EXTRA RECENSIES GONZO #80
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo #80

Alabama Thunderpussy
Open Fire

Dying Fetus
War Of Attrition
(RELAPSE/SUBURBAN)
Uit Richmond, Virginia komen ze, de rockers van Alabama Thunderpussy. Sinds het ontstaan van de band is het een gaan en komen van zowel bassisten als zangers en ook bij hun nieuwe album is het weer van dat. Waar op voorganger ‘Fulton Hill’ nog behoorlijk wat southern rock invloeden waren te horen, zijn die na de komst van zanger Kyle Thomas, die eerder zijn sporen verdiende bij Exhorder en Floodgate, helemaal verdwenen. In de plaats komt behoorlijk traditionele heavy metal, met whisky doordrenkte Thin Lizzy-hardrock en Judas Priest-uithalen. Grote namen om tegen op te boksen natuurlijk. De match is dan ook verloren alvorens de plaat begint. Wat een bagger. Hoe we er zijn in geslaagd om deze plaat uit te luisteren, we zijn er nog niet goed van. Mensen die wel iets zien in Wolfmother kunnen nu naar de winkel. Geef ons maar het nieuwe, langverwachte werkje van death metal-boegbeelden Dying Fetus. Sinds het debuut ‘Infatuation With Malevolence’ uit 1996 bouwt de band rond zanger/gitarist John Gallagher gestaag aan zijn doodsweg die hen inmiddels ter hoogte van instituten Cannibal Corpse, Suffocation en Nile heeft gebracht. Steil achterover vallen we van de stevige mokers die Dying Fetus uitdeelt allang niet meer. Daarvoor verandert het geluid te weinig. Degelijk blijft het wel natuurlijk, alle acht tracks steken ver boven de middelmaat van het genre uit maar missen een tikje originaliteit en vernieuwing om echt te blijven boeien. ‘War Of Attrition’ is gewoon een ijzersterk death metal album zoals er nog wel enkele zijn. (www.relapse.com)(pb)

   
Anti-Delusion Mechanism
Eugenix
(HOLISPOLIS)
De creatie van een lichamelijke en geestelijke Übermensch die genetisch gemanipuleerde voeding vreet, ziedaar het nieuwe concept van het kunstcollectief Anti-Delusion Mechanism. Dead Fish Fuck zorgt voor een achtergrond van elektronische geluidsexperimenten en vervormde stemmen, en Vilborg Skrot levert de genetisch gemanipuleerde vocalen. De stemmenkust heeft raakpunten met de typische stijl van de klassieke boze vrouw (denk Diamanda Galas of Lydia Lunch), maar komt qua timbre dichter in de buurt van Nina Hagen of een heks uit een oude Disneyfilm. De sfeeropbouw (droom wordt nachtmerrie) is gemarineerd in een massa stemeffecten, en roept herinneringen op aan ‘In Menstrual Night’ van Current 93. Ook het artwork (een geplooide A3 poster) is een gemuteerde collage van muizen met babyhoofdjes en kruisingen tussen bodybuilders en insecten. Kortom, voldoende overtuigend beeldmateriaal om onze kleine lichamelijke gebreken weer een tijdje te relativeren. (www.antidelusionmechanism.org)(pv)

   
Bexar Bexar
Tropism
(OWN RECORDS/KONKURRENT)
Op 'Tropism' werkt het illustere Bexar Bexar in de richting van Ry Cooder ten tijde van 'Paris, Texas'. Het verschil tussen Cooder en Bexar Bexar is de eventuele film die op de achtergrond te zien is. Of waar de muziek voor gebruikt wordt. Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Zie je bij Cooder één van Wim Wenders’ meesterstukken; bij Bexar Bexar zou je eerder aan een film over Cubaanse vissers denken of aan een verfilming van ‘The Life Of Pi’. Rustgevend wordt er op de akoestische gitaar getokkeld, maar de vele soundscapes om het gitaargeluid heen, geven deze tweede volwaardige plaat van de geluidskunstenaar uit Austin tot een beklemmend geheel. Vol dramatiek, verbeeldingskracht en emotie; iets wat behoorlijk prijzenswaardig is. (www.westernvinyl.com/bexar.htm)(nh)

   
Glyn Bailey
Songs From The Old Illawalla
(GLYNB MUSIC)
Dit is er eentje waar we niet goed van weten wat er mee moeten aanvangen. Bevalt dit plaatje ons eigenlijk wel? Kunnen we er iets mee? Hebben we behoefte aan een kruising van David Bowie, ten tijde van ‘Diamond Dogs’, en Divine Comedy? De betere liedjes van Ray Davies en The Kinks schieten ons ook nog door het hoofd, maar of we die goed vinden? In elk geval, dit is de opvolger voor ’s mans debuut ‘Toys From Balsa’ uit 2005. Hij speelde voor zijn solocarrière in de lokale scène van Lancashire in een aantal onbetekenende bandjes waardoor hij al snel verkoos het in zijn eentje te proberen. Op een aantal tracks wordt hij wel muzikaal bijgestaan, maar in essentie componeert, arrangeert en musiceert Glyn Bailey in zijn uppie. Echte liedjes, verhaaltjes over het dagdagelijkse leven, over de dingen die de man ontroeren of storen, gestoken in een singersongwriterjasje. Of zaken die hem intrigeren. Kannibalisme bijvoorbeeld, of John Lennon en Yoko Ono die in hun bed liggen. Hier en daar voegt hij een countryriedeltje of een catchy popmelodie toe, met als resultaat een album vol kunstzinnig aandoende popfolk. Uitschieters staan er niet echt op. Het schijfje draait gezapig zijn rondjes, de liedjes gaan er vlot in en we zoeken in onze vinylcollectie naar die Bowie-platen en proberen ons te herinneren hoe T-Rex ook alweer klonk, want zou dat niet ook een referentie kunnen zijn? Na een paar keer luisteren weten we nog steeds niet of we dit een goed, mooi of ergerlijk plaatje vinden. We proberen het binnen een paar maanden nog wel eens, wie weet wordt het wel onze zomerplaat. (www.glynbailey.com)(pb)

   
Balkan Beat Box
Nu Med
(CRAMMED/COAST TO COAST)
Ze worden overal geroemd: Balkan Beat Box, pioniers van de zogenaamde Gipsy Rock. Samen met onder andere Gogol Bordello maken ze deel uit van een beweging die tegenwoordig veel zalen in Nederland op stelten zet. Balkan Beat Box is erg leuk als je van een lekkere live band houdt. Want muzikaal gaat hun verhaal namelijk nergens over. Ook het gros van de tracks van dit tweede album zijn in nuchtere staat bij vlagen pakkend, interessant qua samenspel of consistent in een of andere stijlvorm. Er zitten een heleboel leuke muzikale ideetjes en ingrediënten in deze muziek: sampletjes, elektronische beats, surfrockgitaar, Marokkaanse ritmes en zang, raps met een Duits accent, Bulgaarse vocalen en daarnaast een volledige bandbezetting. Bij elkaar gehusseld klinkt bijna elke track na één minuut zo obligaat als de pest. Twee tracks van dit album, nummer drie en elf, staan muzikaal als een huis. Ik wist echter niet hoe snel ik door de andere tracks heen moest zappen. Geef mij maar echte collagemuziek. Op 31 Mei speelt Balkan Beat Box in de Melkweg. (www.balkanbeatbox.com)(ht)

   
Bjørn Berge
I Am The Antipop
(SKYCAP/ROUGH TRADE)
De gespierde en vol getatoeëerde Noor Bjørn Berge heeft een nieuwe plaat uit, zijn achtste alweer, waarop we ook nu, net zoals op het podium, de combinatie gitaar/ruwe stem/ritme te horen krijgen. Of gedetailleerder gesteld: een akoestische 12string gitaar, een stampende voet en een bariton om u tegen te zeggen. Op het podium brengt Berge geregeld niet voor de hand liggende covers, liedjes die hij transponeert naar zijn eigen, door fjorden omringde, bluesuniversum. Veel van die nummers haalden tot nu toe het plastiek niet, maar Berge besloot daar iets aan te doen en vult meteen een volledige cd met covers. Hij zette de nummers zo erg naar zijn hand, dat het toch wel enkele tracks duurde alvorens we door hadden dat we hier met covers van doen hebben. Het is een prestatie op zich, al moet gezegd dat we zelf niet alle originele nummers tot ons erfgoed kunnen rekenen. En Berge brengt de liedjes met verve én humor. ‘Suck My Kiss’ van Red Hot Chilli Peppers bijvoorbeeld is tegelijk heftig, grappig en bluesy. En er staan er nog zo op, want Berge kiest vooral rockklassiekers om door de mangel te halen. Openen doet hij met de bommenregen van Rage Against The Machine (‘Testify’), en verder moeten Led Zeppelin, Bonnie Raitt, John Campbell, Audioslave, Morphine en Primus eraan geloven. Sommige makkelijk te herkennen, andere dusdanig naar zijn hand gezet dat het goed is dat we worden meegedeeld dat het om een cover gaat of we zouden het nooit hebben geweten. Doorgebroken in 2002 met de briljante schijf “Illustrated Man’ en zijn status bevestigend met ‘St. Slide’ uit 2004 zal Berge met dit coverschijfje ongetwijfeld nog meer zieltjes weten te winnen. Benieuwd welke tatoeage hij voor deze plaat heeft laten zetten. (www.bjorn-berge.com)(pb)

Bromheads Jacket
Dits From The Commuter Belt
(MARQUIS CHA CHA)
Punkrock uit Sheffield, jawel, en nog goeie ook. Het trio met als boegbeeld wildeman Tim Hampton, die meermaals zijn gitaar aan gort slaat en met bebloed voorhoofd van het podium stapt na alweer een wild rock’n’rollfestijn, probeert ons een geweten te schoppen. Rake observaties, een vet accent, korte nummers en bijna vertelde monologen maken van Bromheads Jacket een heftige versie van Mike Skinner’s The Streets. Geen dronken gebral maar een wilde rockshow is wat deze band op een podium neerzet. Op plastiek werkt het geheel iets minder, omdat niet alle nummers even sterk in elkaar zitten. De dertien nummers hebben wel iets, maar er ontbreekt altijd wel iets, al is het niet eenvoudig om die zwakke plek in woorden om te zetten. De sociorealistische teksten krijgen een heftige bas en razende drums over zich heen, heftige gitaarerupties larderen het geheel tot een noisy modderfeest, maar nergens komt de band ook maar aan de enkels van de door hen zelf verafgode bands Jesus Lizard en The Melvins. Om eenvormigheid te voorkomen gooit het trio na elk kwartet doordenderde punkrock een traag nummer in de mix, tijd om even bij te komen alvorens het gaspedaal weer wordt ingetrapt. Maar net deze balladekes zijn de zwakste nummers van de plaat. In hun beste doen horen we de singles ‘What Ifs + Maybes’ en ‘Woolley Bridge’. Zelf verkiezen we de track ‘He Likes Them Airbrushed’, over de ergernissen over een nieuw lief dat blijkt te snurken en winden a volonté laat in haar slaap. Hilarisch. Het debuut van Bromheads Jacket is kortom een halfslachtige poging van een band met voldoende potentieel om ons de volgende keer helemaal te overtuigen. (www.bromheadsjacket.com - www.marquischacha.co.uk)(pb)

   
De Bronstgieters
Doos Where The Days
(ESC.REC.)
Omdat de rammelpop van de Bronstgieters (Kampen 1987-1993) weg van teruggeweest is, permitteert Esc.Rec. zich een stilistisch zijstapje van elektronische experimenten naar oerhollandse lowbudget theaterpunk. De heren kunnen niet spelen en daar zijn ze fier op. Toch valt (eerder toevallig) alles mooi samen tot ondergrondse Nederpop met punkinvloeden en onzinnige vocalen. Van pure repetitiehokflauwigheden (een ode aan de geluidsman) tot sarcasme (oma, ik gooide je echt niet expres de trap af). Zoals altijd bij humoristische muziek verkiezen we kleine dosissen geluid (tegenover grote hoeveelheden drank) en lange rustpauzes tussen de draaibeurten. In elk geval vormt dit bronstige geluid een bijzonder kleurtje in het Nederlandse muziekpallet. Uniek genoeg voor Esc.Rec. om voor deze retrospectieve (live opnames en cassettetracks) te investeren in de vreemde combinatie van een eenvoudige cdr in luxueus artwork (een elpeehoes met tal van lollige bijlagen). (www.escrec.com)(pv)

   
Deerhunter
Cryptograms
(KRANKY/BANG!)
Deerhunter komt met het bonte Cryptograms op de proppen. Het is hun tweede, maar deze plaat is hun debuut op Kranky. Bont is het in de zin van veelzijdig aan verschillende stijlen. Hier en daar vliegen de doomende klanken van de jaren ’80 voorbij, maar verderop komen de geluiden die je van het label gewend bent. Uitgesponnen en langgerekte passages en die vullen ze aan met uitschieters naar de Ambient, Postrock en Psychedelica. Live klinken de vrienden van the Yeah Yeah Yeah’s, Mouse on Mars en Liars boeiender en nog meer geïnspireerd dan op Cryptograms; een plaat die bij vlagen behoorlijk veel van de luisteraar eist. En een plaat die door midden kan worden geknipt. De eerste helft is, net zoals de tweede helft in één dag opgenomen, maar met een lange pauze er tussen. De band heeft tijdens die pauze een verandering ondergaan en werkt meer richting de psychedelica. Maar deze gedaanteverwisseling werkt niet in het voordeel van de band. Sterker nog, het haalt de kracht uit de plaat.(nh)

