier niet meer gehad sinds Robyn op MTV populair werd, ook al draait zij al een serieus lang tijdje mee in het circuit. Het album bestaat uit 10 tracks, met 1 bonus track. Als uitsmijtertje staat er nog een muziekvideo op van het nummer ‘The Right Time’, dat perfect weerspiegelt waar het Alev om te doen is. (www.alevmusic.com)(alv)
   
Alkaline Trio
Agony & Irony
(COOPERATIVE MUSIC/V2)
Alkaline Trio is al aan zijn zesde album toe, het eerste voor hun nieuwe label, maar klinkt nog steeds als een stel jonge broekies die hun eerste stappen zetten in het poppunkwereldje. Zo boeiend. Het trio, nog steeds bestaande uit Matt Skiba (zang, gitaar), Dan Andriano (zang, bas) en Derek Grant (drums), begon aan zijn queeste in 1996 en opereert vanuit de achterbuurten van Chicago. Ondertussen hebben de bandkleden hun thuisbasis verruild voor andere oorden, maar dat is aan hun muziek, en de evolutie sinds hun debuut, nauwelijks te horen. Nog steeds hebben ze het over wat de modale puber bezighoudt, wat in Amerikaanse termen dan allicht vroege twintigers zijn (als we zien welke leeftijd de acteurs in allerlei series hebben die een puber spelen). Hip proberen ze alvast te zijn door de single ‘Help Me’ te baseren op het leven van Ian Curtis. Skiba zag de schitterende film ‘Control’ van Anton Corbijn en wijdde er meteen een liedje aan. Kwestie van geloofwaardig en actueel te blijven allicht. Veel zoden zet het allemaal niet aan de dijk. De mediocre liedjes kabbelen lustig verder en de band weet zich op geen enkel moment te onderscheiden van de massa gelijkaardige bands die allemaal wel een liedje kunnen maken maar vergeten dat er meer voor nodig is dan zomaar een liedje om enigszins te beklijven of indruk te maken. Maar kijk naar Tokio Hotel en merk dat bakvissenpunkpop heel lucratief kan zijn.(pb)
   
Anaphylactic Shock
2000 Years
(HYPERTENSION/CONSPIRACY)
Anaphylactic Shock is een Nederlands kwartet waarvan de leden hun sporen verdienden in hardcorebands als No Turning Back, Restless Youth, Dead Rivers en Union Town. Niet dat ze allemaal hun bands zo beu zijn, maar blijkbaar was er tijd en ruimte en vooral zin in even iets anders. Begin 2007 begonnen ze met deze band met als uitvalsbasis Tilburg en het resultaat dat we horen is een mengvorm van alle subgenres die de extremere vormen van rock de laatste decennia hebben opgeleverd. Doom, sludge, black metal, noise, viezigheid, schreeuwvocalen, urgentie, death, grind, streetpunk, hardcore en zelfs ordinaire rock-’n-roll, de band gooit het allemaal op een hoop en maakt er een aan Entombed verwant zootje van. Het woord zootje klinkt hierbij negatiever dan het eigenlijk is, want coherent klinkt het uiteindelijke plaatje wel, alleen blijft het nergens echt plakken. De negen nummers klinken best lekker, kennen zo hun hoogtepuntjes maar ze passeren. Telkens ontsnapt onze aandacht naar ergens anders en dat is geen goed teken. Misschien weet de band ons op een podium beter bij de les te houden. Zeker als ze de nummers met eenzelfde intensiteit als een Penthouse over ons heen zouden kieperen. Want het zit er echt wel in, alleen komt het er nog niet echt schitterend uit. Misschien ligt het wel aan de productie van Patrick Delabie, die in onze ogen prima werk afleverde met Rubbish Heap (nog steeds een prachtplaat! ) maar ook met een volledig overroepen White Circle Crime Club aan de slag ging, een band die we nu al genoeg keren noodgedwongen hebben moeten aanschouwen. (www.hypertensionrecords.com)(pb)
   
Antenne
#3
(HELMET ROOM RECORDINGS)
We zijn nooit grote fan geweest van het legendarische triphop-collectief Portishead. Dat lag niet in elk geval niet aan de stem van Beth Gibbons, want haar solo-album met Rustin’ man van enkele jaren geleden, ‘Out Of Season’, hoort nog steeds bij een van onze favorieten. Het Deense Antenne vergelijkt zichzelf met de triphopgroep uit Bristol, maar lijkt toch vaker op het eerder genoemde soloplaatje. De beats zijn slechts spaarzaam gebruikt, en de stem van zangeres Marie-Louise Munck lijkt soms akelig hard op die van Gibbons, vooral in de songs ‘Blue Light’ en ‘Days into Night’. Dat gezegd zijnde ontbreekt bij Antenne wel de onderhuidse spanning, en daar veranderen de sfeerscheppende achtergrondgeluidjes niets aan. ‘End’ lijkt dankzij de strijkers nog even wat te worden, maar zodra Munck begint te zingen, valt ook de spanning helemaal weg. Het zijn niet zonder reden vooral de instrumentale nummers als ‘Ernst’ die ons het meest kunnen bekoren. Niet 100 procent geslaagd dus, maar wie even iets ontspannend wil opzetten en ‘Out of Season’ al te vaak geluisterd heeft, kan met deze afleggertjes misschien nog wel wat. (www.myspace.com/antenne)(tow)
   
