EXTRA RECENSIES GONZO #80
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo #80

Alabama Thunderpussy
Open Fire

Dying Fetus
War Of Attrition
(RELAPSE/SUBURBAN)
Uit Richmond, Virginia komen ze, de rockers van Alabama Thunderpussy. Sinds het ontstaan van de band is het een gaan en komen van zowel bassisten als zangers en ook bij hun nieuwe album is het weer van dat. Waar op voorganger ‘Fulton Hill’ nog behoorlijk wat southern rock invloeden waren te horen, zijn die na de komst van zanger Kyle Thomas, die eerder zijn sporen verdiende bij Exhorder en Floodgate, helemaal verdwenen. In de plaats komt behoorlijk traditionele heavy metal, met whisky doordrenkte Thin Lizzy-hardrock en Judas Priest-uithalen. Grote namen om tegen op te boksen natuurlijk. De match is dan ook verloren alvorens de plaat begint. Wat een bagger. Hoe we er zijn in geslaagd om deze plaat uit te luisteren, we zijn er nog niet goed van. Mensen die wel iets zien in Wolfmother kunnen nu naar de winkel. Geef ons maar het nieuwe, langverwachte werkje van death metal-boegbeelden Dying Fetus. Sinds het debuut ‘Infatuation With Malevolence’ uit 1996 bouwt de band rond zanger/gitarist John Gallagher gestaag aan zijn doodsweg die hen inmiddels ter hoogte van instituten Cannibal Corpse, Suffocation en Nile heeft gebracht. Steil achterover vallen we van de stevige mokers die Dying Fetus uitdeelt allang niet meer. Daarvoor verandert het geluid te weinig. Degelijk blijft het wel natuurlijk, alle acht tracks steken ver boven de middelmaat van het genre uit maar missen een tikje originaliteit en vernieuwing om echt te blijven boeien. ‘War Of Attrition’ is gewoon een ijzersterk death metal album zoals er nog wel enkele zijn. (www.relapse.com)(pb)

   
Anti-Delusion Mechanism
Eugenix
(HOLISPOLIS)
De creatie van een lichamelijke en geestelijke Übermensch die genetisch gemanipuleerde voeding vreet, ziedaar het nieuwe concept van het kunstcollectief Anti-Delusion Mechanism. Dead Fish Fuck zorgt voor een achtergrond van elektronische geluidsexperimenten en vervormde stemmen, en Vilborg Skrot levert de genetisch gemanipuleerde vocalen. De stemmenkust heeft raakpunten met de typische stijl van de klassieke boze vrouw (denk Diamanda Galas of Lydia Lunch), maar komt qua timbre dichter in de buurt van Nina Hagen of een heks uit een oude Disneyfilm. De sfeeropbouw (droom wordt nachtmerrie) is gemarineerd in een massa stemeffecten, en roept herinneringen op aan ‘In Menstrual Night’ van Current 93. Ook het artwork (een geplooide A3 poster) is een gemuteerde collage van muizen met babyhoofdjes en kruisingen tussen bodybuilders en insecten. Kortom, voldoende overtuigend beeldmateriaal om onze kleine lichamelijke gebreken weer een tijdje te relativeren. (www.antidelusionmechanism.org)(pv)

   
Bexar Bexar
Tropism
(OWN RECORDS/KONKURRENT)
Op 'Tropism' werkt het illustere Bexar Bexar in de richting van Ry Cooder ten tijde van 'Paris, Texas'. Het verschil tussen Cooder en Bexar Bexar is de eventuele film die op de achtergrond te zien is. Of waar de muziek voor gebruikt wordt. Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Zie je bij Cooder één van Wim Wenders’ meesterstukken; bij Bexar Bexar zou je eerder aan een film over Cubaanse vissers denken of aan een verfilming van ‘The Life Of Pi’. Rustgevend wordt er op de akoestische gitaar getokkeld, maar de vele soundscapes om het gitaargeluid heen, geven deze tweede volwaardige plaat van de geluidskunstenaar uit Austin tot een beklemmend geheel. Vol dramatiek, verbeeldingskracht en emotie; iets wat behoorlijk prijzenswaardig is. (www.westernvinyl.com/bexar.htm)(nh)