   

Kris Dane
Songs of crime and passion
(BANG!/BANGDISTRIBUTION)
Roy Santiago
[Broca]
(BADMINTONE RECORDS)
Viking Moses
Crosses
(BROKEN PORCH MUSIC / POP TONES/PIAS)
Kris Dane is een veel geziene gast in de wereld van de Belgische popmuziek. Bijvoorbeeld als voorman of muzikant in 801 kd Concept, Ghinzu of in een vroege versie van dEUS. Maar Dane was daarnaast ook veelvuldig, zij het ietsje dieper onder het oppervlak, actief, bijvoorbeeld bij Ictus. Nu is zijn soloplaat 'Songs of Crime and Passion' uitgekomen en laat weer een ander licht schijnen op Dane. Een vrij ingetogen licht. Want als singer/songwriter is bezig met een trilogie, gebaseerd op identiteit, geïnspireerd op poezie en volgens de regels van de Bijbel. Het levert negen triest getinte nummers op, waar je wel voor moet gaan zitten. Beklemmender is de nieuwe plaat van de Amsterdamse Singer/Songwriter Roy Santiago, die de titel '[Broca]' heeft meegekregen en is uitgekomen op het Utrechtse Badmintone Records. Santiago grijpt, met rustig gitaarspel, dito drums, echo’s en zang, terug op de hoogtijdagen van de slowcore, maar weet net niet datgene te bewerkstelligen wat Lullaby for the Workingclass of Idaho wel konden. Toch heeft het door een goede productie wel de intensiteit die deze klanken moeten bevatten. Lichtvoetiger is de nieuwe van Viking Moses, die op zijn 'Crosses' opnieuw een serieuze variant van het werk van antifolkheld Jeffrey Lewis laat horen. Ook doet het denken aan het vroege solowerk van Adam Green. De teksten komen niet verder dan het niveau van de rijmelaarij, maar gaan over allerhande dingen waarover een flanourist denkt en schrijft. Interessante plaat, dat wel, maar je gaat je wel afvragen wanneer Viking Moses het idee krijgt dat het ook een keer genoeg is geweest. (www.krisdane.com, www.myspace.com/roysantiago, www.vikingmoses.tk)(nh)

   

Dolly Rocker Movement
A Purple Journey Into The Mod Machine
The Pink Fits
Fuzzyard Greybox
(OFF THE HIP/CLEAR SPOT)
Amper een half jaar na het debuut ‘Electric Sunshine’ komt Dolly Rocker Movement (Sydney, Austalië )aanzetten met de opvolger. Op de eerste helft van de plaat horen we het trio aan het werk. Op het beste nummer ‘Yell It Like It Is’ horen we gastzangeres Penelope Jane het nummer naar ongekende hoogtes kwelen, Beasts Of Bourbon waardig. Op de spacey opener na horen we op kant A vooral aan The Kinks schatplichtige psychpop met een snuifje garage en folk. Niet bijzonder, maar ook niet slecht, op dat ene nummer na dan. Op kant B horen we alleen Dandelion, gitarist, zanger en multi-instrumentalist van het trio, aan het werk. Het geluid neigt nog meer naar psychedelica en ook het niveau van de liedjes is gemiddeld iets beter dan de eerste helft van de plaat. Ze bevatten ook iets meer keyboards en zijn minder mistroostig. Dandelion is duidelijk en ongetwijfeld het brein achter deze band, die op zijn zwakste momenten denkt dat we nog steeds in de jaren 1960 van de vorige eeuw leven en in zijn beste momenten aangename luisterpop weet te produceren. The Pink Fits uit Wollongong, Australië, gaan er een stuk ruiger tegenaan. Mondharmonica in het bakkes en wild fuzzende gitaren geven er meteen een stevige zuiplap op. Lenny, ook actief bij Tumbleweed, trekt stevig de van whisky doordrenkte fuzzkar en neemt zijn drie onervaren kompanen meteen mee op een reis door garageland. Gelijke hoeveelheden rhythm & blues, garagepunk en trash zorgen voor een sound zoals The Celibate Rifles die in hun begindagen hadden. Elf nummers staan er op dit schijfje, opgenomen in vier uur tijd, wat de rauwe energie en het ongepolijste geluid meteen verklaart. Halfweg de plaat wordt wat gas teruggenomen om een aan The Rolling Stones verwant ‘Whistling Disco’ neer te zetten, maar daarna worden de pedalen weer ingedrukt, al zijn het in het geval van ‘Why? (Don’t Ask) de wahwah-pedalen die worden vergezeld van een wild koortje. Voor het overige: veel overdonderende fuzz waar veel garagebandjes stikjaloers op kunnen zijn. (www.offthehip.com.au)(pb)

   
The DT’s
Filthy Habits
(GET HIP/CLEAR SPOT)
The DT’s komen uit Bellingham, Washington, de plaats waar ook het label Estrus van Dave Crider resideert en waar diezelfde Crider een aantal gedenkwaardige platen maakte met zijn band The Mono Men. We vinden hem nu terug in deze band, alwaar hij de qua stem en uitstraling aan Janis Joplin en Tina Turner (ten tijde van Ike & Tina Turner Revue) refererende ferme madam Diana Young-Blanchard bijstaat met zijn inventieve gitaarspel. De drums van Phil Carter en de bas van Scott Greene hebben vooral een ondersteunende functie om de soul in de punk te houden, waarboven Diana haar uiterst felle keelgat naar de voorgrond kan schreeuwen. Met productionele hulp van legende Jack Endino (de koebel hanterend op één nummer), die eerder al voorganger ‘Nice’N’Ruff’ op de band zette, en Johnny Sangster die verdienstelijk werk leverde met bands als The Makers, The Briefs en Mudhoney komen The DT’s op hun derde langspeler met een voldragen soulgeluid. Soul gespeeld door een hardrockband weliswaar, want deze band bestaat niet uit een stel koffiekleurige doetjes. White trash is het. Hard, vol soul en sexy tegelijk rammen ze ons een aantal tracks tussen de benen waarvan onze ballen spontaan aan het grooven slaan. Luister naar het aan de Stax-sound herinnerende ‘Sweet Words’, het instrumentale ‘Star Time’ waaraan alleen James Brown ontbreekt of de trage nummers ‘Red Eye’ en ‘Crowfinger’ en u weet hoe laat het is. Tijd voor een wild feest natuurlijk. (www.gethip.com)(pb)

   
Eats Tapes
Dos Mutantes
(TIGERBEAT6/DE KONKURRENT)
Het ziet er vrolijk én griezelig uit op de hoes van het tweede album van het uit San Francisco afkomstige duo Eats Tapes. Vrolijk vanwege de kleurtjes, eng vanwege de tekeningen van gemuteerden die met apparaten in de weer zijn. Uit de sequencers, synths, drum machines en cassettespelers komt een soort van, eh, gemuteerde techno. Vol bliepjes, die doen denken aan labelgenoten als DAT Politics en strakke tempo's die weer namen als Knifehandchop te binnen doen schieten. De geluidjes uit de Nintendo herinneren weer aan de gekte van DJ Scotch Egg. De muziek van Eats Tapes is uitermate geschikt voor de dansvloer, ze is vrolijk, huppelend, vreemd, en stuit heerlijk. Op een heel album zijn de nummers achter elkaar soms wat vermoeiend (lees: eentonig). Acid komt voorbij, IDM, een vleugje jazz en house zelfs, en dan immer zonder erbarmen gehaald door de mutatiemachines. Er is een gastoptreden van Matmos in het nummer ‘I’ve Become Cretin’’. Een leuk album, maar uitgebracht als afzonderlijke 12-inches zouden de nummers beter tot hun recht komen. (www.tigerbeat6.com)(mvh)

   
The Fucking Champs
VI
(DRAG CITY/MUNICH)
Wat inventiviteit betreft kunnen The Fucking Champs nog veel leren van bands als Isis, van Red Sparowes of van hun vrienden van Trans Am. Subtiliteit, opbouw of veel verschil in dynamiek zit er niet in de muziek van The Fucking Champs. Al jaren niet. En op ‘VI’ is het van hetzelfde laken een pak, namelijk instrumentaal rammen met de botte bijl. Metal en hardrock zoals dat in de jaren ’80 werd gemaakt, soms voordat de speedmetal was uitgevonden, soms na die vinding. Technisch is het allemaal behoorlijk verantwoord, maar dat neemt niet weg dat het wel clichématig is, inclusief de akoestische rustpunten ‘That Crystal Behind You? (Are You Channeling)’ en ‘Dolores Park’. Leuk voor veel fans, maar voor een vierde album wordt het een beetje eentonig. Het lijkt de Champs niet te boeien want en met de gedachte ‘never change a winning team’, beuken ze er weer lekker op los. Misschien moeten ze die gedachte toch eens los laten. (www.thefuckingchamps.com)(nh)

   
Conrad Ford
Don't You Miss Yourself
(TARNISHED RECORDS)
Conrad Ford is de nom de plûme van Andy McAllister. Een singer-songwriter die na een verblijf in Texas terugkeerde naar zijn hometown Seattle. Twee jaar werkloosheid was genoeg geweest voor hem. Daar richtte hij samen met Jordan Walton deze groep op. Deze Jordan Walton is in muziekmiddens een beetje een manusje-van-alles. Hij hielp in het verleden onder andere Damien Jurado bij de opnames van één van diens platen. Daarnaast is hij ook muzikant met een eigen kijk op new country. Deze intense samenwerking leidde tot deze plaat “Don’t You Miss Yourself”. Een plaat waarin ze nog zoeken naar een eigen geluid. Op dit moment klinkt alles nog vrij gewoon, gelukkig zit er hier en daar wel al een leuke vondst in. Maar echt vernieuwend kunnen we het nog niet noemen. Wel goeie plaat om naar te luisteren op de frontporch, onderuitgezakt in je zetel, uitkijkend over het glooiende Texaanse landschap. Howdieee ! (www.conradford.com)(mt)

   
John Foxx And Louis Gordon
From Trash
(METAMATIC/BERTUS)
Het hoesje liet al vermoeden dat we hier met een artiest uit de late jaren 1970, begin jaren 1980 hadden te maken en ook de eerste tonen die we horen als we dit schijfje opzetten, bevestigen dat vermoeden. En we blijken gelijk te hebben als we de bijgeleverde biografie ter hand nemen. John Foxx maakte in een ver verleden namelijk deel uit van newwave grootheden Ultravox. Hij was er de zanger tot hij in 1979 solo ging. Als soloartiest leverde hij meteen een behoorlijk succesvolle elpee af onder de titel ‘Metamatic’. Daarop stonden hitjes als ‘Underpass’, ‘The Man Who Dies Every Day’ en ‘Slow Motion’. Nu de drie eerste werkjes, waarop Foxx de zang verzorgde, van Ultravox (‘Ultravox!’, ‘Ha!Ha!Ha!’ en ‘Systems Of Romance’) pas zijn heruitgebracht, leek het Foxx een goed moment om tien jaar na zijn laatste wapenfeit ook nog eens met nieuw werk op de proppen te komen. Het is zijn vierde die hij samen met electroproducer Louis Gordon maakt, en net zoals op die andere platen blikt Foxx met veel nostalgie terug op zijn gloriedagen. Hij slaagt er echter nergens in om het niveau van zijn solodebuut te halen. De liedjes zijn wel leuk en doen wat denken aan vroege Human League, vroege Depeche Mode en een afgelikte Robert Palmer. Denk ook de eerste exploten van Gary Numan en Orchestral Manœuvres In The Dark of bedenk hoe The Scissor Sisters in 1981 zouden hebben geklonken. Gedateerd en oubollig voor de hedendaagse muziekliefhebber, leuke kitsch voor de nostalgicus, dat is ‘From Trash’ ten voeten uit.(pb)