Audrey
The Fierce And The Longing
(TENDERVERSION RECORDING)
Het Zweedse dameskwartet Audrey is één van de groepen die we ooit op het Rhâââ Lovely Festival zagen spelen. Een festival dat ondertussen beslist heeft om er mee te stoppen. Jammer, want het was telkens één van de leukste festivals van het jaar. Maar goed, de nieuwe plaat van Audrey dus. Opvolger van het in 2006 verschenen album ‘Visible Forms’. Opnieuw spannen de vier vrouwen zich in om een donkere, intense sfeer te creëren. Een opzet waar ze in opener ‘Big Ships’ al in slagen. De sfeer is die van een jazzy kroeg ergens op een donkere winteravond. Muziek waarin de soms fluisterende, halfgezongen vocalen van de vier groepsleden goed gedijen. Want dat is ook nog een opvallend kenmerk van de groep. Alle vier nemen ze wel eens de vocalen voor hun rekening. Op hun eerste plaat waren de invloeden uit de postrock groter. Nu is er een verschuiving richting indiepop. Treuren wij daarom? Niet echt. Want het resultaat is bevredigend. Maar ook niet meer dan dat. (www.audrey.se)(mt)
   
Baltic Fleet
Baltic Fleet
(BLOW UP RECORDS)
Paul Fleming, de man achter Baltic Fleet, speelt keyboard bij New wave-band Echo & The Bunnymen. Aan dit soloproject werkte hij terwijl hij op wereldtournee was, in de verschillende hotelkamers of op de toerbus. Dat heeft als resultaat een instrumentaal album dat heel wat stijlen aandoet, afhankelijk van hoe Fleming zich op het moment voelde. Die aanpak zorgt er ook voor dat songs op geen enkel moment te geproduceerd klinken. ‘3 Dollar Dress’ is bijvoorbeeld een opzwepend rocknummer, dat de jaren tachtig ook weer wat leven inblaast, maar dan zonder de typisch blikken productie van die tijd. Terwijl je in ‘Berlin 8mm’ echo’s hoort van de etherische stijl die Sigur Ros ook in zijn nummers. Of wat te zeggen van ‘Hammer Blow’ en ‘Double Door’, die zowaar de postrock van Mogwai weer wat tot leven brengt. Al bij al een gevarieerd plaatje. (www.balticfleet.com)(tow)
   
Bowerbirds
Hymns For A Dark Horse
(DEAD OCEANS/KONKURRENT)
Had u ons gisteren gevraagd of we zin hadden in hogelijk melodieuze folk, met een hoog feelgood-gehalte en met als belangrijkste instrumentale ondersteuning Spaanse gitaar, accordeon, tamboerijn en een lichtelijk ontstemde piano, dan keken we negen kansen op tien dwars door u heen, eventueel iets mompelend over een plek waar we heel erg dringend moesten zijn. Als u meer geluk had, boden we u aan een belegde sandwich voor u te gaan kopen. Vandaag hebben we ‘Hymns For A Dark Horse’ van Bowerbirds (Phil Moore en Beth Tacular) gehoord en onze visie – als we die al hadden - op naïeve accordeonmuziek met ecologie als bijzonderste thema is helemaal omgesmeten. De melodieuze feelgood folk die Bowerbirds op ‘Hymns For A Dark Horse’ – overigens al ruim een jaar geleden in de States gereleased - quasi achteloos uit hun ongetwijfeld naar patchouli riekende mouw schudden, is van dusdanig ontwapenend-mooie vocalen voorzien dat onze hele over de jaren heen zorgvuldig bijeenverzonnen esthetica er als een zielig kaartenhuis bij te pletter fladdert. ‘Hymns For A Dark Horse’ getuigt namelijk van een absoluut eigen geluid, dat zich ver weg houdt van alle ons bekende trends. De plaat staat bovendien vol van geniaal gecomponeerde übermelodieuze liedjes als ‘My Oldest Memory’ – die zelfs de meest cynische ziel een klein beetje zouden moeten kunnen opwarmen. Ook tekenend: als Moore in het met een zwaar ontstemde piano kampende ‘Human Hands’ ‘There is hate all around’ zingt, klinkt ie nog even ontspannen als Astrud Gilberto. Faut le faire! Verrassend goed plaatje dus. Maar laat dit verder vooral geen oproep zijn voor minder getalenteerde door Bowerbirds geïnspireerde bands om hun probeersels op te sturen. Wij zitten alweer onder onze koptelefoon naar Wolf Eyes te luisteren.(sb)
   
Children of The Sixth Root Race
Songs From The Source
(DRAG CITY/MUNICH)
We doen een poging om deze cd te beluisteren op onze nationale klootjesdag, en net als het samenhouden van het land (we wonen in België uiteraard) is dit een hele onderneming. Voor mensen die niets moeten hebben van georganiseerde religie en zelfs van elke vorm van spiritualiteit gruwelen, is het aanhoren van deze door een soort sekte gemaakte opnames net zo’n gruwel als het idee dat we een gelovig mens zouden zijn. De opnames van deze plaat werden in 2006 jammerlijk genoeg terug opgeduikeld, want eigenlijk dateren ze uit het jaar 1973. Djin Aquarian, toentertijd gitarist bij Yahowah 13, dat later werd omgedoopt tot Children Of The Sixth Root Race (en nog een paar andere namen trouwens), is niet alleen de vinder van deze repetitieopname die plaatsvond enkele dagen voor een optreden in The Whisky, hij is ook degene die in ware sektezangen het einde van de wereld aankondigde. Volgens de teksten op dit wangedrocht zijn we allemaal al lang ten onder gegaan aan een nucleaire oorlog en is er van bloemen(kinderen) niets meer te bespeuren. Deze zogenaamde cultopname doet ons denken aan de verplichte luisterbeurten in het middelbaar onderwijs aan een katholieke school, waar ze Up With People het summum van muziek vonden. Jakkes.(pb)
   