   
Glyn Bailey
Songs From The Old Illawalla
(GLYNB MUSIC)
Dit is er eentje waar we niet goed van weten wat er mee moeten aanvangen. Bevalt dit plaatje ons eigenlijk wel? Kunnen we er iets mee? Hebben we behoefte aan een kruising van David Bowie, ten tijde van ‘Diamond Dogs’, en Divine Comedy? De betere liedjes van Ray Davies en The Kinks schieten ons ook nog door het hoofd, maar of we die goed vinden? In elk geval, dit is de opvolger voor ’s mans debuut ‘Toys From Balsa’ uit 2005. Hij speelde voor zijn solocarrière in de lokale scène van Lancashire in een aantal onbetekenende bandjes waardoor hij al snel verkoos het in zijn eentje te proberen. Op een aantal tracks wordt hij wel muzikaal bijgestaan, maar in essentie componeert, arrangeert en musiceert Glyn Bailey in zijn uppie. Echte liedjes, verhaaltjes over het dagdagelijkse leven, over de dingen die de man ontroeren of storen, gestoken in een singersongwriterjasje. Of zaken die hem intrigeren. Kannibalisme bijvoorbeeld, of John Lennon en Yoko Ono die in hun bed liggen. Hier en daar voegt hij een countryriedeltje of een catchy popmelodie toe, met als resultaat een album vol kunstzinnig aandoende popfolk. Uitschieters staan er niet echt op. Het schijfje draait gezapig zijn rondjes, de liedjes gaan er vlot in en we zoeken in onze vinylcollectie naar die Bowie-platen en proberen ons te herinneren hoe T-Rex ook alweer klonk, want zou dat niet ook een referentie kunnen zijn? Na een paar keer luisteren weten we nog steeds niet of we dit een goed, mooi of ergerlijk plaatje vinden. We proberen het binnen een paar maanden nog wel eens, wie weet wordt het wel onze zomerplaat. (www.glynbailey.com)(pb)

   
Balkan Beat Box
Nu Med
(CRAMMED/COAST TO COAST)
Ze worden overal geroemd: Balkan Beat Box, pioniers van de zogenaamde Gipsy Rock. Samen met onder andere Gogol Bordello maken ze deel uit van een beweging die tegenwoordig veel zalen in Nederland op stelten zet. Balkan Beat Box is erg leuk als je van een lekkere live band houdt. Want muzikaal gaat hun verhaal namelijk nergens over. Ook het gros van de tracks van dit tweede album zijn in nuchtere staat bij vlagen pakkend, interessant qua samenspel of consistent in een of andere stijlvorm. Er zitten een heleboel leuke muzikale ideetjes en ingrediënten in deze muziek: sampletjes, elektronische beats, surfrockgitaar, Marokkaanse ritmes en zang, raps met een Duits accent, Bulgaarse vocalen en daarnaast een volledige bandbezetting. Bij elkaar gehusseld klinkt bijna elke track na één minuut zo obligaat als de pest. Twee tracks van dit album, nummer drie en elf, staan muzikaal als een huis. Ik wist echter niet hoe snel ik door de andere tracks heen moest zappen. Geef mij maar echte collagemuziek. Op 31 Mei speelt Balkan Beat Box in de Melkweg. (www.balkanbeatbox.com)(ht)

   
Bjørn Berge
I Am The Antipop
(SKYCAP/ROUGH TRADE)
De gespierde en vol getatoeëerde Noor Bjørn Berge heeft een nieuwe plaat uit, zijn achtste alweer, waarop we ook nu, net zoals op het podium, de combinatie gitaar/ruwe stem/ritme te horen krijgen. Of gedetailleerder gesteld: een akoestische 12string gitaar, een stampende voet en een bariton om u tegen te zeggen. Op het podium brengt Berge geregeld niet voor de hand liggende covers, liedjes die hij transponeert naar zijn eigen, door fjorden omringde, bluesuniversum. Veel van die nummers haalden tot nu toe het plastiek niet, maar Berge besloot daar iets aan te doen en vult meteen een volledige cd met covers. Hij zette de nummers zo erg naar zijn hand, dat het toch wel enkele tracks duurde alvorens we door hadden dat we hier met covers van doen hebben. Het is een prestatie op zich, al moet gezegd dat we zelf niet alle originele nummers tot ons erfgoed kunnen rekenen. En Berge brengt de liedjes met verve én humor. ‘Suck My Kiss’ van Red Hot Chilli Peppers bijvoorbeeld is tegelijk heftig, grappig en bluesy. En er staan er nog zo op, want Berge kiest vooral rockklassiekers om door de mangel te halen. Openen doet hij met de bommenregen van Rage Against The Machine (‘Testify’), en verder moeten Led Zeppelin, Bonnie Raitt, John Campbell, Audioslave, Morphine en Primus eraan geloven. Sommige makkelijk te herkennen, andere dusdanig naar zijn hand gezet dat het goed is dat we worden meegedeeld dat het om een cover gaat of we zouden het nooit hebben geweten. Doorgebroken in 2002 met de briljante schijf “Illustrated Man’ en zijn status bevestigend met ‘St. Slide’ uit 2004 zal Berge met dit coverschijfje ongetwijfeld nog meer zieltjes weten te winnen. Benieuwd welke tatoeage hij voor deze plaat heeft laten zetten. (www.bjorn-berge.com)(pb)