   
Fucked Up
Hidden World
(JADE TREE/KONKURRENT)
Uit Toronto komt dit Fucked Up ons wereldbeeld bruut verstoren. Het lijkt bij momenten dat onze vrienden van Antiseen net een langverwachte nieuwe langspeler op de markt hebben gegooid. Zo brutaal klinkt deze band, zo urgent dat we dit ‘Hidden World’ nu al tot onze favorieten van dit prille jaar bestempelen en vroegtijdig zijn begonnen ons jaarlijstje te openen. Vijf man sterk is deze uiterst productieve band, die in 2006 maar liefst acht ep’s voor de zwijnen gooide. In de gelederen: een schizofreen en twee gediagnosticeerde depressieven. Niet moelijk dat deze band klinkt als de furieuze versie van The Bronx. Met pseudoniemen als Mustard Gas, Mr. Jo, Pink Eyes, 10.000 Marbles en Concentration Camp zorgen ze voor de nodige controverse, maar verder focust de band zich op zijn muziek. Een soort experimentele hardcore als het ware, met voor het genre atypisch lange nummers. Minpuntje van deze frontale aanval is misschien de lange duur van het schijfje, 72 minuten zelfs, maar vooral drummer Mr. Jo zorgt met zijn onnavolgbaar inventief spel dat de plaat toch niet gaat vervelen. De man komt telkens weer onverwacht uit de hoek en ondersteunt op een doordachte manier de felle zang van Pink Eyes. Hier en daar gooien ze er voor de frivoliteit een koortje of een partij violen tegenaan, om de saus nog wat pikanter te maken. Op ‘Hidden World’ vinden we dan ook geen puberpoppunk terug maar wel oerpunk zoals de Engelsen die eind jaren zeventig in elkaar knutselden, maar dan gespeeld zoals vroege Melvins dat deden. ‘Carried Out Of The USA’, ‘Blaze Of Glory’ en ‘Triumph Of Life’ zijn slechts drie van de dertien knallers die op deze plaat staan te pronken. Wie zijn hardcore graag eenvormig heeft, laat deze plaat gewoon liggen, maar de meer avontuurlijke liefhebber van doordacht extreem geweld haalt met dit schijfje een plaatje in huis dat in 2010 als een klassieker zal worden bestempeld.(pb)

   
The Go Find
Stars on the Wall
(MORR/KONKURRENT)
Getooid met de muzikale charme van Lali Puna en The Postal Service beweegt het Belgische The Go Find zich zonder moeite op het vlak van de indietronica. Al enkele jaren. En op hun nieuwste plaat 'Stars on the Wall' gaan ze weer naar de meest vriendelijke en licht handteerbare variant van de indietronica. Ofwel mooi, ingetogen, maar gaandeweg moeite hebbend om prikkelend te blijven. Met andere woorden, het jammergenoeg typische verhaal van deze stroming. Dat neemt niet weg dat ‘Dictionary’ een grote schoonheid bezit, net als ‘New Year’, die in alle subtiliteit, gek genoeg, doet denken aan de Fleetwood Mac. Waarbij het vooral de bedeesde sologitaar is, die in combinatie met de bas deze associatie oproept. Dat is ook wat 'Stars on the Wall' het meest boeiend maakt: het subtiele. De lijntjes van de gitaar, de sporadische stukken electronica en de schitterende toetspartijen. In ‘Ice cold ice’ komt The Go Find behoorlijk dicht bij de koplopers uit de eredivisie van Morr en dan klinkt de band op zijn best. Als ze een beetje verder van het voorbeeld The Postal Service af gaat zitten, komt het helemaal goed. (www.thegofind.com)(nh)

   

The Glasspack
Dirty Women
(SMALL STONE/BERTUS)
Down River
DR666
(UNDERTOW/SONIC RENDEZ-VOUS)
The Glasspack komt uit Kentucky, Louisville en pleegt een potje stoner met behoorlijk wat invloeden uit de punkrock. Dat laatste is vooral te merken aan de vocalen van frontman “Dirty” Dave Johnson. Muzikaal wordt de basis gevormd door jaren 1970 hardrock, aangevuld met psychedelische jams en southern rock. Dat zou een interessant muzikaal palet kunnen opleveren, maar dat doet het niet. De lange opener ‘Taming Of The Ram’ gaat er nog goed in, maar al bij ‘Fastback’, het daaropvolgende nummer, verslapt onze aandacht. Als de band dan ook nog geregeld een instrumentaal jamstukje in de mix gooit, als aparte nummers dan nog, is deze plaat helemaal om zeep. Het merk mag u trouwens zelf kiezen. Naar het einde toe probeert The Glasspack ons nog te overtuigen met een lange psychedelische jam en een pianoriedeltje, maar helaas, het is allemaal praat voor de vaak. ‘Dirty Women’ past bij een tv-serie als ‘Trailer Park Boys’, onzin zoekt onzin. Down River komt dan wel van een ander continent, Australië met name, maar maakt gelijkaardige muziek. Hun stoner klinkt echter een stuk consistenter en vooral door de superieure baslijnen klinkt hun plaat beter dan het gros van het peloton. Wereldschokkend is het natuurlijk nergens, daarvoor kleurt de band te netjes binnen de uitgezette lijntjes van het genre. In hun biografie verkoopt de band heel wat blabla en probeert een verhaal op te dissen over jarenlang ploeteren in de marge om uiteindelijk tot deze, naar hun eigen mening, fantastische plaat te komen. Grootspraak is de mannen niet vreemd, wat niet verwondert met aliassen als ‘The Colonel’, ‘Sticky Krull’, ‘Rosco Puchanello’ en vooral ‘Lord Hobgoblin Hambone McPentatonic’. Stoner verwordt op deze plaat tot degelijke pubrock. Akkoord, dat kan een leuke zuipavond opleveren maar daarom is dit nog geen goede plaat. (www.smallstone.com)(pb)

   
Brian Groder
Torque
(LATHAM RECORDS)
Hoewel trompettist Brian Groder de rol van bandleider tijdens deze sessie op zich neemt, trekt vanzelfsprekend de naam van oudgediende jazzlegende Sam Rivers op het hoesje de meeste aandacht. Gevestigde waarden uitnodigen op een feestje vormt anno 2007 nog altijd dé methode bij uitstek om de carrière te helpen lanceren. En in dit geval is dat een goede zaak: niet alleen heeft Groder uitstekend materiaal voor het hele album bij elkaar gepend, hij is ook een prima uitvoerend musicus die genoeg ruimte laat aan zijn andere bandleden (Sam Rivers, sax/fluit; Doug Mathews, bas; Anthony Cole, drums) om te schitteren. ‘Torque’ bevat evenwichtige afwisseling – tijdens ‘Iota’ hebben Groders trompet en Mathews’ bas een rustige conversatie. ‘Diverging Orbits’ bevat mooie solo’s van Rivers, Mathews en Cole. De beide ‘Behind the Shadows’-nummers zijn dan weer duetten tussen Groder en Rivers. Kwaliteitsvolle late bop met veel ruimte voor improvisatie die in sommige nummers (b.v. ‘Cross-Eyed’) overgaat in smaakvolle free jazz. (www.briangroder.com)(jv)
   
Kaat Hellings
Wide And Low And Swallow
(WARRELWIND/COAST TO COAST)
Een jonge Vlaamse belofte, afgestudeerd van Herman Teirlinck: Kaat Hellings lanceert zich in de wereld van de singer/songwriters, en kiest met haar trio daarbij voor een ernstige, jazzy invalshoek – op sommige momenten hoor je zelfs invloeden uit kamermuziek van de voorbije eeuw (‘Springtime’ is een goed voorbeeld) binnensijpelen. Kaats muziek is spaarzaam; de sobere bezetting, waarin we niet alleen het pianospel van Kaat Hellings zelf maar ook de klarinet van Joachim Badenhorst en de drums van Yves Peeters horen, zet deze keuze nog extra in de verf. Ondanks alle muzikale breekbaarheid lijkt de plaat niet écht uit het hart te komen. ‘Wide And Low And Swallow’ loopt immers gebukt onder twee problemen: overdreven ernst en monotonie. Bijna alle nummers kenmerken zich door een identieke opbouw en ongedifferentieerde melodieën. De schaarse verscheidenheid tussen de verschillende songs alsook de continue sfeer van plechtigheid en droefenis maakt het beluisteren van de langspeler een moeilijke en onnodig lange zit. Liever zagen wij wat meer dynamiek, en vooral meer afwisseling tussen verdriet en humor, zwaarte en lichtvoetigheid. Als Kaat Hellings gebruik had gemaakt van contrastwerking, kwam haar boodschap waarschijnlijk veel duidelijker over. Haar eerste cd is professioneel gebracht, doch het materiaal is net niet genoeg uitgekristalliseerd. Hopelijk krijgt ze nog een tweede kans. (www.myspace.com/kaathellings)(jv)

   
Jan Delay
,,Searching.....'' - The Dubs
(ECHO BEACH/LOWLANDS)
Een dubversie van het album ‘Searching For The Young Soul Rebels’ van deze Duitser uit 2001. Nou is dub en het bijbehorende woord dubversie de laatste decennia een van de meest gebruikte fenomenen in de muziek geworden, en niet altijd even geslaagd. Dub klonk van oorsprong in Jamaïca namelijk raar, opgefokt, kaal en heftig. Gekte gekoppeld aan creativiteit, waarbij de studio zelf volwaardig muzikant is. Van oorspronkelijkheid blijft op dit album weinig over. Het blijft keurig binnen de lijntjes, wegstervend echootje daar, weggedraaid stemmetje hier. Jammer, en het kwaliteitslabel Echo Beach een beetje onwaardig. (www.echobeach.de)(mvh)

   
Glenn Jones
Against Which The Sea Continually Beats
(STRANGE ATTRACTORS AUDIO HOUSE/CLEAR SPOT)
Opvolger van de uit Boston afkomstige gitarist Glenn Jones’ impressionante solo debuut ‘This Is The Wind That Blows It Out’ uit 2004: een klein meesterwerk van akoestische gitaarfingerpickingcomposities waar weinig op aan te merken viel. Op ‘Against Which The Sea Continually Beats’ doet de man het nog een eens over: een verbluffende technische vaardigheid tentoon spreidend, zonder daarbij de originaliteit van de composities uit het oog te verliezen. Toegegeven, echt grote verrassingen vallen er niet te rapen op dit album. Maar in de steeds groter wordende toestroom aan modieuze gitaristen die teruggrijpen naar (www.strange-attractors.com)(bdp)

   
King Automatic
I Walk My Murderous Intentions Home
(VOODOO RHYTHM/CLEAR SPOT)
Eenmansorkest King Automatic, schuilnaam voor de Fransman Jay die eerder furore maakte als drummer bij zowel Thundercrack als The Squares, gaat bij de opvolger van zijn al niet te versmaden debuut ‘Automatic Ray’ (eveneens op Voodoo Rhythm) nog een stapje verder in zijn queeste naar het perfecte trashy rock’n’rollnummer. Het Farfisa-orgeltje dat op het debuut nog maar sporadisch van zich liet horen, is deze keer prominent aanwezig. Het maakt deze opvolger iets minder rauw, iets melodieuzer ook maar daar hebben we niets op tegen. Alle nummers staan strak overeind en op wat achtergrondzang na doet Jay het ook dit keer helemaal op zijn eentje. Drummen, orgeltje rammen, zingen, harp!!!, gitaartje mishandelen, allemaal tegelijk natuurlijk. Je moet hem bezig gezien hebben om het te geloven. Allemaal in één take op de band gezet, wat had je verwacht van een act die onder de hoede van Beatman de wereld aan het veroveren is. Jay is een orkest op zichzelf die er moeiteloos garagekrakers als ‘Coffee And Speed’, ‘Miss Phenomenal’ en ‘She’s Fine She’s Mine’ doorjaagt, terwijl wij lustig meestampen met de muziek. Geen covers ook deze keer, alleen maar nummers die Jay zelf componeerde. Door toevoeging van wat surfinvloeden in de garageblues en het kermiswalsje ‘The Sinner’ zorgt King Automatic tevens voor wat afwisseling. Op ‘It’s A Girl Thing’ komt een zangeresje dat ons doet denken aan de stem van Miss Pussycat mee kwelen, de King helemaal opwaarderend tot het Europese antwoord op de even fantastische Quintron. King Automatic mag nog sujetten in zijn gedachten afslachten. (www.voodoorhythm.com)(pb)

   
Kubus & Bang Bang
Learning Curve
(TOP NOTCH/PIAS)
Deze cd is wellicht per ongeluk op mijn stapeltje te bespreken plaatjes beland. Erg vinden we het deze keer niet. Het is namelijk al heel lang geleden dat we nog eens een goedgemaakte oldschool hiphopcd hebben gehoord of opgezet. Hiphop is dan ook niet één van onze favoriete muziekgenres, integendeel. Een beetje opkwelen over wat beats en live een potje brabbelen en rondspringen terwijl iemand plaatjes manipuleert, neen, het is niet onze dada. Een draaitafel en wat geleuter is ook wat we op deze plaat aantreffen, maar het is dermate goed gedaan dat we er toch stilletjes van genieten. Kubus zet een interessante flow van niet aflatende beats neer terwijl Londen’s nieuwste sensatie Bang Bang zijn teksten uitbraakt, vertelt, doorspekt met slang waar we dikwijls geen touw aan kunnen vastknopen. Kubus is binnen de Nederlandse scene dan ook niet van de minsten. Deze producer van experimentele hiphop werkte samen met Opgezwolle, Duvelduvel, Typhoon en Jawat. Dit is inmiddels Kubus’ derde volledige album en deze keer verkoos hij om samen te werken met een man die zijn roots voor de helft in Jamaica en voor de andere helft in Ierland heeft liggen. Vanuit Londen verzeilde de zwaar getatoeëerde Bang Bang in Amsterdam en hij stuurde al snel aan op een samenwerking met Kubus, waarvan 'Learning Curve' het uitstekende resultaat is. Bang Bang verhaalt over zijn vroegere straatleven, waar drugs en criminaliteit steeds op de loer lagen en zijn evolutie tot volwaardige rapper, zijn keuze voor muziek boven geweld verklarend. Kubus legt daaronder een stevig beattapijtje dat de city speak van Bang Bang stevig ondersteunt. Vergelijkingen zijn moeilijk te trekken. Het dichtste liggen The Streets en Audio Bullys, maar eigenlijk is dit een album dat vooral op zichzelf dient te worden beluisterd. Wat kenners ervan vinden, zal me trouwens worst wezen, ik zet deze schijf later deze week wel nog eens op. Zo leuk is ie. (www.kubus-biets.nl)(pb)