CRAM
For A Dog
(BROKKEN RECORDS)
What’s in a name? De groepsnaam CRAM bestaat simpelweg uit de eerste letter van de voornamen van de vier muzikanten die CRAM vormen: Corrie van Binsbergen (gitaar), Rutger van Otterloo (saxen), Arend Niks (drums) en Mick Paauwe op babybass. Dit viertal wordt bijgestaan door twee gastmuzikanten: Carlo de Wijs op Hammond Orgel en Hein Offermans op contrabas. CRAM is de groep van Corrie van Binsbergen, die een tijdje terug tot haar schrik besefte heel lang geen instrumentale muziek meer te hebben gemaakt – iets waar ze erg goed in was en dat ze met veel plezier deed. Iets meer van de helft van de stukken op ‘For A Dog’, CRAMs debuutalbum, zijn van haar hand. Het zijn de prettigste stukken van deze plaat. Hoe aardig dit plaatje ook is, ‘For A Dog’ is nou niet echt een belangrijke mijlpaal in Van Binsbergens muzikale carrière. De grote invloed van Frank Zappa op Van Binsbergens gitaarspel is weer eens zeer hoorbaar, en hoewel alle stukken, wat je noemt, kop en staart hebben, zijn ze voor mij toch de mindere van wat Van Binspergen eerder deed in haar bandje Corrie & De Brokken. En dat is toch jammer als het je opzet was eindelijk weer eens wat bijzonders te doen op het instrumentale vlak. (www.corrievanbinsbergen.com)(kpo)
   
Essie Jain
TheInbetween
(BA DA BING!/KONKURRENT)
Zangeressen heb je in alle kleuren en maten. Tussen het gigantische aanbod is het moeilijk op te vallen. Essie Jain lukt het in elk geval niet. Ze heeft dan wel een iets diepere stem dan de gemiddelde zangnimf, maar voor de rest schuifelen haar nummers onopvallend voorbij. Platen als dit vallen alleen op als je nog nooit een andere zangeres gehoord hebt. Misschien vind je dit dan wel uitzonderlijk mooi. Want mooi is het wel. Alleen zijn we na afloop vergeten of dit nu Beth Gibbons, Vashti Bunyan of nog iemand anders was. De naam Essie Jain zal in elk geval jammer genoeg niet te lang blijven hangen. (www.essiejain.com)(tow)
   
Garron Frith
Garron Frith
(RAVINE RECORDS)
David Gray iemand? In Garron Friths biografie wordt er gewag gemaakt van invloeden als Bob Dylan, Nick Drake, Elliott Smith, Tim Hardin en Ray Lamontagne. Bij zulke lijstjes houden wij altijd ons hart vast. Gewoon een lijstje opsommen van al je favoriete singer-songwriters betekent nog niet dat je daadwerkelijk iets van hen hebt. Neen, Garron Frith vist duidelijk uit andere, minder diepe vijvers en maakt vooral liedjes waar verliefde pubermeisjes voor in zwijm vallen. De mooie, afgeborstelde troubadour die songs heeft met titels als ‘Falling Star’, ‘Under My Skin’ en ‘Thoughts on You’. Er zijn ongetwijfeld fans hiervoor te vinden, maar wij hebben ondanks ons bitterzoet hart en ons uitstekend gevoel voor romantiek toch nood aan iets eigenzinnerige singer-songwriters. (www.garronfrith.co.uk)(tow)
   
Gay For Johnny Depp
The Politics Of Cruelty
(CAPTAINS OF INDUSTRY)
Schitterend plaatje dit, al was het maar om die groepsnaam. En dan zien we op het hoesje ook nog de schreeuwlelijk van dienst met een masker op zijn kop, dat een beetje doet denken aan de maskers die Lightning Beat-Man op zijn kop zette toen hij in zijn Mexican Wrestling periode was. Al is het deze keer, passend bij de groepsnaam, een chocoladekleurig geval. Allemaal leuke extra’s die het cd’tje toch een beetje doen opvallen tussen de overdaad aan releases. En ook muzikaal weet de band uit New York ons meer dan een beetje te bekoren. Overstuurde garagepunk zoals we die hier heel graag door de boxen jagen, met schijt aan alles natuurlijk. Twaalf nummers in iets meer dan twintig minuten, waarvan er een paar uit niet meer bestaan dan een geniale riff die na twintig seconden overgaat in het volgende nummer. En een afsluiter van vijf minuten. Uiteindelijk schieten er een zevental echte nummers over, maar wat voor nummers! Geniale melodieën verscholen onder een dikke noiselaag, veel geschreeuw van frontman Marty Leopard dat sporadisch wordt afgewisseld met een zeer mooi gezongen lijntje, het kan allemaal voor deze Johnny Deppreetliefhebbers. Jazeker, want meestal hebben de teksten van hun songs met hun grote idool te maken. En vulgair zijn ze allemaal, maar dat past wonderwel bij de vuige screamo (dit genre heet tegenwoordig eigenlijk spazzcore, toch in deze variant) die Gay For Johnny Depp al sinds 2004 in elkaar ramt. Blood Brothers en The Locust zijn ietwat verwante bands, maar ze spelen net zo goed samen met Anal Cunt, met wie ze duidelijk hun zieke geest gemeen hebben. ‘Cos I want my Johnny bleeding, fuck him in the ass!’. (www.captainsof.com)(pb)
   