Bromheads Jacket
Dits From The Commuter Belt
(MARQUIS CHA CHA)
Punkrock uit Sheffield, jawel, en nog goeie ook. Het trio met als boegbeeld wildeman Tim Hampton, die meermaals zijn gitaar aan gort slaat en met bebloed voorhoofd van het podium stapt na alweer een wild rock’n’rollfestijn, probeert ons een geweten te schoppen. Rake observaties, een vet accent, korte nummers en bijna vertelde monologen maken van Bromheads Jacket een heftige versie van Mike Skinner’s The Streets. Geen dronken gebral maar een wilde rockshow is wat deze band op een podium neerzet. Op plastiek werkt het geheel iets minder, omdat niet alle nummers even sterk in elkaar zitten. De dertien nummers hebben wel iets, maar er ontbreekt altijd wel iets, al is het niet eenvoudig om die zwakke plek in woorden om te zetten. De sociorealistische teksten krijgen een heftige bas en razende drums over zich heen, heftige gitaarerupties larderen het geheel tot een noisy modderfeest, maar nergens komt de band ook maar aan de enkels van de door hen zelf verafgode bands Jesus Lizard en The Melvins. Om eenvormigheid te voorkomen gooit het trio na elk kwartet doordenderde punkrock een traag nummer in de mix, tijd om even bij te komen alvorens het gaspedaal weer wordt ingetrapt. Maar net deze balladekes zijn de zwakste nummers van de plaat. In hun beste doen horen we de singles ‘What Ifs + Maybes’ en ‘Woolley Bridge’. Zelf verkiezen we de track ‘He Likes Them Airbrushed’, over de ergernissen over een nieuw lief dat blijkt te snurken en winden a volonté laat in haar slaap. Hilarisch. Het debuut van Bromheads Jacket is kortom een halfslachtige poging van een band met voldoende potentieel om ons de volgende keer helemaal te overtuigen. (www.bromheadsjacket.com - www.marquischacha.co.uk)(pb)

   
De Bronstgieters
Doos Where The Days
(ESC.REC.)
Omdat de rammelpop van de Bronstgieters (Kampen 1987-1993) weg van teruggeweest is, permitteert Esc.Rec. zich een stilistisch zijstapje van elektronische experimenten naar oerhollandse lowbudget theaterpunk. De heren kunnen niet spelen en daar zijn ze fier op. Toch valt (eerder toevallig) alles mooi samen tot ondergrondse Nederpop met punkinvloeden en onzinnige vocalen. Van pure repetitiehokflauwigheden (een ode aan de geluidsman) tot sarcasme (oma, ik gooide je echt niet expres de trap af). Zoals altijd bij humoristische muziek verkiezen we kleine dosissen geluid (tegenover grote hoeveelheden drank) en lange rustpauzes tussen de draaibeurten. In elk geval vormt dit bronstige geluid een bijzonder kleurtje in het Nederlandse muziekpallet. Uniek genoeg voor Esc.Rec. om voor deze retrospectieve (live opnames en cassettetracks) te investeren in de vreemde combinatie van een eenvoudige cdr in luxueus artwork (een elpeehoes met tal van lollige bijlagen). (www.escrec.com)(pv)

   
Deerhunter
Cryptograms
(KRANKY/BANG!)
Deerhunter komt met het bonte Cryptograms op de proppen. Het is hun tweede, maar deze plaat is hun debuut op Kranky. Bont is het in de zin van veelzijdig aan verschillende stijlen. Hier en daar vliegen de doomende klanken van de jaren ’80 voorbij, maar verderop komen de geluiden die je van het label gewend bent. Uitgesponnen en langgerekte passages en die vullen ze aan met uitschieters naar de Ambient, Postrock en Psychedelica. Live klinken de vrienden van the Yeah Yeah Yeah’s, Mouse on Mars en Liars boeiender en nog meer geïnspireerd dan op Cryptograms; een plaat die bij vlagen behoorlijk veel van de luisteraar eist. En een plaat die door midden kan worden geknipt. De eerste helft is, net zoals de tweede helft in één dag opgenomen, maar met een lange pauze er tussen. De band heeft tijdens die pauze een verandering ondergaan en werkt meer richting de psychedelica. Maar deze gedaanteverwisseling werkt niet in het voordeel van de band. Sterker nog, het haalt de kracht uit de plaat.(nh)