   

Logh
North
(BAD TASTE RECORDS / SUBURBAN/BERTUS)
papercuts
Can't Go Back
(GNOMONSONG/KONKURRENT)
Na ‘The Raging Sun’ is het toch nooit meer helemaal goed gekomen met Logh, zeker niet getuige het nieuwste album ‘North’. ‘The Raging Sun’ bevatte alles: fantastische songs, spanningsvolle, sferische, ijzersterke composities en alles schitterend verwerkt in gitaarmuziek. Daarna ging alles bergafwaarts. Flauwtjes, dat is wat de muziek van het Zweedse Logh vandaag de dag is. De band heeft het album zelf opgenomen en Pelle Gunnerfeldt van Fireside heeft het afgemixt. Misschien had hij beter ook de opnames kunnen doen, want dan was er misschien nog wat diepgang te bespeuren. Het niveau ligt wel hoog, bijvoorbeeld bij ‘The Invitation’, maar het geheel blijft niet haken. Toch valt het meer op dan de zeikerige en pretentieuze folkpop van Papercuts. De band rondom Jason Quever komt met de tweede plaat uit bij het label Gnomonsong, waar Devendra Banhart een belangrijke rol in speelt. Tijdloos zijn de songs wel, maar echt zo interessant als de labelbaas ze kan maken, doet Quever en consorten niet. Dat is jammer, al levert het een paar aardige nummers op. Luister maar eens naar ‘James Brown’ of het tragische ‘Unavailable’. Toch is het niet bepaald wereldschokkend te noemen. (logh.se)(nh)

   

Loney, Dear
Sologne
(DEAR JOHN/MUNICH RECORDS)
Amandine
Solace In Sore Hands
(FAT CAT RECORDS/PIAS)
In Zweden is er blijkbaar een boom aan de gang van op americana geschoeide pop. Amadine probeert de invloeden als Songs: Ohia en The Band een plaats te geven in hun geluid. Alleen komen ze niet aan de enkels van hun voorbeelden. Daarvoor zijn de songs net iets te flets en voorspelbaar. Ze boeken wel vooruitgang want de vorige platen waren echt ondermaats uitgewerkt. Hun donkere songs behandelen thema’s als schuld en boete. Ze halen ook invloeden uit de Zweedse literatuur. Amandine grossiert in americana die smaakt als coke zero. Je weet dat het cola is, maar je weet ook dat het niet the real thing is. Een plaatje voor in de herfstige tijden van mijn bestaan. Jammer genoeg voor hen komt er een nieuwe lente aan. (www.amandinemusic.com). Loney, Dear, de onemanband van multi-instrumentalist Emil Svanängen, is gelukkig van een ander niveau. Deze plaat werd al in 2004 opgenomen in de kelder van het ouderlijke huis op een oude computer en was tot nu alleen beschikbaar als cd-r. Gelukkig is daar verandering in gekomen. Want de minimale folk van Loney, Dear roept herinneringen op aan illustere voorbeelden als Eliott Smith en Sufjan Stevens. Live wordt deze onemanband een negenkoppig monster dat intense muziek voortbrengt. Tekstueel brengt Emil Svanängen ook boeiende verhalen over frustratie, liefde en verwarring. Een mooie, gelaagde plaat is het gevolg. (www.loneydear.com). Americana en indie folk uit het Hoge Noorden. Het kan dus nog wel wat worden. Nog niet zo gek, die Zweden.(mt)

   
Lord Jamar
The 5% album
(BABYGRANDE/KONKURRENT)
‘ The 5% album’ is het debuut van hiphopveteraan Lord Jamar. Jamar is vooral bekend als lid van Brand Nubian, de crew die hij samen met Sadat X en Grand Puba eind jaren 1980 oprichtte. Daarnaast was Jamar recent ook te zien in de laatste serie van The Sopranos waar hij een hiphopster speelt die samen met Anthony Soprano in het ziekenhuis belandt. Op ‘The 5% album’ krijgt Jamar hulp van zijn Brand Nubian maatjes maar ook van RZA en Raekwon van Wu Tang Clan. Daarnaast mogen ook heel wat ‘zonen van’ op deze plaat hun eerste stappen zetten. Zo vinden we naast Jamars eigen zoon (Young Lord), Young Justice (de zoon van GZA) ook Ol’ Dirty Bastards zoon, u hebt het goed geraden Young Dirty Bastard, terug op ‘The 5% album’. Tekstueel draait de plaat om de geloofsovertuiging van Jamar. Wie daar in geïnteresseerd is krijgt ook voldoende leesvoer, want bij de cd zit een boekje met meer uitleg over ‘The five percenters’ een geloofsovertuiging die bij heel wat Amerikaanse hiphoppers populair blijkt te zijn. Muzikaal valt er van een oude hond als Jamar niet veel nieuws meer te verwachten. Wie bekend is met het werk van Brand Nubian zal zich aan deze plaat geen buil vallen. Maar het is wel duidelijk dat het vet van de soep is bij de leden van de eens zo controversiële en progressieve hiphopcrew. Het is meer van hetzelfde als wat de groep al sinds begin jaren 1990 serveert. De jongens zijn dan ondertussen allemaal bijna 40. Midlifecrisis? Of gewoon oude honden die geen nieuwe truukjes meer aankunnen?(kp)

   
Lugubrum
De Ware Hond
(OLD GREY HAIR RECORDS)
Degenen die Lugubrum aan het werk hebben gezien op het alweer succesvolle en op voorhand uitverkochte en daarmee veel te drukke Kraak-festival zal al doorhebben dat het Gentse Lugubrum een specialleke is. Met elke release lijkt de band verder weg te evolueren van zijn oorspronkelijke, eerder rommelig klinkende, boersk blek metal. Behoorlijk cult in de USA en ook stilaan bij ons erkenning krijgend, zet de band zijn queeste verder. Hun gesmaakte support voor Sunno))) (Paradiso, 2005) werd vastgelegd op ‘Live In Amsterdam: Trampled Brass/Midget Robes’ en dat optreden heeft blijkbaar behoorlijk wat invloed gehad op de sound. Niet dat de typisch Vlaamse eigenheid verloren is gegaan, maar de Sunno)))-invloed is stilaan doorgedrongen. Veel tempowissels en de orkschreeuw van Barditus worden in jazzstructuren gegoten, terwijl de saxofoonuithalen van Bhodidharma beheerster en meer gedoseerd in het totaalgeluid worden gemixt. Vier nummers in drie kwartier staan er op ‘De Ware Hond’, die een samengaan van intense drones, black en een scheut punkrock vormen en die genres met elkaar verzoenen in een vrije, bij wijlen aan Sun Ra en The Boredoms refererend geluid. Geen steelse stonerriffs te bekennen deze keer, wel een overdonderende aanslag op de goede smaak. Het kan ook niet anders, want Lugubrum is en blijft een collectief met een gezonde fascinatie voor varkenskoppen en dwergen, of een configuratie van beide. De plaat is in twee stukken opgedeeld. De twee eerste bewegingen werden live in de studio opgenomen in Stavelot op digitale apparatuur, de twee laatste bewegingen op analoge apparatuur. We hadden het zelf niet eens gemerkt. Lugubrum bewijst met deze schijf dat ook met een iets gepolijster geluid de initiële doodsmissie met overtuiging op het plebs kan worden losgelaten. Een blijvertje. (www.oldgreyhair.com - www.lugubrum.com)(pb)

   
Makasu Hath Core
Makasu Hath Core
(KAPOTTE RADIO/(EIGEN BEHEER))
Allememaggies, wat een bak lawaai weet Makasu Hath Core te produceren. Al bij het eerste nummer wordt het duidelijk. Het themaatje van Dallas wordt in een verzengend tempo aan flarden geschoten, en dan breken de eerste zweetdruppels los. Want stond daar niet dat dit album een lengte van 75 minuten had? Ja, dat klopt. O hemel, dat wordt een zware zit. Natuurlijk kan het altijd harder, sneller en heftiger, maar dat hoeft niet persé hoor jongens! Deze oren zijn inmiddels wat gewend, maar toch is dit debuutalbum van de Belgen een aanslag op de eeltige trommelvliezen. Godsamme wat een bak teringherrie. En het erge is dat Makasu Hath Core vast alleen maar trots is als je hun muziek zo beoordeelt. Toch maar even Nailbomb luisteren om lekker tot rust te komen. (www.makasuhathcore.be)(avdh)

   
Maleza
Noche Azul
(EIGEN BEHEER)
Vorige Gonzo stelde men de Braziliaanse punk scene voor. Deze cd komt ook uit deze richting, de republiek Panama (Centraal Amerika). De voertaal daar is het Spaans. Iets wat voor fans van bands zoals Migala, Viva Las Vegas, Lisboä, Manta Ray en andere geen barrière meer mag zijn. Marco Luque is de voorman van Maleza, een band die bestaat uit mensen met elk een andere muzikale achtergrond die gaat van klassiek en barok tot punk, salsa en jazz. Naast het breed interesse spectrum zijn het ook allemaal gedreven en ervaren muzikanten die elkaar de ruimte geven om te musiceren. De verscheidenheid aan invloeden en interesse reflecteert zich in het gevarieerde geluid van Maleza. Het album gaat van start met het magistrale gitzwarte ‘2500 Vidas’ een moeilijk te overklassen song. Maar Maleza borduurt nooit verder op één goede riff, geluidsstructuur of akkoorden schema. Er staan even sterke op jazz geïnspireerde nummers, mijmerende zuiderse pop songs en klassiek aandoende chansons op ‘Noche Azul’. Nog een uitschieter die we met naam vermelden is de tequila punk van ‘El Espectro’ die zo op de soundtrack van Tarantino’s ‘From Dusk Till Dawn’ kan. Maleza levert een verrassend sterk plaatje af, het zal wel niet te koop zijn bij de plaatselijke vestiging van de Free Record Shop maar doorwinterde parelvissers vinden zeker hun weg naar dit kleinood. (www.impluka.com/grupomaleza)(tw)

   

Iomos Marad
Go ahead
(ALL NATURAL, INC./KONKURRENT)
The Pacifics & Illmind
The Case
(ALL NATURAL/KONKURRENT)
Het grote manco van veel hiphopplaten is het gebrek aan constante kwaliteit. Op zowat iedere release, van gelijk welke hiphopper, vind je wel vullertjes. Tracks die erop gezet lijken te zijn om aan de vereiste lengte van een fullcd te komen. Voorbeelden hoef ik vast niet op te noemen, hoe groter de naam, hoe meer vullertjes de artiest zich meent te kunnen permitteren. Het All Natural label uit Chicago lost dit anders op. Hun recentste releases zijn EP’s. Al het vet is er op deze platen van af gesneden. Wat overblijft zijn alleen de sterke tracks. All Natural werd eind jaren 1990 opgericht door de gelijknamige rapcrew. Ze hebben ondertussen een eigen stal van rappers en producers rond zich verzameld die de The Family Tree wordt genoemd. Een beetje vergelijkbaar met wat Stones Throw doet dus. De crews van The Family Tree liggen qua klankkleur en benadering in elkaars verlengde. Geen blingbling hoppers hier, maar sociaal bewuste teksten op lekkere beats. Zoals Iomos Marad. Die bracht in 2003 zijn debuut ‘Deep Rooted’ uit. De plaat werd overal zeer lovend ontvangen. Maar een opvolger bleef uit. Marad had even genoeg van de muziekbizz. Hij wou zich echt nuttig maken en ging met kinderen werken. Vier jaar later is er nu toch Go Ahead. Negen tracks krijgt Marad op deze ep. En negen keer zit het er knal op. Lekkere jazzy beats, sterke raps, af en toe een soulfull vrouwenstemmetje: dit is hiphop zoals hij moet klinken. Wat de stem betreft doet Marad wat aan Talib Kweli denken. En ook de productie is af. Wat wil een mens nog meer? Ook The Pacifics komen uit dezelfde stal als Iomos Marad. Deze drie Filipino’s werken op The Case samen met producer Illmind. Zeven tracks krijgen ze om hun ding te doen, maar dat is ruim voldoende om ondergetekende te overtuigen van hun kwaliteiten. Zet de swingende opener ‘Matches’ je nogwat op het verkeerde been met zijn vette hiphopbeat, na een paar nummers wordt pas duidelijk dat dit in se een soulplaat geworden is. Zij het dan eentje op hiphopbeats. Vooral op de tracks waar The Pacifics vocale hulp krijgen van leden van Contriband (een band uit Chicago die hiphop, rock, soul en nog meer genres in de mix gooit, KP) is dit merkbaar. Beste track is ‘Watch’ waar Tanya Reid nog een extra soulinjectie aan geeft met haar fantastische stem. Wie zei er ook weer dat hiphop dood was? (www.allnaturalhiphop.com)(kp)