Hellsongs
Hymns In The Key Of 666
(BODOG/ROUGH TRADE)
Het lijkt wel aan het jaargetijde te liggen, maar net als Sofia (zie bespreking van hun ‘Search & Destroy’ elders in dit nummer) presenteert Hellsongs, uit het Zweedse Göteborg, een plaat vol covers. Tien stuks zijn het, die allen als onderwerp de duivel hebben en allemaal, op een paar kleine stukjes na, nauwelijks te herkennen zijn. Tien klassieke hardrock- en metalsongs werden onder handen genomen en dat met een bevreemdend en eigenwijs resultaat. ‘Hymns In The Key Of 666’ klinkt bij momenten bijna als een loungeplaat, en dat moet je maar doen met dit songmateriaal. Melancholie vormt de hoofdtoon op dit album en zangeres Harriet Ohlsson is niet te beroerd om kleine wijzigingen aan de teksten aan te brengen opdat ze beter bij haar vrouw-zijn zouden passen. De twee muzikanten die haar bijstaan, raken trouwens geen gitaar aan bij de muzikale omlijsting van deze resem verrassende bewerkingen. We horen twee keer -Iron Maiden (‘The Trooper’ en ‘Run To The Hills’), maar ook Slayer, Megadeth, Metallica, Twisted Sister, Europe, Saxon, AC/DC en Black Sabbath, wiens ‘Paranoid’ hemels klinkt in de versie van Hellsongs. Zo lang bands erin slagen composities van andere muzikanten volledig naar hun eigen hand te zetten en ze in een heel ander kleedje weten te steken, is het voor ons al lang best dat dit soort ondernemingen helemaal niet meer origineel zijn. Als het maar goed klinkt, zoals dit Hellsongs op zijn debuut. (www.bodoglife.net/music)(pb)
   
Ice Ages
Buried Silence
(NAPALM RECORDS/ROUGH TRADE)
Ice Ages is het project van de Oostenrijker Richard Lederer uit Wenen, die eerder al werk uitbracht als Summoning en Die Verbannten Kinder Evas. Met die bands richtte Lederer zich op epische soundscapes, terwijl hij met Ice Ages donkerder en meer agressieve atmosferen gaat opzoeken. In 1994 debuteerde hij met het album ‘Strike The Ground’, dat pas zes jaar later gevolgd werd door ‘This Killing Emptiness’. Door zijn vele andere projecten duurde het daarna opnieuw acht jaar alvorens nieuw werk kon worden uitgebracht. En is dit ‘Buried Silence’ al dat wachten waard? Wie het eenmansproject niet eerder kende, zal dat ongetwijfeld worst wezen. En wie het eerdere werk wel kent, zal behalve productioneel waarschijnlijk weinig evolutie merken. Want dat is, toch voor ons, een beetje het probleem met ‘Buried Silence’: het klinkt allemaal een beetje belegen en ouderwets, zonder dat dit daarom een minderwaardige cd zou zijn. Echter, mensen evolueren, hun muzikale smaak verandert wel een beetje mee met de tijd maar het lijkt dat Lederer met zijn donkere, soms behoorlijk melancholische, aan industrial verwante muziek is blijven stilstaan. Een nummer als ‘Icarus’ is zo een beetje wat iemand die zijn zwarte kleren wel eens wil doen uitwaaien op de dansvloer verwacht op een wave of gothicparty. En zo staan er nog wel een paar nummers op. Melodieën zitten verscholen onder de zwaar vervormde stemmen en de machinale muziek die met Reaktor 5 en gelijkaardige software voor synthesizers werd gemaakt. Koude dansvloerdeuntjes voor warmbloedige zwartjassen, dat is ‘Buried Silence’ ten voeten uit. (www.napalmrecords.com)(pb)
   
Guiseppe Ielasi
Stunt
(SCHOOLMAP/A-MUSIK)
De experimentele gitarist en elektronicamuzikant Giuseppe Ielasi gooit het op zijn nieuwe plaat ‘Stunt’ over een andere boeg. De Italiaan is vooral bekend met werk dat varieert van minimale melodieën tot drones; vorig jaar zag een klein publiek hem nog in Utrecht een tafel vol elektronica delen met Thomas Ankersmit. Voor een serietje van drie ep’s gaat Iealasi nu uit van een platenspeler en een flinke collectie vinyl. Daaruit haalt hij zijn basismateriaal, in de vorm van korte fragmentjes en loops. Volgens Iealasi ligt zijn aanpak daarbij meer in het verlengde van turntablism dan van sampling en plunderphonics. De ruwe resultaten zijn gemonteerd en verdeeld over aparte tracks, waarvan er nu zes op ‘Stunt’ verschijnen. Ze zijn verrassend, boeiend, afwisselend en heel anders dan de atmosferische muziek tot nu toe. Hoewel er ook delen zijn waarin nauwelijks of geen ritme voorkomt, gebruikt Ielasi toch vooral puls en ritme als de organiserende elementen. De composities bestaan soms uit complexe en gelaagde ritmes, een andere keer houdt hij het helder met een basis van phase-shifting pulsen en slechts enkele, bijna herkenbare fragmenten. En soms worden de geloopte fragmenten zelfs tot een vrolijk stemmende collage, zoals bij de afsluitende titelloze track. ‘Stunt’ verschijnt in een gelimiteerde oplage van 500 vinyl ep’s op Ielasi’s eigen Schoolmap Records. (www.schoolmap-records.com)(rm)
   
Jape
Ritual
(COOPERATIVE MUSIC/V2)
Ierland kan muzikaal met allerlei dingen worden geassocieerd. Muziek stroomt door de aderen van de bewoners van het groene eiland. Ook Richie Egan zocht een uitweg voor zijn muzikale ideeën. Eerst in het aan Shellac schatplichtige The Redneck Manifesto en sinds enige tijd ook als solo-artiest onder de naam Jape. Onder dat alter ego maakt hij elektropop die dan weer schatplichtig is aan het Duitse Morr-label. Een label dat het de laatste jaren moeilijk heeft om geloofwaardig te blijven. De vernieuwing is ver te zoeken. Een lot dat ook dit plaatje beschoren is. We horen tien clichématige nummers. In de bio wordt gesproken over de Ierse Beck. Een verwijzing waar wij onze bedenkingen bij hebben. We horen foute vocoderstemmetjes, het geluid van oude synths dat overal overheen dartelt en iets te brave singer-songwriterliedjes. Hij mag dan wel met ‘Floating’ een van de vaste covers van The Raconteurs (Ja, die groep van Jack White) hebben geschreven, echt warm worden wij niet van deze plaat. (www.myspace.com/richiejape)(mt)
   