   

Kris Dane
Songs of crime and passion
(BANG!/BANGDISTRIBUTION)
Roy Santiago
[Broca]
(BADMINTONE RECORDS)
Viking Moses
Crosses
(BROKEN PORCH MUSIC / POP TONES/PIAS)
Kris Dane is een veel geziene gast in de wereld van de Belgische popmuziek. Bijvoorbeeld als voorman of muzikant in 801 kd Concept, Ghinzu of in een vroege versie van dEUS. Maar Dane was daarnaast ook veelvuldig, zij het ietsje dieper onder het oppervlak, actief, bijvoorbeeld bij Ictus. Nu is zijn soloplaat 'Songs of Crime and Passion' uitgekomen en laat weer een ander licht schijnen op Dane. Een vrij ingetogen licht. Want als singer/songwriter is bezig met een trilogie, gebaseerd op identiteit, geïnspireerd op poezie en volgens de regels van de Bijbel. Het levert negen triest getinte nummers op, waar je wel voor moet gaan zitten. Beklemmender is de nieuwe plaat van de Amsterdamse Singer/Songwriter Roy Santiago, die de titel '[Broca]' heeft meegekregen en is uitgekomen op het Utrechtse Badmintone Records. Santiago grijpt, met rustig gitaarspel, dito drums, echo’s en zang, terug op de hoogtijdagen van de slowcore, maar weet net niet datgene te bewerkstelligen wat Lullaby for the Workingclass of Idaho wel konden. Toch heeft het door een goede productie wel de intensiteit die deze klanken moeten bevatten. Lichtvoetiger is de nieuwe van Viking Moses, die op zijn 'Crosses' opnieuw een serieuze variant van het werk van antifolkheld Jeffrey Lewis laat horen. Ook doet het denken aan het vroege solowerk van Adam Green. De teksten komen niet verder dan het niveau van de rijmelaarij, maar gaan over allerhande dingen waarover een flanourist denkt en schrijft. Interessante plaat, dat wel, maar je gaat je wel afvragen wanneer Viking Moses het idee krijgt dat het ook een keer genoeg is geweest. (www.krisdane.com, www.myspace.com/roysantiago, www.vikingmoses.tk)(nh)

   

Dolly Rocker Movement
A Purple Journey Into The Mod Machine
The Pink Fits
Fuzzyard Greybox
(OFF THE HIP/CLEAR SPOT)
Amper een half jaar na het debuut ‘Electric Sunshine’ komt Dolly Rocker Movement (Sydney, Austalië )aanzetten met de opvolger. Op de eerste helft van de plaat horen we het trio aan het werk. Op het beste nummer ‘Yell It Like It Is’ horen we gastzangeres Penelope Jane het nummer naar ongekende hoogtes kwelen, Beasts Of Bourbon waardig. Op de spacey opener na horen we op kant A vooral aan The Kinks schatplichtige psychpop met een snuifje garage en folk. Niet bijzonder, maar ook niet slecht, op dat ene nummer na dan. Op kant B horen we alleen Dandelion, gitarist, zanger en multi-instrumentalist van het trio, aan het werk. Het geluid neigt nog meer naar psychedelica en ook het niveau van de liedjes is gemiddeld iets beter dan de eerste helft van de plaat. Ze bevatten ook iets meer keyboards en zijn minder mistroostig. Dandelion is duidelijk en ongetwijfeld het brein achter deze band, die op zijn zwakste momenten denkt dat we nog steeds in de jaren 1960 van de vorige eeuw leven en in zijn beste momenten aangename luisterpop weet te produceren. The Pink Fits uit Wollongong, Australië, gaan er een stuk ruiger tegenaan. Mondharmonica in het bakkes en wild fuzzende gitaren geven er meteen een stevige zuiplap op. Lenny, ook actief bij Tumbleweed, trekt stevig de van whisky doordrenkte fuzzkar en neemt zijn drie onervaren kompanen meteen mee op een reis door garageland. Gelijke hoeveelheden rhythm & blues, garagepunk en trash zorgen voor een sound zoals The Celibate Rifles die in hun begindagen hadden. Elf nummers staan er op dit schijfje, opgenomen in vier uur tijd, wat de rauwe energie en het ongepolijste geluid meteen verklaart. Halfweg de plaat wordt wat gas teruggenomen om een aan The Rolling Stones verwant ‘Whistling Disco’ neer te zetten, maar daarna worden de pedalen weer ingedrukt, al zijn het in het geval van ‘Why? (Don’t Ask) de wahwah-pedalen die worden vergezeld van een wild koortje. Voor het overige: veel overdonderende fuzz waar veel garagebandjes stikjaloers op kunnen zijn. (www.offthehip.com.au)(pb)