   
Massappeal
Nobody Likes A Thinker
(RELAPSE/SUBURBAN)
Relapse dook nog eens de archieven in en komt deze keer met een stel opnames op de proppen van de Australische band Massappeal. Actief in de periode 1985-1994 speelde de band een stevig potje hardcore annex speedmetal, zeg maar een mix van Black Flag en Slayer in zijn vroegste dagen. Dit alles in een typisch Australisch kleedje gegoten natuurlijk. De mini ‘Nobody Likes A Thinker’, die de plaat opent, wordt in de underground als een klassieker aanzien, al snappen we zelf aan geen kanten waar deze band deze reputatie vandaan haalt. De legendarische compilatie ‘Peace’ (Radikal Rekords) staat bol van bands die qua klank in deze lijn liggen, maar het trucje veel beter onder de knie hebben. Denk Reagan Youth, D.R.I., Articles Of Faith, Iconoclast en we kunnen zo nog even door gaan. Zeven nummers telde de originele plaat die hier met maar liefst zeventien bonusnummers op cd wordt heruitgebracht. Het bomvolle schijfje (net geen tachtig minuten) is daardoor een ware uitputtingsslag. De single ‘Bar Of Life’, de demo ‘Young, Dumb And Naive’, een compilatietrack en diverse live-opnames van de tournee die Massappeal in 1987 ondernam met D.R.I. sieren dit schijfje. Geschiedkundigen en hardcoreverzamelaars slaan nu hun slag. (www.relapse.com)(pb)

   
Momentum 4
Rising Fall
(LEO RECORDS)
De Zwitserse pianist John Wolf Brennan werkt onverdroten verder aan zijn stilaan behoorlijk uitgebreide oeuvre. Momentum is een van zijn bands, die telkens van bezetting wijzigt, vandaar de toevoeging van een cijfer aan de groepsnaam. Elk cijfer staat voor een andere personeelsbezetting. Deze keer vinden we naast Brennan basklarinettist Gene Coleman, die al aanwezig was in een vorige bezetting, saxofonist Thomas K.J. Mejer (speelt op deze opname sopranino en contrabas) en tubaïst Marc Unternährer. De tot nu toe enige constante leek slagwerker Christian Wolfarth, maar die doet deze keer niet mee. Momentum, in tegenstelling tot Pago Libre waarvoor de meeste stukken uitgaan van gecomponeerde muziek, is vooral een improvisatiegroep, waarin vlot wordt geëxperimenteerd met allerlei klanken. De hoofdrol is weggelegd voor de blazers, wat behoorlijk evident is met drie van de vier muzikanten die de grenzen van een veelvoud aan blaasinstrumenten verkennen. Brennan’s pianospel is veelal ondersteunend waarbij hij zich meer met het binnenwerk van het instrument bezig houdt dan met de toetsen. De vrees voor oeverloos gefreak blijkt ongegrond, want de vier mannen luisteren heel goed naar elkaar, waardoor veelal ingetogen sfeerstukjes ontstaan. Zoekend naar elkaars klankkleur, zich in de ander begevend, krijgen we zo een sfeervol uurtje fascinerende improv voor de kiezen. In een aantal stukken (‘Give It Back To Me’ bijvoorbeeld) gaat het kwartet er heftig tegenaan, en ook Brennan krijgt zijn solomoment met ‘Spot The L’. ‘Rising Fall’ is daarmee een van de beste releases die we tot nog toe hoorden waar Brennan aan meewerkte. (www.brennan.ch)(pb)


   
My Brightest Diamond
Tear It Down
(ASTHMATIC KITTY)
Afgelopen jaar maakte My Brightest Diamond haar debuut met ‘Bring Me the Workhorse’. Een mooie plaat waarin jongedame Shara Worden klonk als een combinatie van Tori Amos, PJ Harvey en Kate Bush gewikkeld in een kreukelend doek van inventieve popmuziek. Overal werd het debuut goed ontvangen, waardoor het, in navolging van onder andere Bloc Party, Kings of Convenience en Beck, hoognodig tijd werd om de plaat te laten remixen. Maar waar sommige remixalbums kant noch wal raken, komen er op ‘Tear it Down’ wel enkele fraai vermaakte songs naar voren. Bijvoorbeeld de bewerking van ‘Freak Out’ in de ‘Gold Chains Panique Mix’. Of ‘Workhorse’, in de lome bewerking van Lusine. Maar eigenlijk moeten, al betreft het hier interessante geluidsknutselaars, als Nimnomadic, Stakka, Murcof en Siamese Sisters, de nummers van ‘Bring Me the Workhorse’ blijven zoals ze waren. Want dan komt My Brightest Diamond simpelweg het beste tot zijn recht. (www.mybrightestdiamond.com)(nh)

   
My Cat Is An Alien
Il Suono Venuto Dallo Spazio
(VICTO/KONKURRENT)
Het broederlijk duo My Cat Is An Alien heeft in de loop der jaren al een indrukwekkende discografie opgebouwd en het einde lijkt nog lang niet in zicht. ‘Il Suono Venuto Dallo Spazio’ is een live registratie van een concert dat het Italiaanse droneduo in 2006 op het Victoriaville muziekfestival ten gehore gaf. Eerder bracht dat al fascinerende resultaten in de vorm van een samenwerking tussen Anthony Braxton en Wolf Eyes (‘Black Vomit’) en Anthony Braxton en Fred Frith (‘Duo 2005’). De twee stukken op ‘Il Suono Venuto Dallo Spazio’ vormen één lange trip door het sci-fi universum van de broers. Drones opgewekt door lichtzwaarden op bekkens te laten stuiteren, belletjes die in een hemels koor van spacy feedback samenkomen, gitaren die eindeloos doorgalmen en de nodige elektronische effecten. Werken van MCIAA hebben doorgaans een nogal kunstmatig, haast synthetisch karakter, heel anders dan bijvoorbeeld het organische, aardse van collectieven als Sunburned Hand Of The Man en MV/EE & The Bummer Road. Daardoor weten de stukken vaak niet voldoende te intrigeren, het glijdt een beetje langs je heen, ‘Il Suono Venuto Dallo Spazio’ vormt echter een mooie uitzondering op die regel en door de dynamische spanningsboog weten deze twee stukken bij elke luisterbeurt meer te fascineren. (www.mycatisanalien.com)(joh)

   
Nadja
Touched
(ALIEN8 RECORDINGS)
Een jaar na het verpletterende ‘Truth Becomes Death’ droppen Aidan Baker en Leah Buckareff een tweede album via het Canadese Alien8 Recordings. Baker is productiever dan ooit en dat zowel onder eigen naam als met Nadja. Het aantal releases is simpelweg niet bij te houden. In mei verschijnt op Conspiracy bovendien een volwaardig album in samenwerking met Fear Falls Burning (in navolging van de vorig jaar verschenen, maar al lang uitverkochte split ‘We Have Departed The Circle Blisfully’), terwijl bijna simultaan de met extra materiaal geüpgrade vinylversie van ‘Bodycage’ (Profound Lore ‘05) verschijnt op Equation. En dat is slechts het topje van de ijsberg. Op korte tijd is Nadja uitgegroeid tot één van de markantste namen uit de doom/sludge/droneshoek met enkel Khanate, (vroege) Earth, Boris of Sunn 0))) als noemenswaardige concurrenten. Tegelijkertijd lopen die vergelijkingen flink mank. Nadja is immers anders. De logge, narcoleptische (machinale) drumritmes brengen de tijden waarin Swans en Godflesh de underground domineerden terug, maar door de aanwezigheid van subtiele (ambient) elektronica vindt Nadja dan weer houvast bij hedendaagse producers zoals Tim Hecker of Christian Fennesz. De gitaarpartijen zijn schatplichtig aan My Bloody Valentine en de shoegazers uit het verleden; en Jesu of The Angelic Process wat het heden betreft. De drones ten slotte borduren verder op het oeuvre van Troum. Veel invloeden en referenties dus, maar ook niet meer dan dat. De nieuwe cd is de verdere consolidatie van de Nadjasound. Verrassen doet ‘Touched’ echter op geen enkele manier. In zijn totaliteit is het misschien wat minder heftig dan zijn voorganger, maar essentiële verschillen zijn er niet. Tenzij misschien in Bakers manier van zingen. Die is bij momenten zelfs vrij van effecten. Wat het ook zij, we hebben de toekomst van metal gehoord. Ze heet Nadja. (www.netrover.com/~amizen/nadja.htm)(swat)

   
Of Mexican Descent
Exitos Y Mas Exitos
(TEMPORARY WHATEVER/KONKURRENT)
Of Mexican Descent is een underground hiphop duo uit LA. De muziek op deze cd is tien jaar oud, maar verdient het zeker nog om gehoord te worden. ‘Exitos y Mas Exitos’ kwam in 1997 enkel op plaat uit. De tracks van deze LP zijn nu samen met tien bonustracks op een cd gestanst. Of Mexican Descent bestaat uit het duo 2Mex en Xololanxinxo. 2Mex is ook bekend van The Visionaries en zijn werk met Busdriver. De muziek op ‘Exitos y Mas Exitos’ klinkt zeker niet gedateerd. Het is zelfs heel wat frisser dan veel van wat we de laatste tijd nog te horen krijgen. Het duo put op deze plaat gretig uit rockmuziek. Samples kunnen bij hen zowel uit metalgitaren als uit een psychedelisch orgeltje bestaan. Tekstueel gaat het, zoals verwacht, vooral over sociale problemen. Over hoe het is om op te groeien als een Latino in Los Angeles. De boodschap die de heren willen overbrengen, is blijkbaar erg belangrijk voor hun. De flow van de raps wordt er zelfs ondergeschikt aan gemaakt. ‘Exitos y mas Exitos’ is geen baanbrekende release geweest maar is zeker leuk voor de liefhebbers van de LA undergroundhiphopsound. Een cd-heruitgave van dit vergeten juweeltje is dus zeker op zijn plaats.(kp)

   

Ogre
Seven Hells
Acid King
The Early Years
(LEAF HOUND/CLEAR SPOT)
De opvolger voor het debuut ‘Dawn Of The Proto-Man’ uit 2003 van het trio Ogre gaat gehuld in een hoesje waarop een schitterende ets van gezellige mens Gustave Doré prijkt. De band vertrekt van het vertrouwde Black Sabbath-geluid (hun eerste vier platen) en gaat er zijn eigenzinnige gangetje mee. Het is en blijft klassieke doom zonder dat het trio zich aan de stereotypen van het genre houdt. ‘Seven Hells’ is dan ook hoe een band die idolaat is van Sabbath vandaag de dag toch interessant en inventief kan klinken. De solo’s zijn machtig, de ritmesectie zet zijn logste poten voor en ook de zanger behoort tot de besten binnen het stoner / doomsegment. De band kiest dan ook nog eens voor lange, tranceverwekkende nummers, waarvan de zeven minuten durende opener ‘Dogmen (Of Planet Earth)’ meteen een goed voorbeeld is. ‘Soldier Of Misfortune’ opent met helikopter en mitrailleurvuur en klinkt als een voor de eeuwigheid bestemde epische antioorlogssong. Voor ‘The Gas’ gooit het trio een scheut boogierock in de mix, terwijl ‘Women On Fire’ als een geslaagde jamsessie door onze oren jaagt. Om zich helemaal in de lijn van Cactus, Pentagram en Led Zeppelin te etaleren, gooien ze er in ‘Sperm Whale’ een drumsolo tegenaan op het niveau van ‘Moby Dick’. Het kan, een drumsolo die niet tenenkrullend vervelend blijkt te zijn. ‘Seven Hells’ is gewoon verplichte kost voor Roadburngangers en andere doomheads. Acid King is doorheen de jaren een referentie voor sludgy, doomy stoner geworden. Hoog tijd dus om het al een hele tijd niet meer te verkrijgen debuut opnieuw uit te brengen. Onder handen genomen door Billy Anderson, die werkte met alle grootheden binnen het genre, klinken de debuut 10inch en de debuutcd ‘Zoroastar’ beter dan ooit. Beide platen verschenen in respectievelijk 1994 en 1995 op Sympathy For The Record Industry en kenden toen alleen in de underground wat succes. Lori S., ooit nog actief bij The Melvins, zet met haar duivelse keelgat meteen de toon voor een potje feminiene sludge waar veel mannelijke genregenoten een puntje kunnen aan zuigen. De 10inch werd toentertijd geproduceerd door Dale Crover, die op ‘The Midway’ het achtergrondkoortje verzorgt. Dat zou al referentie genoeg moeten zijn inzake de kwaliteit van deze band, die in originele bezetting deze twee magnifieke schijfjes uitbracht. Later in de carrière van Acid King, met als enige constante Lori zelve, was de coherentie wel eens zoek of klonken de songs te middelmatig. Op deze cd is daar nog niets van te merken. De veertien nummers hebben nog niets aan urgentie en kracht ingeboet. We danken het Japanse Leaf Hound en labelbaas Toreno voor dit mooi gebaar. (www.leafhound.com - www.acidking.com - www.ogrerock.com)(pb)