Stephane Leonard
Lykkelig Dyr
(HEILSKABAAL RECORDS/NAIVSUPER)
Een doolhof van akoestiek, een reis door geluidskamers, een elektro-akoestische speeltuin, of een taal die het gehoor uitdaagt. Aan conceptuele verklaringen geen gebrek op deze lp vol geluidsonderzoek. Helaas is de lectuur beter te verteren dan de bijhorende, ongetwijfeld weldoordachte, composities. Leonard verzamelt veldopnames en bewerkt ze computerkundig tot microfragmenten, die vervolgens opnieuw aan elkaar worden geplakt tot knisperende klankcollages. We hebben al een kast vol gelijkaardige experimenten, en ‘Lykkelig Dyr’ is de zoveelste druppel in een ruisende zee. Alle lof voor de arbeidsintensieve vlijt, maar we worden hier niet warm of koud van. Het idee van een enorme zwerm sprinkhanen die neerstrijkt in een overvolle winkelstraat spreekt ons nochtans aan. Tenminste het echte spul, niet de computersimulatie. (www.heilskabaal.net)(pv)
   
Lonely Drifter Karen
Grass Is Singing
(CRAMMED DISCS)
Lonely Drifter Karen, de groep rond Tanja Frinta, Marc Melia Sobrevias en Girgio Fausto Menossi, cabaret noemen, is nog geeneens zo overdreven. Al van bij ‘The World Is Crazy’ wordt er een sfeer opgeroepen die doet denken aan de idyllische jaren 1950, toen de Tweede Wereldoorlog gedaan was, en de Koude nog niet helemaal was begonnen. De spiegelpaleizen zaten toen vol. Denk ook aan de sfeer die een film als 'Amelie Poulain' uitstraalt. Dat cabarateske sfeertje trekken we niet bij elk nummer (‘The Angels Sigh’ is net iets te veel van het goede), maar over het algemeen is het net de theatrale aanpak die Lonely Drifter Karen onderscheidt van andere bands. Denk aan de lieflijke variant van The Dresden Dolls, Tori Amos en An Pierlé. (www.myspace.com/lonelydrifterkaren)(tow)
   
Miss Autopsy
The Hill
(LENS RECORDS)
Steve Beyerink lijkt ons een getormenteerde ziel. Dat leiden we toch af uit ‘The Hill’, het intussen derde album van zijn band Miss Autopsy. Maar wij zijn wel fan van mensen met een hoekje af, en na een eerste luisterbeurt komt dit album dan ook als een mokerslag aan. Openingssong ‘the Doctor’ opent koel, en lijkt meer op spoken word, begeleid door een heel minimaal pianospel. Vorig jaar bracht BARR ook zo’n album uit, nog steeds één van onze favorieten van 2007, en ook dit nummer zou daar perfect op thuishoren. De nummers lijken gemaakt te zijn in een periode van eenzame opsluiting en doen licht claustrofobisch aan. Andere invloeden die we menen te horen zijn Daniel Johnston in zijn meest psychotische periode (het album ‘1990’), een uitgeklede Sonic Youth (‘Telephone Song’) en de eerder genoemde Barr. Ook tekstueel legt Beyerink al zijn angsten en verlangen neer. Soms doen die wat pathetisch aan, maar de weltschmerztiener in ons vindt dit toch nog steeds geweldig. Een van de betere ontdekkingen van dit jaar. (www.miss-autopsy.com)(tow)
   
Monochrome
Cache
(STICKMAN/KONKURRENT)
Het Duitse Monochrome ontstond uit het hardcoregezelschap Dawnbreed. Toen daar zangeressen en een saxofonist aan werden toegevoegd onstond een ander geluid en een andere groep. Monochrome dus. Een groep die drijft een op indiegeluid dat vol ritmewisselingen zit. Van strakke up-tempodrums naar een jazzy laidback geluid. Een snuifje jazzrock als Karate gemixt met het strakkere geluid van Don Caballero, met daarbovenop verleidelijke vrouwenstemmen. De opener ‘Von Fall Zu Fall’ klinkt nog lekker strak, maar dan zakt het stilaan weg. Halverwege komt er nog een korte opflakkering met ‘Die Dinge Wie Sie Sind’. Een nummer met een leuke break in het midden. Maar dan is het definitief voorbij. De eenvormigheid slaat wat toe. (www.monochromepopgroup.com)(mt)
   
Motek
Port Sunshine
(NOISESOME/EMI)
Laat ons – voor de lol – eens beginnen met een quizvraag. Wat krijg je als je zanglijnen toevoegt aan het meer epische type postrock? We komen erop terug. Motek is een ensemble uit Gent, met in de rangen de Chileense Belg Rodrigo Fuentealba, die in het dagelijkse leven de kost verdient als gitarist bij Gabriel Rios en Novastar. In een iets verder verleden stond hij met Fifty Foot Combo ook van jetje te geven achter een zorgvuldig geselecteerde rij van tepelkwasten voorziene danseressen. Samen met Ken De Cooman (drums) Wout Roelants (gitaar en toetsen) en Steven Biebaut (bas) is Fuentealba nu dus Motek. Ze omschrijven ze zichzelf als een audiovisiueel kwartet, maar u mag van ons ook gewoon ‘postrock’ zeggen. Het is een jammere vaststelling, maar de beste tracks van Port Sunshine kleuren vrij netjes binnen de lijntjes van het genre. Zo is de epische lap muziek ‘Another Seamans Song’, met die mooie jadadidada’s van de Afro-Belgische zusjes Gijsels (Zita Swoon, Radio Candip) een meer dan behoorlijk nummer. Ook het van wilde symfonische strijkers (al komen ze dan uit een doosje) voorziene ‘Immer Blei’ is goed gerief. Wanneer de mannen echter zélf aan het zingen slaan, loopt het wat ons betreft mis. Dan klinkt Motek plots als U2 zonder de songs en met bovendien een slechte zanger die op het punt staat kapot te gaan aan zelfmedelijden. Hier zat met andere woorden een goede ep in, maar de lp die er is uitgekomen, zullen wij niet al te vaak meer opleggen. Veel meer dan een muilkorf en wat kritische zin heeft Motek nochtans niet nodig.(sb)
   