   
The DT’s
Filthy Habits
(GET HIP/CLEAR SPOT)
The DT’s komen uit Bellingham, Washington, de plaats waar ook het label Estrus van Dave Crider resideert en waar diezelfde Crider een aantal gedenkwaardige platen maakte met zijn band The Mono Men. We vinden hem nu terug in deze band, alwaar hij de qua stem en uitstraling aan Janis Joplin en Tina Turner (ten tijde van Ike & Tina Turner Revue) refererende ferme madam Diana Young-Blanchard bijstaat met zijn inventieve gitaarspel. De drums van Phil Carter en de bas van Scott Greene hebben vooral een ondersteunende functie om de soul in de punk te houden, waarboven Diana haar uiterst felle keelgat naar de voorgrond kan schreeuwen. Met productionele hulp van legende Jack Endino (de koebel hanterend op één nummer), die eerder al voorganger ‘Nice’N’Ruff’ op de band zette, en Johnny Sangster die verdienstelijk werk leverde met bands als The Makers, The Briefs en Mudhoney komen The DT’s op hun derde langspeler met een voldragen soulgeluid. Soul gespeeld door een hardrockband weliswaar, want deze band bestaat niet uit een stel koffiekleurige doetjes. White trash is het. Hard, vol soul en sexy tegelijk rammen ze ons een aantal tracks tussen de benen waarvan onze ballen spontaan aan het grooven slaan. Luister naar het aan de Stax-sound herinnerende ‘Sweet Words’, het instrumentale ‘Star Time’ waaraan alleen James Brown ontbreekt of de trage nummers ‘Red Eye’ en ‘Crowfinger’ en u weet hoe laat het is. Tijd voor een wild feest natuurlijk. (www.gethip.com)(pb)

   
Eats Tapes
Dos Mutantes
(TIGERBEAT6/DE KONKURRENT)
Het ziet er vrolijk én griezelig uit op de hoes van het tweede album van het uit San Francisco afkomstige duo Eats Tapes. Vrolijk vanwege de kleurtjes, eng vanwege de tekeningen van gemuteerden die met apparaten in de weer zijn. Uit de sequencers, synths, drum machines en cassettespelers komt een soort van, eh, gemuteerde techno. Vol bliepjes, die doen denken aan labelgenoten als DAT Politics en strakke tempo's die weer namen als Knifehandchop te binnen doen schieten. De geluidjes uit de Nintendo herinneren weer aan de gekte van DJ Scotch Egg. De muziek van Eats Tapes is uitermate geschikt voor de dansvloer, ze is vrolijk, huppelend, vreemd, en stuit heerlijk. Op een heel album zijn de nummers achter elkaar soms wat vermoeiend (lees: eentonig). Acid komt voorbij, IDM, een vleugje jazz en house zelfs, en dan immer zonder erbarmen gehaald door de mutatiemachines. Er is een gastoptreden van Matmos in het nummer ‘I’ve Become Cretin’’. Een leuk album, maar uitgebracht als afzonderlijke 12-inches zouden de nummers beter tot hun recht komen. (www.tigerbeat6.com)(mvh)

   
The Fucking Champs
VI
(DRAG CITY/MUNICH)
Wat inventiviteit betreft kunnen The Fucking Champs nog veel leren van bands als Isis, van Red Sparowes of van hun vrienden van Trans Am. Subtiliteit, opbouw of veel verschil in dynamiek zit er niet in de muziek van The Fucking Champs. Al jaren niet. En op ‘VI’ is het van hetzelfde laken een pak, namelijk instrumentaal rammen met de botte bijl. Metal en hardrock zoals dat in de jaren ’80 werd gemaakt, soms voordat de speedmetal was uitgevonden, soms na die vinding. Technisch is het allemaal behoorlijk verantwoord, maar dat neemt niet weg dat het wel clichématig is, inclusief de akoestische rustpunten ‘That Crystal Behind You? (Are You Channeling)’ en ‘Dolores Park’. Leuk voor veel fans, maar voor een vierde album wordt het een beetje eentonig. Het lijkt de Champs niet te boeien want en met de gedachte ‘never change a winning team’, beuken ze er weer lekker op los. Misschien moeten ze die gedachte toch eens los laten. (www.thefuckingchamps.com)(nh)