   
Palehorse
Amongst The Flock
(BRIDGE NINE/SUBURBAN)
Palehorse uit Connecticut, actief sinds 2003, is sinds de dood van tweede gitarist John Tamas (RIP 25 juli 2005) een kwartet dat stevig aan de hardcoresnelweg bouwt. Elf nummers in vijfentwintig minuten draait de band erdoor, stevig, gemeend en van poten en oren voorzien. Maar origineel? Verre van. Dit is een plaatje voor liefhebbers van Ringworm en Integrity, die bij het horen van deze klanken ongetwijfeld helemaal uit hun dak gaan. Nuchter als we zijn beluisteren we dit schijfje meermaals en vinden het wel oké maar dan ook niet meer dan dat. We hebben al zo dikwijls dit soort solide hardcore gehoord dat het ons worst mag wezen welk bandje het nu weer is. De gelijkvormigheid met veel genregenoten is zo groot dat het als band bijna niet meer te doen is om op te vallen. Het zwarte hoesje helpt een beetje, de verbetenheid van de vier heren doet de rest. (www.hardlifepromotion.nl)(pb)

   
Panacea
Ink Is My Drink
(RAWKUS)
Hoewel de groep rond rapper Raw Poetic en samplemeester K-Murdock al een tijdje meedraait in het ondergrondse circuit van Washington, zullen veel luisteraars hen op dit album voor het eerst bezig horen. Een uitgebreide distributieovereenkomst met het Rawkus-label zorgt ervoor dat hun werk nu ook in Europa vlot verkrijgbaar is. Zo te horen werd de Europese rapfan al die jaren niet echt onthouden van spectaculair materiaal. Om heel eerlijk te zijn: ‘Ink Is My Drink’ zit volgestouwd met middelmatig materiaal. Over het algemeen bevatten de beats van K-Murdock te weinig muzikale elementen om te kunnen blijven boeien: de loops zijn te kort, de gehanteerde technieken voorspelbaar. Hoewel enkele betere momenten (zoals ‘Burning Bush’ dat wat funkelementen in zich meedraagt, of het Californisch aandoende ‘Place On Earth’) niet ontbreken, overheerst vooral het déjà-vu-gevoel. Krakerige samples van oud vinyl, versnelde geluidsfragmentjes uit soulplaten, enzovoort: erg vernieuwend is dat anno 2007 allemaal niet meer. Daarenboven helpen de vrijwel identieke toonaarden en de wat vlakke klank de boel ook niet vooruit. Enkel ‘Starlite’ verdient nog een speciale vermelding als meest atypisch en origineelste nummer: hectische beats, elektronica en stemmingswisselingen houden de track spannend. Uiteindelijk slaagt langspeler ‘Ink Is My Drink’ wel niet in haar opzet – als de grooves saai zijn, wie luistert er dan nog naar de boodschap? (www.colorfulstorms.com)(jv)

   
David Papapostolou
One And Two
(EIGEN BEHEER)
De naam van deze improvisator klinkt Grieks, hij is een Fransman en verblijft reeds enige tijd in Bristol. Een wereldburger. Zijn in eigen beheer uitgebracht debuutcd’tje bevat drie elektro-akoestische tracks die samen net iets meer dan twintig minuten muziek bevatten, die gelden als een visitekaartje en een zelfinvitatie om gelijkgestemden te overtuigen van zijn kunnen. Papapostolou zou dan ook niet liever hebben dan dat hij wordt uitgenodigd om in allerlei wisselende bezettingen zijn steentje te mogen bijdragen in de improvisatiescène. En met dit werkstukje kan dat geen probleem meer vormen. De drie nummers kregen de welsprekende titels ‘gc’, ‘gs’ en ‘g’ mee, waarbij de g staat voor akoestische gitaar, c voor cello en s voor saxofoon. Niet dat hij die instrumenten op een orthodoxe manier bespeelt. Integendeel. Papapostolou beschouwt de drie instrumenten als voorwerpen, dingen om te manipuleren. De drie tracks werden in hoogstens twee takes opgenomen. Daarbij werd eerst het eerste instrument opgenomen, waarna bij de tweede take het tweede instrument als onmiddellijk antwoord op take één eraan werd toegevoegd. Het resultaat is een wondermooi, ingetogen klankentapijt waarbij we geregeld de oren moeten spitsen om te horen wat er gaande is. Zijn volgende schijfje mag voor ons best wat langer duren. (david-p.blogspot.com)(pb)

   
Pete Philly & Perquisite
Remindstate
(UNEXPECTED/ANTI/EPITAPH)
Ook Pete Philly & Perquisite komen niet uit het niets - alles heeft een begin vermoed ik - maar toch was hun debuutalbum 'Mindstate' vorig jaar een verrassing van jewelste. 'Mindstate' loopt na tal van luisterbeurten nog steeds over van funky, soms bloedhete hiphop die ook jazz, soul en house het licht in de ogen gunt. Remixplaten zijn zelden een goed idee en kunnen het feest danig verstoren, maar in dit geval valt de schade heel goed mee. Ik ben niet echt een fan van Laidback Luke of Darin G. en Nicolay is me te braaf, maar de keuze om je nummers te laten bewerken door zowel het Metropole Orchestra als de New Generation Big Band? Respect! Bovendien lenen de nummers zich heel goed tot grote arrangementen. Het gezelschap is overigens ook redelijk internationaal met Seiji (Bugz In The Attic) uit Londen, DJ Mitsu The Beats uit Japan en enkele lokale helden zoals C-Mon & Kypski, die een heel vette funktrack afleveren. Sommige hiphopremixes voegen weinig toe aan het origineel en uiteraard mist de remixversie een beetje de flow van het album, maar 'Remindstate' mag er best zijn. Op naar het volgende album, jongens. (www.ourmindstate.com)(ft)

   
The Piscean Group
The Piscean Group
(R2/BBE/PIAS)
Deze EP is niet echt de eerste kennismaking met The Piscean Group. Ze zijn goede maatjes met Osunlade en waren te horen op zijn jongste album voor BBE, 'Aquarian Moon'. De band komt ook uit het Amerikaanse Saint Louis en brengt in deze zes nummers vooral funk met, naar eigen zeggen, veel invloeden van Prince en het Minneapolis van de jaren 1980. De sound is dus minder ruw dan bijvoorbeeld Quantic Soul Orchestra, maar zit heel goed in elkaar. Kan moeilijk anders met vakman Osunlade als producer natuurlijk. Nu eens gooit hij er strijkers bij, dan weer uit afrobeat geleende fluit of een blazersectie, aangebracht door zijn eigen I'lle Orchestra. De band kan behoorlijk swingen, maar het midtempo 'Talisman' is de uitschieter. 'Motorcross' is een uitstap naar jazz die hen bijzonder goed ligt. Een vol album en een reeks concerten in onze contreien zal moeten uitwijzen of ze gewoon goed dan wel fantastisch zijn. Ik sta in ieder geval open voor meer. (www.bbemusic.com)(ft)

   

Gruff Rhyss
Candylion
David Kitt
Not Fade Away
(ROUGH TRADE)
Twee singer-songwriters. De ene afkomstig uit Wales, de andere uit Ierland. Gruff Rhys kennen we nog van Super Furry Animals. Op zijn tweede soloplaat verzamelde hij nummers die hij maakte tijdens de vorige tour met zijn groep. Nummers die zijn gezongen in het Engels, Spaans en Welsh. De songs gezongen in het Welsh zijn voor mij onverstaanbaar. Tja, als je titels hebt als “Ffrwydriad Yn Y Ffurfafen” kunnen wij daar echt geen touw aan vastknopen. Net zoals we geen touw kunnen vastknopen aan het verhaal dat op zijn myspace staat over beren in Micronesië. Hier en daar wordt in de songs ook gestoeid met elektronica. Gruff Rhys laat op dit album zijn akoestische zelf de bovenhand krijgen. Dit in tegenstelling tot het meer rockende geluid van Super Furry Animals. Was zijn solodebuut nogal schetsmatig dan is er hier een sprake van een coherenter geheel. (www.myspace.com/candylionmusic). De uit Ierland afkomstige David Kitt is grootgebracht in een muzikale familie. Zijn vader en ooms vormden een in Ierland succesvolle folkgroep. Daarnaast had zijn familie ook een zeer sterk politiek engagement. Zijn vader is ondertussen politiek actief in het nationale Ierse parlement, de zoon heeft de rol als muzikant overgenomen. Op zijn vijfde album brengt David Kitt klassieke songs met zijn kenmerkende ietwat nasale stem. Op deze plaat werkt hij samen met Romeo en Michelle Stoddart van The Magic Numbers en Lisa Hannigan die we kennen van haar samenwerking met Damien Rice. Ergens in die hoek valt ook David Kitt te situeren. Soms iets te gepolijst, naar mijn zin. Er wordt degelijk werk afgeleverd maar ook niet meer dan dat. Aangezien degelijkheid een nieuw credo lijkt in de politiek kan hij daar misschien op een ander moment in zijn leven nog voordeel uit halen. Voorlopig mag hij muzikant blijven. (www.davidkitt.com).(mt)

   
RJD2
The Third Hand
(XL RECORDINGS/V2)
Meneer Krohn, waar zijn we precies mee bezig? Bewijzen dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie bieden voor de toekomst? Dat lukt goed op ‘The Third Hand’. Weg bij label Def Jux meent Krohn ook gelijk maar de last van de instrumentale hiphop van zich af te moeten schudden. Af en toe komt er nog een ijzersterke beat bovendrijven, maar iets te vaak besluit Krohn dat hij liever zelf wil zingen en bakt wat eigenaardige popliedjes. Dan meld je iedereen dat ze platen van RJD2 blind kunnen aanschaffen en dan produceert hij dit werkje. Noem ons een behoudend conservatief type, maar als dit het alternatief is, doe dan maar die oude vertrouwde RJD2 maar snel terug. (www.rjd2site.com)(avdh)

   
Tabu Ley Rochereau
Classic Titles
(CANTOS/PIAS)
In tegenstelling tot vele van zijn collega-muzikanten uit dezelfde regio, liet Congolees Tabu Ley Rochereau zich gedurende zijn gehele muziekcarrière vrolijk beïnvloeden door andere muziekstijlen dan de in Congo razend populaire afrikapop. Op ‘Classic Titles’, deel uitmakend van een compilatiereeks van wereldmuziek, valt dit inderdaad op. De nummers kenmerken zich duidelijk als Afrikaanse popmuziek, doch subtiele injecties van soulinvloeden (‘Karibou Ya Bintou’), knipoogjes naar de koperblazers uit de jazzwereld (‘Marie Lou’), of inwerkingen van Franse pop uit de jaren 1960 bieden een duidelijke meerwaarde ten opzichte van andere afrikapop. De geselecteerde nummers uit de periode 1965 tot 1975 zijn vooral interessant uit historisch oogpunt. Het is daarom uiterst jammer dat Cantos niet voorzag in een begeleidend boekje met achtergrondinformatie of vertalingen van de liedjes. Hoewel Rochereaus muziek op het Afrikaanse continent een grote rol speelde, biedt deze verzamelaar weinig inzicht in die situatie en de opmerkelijke (muzikale) levensloop van Tabu Ley. (www.frochotmusic.com)(jv)

   
RTX
Western Xterminator
(DRAG CITY/KONKURRENT)
Jennifer Herrema is terug. En als Jennifer Herrema terug is dan zullen we dat weten ook. De voormalige Royal Trux helft presteert het in ieder geval om iedereen die haar een beetje kent op het verkeerde been te zetten met het titelnummer waarmee 'Western Xterminator' opent. Psychedelische fluiten, bezwerende percussie en een achteroverhangende Herrema die het bewerkstelligt om vier jaar freakfolk in vijf minuten te persen. Verrassend en lekker mysterieus, een zeldzaam sfeervolle start van iemand die normaal gesproken wel van hakken en zagen houdt. De rest van het album is dan ook van een heel ander soort freaky. ‘Balls to Pass’ barst van de bluesy riffs en galmende gitaarsolo’s, ‘Black Bananas’ is een soort glamrock interpretatie van stonerrock en het afsluitende ‘Rats Will Kill’ is een bizarre samensmelting van trash en progrock. 'Western Xterminator' is vooral hard en gemeen, soms hoeft dat niet meer te zijn. (www.truxrox.com)(joh)