The Owl Service
A Garland Of Song
(SOUTHERN/KONKURRENT)
Steven Collins is een grote fan van de psychedelische folk uit de jaren 1960 en vroege jaren 1970, en hij steekt die liefde niet weg. ‘A Garland Of Song’ is één grote ode aan dit tijdperk, al zorgt hij er wel voor dat het niet gewoon een blauwdruk is van bands als Fairport Convention. Toch blijven archetypische folkdeuntjes als ‘Child Ballad no. 49 (The Rolling of The Stones)’ in onze oren nog altijd het beste scoren. Al vaak iets soortgelijk gehoord, maar hier blijven we kippenvel van krijgen. Wie op zoek is naar nieuwe psychedelische folk zoals die een aantal decennia geleden werd gemaakt, vindt bij The Owl Service geheid wat hij zoekt. Topalbum. (www.myspace.com/theowlservice)(tow)
   
Pedro
You, Me & Everyone
(MUSH/KONKURRENT)
Pedro, oftewel Justin Rutledge, maakte volgens verschillende bronnen op het internet vroeger folktronica, maar op zijn nieuwe ‘You, Me And Everyone’ is dat zeker niet het geval . Je zou eerder kunnen spreken van jazztronica. Er wordt vanalles gesamplet, aan elkaar gekleefd, door elkaar gehaspelt, geloopt, enzovoort. Dat levert bijwijlen stomende tracks op als ‘I Am Keeping Up’, maar soms klinkt het ons net iets te rommelig om te blijven boeien. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het min of meer gelijkaardige Ratatat vult Rutledge zijn muziek wel net te veel, en wordt het moeilijk om in de warboel van geluidjes enige coherentie te vinden. Voor mensen die de nodige klankenchaos op tijd en stond wel weten te waarderen. (www.pedromusic.net)(tow)
   

Pollyanna
On Concrete
June Madrona
The Winged Life
Jordan o'Jordan
Not Style Nor Season Nor Hard-Handed Lesson
(WATERHOUSE/COD&S)
Waterhouse records levert ineens drie albums bij ons af. Laten we het rijtje afgaan van slecht naar goed. PollyAnna is de zoveelste dertien in een dozijn-zangeres. Mensen die Laura Veirs geweldig vinden, kunnen dit ook eens proberen. Wij vinden ‘On Concrete’ echter net iets te doorsnee om ons lang genoeg te kunnen bekoren. Nee, June Madrona scoort dan net iets beter. Nog steeds niet bijster opvallend, maar de band rond Ross Cowman doet in onze ogen net iets beter hun best. We horen een heel amalgaam aan snaarinstrumenten, gaande van banjo tot cello, en nummers die aansluiten bij bands als Vetiver en Sufjan Stevens. Maar ze halen nergens dat niveau. De beste release van dit drietal is weggelegd voor Jordan O’Jordan. Zelf zegt hij “I would describe myself as a banjo-playing neo-vaudevillian. That’s not a very populated genre.” Vaudeville folk dus. Wie zich daar niets bij kan voorstellen, denkt misschien aan dingen uit de antifolk-beweging, opgesmukt met een wat cabareteske aanpak. Jordan begeleidt zichzelf vooral op banjo en lardeert zijn teksten met een gezond gevoel voor humor. Soms wordt het ons net iets te witzig, zoals in ‘Blame Fashion’, al kan dat ook aan de commentaren van de achtergrondzangeres liggen. Maar voor de rest is dit één van de betere folkalbums van dit jaar. Met nummers als ‘Don’t Make Me Out As The Asshole’ en ‘High-handed Lesson’ laat Jordan O’Jordan zien dat hij heel wat in zijn mars heeft. (waterhouserecords.free.fr)(tow)
   

Quitzow
Art College
Setting Sun
Children Of The Wild
(YOUNGLOVERECORDS)
Erica Quitzow en Gary Levitt zijn meer verstrengeld met elkaar dan je zou denken. Vroeger hadden ze een gezamelijke muzikale uitlaatklep, Heavy Pebble. Sindsdien zijn ze elk met eigen muzikale projecten gestart. Samen richtten ze een label op waarop hun platen zullen verschijnen. En nu verschijnen er dus deze twee albums. Het lijkt ons duidelijk wie achter welke groep zit. Hoewel het individuele projecten zijn, spelen ze lustig mee op elkaars platen. Voor optredens wisselen ze ook groepsleden uit. Ondanks de vele overeenkomsten klinkt de muziek toch behoorlijk verschillend. Na het titelloze debuut pakt Quitzow op dit tweede album opnieuw uit met een mix van elektro en pop. Multi-instrumentaliste Erica Quitzow bespeelt veel van de gebruikte instrumenten (rhodes, moog, viool, cello, gitaar, percussie, …) zelf. Boven de soms onrustige muziek zingt ze dan zelf ook nog. De titel van de plaat dekt de lading perfect. Het klinkt allemaal zeer kunstig, maar heel soms iets te vrijblijvend. Een euvel waaraan ook Setting Sun ook wel lijdt. De band rond Gary Levitt brengt meer traditionele popliedjes met invloeden uit americana, folk en met een licht psychedelische toets. Hoewel het dus soms te vrijblijvend is, zijn dit toch ook wel lekkere popsnoepjes. En soms is dat we nodig hebben. Maar niet altijd. (www.youngloverecords.com)(mt)
   