   
Conrad Ford
Don't You Miss Yourself
(TARNISHED RECORDS)
Conrad Ford is de nom de plûme van Andy McAllister. Een singer-songwriter die na een verblijf in Texas terugkeerde naar zijn hometown Seattle. Twee jaar werkloosheid was genoeg geweest voor hem. Daar richtte hij samen met Jordan Walton deze groep op. Deze Jordan Walton is in muziekmiddens een beetje een manusje-van-alles. Hij hielp in het verleden onder andere Damien Jurado bij de opnames van één van diens platen. Daarnaast is hij ook muzikant met een eigen kijk op new country. Deze intense samenwerking leidde tot deze plaat “Don’t You Miss Yourself”. Een plaat waarin ze nog zoeken naar een eigen geluid. Op dit moment klinkt alles nog vrij gewoon, gelukkig zit er hier en daar wel al een leuke vondst in. Maar echt vernieuwend kunnen we het nog niet noemen. Wel goeie plaat om naar te luisteren op de frontporch, onderuitgezakt in je zetel, uitkijkend over het glooiende Texaanse landschap. Howdieee ! (www.conradford.com)(mt)

   
John Foxx And Louis Gordon
From Trash
(METAMATIC/BERTUS)
Het hoesje liet al vermoeden dat we hier met een artiest uit de late jaren 1970, begin jaren 1980 hadden te maken en ook de eerste tonen die we horen als we dit schijfje opzetten, bevestigen dat vermoeden. En we blijken gelijk te hebben als we de bijgeleverde biografie ter hand nemen. John Foxx maakte in een ver verleden namelijk deel uit van newwave grootheden Ultravox. Hij was er de zanger tot hij in 1979 solo ging. Als soloartiest leverde hij meteen een behoorlijk succesvolle elpee af onder de titel ‘Metamatic’. Daarop stonden hitjes als ‘Underpass’, ‘The Man Who Dies Every Day’ en ‘Slow Motion’. Nu de drie eerste werkjes, waarop Foxx de zang verzorgde, van Ultravox (‘Ultravox!’, ‘Ha!Ha!Ha!’ en ‘Systems Of Romance’) pas zijn heruitgebracht, leek het Foxx een goed moment om tien jaar na zijn laatste wapenfeit ook nog eens met nieuw werk op de proppen te komen. Het is zijn vierde die hij samen met electroproducer Louis Gordon maakt, en net zoals op die andere platen blikt Foxx met veel nostalgie terug op zijn gloriedagen. Hij slaagt er echter nergens in om het niveau van zijn solodebuut te halen. De liedjes zijn wel leuk en doen wat denken aan vroege Human League, vroege Depeche Mode en een afgelikte Robert Palmer. Denk ook de eerste exploten van Gary Numan en Orchestral Manœuvres In The Dark of bedenk hoe The Scissor Sisters in 1981 zouden hebben geklonken. Gedateerd en oubollig voor de hedendaagse muziekliefhebber, leuke kitsch voor de nostalgicus, dat is ‘From Trash’ ten voeten uit.(pb)