   
Sludgefeast
Shitrock Motherfuckers
(UNDERTOW)
Het hoesje en de naam van deze band doen sludge of doom verwachten, maar niets is minder waar. Een ongelooflijk vervormde garagepunksound is wat we in de maag krijgen gesplitst. Het eerste nummer hebben ze speciaal voor de jonge kinderen redelijk proper en weinig overstuurd opgenomen, kwestie van een goede indruk te maken. Daarna volgen tien nummers die in één namiddag op de band werden gezet, in een echte studio! En daar zijn ze fier op. Alleen al omdat ze erin zijn geslaagd hun muziek zo overstuurd te doen klinken én live in één ruk op te nemen. Denk aan Gaunt ten tijde van de magistrale single ‘Jim Motherfucker’ en ook aan de ruige, vlotte en even aanstekelijke nummers van de machtige Oblivians. Deze band schudt wereldnummers uit de pols alsof het niets is. Als we hun eigen grootspraak mogen geloven, namen ze op die bewuste namiddag honderd nummers op, maar met de tien die hier staan te blinken, zijn we al heel tevreden. Daarna volgen nog een vijftal, voor ons behoorlijk overbodige, instrumentaaltjes. Om vervelend te doen heeft Sludgefeast de bijgeleverde info in een onmogelijke kleurencombinatie en een niet te lezen lettertype gezet. ‘Shitrock Motherfuckers’ blijkt daarenboven een conceptplaat te zijn, waarbij alle nummers gebaseerd zijn op voorhistorische videospelletjes. Schitterende lo-fi shitrock is dit, twintig minuten lang of wat had je gedacht? Dat Sludgefeast lange nummers speelde? Wanneer je de cd in de pc dropt, krijg je nog twintig extra mp3s. Op de website van de band is daarenboven een internet-only single te downloaden. Doen! (www.sludgefeast.com)(pb)

   
Soweto Kinch
A Life in the Day of B19. Tales of the Towerblock
(RUB RECORDINGS/LOWLANDS)
Een wit cd-schijfje met daarop Soweto Kinch. Geen hoesje, geen verdere informatie. Geïntrigeerd stop ik de cd in de lade en duw op play. Een vrouwenstem begint een verhaal te vertellen. Over 3 jongeren uit Birmingham die in dezelfde flat wonen. Over hun dromen en ambities. Als haar verhaal afgelopen is start een ongelofelijk lekker groovend jazznummer. Instemmend geknik in de huiskamer. Dit klinkt lekker. Nummer drie begint en – wacht eens even – is dit nog dezelfde cd?, vette beats, een rapper die zich met moeite niet in zijn woorden verslikt. Hiphop. Al komt die mooie altsax die ons in het tweede nummer was opgevallen nog eens terug. Als het vierde nummer terug pure jazz blijkt te zijn is de verrassing al wat weggeëbd. Wat overblijft is genieten. Van ieder nummer op deze ‘A Life in the Day of B19. Tales of the Towerblock’, of het nu pure jazz is of meer een hiphopnummer. Soweto Kinch is een jonge jazzsaxofonist die ook zwaar beïnvloed is door hiphop. En net daar ligt het verschil met de doorsnee hiphopper die al eens iets samplet van een jazzplaat. Soweto Kinch is een jazzman die hiphop in de muziek brengt en niet omgekeerd. ‘A Life in the Day of B19. Tales of the Towerblock’ is trouwens nog maar het eerste deel van Soweto Kinchs conceptverhaal. Het volgende deel, waarvan Kinch beloofd dat het muzikaal nog sterker zal zijn, zal deze zomer al in de winkels liggen.(kp)

   
Sun Dial
Shards Of God
(ACME/CLEAR SPOT)
‘ Shards Of God’ is een retrospectieve in de ware zin des woords. Deze nieuwe plaat van het legendarische Britse psychorockgezelschap Sun Dial bevat namelijk niet alleen een aantal onuitgegeven tracks (het uit 2005 daterende ‘Magic Mountain’ en ‘The Skies Above’ uit 2003) maar ook alternatieve takes en nummers van nu onvindbare singles. Alle nummers kregen een nieuwe mastering, gebaseerd op de originele analoge tapes. Kwestie dat bandleider Gary Ramon er alles wilde aan doen om deze compilatie met een optimaal geluid op de markt te brengen. Het parcours leidt ons doorheen de volledige carrière van de band, startend bij het debuut ‘Other Way Out’ (1990) tot en met hun laatste release ‘Zen For Sale’(2003). Alleen het album ‘Libertine’ krijgt geen aandacht, omdat Ramon niet tevreden is over deze overgeproduceerde plaat. Die komt later dit jaar opnieuw uit, maar dan met de originele rauwe demo-opnames. Als opstap naar de heruitgebrachte platen ‘Other Way Out’ en ‘Return Journey’ (beide op Relapse, zie Gonzo #74) is deze compilatie een schitterend initiatief die de veelzijdigheid van Sun Dial dik in de verf zet. Rauw psychedelische fuzzgitaren in ‘Exploding In Your Mind’ en ‘Ghost Machine’ gaan over in de nog steeds mysterieus klinkende single ‘Nova’, inclusief mellotron. De zachte kant wordt benaderd via ‘Blue Sugar’ terwijl afsluiter ‘Sunstroke / Mind Train’ de uitfreakende psychrockkant van de band toont. Variatie troef dus, met knipoogjes naar Yo La Tengo en Spacemen 3, maar net zo goed refererend aan Pink Floyd. Sun Dial treedt dit jaar aan op Roadburn, maar wie geen kaartje heeft zal moeten wachten op een andere gelegenheid. (www.sundial.org.uk - www.acmerecords.co.uk)(pb)

   
Vieux Farka Touré
Vieux Farka Touré
(MODIBA / WORLD VILLAGE/HARMONIA MUNDI)
Slechts een luttele 4 maanden na het heengaan van de koning van de desert blues , Ali Farka Touré, is zijn oudste zoon Vieux in zijn voetsporen getreden. Het is zijn debuutalbum en tevens een hommage aan zijn vader. Ook staan op deze CD twee stukken, Tabara en Diallo waarin vader en zoon nog samen te horen zijn. Kort voor het overlijden van Ali Farka zijn deze in de studio Bogolan te Bamako (Mali) opgenomen. Om enige schijn te vermijden dat zoonlief onverdiend naar voren wordt geschoven doet Toumani Diabaté ook 2 tracks mee. Vieux is een nog jonge gast die van zijn vader in het leger moest. Maar omdat hij net zo bokkig als zijn vader is nam hij de gitaar ter hand en toog in 1999 tegen diens wens van zijn vader naar het conservatorium in Bamako. Dit om zijn spel op de gitaar te verbeteren. Als Malinees muzikant zit je dan snel op een niveau waar de meeste westerse muzikanten niet aan kunnen tippen. Vieux heeft gezien zijn jonge leeftijd een stem die verassend volwassen klinkt. De verschillende nummers op dit album met verschillende rijke arrangementen doen ook helemaal niet zo jeugdig aan als je zou verwachten voor een debuutalbum. Vieux is al rijp of zijn vader heeft hem hierbij een handje geholpen. Hij opent het album verassend met een meer dansbaar nummer; je zou eigenlijk meer een langzame openingstrack in deze traditie verwachten. Vervolgens zijn de 2e en 3e track zijn vervolgens toch weer traditioneel in een langzame woestijn groove uit de regio. Nummer 4 is echter weer een onvervalste Malinese reggaetrack waar je de jeugd van Vieux in hoort. Vaders’ blues- Songhai- en Malinese traditie word in ere gehouden en ververst. Dit is desert blues anno 2007. (www.myspace.com/vieuxfarkatoure)
   
The High Llamas
Can Cladders
(DRAG CITY/MUNICH)
Soul in een wit jasje, dat is wellicht een van de omschrijvingen voor the High Llamas die hout snijdt. Ook op hun nieuwste plaat 'Can Cladders' komen de mierzoete en soms uiterst gladde arrangementen van het miniorkestje van Sean O’Hagan om de hoek kijken. Over deze klanken heen kabbelen, net als voorheen, de heerlijke vrolijke deunen, die doen denken aan de lieflijke Westcoast-pop uit California. Toch blijft het nog altijd een verrassend gegeven voor een stel Londoners, want de vaste referenties als Burt Bacharach of Brian Wilson zaten toch ietsje dichter bij de bron. Het maakt voor Sean O’Hagan niets uit, want de man voegt met 'Can Cladders' nummer acht aan zijn uiterst constante oevre toe. Het mooie van deze toevoeging is vooral terug te vinden in enkele schitterende nummers, als ‘Bacaroo’, ‘The Old Spring Town’ of ‘Clarion Union Hall’. Herkenbaar, maar toch spannend en beklijvend, qua stijl, melodie en opbouw. Nee, O’ Hagan is nog steeds niet van het juiste pad afgeweken. (www.highllamas.com)(nh)

   

Tokyo Police Club
A Lesson In Crime
(MEMPHIS INDUSTRIES/COOPERATIVE MUSIC)
Larsson
This Is
(ASTRONAUT/MUNICH)
Tijd voor twee groepjes waarbij het vooruit moet gaan. Dus we gaan het kort houden. Hebben we geleerd op een cursus time management. Nadat ze eerder waren gesplit kwam een Canadees viertal weer samen om het ‘post-punk meets indie’-groepje Tokyo Police Club op te richten. Voordat hun debuut officieel werd uitgebracht werden ze door NME al uitgeroepen tot één van de groepen van 2007. Als wij dat zien gaan al onze ingebouwde alarmsignalen al op oranje. Ze torsen dus een zwaar lot en bezwijken eronder. Hip en snel, maar blijvend ? Het lijkt ons niet. Als je één nummer hebt gehoord, ken je de zeven andere ook. Een dreinend orgel, handclaps en een snerpende gitaar. (www.tokyopoliceclub.com). Op hun debuut klinkt het Leuvense vijftal Larsson als een kruising tussen The Strokes en T-Rex. Zit u daarop te wachten ? Hol dan maar naar de platenwinkel. Wij worden er hier ondertussen niet echt warm van. Bij deze plaat geldt dezelfde vuistregel als bij die van Tokyo Police Club. Eén song kennen is de andere negen kennen. Attitude moet je de zanger van dit groepje niet leren. Maar hoe gevaarlijk ben je nog als je het schopt tot groepje van de week in Debby en Nancy’s Happy Hour ? (www.thisislarsson.com). Shit, weer te veel tijd besteed aan het schrijven van deze review. Zo goed was die cursus time management ook niet als we eraan terugdenken. Hij was een uur later gedaan dan gepland. Ongeveer de lengte van deze twee plaatjes samengeteld.(mt)

   

Tokyo Sex Destruction
Singles
(OVERCOME/SONIC RENDEZ-VOUS)
The Chimney Brothers
Mick Jagger ‘Had Italian Drugs’
(MUZE/SONIC)
Shortstack
The History Of Cut Nails In America
(GYPSY EYES)
Barcelona zendt zijn zonen uit. Gelukkig zijn ze niet met zoveel als de hype I'm From Barcelona (die dan nog eens uit Zweden blijken te komen), anders zouden we een invasie vermoeden. Knuppels zijn het wel, recht uit een achterbuurtgarage. Rock-’n-roll met een punky attitude met een surfje hier en daar (omdat het water zo aanlokkelijk bleek) is wat de band ons voorschotelt op hun veel te lange plaat. Kort en krachtig, dat verwachten we van een plaat die punkrock hoog in het vaandel voert. Oeverloos geëmmer is niet waarop we zitten te wachten. En dit is dan nog een verzamelaar van hun singles. Dat voorspelt weinig goeds voor een regulier album. Hier en daar duikt wel een lichtpuntje op. Het met jazzy elementen doorspekte ‘When The Shadows Cross The River’, de bossanova van ‘Summer Days’ en het aan The Make-Up herinnerende ‘Your Best Friend Is Dead’ zijn in elk geval leuk. Een beetje soul geeft extra cachet en ook de covers van Music Machine en Los Canarios kunnen ermee door. En toch, we hebben nog steeds geen Spaanse band gehoord die de Basken van Pleasure Fuckers ook maar in de verte evenaart. The Chimney Brothers bestaan uit vier Amsterdammers die weliswaar hun inspiratie haalden uit de jaren 1950 maar vergaten een beetje rauwe wildheid aan hun bluesy garagerock toe te voegen. De liedjes die op dit schijfje staan te pronken zijn helemaal niet slecht hoor, ze zijn mooi geproduceerd en zitten goed in elkaar, maar zo braaf, jongens toch. We dachten in eerste instantie met een schoolbandje te maken te hebben dat ouders en directie moest overtuigen van hun goede wil. Een beetje surf, een beetje country en een ballade houden de boel niet overeind, net zo min als de vele covers, waaronder ‘I’m All For You’ van André Williams en ‘Arabesque’ van Henry Mancini. Alleen op te zetten bij theevisite met gevoelige oren. Het amper veertig minuten durende tweede schijfje van het Amerikaanse Shortstack (Allentown, Pennsylvania) is dan een stuk leuker om naar te luisteren. Ruig klinkt de band nergens, maar hun eigenzinnige mix van rockabilly en country werkt wel. De band kiest ervoor om grotendeels instrumentaal te blijven en doet bij momenten wat denken aan een rustige versie van The Stray Cats. Openingsnummer ‘Wiseblood’ is gebaseerd op de boeken van Flannery O’Connor en handelt over geloof, de hel en verdoemenis in het Zuiden. De onderbuik van de Amerikaanse cultuur dus, in een countrybillyjasje gegoten. ‘Man In Love’ is een geslaagde cover van het origineel van Charlie Feathers, een man die net als Merle Travis een duidelijke stempel op Shortstack zet. Eerlijke muziek is dit, heerlijk achteroverleunen terwijl ze het over andermans miserie hebben. Enig nadeel aan deze plaat is dat ze nergens de aandacht naar zich toe trekt, maar rustig op de achtergrond voortkabbelt, de staande bas ten spijt. ‘The History Of Cut Nails In America’ is gewoon een lekker schijfje voor een zompige zomerdag. (www.overcomerecords.com - www.muze-records.nl - www.sonic.nl)(pb)