Roshi feat. Pars Radio
And Stars
(GEO RECORDS)
Roshi Nahesi is van Iraanse afkomst, maar wel geboren in Wales. Toch wil ze haar oorsprong niet verloochenen, en dus brengt ze op haar mini-album 2 Iraanse liedjes ten gehore. Die doen wat denken aan een Iraanse Vashti Bunyan, met de typische Arabische invloeden. Het gaat om 2 originele songs die ze tijdens haar jeugd via haar ouders leerde kennen. De andere twee nummers schreef ze zelf. Etherische nummers begeleid door een piano. In haar pianospel wordt ze bijgestaan door Graham Downdall waarmee ze ook de band Pars Radio vormt. Downdall is vooral een geluidsartiest en zorgt hier en daar voor spaarzame geluidjes, maar de samenwerking komt vooral naar voren in het Björk-achtige ‘She Paces’. (www.myspace.com/roshisongs)(tow)
   
Semifinalists
2
(V2/COOPERATIVE MUSIC)
Een halve finaleplaats op een groot sporttoernooi is mooi. Maar wie weet dat achteraf nog? Enkel de winnaar wordt onthouden. En dit zal ook het geval zijn met deze groep. Nu, wat wil je als je zangeres Adriana Alba na de opnames van de plaat de grote plas oversteekt omdat ze daar betere dingen te doen heeft. Misschien voelde ze aan dat dit nergens naar toe ging. De mix van new wave pop, disco en shoegaze verliest vaak elke richting. Een bio vol grote woorden kan deze plaat niet redden van de ondergang. Onze irritatiedrempel zorgt ervoor dat we deze plaat snel op de stapel te klasseren albums gooien. Stof vergaren in onze platenkast. Dat is de toekomst voor deze plaat. Hey, dan is er toch nog een toekomst. (www.semifinalists.co.uk)(mt)
   
Six. By Seven
Any Colour As Long As It's Black / All The Way From Forest Fields And Back
(SATURDAY NIGHT SUNDAY MORNING RECORDS)
Wie, om een manische bui te onderdrukken, nog eens een hoop tergend waardeloze songs in huis wil halen, kunnen we deze van Six By Seven warm aanbevelen. Werkelijk beschamend, wat sommige groepen dezer dagen nog durven uitbrengen met zeventien euro als richtprijs. Ter objectieve informatie: Six By Seven is een Britrockgroep uit Nottingham, en deze uitgave bundelt, zoals dat gaat, ‘het beste’ wat de groep in tien jaar tijd bij elkaar geflanst heeft. Kwestie van het nog erger te maken, zijn we er na dat ‘beste’ nog niet vanaf: de kwelling gaat gewoon door met vijf al even waardeloze remixen van vijf van hun doordeweekse songs, en wie daarna snakt naar nog wat extra zelfpijniging, kan ook nog eens een middelmatige dvd opzetten. Wie weet hebben we uw nieuwsgierigheid nu gewekt, maar dat is geenszins de bedoeling. We willen gerust verklappen hoe zo’n gemiddeld middelmatig nummer opgebouwd is: men stele een melodie, men kleve er een middels een vervelend-nasale stem vals gezongen zanglijn aan toe, men late er een derderangsstudiodrummer in vier-vier op drummen, men mixe alle instrumenten naar de achtergrond en overgiete alles met een vieze laag synthesizers uit de koopjesbakken van de discount. Wie Oasis al slecht vond moet dit eens uitproberen. Not! (www.sixbyseven.co.uk)(dvv)
   
Sofia
Search & Destroy
(SOUNDPOLLUTION/SUBURBAN)
Sofia is het duo Sofia Allard, een dame die de Tibetaanse taal en oosterse geschiedenis studeerde en om te overleven DJ-sets deed en als model fungeerde, en Carl-Michael Herlöfsson, een gerenommeerd Zweeds producer die werkte met onder meer Rammstein, Weeping Willows, en Times Social Club. Het duo ontmoette elkaar ergens in 1999 en na enkele plaatselijke muzikale uitstapjes van Sofia komt het duo nu aangepiept met een plaat vol goed gekozen covers. Het stemmetje en de elektronische omkadering door Carl-Michael zullen onmiddellijk vergelijkingen oproepen met Nouvelle Vague, en dan vooral door het ijle vrouwenstemmetje. Maar Sofia is zeker geen kopie. Waar Nouvelle Vague het vooral houdt bij klassiekers uit de newwave, draait Sofia er zijn hand niet voor om om enkele hardrock- en punkklassiekers volledig naar hun hand te zetten. Want net dat vormt de grote charme van deze plaat: een resem goed uitgekozen covers die zo volledig naar de eigen muzikale hand worden gezet dat het bij momenten niet zo evident is om het origineel te achterhalen en we meermaals denken dat de tracks die we horen helemaal van de hand van de band zelf zijn. En dat is toch een prestatie als we bijvoorbeeld ‘Dazed And Confused’ van Led Zeppelin horen passeren, of ‘The Boys Are Back In Town’ van Thin Lizzy. Ook de zeemzoete versie van de Sex Pistols-kraker ‘Pretty Vacant’ vinden we schitterend, net als de eigenzinnige versies van ‘London Calling’ (The Clash), ‘Mongoloid’ (Devo), ‘Search & Destroy’ (Stooges) en ‘Chinese Rocks’ (Ramones). Zwakke momenten horen we niet, al zullen de meningen over deze plaat behoorlijk verdeeld zijn. Wij vinden het echter een zeer geslaagd zomers plaatje en een mooie aanvulling naast het werk van Nouvelle Vague. (www.searchanddestroy.se)(pb)
   