   
Fucked Up
Hidden World
(JADE TREE/KONKURRENT)
Uit Toronto komt dit Fucked Up ons wereldbeeld bruut verstoren. Het lijkt bij momenten dat onze vrienden van Antiseen net een langverwachte nieuwe langspeler op de markt hebben gegooid. Zo brutaal klinkt deze band, zo urgent dat we dit ‘Hidden World’ nu al tot onze favorieten van dit prille jaar bestempelen en vroegtijdig zijn begonnen ons jaarlijstje te openen. Vijf man sterk is deze uiterst productieve band, die in 2006 maar liefst acht ep’s voor de zwijnen gooide. In de gelederen: een schizofreen en twee gediagnosticeerde depressieven. Niet moelijk dat deze band klinkt als de furieuze versie van The Bronx. Met pseudoniemen als Mustard Gas, Mr. Jo, Pink Eyes, 10.000 Marbles en Concentration Camp zorgen ze voor de nodige controverse, maar verder focust de band zich op zijn muziek. Een soort experimentele hardcore als het ware, met voor het genre atypisch lange nummers. Minpuntje van deze frontale aanval is misschien de lange duur van het schijfje, 72 minuten zelfs, maar vooral drummer Mr. Jo zorgt met zijn onnavolgbaar inventief spel dat de plaat toch niet gaat vervelen. De man komt telkens weer onverwacht uit de hoek en ondersteunt op een doordachte manier de felle zang van Pink Eyes. Hier en daar gooien ze er voor de frivoliteit een koortje of een partij violen tegenaan, om de saus nog wat pikanter te maken. Op ‘Hidden World’ vinden we dan ook geen puberpoppunk terug maar wel oerpunk zoals de Engelsen die eind jaren zeventig in elkaar knutselden, maar dan gespeeld zoals vroege Melvins dat deden. ‘Carried Out Of The USA’, ‘Blaze Of Glory’ en ‘Triumph Of Life’ zijn slechts drie van de dertien knallers die op deze plaat staan te pronken. Wie zijn hardcore graag eenvormig heeft, laat deze plaat gewoon liggen, maar de meer avontuurlijke liefhebber van doordacht extreem geweld haalt met dit schijfje een plaatje in huis dat in 2010 als een klassieker zal worden bestempeld.(pb)

   
The Go Find
Stars on the Wall
(MORR/KONKURRENT)
Getooid met de muzikale charme van Lali Puna en The Postal Service beweegt het Belgische The Go Find zich zonder moeite op het vlak van de indietronica. Al enkele jaren. En op hun nieuwste plaat 'Stars on the Wall' gaan ze weer naar de meest vriendelijke en licht handteerbare variant van de indietronica. Ofwel mooi, ingetogen, maar gaandeweg moeite hebbend om prikkelend te blijven. Met andere woorden, het jammergenoeg typische verhaal van deze stroming. Dat neemt niet weg dat ‘Dictionary’ een grote schoonheid bezit, net als ‘New Year’, die in alle subtiliteit, gek genoeg, doet denken aan de Fleetwood Mac. Waarbij het vooral de bedeesde sologitaar is, die in combinatie met de bas deze associatie oproept. Dat is ook wat 'Stars on the Wall' het meest boeiend maakt: het subtiele. De lijntjes van de gitaar, de sporadische stukken electronica en de schitterende toetspartijen. In ‘Ice cold ice’ komt The Go Find behoorlijk dicht bij de koplopers uit de eredivisie van Morr en dan klinkt de band op zijn best. Als ze een beetje verder van het voorbeeld The Postal Service af gaat zitten, komt het helemaal goed. (www.thegofind.com)(nh)

   

The Glasspack
Dirty Women
(SMALL STONE/BERTUS)
Down River
DR666
(UNDERTOW/SONIC RENDEZ-VOUS)
The Glasspack komt uit Kentucky, Louisville en pleegt een potje stoner met behoorlijk wat invloeden uit de punkrock. Dat laatste is vooral te merken aan de vocalen van frontman “Dirty” Dave Johnson. Muzikaal wordt de basis gevormd door jaren 1970 hardrock, aangevuld met psychedelische jams en southern rock. Dat zou een interessant muzikaal palet kunnen opleveren, maar dat doet het niet. De lange opener ‘Taming Of The Ram’ gaat er nog goed in, maar al bij ‘Fastback’, het daaropvolgende nummer, verslapt onze aandacht. Als de band dan ook nog geregeld een instrumentaal jamstukje in de mix gooit, als aparte nummers dan nog, is deze plaat helemaal om zeep. Het merk mag u trouwens zelf kiezen. Naar het einde toe probeert The Glasspack ons nog te overtuigen met een lange psychedelische jam en een pianoriedeltje, maar helaas, het is allemaal praat voor de vaak. ‘Dirty Women’ past bij een tv-serie als ‘Trailer Park Boys’, onzin zoekt onzin. Down River komt dan wel van een ander continent, Australië met name, maar maakt gelijkaardige muziek. Hun stoner klinkt echter een stuk consistenter en vooral door de superieure baslijnen klinkt hun plaat beter dan het gros van het peloton. Wereldschokkend is het natuurlijk nergens, daarvoor kleurt de band te netjes binnen de uitgezette lijntjes van het genre. In hun biografie verkoopt de band heel wat blabla en probeert een verhaal op te dissen over jarenlang ploeteren in de marge om uiteindelijk tot deze, naar hun eigen mening, fantastische plaat te komen. Grootspraak is de mannen niet vreemd, wat niet verwondert met aliassen als ‘The Colonel’, ‘Sticky Krull’, ‘Rosco Puchanello’ en vooral ‘Lord Hobgoblin Hambone McPentatonic’. Stoner verwordt op deze plaat tot degelijke pubrock. Akkoord, dat kan een leuke zuipavond opleveren maar daarom is dit nog geen goede plaat. (www.smallstone.com)(pb)