   
Trypanosoma
A Study In Power
(ECHOMUSIC)
Het cdtje van Trypanosoma (slaapziekte) is jammer genoeg slechts op 150 exemplaren uitgebracht. Kwaliteit wordt niet altijd beloond met een gewone release, dat is bij deze duidelijk. Trypansoma is een duo bestaande uit Stylianos Tziritas and Makis Papassimakopoulos, die samen musiceren sinds 2004. Daarnaast zijn ze allebei in diverse projecten actief geweest. Het schijfje bevat zes nummers, opgenomen in één sessie op een zomernacht in 2006, zonder overdubs en real time mixing zoals het hoesje er trots bij vermeldt. Gastbijdrages zijn er van Kostas Stergiou die Fender Rhodes bespeelt en Hedwige Hurel zorgt voor zwoel klinkende, Franse spreekzang. ‘Matchlock’ opent met de bekende ‘Für Elise’- melodie waarna ook nog het popliedje ‘Toute Ma Vie’ op een knettergekke manier wordt verhaspeld. Vanaf ‘Red Sky In The Morning’ komt een diepe beat om de hoek piepen, geruggensteund door klarinet, tenorsax, groovebox, bas, theremin en breekbare rommel. ‘General Staff Study’, een uitgepuurde drone die na een paar minuten door blazers aan flarden wordt gereten, klinkt als de soundtrack bij het existentialisme van Sartre en Camus. In de tweede helft van de plaat komen alsmaar meer beats het klankenpalet verrijken, culminerend in afsluiter ‘A Tzagra Can Stll Kill An Arrogant Artist (That’s Why I’m Using It)’, die als een clubtrack voor gedeformeerden klinkt. ‘A Study In Power’ is experimentele elektronica met herkenbare beats voor slapeloze nachten (www.echomusic.gr)(pb)

   
Various Artists
Antilounge 4
(BAF SOUNDSYSTEM/(EIGEN BEHEER))
Keihard gaan ze in Den Haag. Ze zijn inmiddels aan deel vier van de serie Antilounge bezig, een verzameling van de Haagse elektronica. Den Haag biedt inmiddels het beste aan elektronica wat er in Nederland te vinden is. Wie het niet gelooft moet het hier maar eens naluisteren, of op de voorgaande delen van Antilounge. Divers is het in ieder geval, Charly & Gallus maken sterke dubstep, Sobcheck imponeert met energieke elektronica 2562 aka Dogdaze borduurt leuk verder op een Mr. Oizo-geluid, Thye bombardeert de luisteraar met verzengende breakcore en Star-Kid gaat lekker retro. Misschien halen ze het talent daar uit de zeewind, dan is het te hopen dat die uit westelijke richting blijft waaien en dat de kwaliteitselektronica zich zal verspreiden over de rest van het land. (www.bafsoundsytem.com)(avdh)

   
Various Artists
Grannittin
(ESC.REC./(EIGEN BEHEER))
Grannittin is een briljant idee. Voor het beeldende kunst project ‘Mevrouw De Vries’ werden bejaarden uitgenodigd om objecten uit hun leefomgeving op ware grootte na te breien. Tijdens een van deze sessies nam Robert Witt het geluid van de breinaalden op met behulp van contactmicrofoons. Live bewerkte hij dit geluid tot muziek. En zo worden breipatronen muzikale patronen. Dankzij vele enthousiaste remixers is het mogelijk om 2 cd’s te vullen met interpretaties van de originele brei-opnames. Staplerfahrer doet dat zacht en minimaal, Goem gaat voor een strak patroon, Xaf duikt de jungle in, Transfolmer breit er een gitaargeluid aan vast, Maga laat de pennen avontuurlijk tikken, er zijn maar liefst twee sterke breiwerkjes van Toxic Chicken te horen en bij slo-fi is het bijna funky te noemen. Een mooi project, met een dito bijproduct want de cd’s worden gevat in een gebreid hoesje. (www.escrec.com/robertwitt)(avdh)

   
Various Artists
Springs, RE:Makes And Mixes of RF
(ODD SHAPED CASE/LOWLANDS)
Bezig baasje Ryan Francesconi leek het een goed idee om materiaal van zijn drie vorige albums “Views of Distant Towns”, “Falls” en “Interno” te laten bewerken en remixen door bevriende artiesten. RF zoals hij zich laat noemen is een multigetalenteerd artiest afkomstig uit San Francisco. Naast muzikant is hij ook computerprogrammeur. Hij ontwierp onder andere de in de duistere elektronicamilieus bekende softsynth Spongefork. Eén van de eerste programma’s die toeliet om makkelijk te improviseren met elektronische muziek en computers. In zijn muziek wil hij zijn organische klanken aanvullen met veldopnames, spannende elektronica en een popgevoel. Aangezien hij een voorkeur heeft voor muziek uit de geteisterde Balkan speelt hij niet alleen de typische Westerse instrumenten maar ook bouzouki en kaval. Zijn zeer precieze, subtiele muziek wordt hier met wisselend resultaat onder handen genomen door onder andere .Tape., Sora, RDL en Midori Hirano. Het resultaat is een donkere ambientplaat vol subtiele zachtjes in de ziel snijdende nummers. Een ziel die gekweld is maar ook licht toelaat. Een boeiend experiment van een al even boeiende persoonlijkheid. (www.are-f.com)(mt)

   
Villains
Drenched In The Poisons
(AURORA BOREALIS/BANG!)
Desecrator, Killusion, Teeth, Witchwhipper en Nightstriker vormen sinds 2004 het uit New York City afkomstige deathpunkgezelschap The Villains. Bestaande uit leden en ex-leden van bands als Unearthly Trance, Thralldom, Cattlepress, Hemlock en The Dying Light bedelft dit agressief uit de hoek komende kwartet ons onder een portie klassieke death annex grind dat herinneringen oproept aan klassieke bands als Venom, Darkthrone en Eyehategod. Lomp, vunzig, wild om zich heen slaande, gedeformeerde mokerslagen worden in een hels tempo afgevuurd. Soms lijkt het wel alsof Antiseen, vaandeldraagers van The Confederacy Of Scum, hun versie van grind aan het neerzetten zijn. De acht nummers in amper een half uur handelen over zuipen, geweld, drugs, gewillige dames en nog veel meer zuipen. Alleen sommige stukken zang die zozeer de hoogte ingaan dat we denken met Rob Halford (Judas Priest) te maken te hebben, ontsieren deze anderszins schitterende aanval op ons brave zieltje. Gooi wat flessen tegen de muren, gooi jezelf in de brokstukken en zet ‘Torture Is Too Kind’ nog eens op.(pb)

   
XCor
Evolution
(SONIC SOUL)
De naam van het Tilburgse Psychick Warriors ov Gaia heeft nog steeds een bijzondere klank. In 1994 verlaat Robbert Heynen deze band en gaat hij muzikaal verder onder de naam Exquisite Corpse, hij wordt in dit project bijgestaan door Debbie Jones. Nu is er onder de noemer Xcor het album waar de twee in 1996 mee bezig waren toen hun platenlabel failliet ging. Het album met de titel ‘Evolution’ werd niet uitgebracht en Debbie Jones stierf helaas al in 2005. Op het Sonic Soul-label wordt tien jaar later dan toch het album uitgebracht. Dankzij niet-westerse invloeden en geluiden weten de twee een zelfde soort trance op te wekken als de techno en house dat kunnen, de muziek van Xcor heeft echter een heel andere sfeer dan voornoemde stijlen, terwijl ze er ook dicht bij in de buurt blijven. De associatie die deze invloeden bij velen toch oproept is die van mythe en duisternis. Dat geeft dit album, dat iets aan de lange kant is, een speciaal randje. Goed dat het album er uiteindelijk toch nog gekomen is. (www.sonic-soul.ca)(avdh)

   
Yes Boss
Look Busy
(DANCE TO THE RADIO)
Achter de naam Yes Boss schuilen twee lads uit Leeds. Noah Brown en Gavin ‘Gavron’ Lawson brengen op ‘Look Busy’ een smakelijke cocktail van hiphop, grime en een scheutje elektro. In Groot-Brittanië worden ze door een aantal journalisten al als the next big thing voorgesteld. En we moeten toegeven sommige van de nummers hebben wel degelijk potentieel. Deze plaat zal het zeker goed doen op de dansvloer. Maar de nieuwe ‘The Streets’? Doubtful lads. Qua rapstijl zit Noah wel dicht in de buurt van Mike Skinner. Dezelfde slepende rhymes over ‘birds en booze’, alleen het dialect klinkt een tikkie anders. De heren komen immers uit het Leeds, het noorden van Engeland. De cd opent sterk, maar 'Yes Boss' kan het niveau helaas niet de hele plaat volhouden. Ergens halfweg zakt alles wat in elkaar. Een paar ongeïnspireerde middelmatige nummers halen ons cijfer flink naar beneden. Met dit materiaal had men een leuke debuut-ep kunnen samenstellen.(kp)

EXTRA RECENSIES GONZO #79
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo #79

The Besnard Lakes
The Besnard Lakes are the Dark Horse
(JAGJAGUWAR/KONKURRENT)
Jace Lasek heeft samen met zijn lief Olga Goreas enkele jaren geleden een schitterende plaat gemaakt met de titel ‘Volume 1’. Daar is nu vervolg op gekomen. Niet echt Volume 2 te noemen, maar een verruiming van het geluid en nog meer op zoek naar spanning in rust. Denk aan de rust van Low of aan Pink Floyd ten tijde van ‘Wish You Were Here’. Een mix van Slowcore en Postende Rock om het in stijlen uit te drukken. Dit Canadees duo heeft zich bij laten staan door een groot aantal muzikanten die allen een rolletje spelen in de muzikale uitbarsting van en rondom Montreal. Toch valt the Besnard Lakes op The Besnard Lakes Are the Dark Horse behoorlijk uit de boot vergeleken met streekgenoten Stars, Islands, Arcade Fire of Godspeed. ‘Rides the Rails’ doet zelfs heel erg denken aan de licht-psychedelische pop van Jefferson Airplane. Het duurt soms even voordat het kwartje valt, maar dan weet je het ook zeker: een intrigerende plaat. (www.thebesnardlakes.com/)(nh)
   
Bent Object (DVD)
[Foam]
(FOTON)
Met de release van de DVD ‘In Human Format’ brengen Bent Object en [Foam] een neerslag van hun samenwerking. Bent Object is de samenwerking tussen de Nieuw-Zeelandse danseres en zangeres Susane Bentley en de Belgische elektronicamuzikant Peter Van Hoesen, lid van het Fotoncollectief en een deejay met faam. [Foam] op hun beurt zijn het videocollectief rond Nik Gaffney en Mja Kuzmanovic. Op ‘In Format’ brengt het viertal een intrigerende inkijk in hun werk. De twaalf stukken glijden soepel in elkaar over, soms is er een vage link tussen de verschillende stukken, maar meestal staan ze los van elkaar. Geluid en beeld vallen vaak samen en spelen in bepaalde stuken mooi op elkaar in en refereren op die manier aan het werk van Coldcut die met hun videomixing een bescheiden revolutie ontketenden. Wat ‘In Human Format’ boeiend maakt is de snelheid waarmee alles voorbij glijdt en hoe men kleine technieken dingen suggereert en de verbeelding stimuleert. Kleurlagen worden weggeschrapt tot een vaag beeld overblijft dat op zijn beurt vervliegt of een vage schim ontvouwt zich tot een postmodern bewegend schilderij. Ook de muzikale bijdrages van Peter Van Hoesen zwermen alle richtingen uit. Nu eens is hij met zijn antiritmische patronen schatplichtige aan het Warplabel, dan weer dompelt hij de luisteraar/kijker onder in een bad vol elektronische noise, terwijl het slotnummer klinkt als een nummer van Orbital dat in een breakcoreversie een tweede leven krijgt. DVD’s van dit kaliber worden in groten getale op ons losgelaten en houden vaak niet lang stand. ‘In Human Format’ is een uitzondering op die regel en kan het uur soepel rondmaken. Mooi werk. (pds)
   

The Bullfight
One Was A Snake
(LIVING ROOM RECORDS/KONKURRENT)
Excon
Excon
(ZABEL MUZIEK)
Tijd voor twee jonge, Nederlandse bands die naarstig aan de weg timmeren. De eerste is The Bullfight uit Rotterdam. Yep, de connotaties met rode lappen en stieren gaan we achterwege laten. Maar toch een groep om in de gaten te houden. Als was het maar omdat de stem van de zanger bij ons vage herinnerin