Spires That In The Sunset Rise
Curse The Traced Bird
(SECRET EYE)
Er vinden heden ten dage nog steeds heksensabbats plaats. Daar zijn we zeker van na het luisteren van ‘Curse The Traced Bird’. Spires That In The Sunset Rise zijn drie vrouwen die occulte folk spelen, en voor dit album er al 3 op hun conto hadden staan. Angstaanjagende folk, die soms herinneringen oproept aan de jaren 60 cultfolkgroep Comus. Alleen is dit nog net iets minder beklijvend. Maar wat wij ons dan afvragen: zouden ze ook naakt rond een heksenkring dansen? (www.myspace.com/spiresthatinthesunsetrise)(tow)
   
Tingvall Trio
Norr
(SKIPP RECORDS/CHALLENGE DISTRIBUTION)
Reeds bij de eerste tonen van ‘Norr’, de tweede langspeler van het Scandinavische drietal Tingvall Trio, hoor je de gecombineerde invloeden van de twee hedendaagse grootmeesters uit Zweden bij uitstek: Bobo Stenson enerzijds en natuurlijk ook de betreurde Esbjörn Svensson anderzijds. De verklaring ligt voor de hand, want Martin Tingvalls leermeester op piano was niemand minder dan Stenson zelf; Svensson heeft met zijn succesvolle trio E.S.T. daarenboven zo’n commercieel succesvolle jazzniche geschapen waar het voor een beginnend groepje moeilijk aan ontkomen is. De lichtvoetige, en vooral door pop- en rockmuziek beïnvloede korte deuntjes op ‘Norr’ strelen het oor en klinken op zich verre van slecht. Meer valt er helaas ook niet over te vertellen: het Tingvall Trio blijft bij technische finesse in een genre dat in het verleden voldoende verkend werd. Hoe goed het drietal ook speelt, dé hamvraag blijft natuurlijk of er werkelijk iemand zit te wachten op een kloon van gevestigde namen? Hopelijk doen de heren de volgende keer iets fris met de verschillende etnische achtergrond van de leden (drummer Jürgen Spiegel komt uit Duitsland en bassist Omar Rodriguez Calvo uit Cuba), want daar lijken de kansen op een interessante muzikale confrontatie voor het grijpen te liggen. (www.skiprecords.com)(jv)
   

Fred van Hove
Journey
(PSI RECORDS)
Phil Minton
No Doughnuts In Hand
(EMANEM)
Evan Parker
Conic Sections
(PSI RECORDS)
In het wereldje van de improvisatiemuziek komt het vaak voor dat muzikanten in hun eentje hele platen maken. En dan bedoelen we niet dat ze alle instrumenten in hun eentje bespelen (dat komt ook voor), maar dat ze zichzelf zo bijzonder vinden dat ze alle stukken vullen met hun spel op slechts één instrument. Op de Engelse labels Emanem en PSI Records verschenen er nu drie heel verschillende solo-albums. De Vlaamse pianist Fred van Hove maakte de plaat ‘Journey’ (met slechts één, voor de luisteraar in tweeën gedeeld stuk), de Britse vocalist/stemkunstenaar Phil Minton zette 37 ‘vocal improvisations’ achter elkaar op ‘No Doughnuts In Hand’ (het derde van een serie: eerder verschenen ‘A Doughnut In Both Hands’ en ‘A Doughnut In One Hand’) en zijn landgenoot Evan Parker laat zich in vijf stukken kennen als sopraansaxofonist op ‘Conic Sections’. Hebben deze muzikanten zóveel te vertellen dat zij de aandacht van de luisteraar een hele plaatlengte vasthouden? Van Hove beperkt zich tot 52 minuten en daarin lukt hem dat aardig. Minton haalt de 52 minuten net niet en weet die tijd ook de aandacht van de luisteraar vast te houden met vooral bizarre vocale experimenten. Zoals te verwachten, heeft Parker meer tijd nodig, nee, hij kan meer tijd gebruiken. Hij haalt de 70 minuten en weet daarin zelfs zijn vele fans te verrassen met ongedachte staaltjes van technisch vernuft en creatief vermogen. De verschillen tussen deze drie oude meesters zijn groter dan de overeenkomsten. Van Hove (1937) gaat, zoals we dat van hem kennen, meestentijds wild tekeer met breed uitwaaierende partijen, waarbij hij zichzelf en zijn luisteraars nauwelijks enige rust gunt. En zelfs als hij het eventjes kalmer aandoet, tart hij zijn luisteraars door bijvoorbeeld met de spanning van de snaren te spelen. Minton (1940) zoekt de gekte van het vocale. Stel je iets raars voor en hij doet het en voert het tot in het extreme uit. En Parker (1944) zoekt met zijn fabelachtige beheersing van de circulaire ademhaling (waardoor hij nooit hoorbaar hoeft adem te halen) de scherpste kanten op van het saxofoonspel. En dat gaat heel ver. Iemand die vertrouwd is met doorsnee saxofoonspel, zal in eerste instantie niet kunnen vatten wat Parker allemaal uithaalt. Maar heb je dat eenmaal door, dan opent zich een wonderlijke wereld van bouwsels waarin klanken en boventonen elkaar aanvullen en tegenwerken. Fascinerend.(kpo)
   
David Vandervelde
Waiting For The Sunrise
(SECRETLY CANADIAN/KONKURRENT)
David Vandervelde bracht met zijn ‘Moonstation House Band’ vorig jaar een ode aan de popmuziek uit de jaren 60, met voornamelijk Marc Bolan en T.Rex als grootste inspiratiebron. Het hoesje van zijn nieuwste ‘Waiting For The Sunrise’ verraadt al dat hij niet op dit elan verder gaat. Nee, Vandervelde springt een decennium vooruit en doet, zoals al zo velen dit jaar, de jaren 70 dunnetjes over. Onder andere Vetiver deed een maand of 2 geleden hetzelfde met zijn 'Things of The Past'. Dat betekent ook dat Vandervelde iets vlakker zingt en dat de nummers iets rijker georchestreerd zijn. Jammer op eerste gehoor, want hij in ruil voo