   
Brian Groder
Torque
(LATHAM RECORDS)
Hoewel trompettist Brian Groder de rol van bandleider tijdens deze sessie op zich neemt, trekt vanzelfsprekend de naam van oudgediende jazzlegende Sam Rivers op het hoesje de meeste aandacht. Gevestigde waarden uitnodigen op een feestje vormt anno 2007 nog altijd dé methode bij uitstek om de carrière te helpen lanceren. En in dit geval is dat een goede zaak: niet alleen heeft Groder uitstekend materiaal voor het hele album bij elkaar gepend, hij is ook een prima uitvoerend musicus die genoeg ruimte laat aan zijn andere bandleden (Sam Rivers, sax/fluit; Doug Mathews, bas; Anthony Cole, drums) om te schitteren. ‘Torque’ bevat evenwichtige afwisseling – tijdens ‘Iota’ hebben Groders trompet en Mathews’ bas een rustige conversatie. ‘Diverging Orbits’ bevat mooie solo’s van Rivers, Mathews en Cole. De beide ‘Behind the Shadows’-nummers zijn dan weer duetten tussen Groder en Rivers. Kwaliteitsvolle late bop met veel ruimte voor improvisatie die in sommige nummers (b.v. ‘Cross-Eyed’) overgaat in smaakvolle free jazz. (www.briangroder.com)(jv)
   
Kaat Hellings
Wide And Low And Swallow
(WARRELWIND/COAST TO COAST)
Een jonge Vlaamse belofte, afgestudeerd van Herman Teirlinck: Kaat Hellings lanceert zich in de wereld van de singer/songwriters, en kiest met haar trio daarbij voor een ernstige, jazzy invalshoek – op sommige momenten hoor je zelfs invloeden uit kamermuziek van de voorbije eeuw (‘Springtime’ is een goed voorbeeld) binnensijpelen. Kaats muziek is spaarzaam; de sobere bezetting, waarin we niet alleen het pianospel van Kaat Hellings zelf maar ook de klarinet van Joachim Badenhorst en de drums van Yves Peeters horen, zet deze keuze nog extra in de verf. Ondanks alle muzikale breekbaarheid lijkt de plaat niet écht uit het hart te komen. ‘Wide And Low And Swallow’ loopt immers gebukt onder twee problemen: overdreven ernst en monotonie. Bijna alle nummers kenmerken zich door een identieke opbouw en ongedifferentieerde melodieën. De schaarse verscheidenheid tussen de verschillende songs alsook de continue sfeer van plechtigheid en droefenis maakt het beluisteren van de langspeler een moeilijke en onnodig lange zit. Liever zagen wij wat meer dynamiek, en vooral meer afwisseling tussen verdriet en humor, zwaarte en lichtvoetigheid. Als Kaat Hellings gebruik had gemaakt van contrastwerking, kwam haar boodschap waarschijnlijk veel duidelijker over. Haar eerste cd is professioneel gebracht, doch het materiaal is net niet genoeg uitgekristalliseerd. Hopelijk krijgt ze nog een tweede kans. (www.myspace.com/kaathellings)(jv)

   
Jan Delay
,,Searching.....'' - The Dubs
(ECHO BEACH/LOWLANDS)
Een dubversie van het album ‘Searching For The Young Soul Rebels’ van deze Duitser uit 2001. Nou is dub en het bijbehorende woord dubversie de laatste decennia een van de meest gebruikte fenomenen in de muziek geworden, en niet altijd even geslaagd. Dub klonk van oorsprong in Jamaïca namelijk raar, opgefokt, kaal en heftig. Gekte gekoppeld aan creativiteit, waarbij de studio zelf volwaardig muzikant is. Van oorspronkelijkheid blijft op dit album weinig over. Het blijft keurig binnen de lijntjes, wegstervend echootje daar, weggedraaid stemmetje hier. Jammer, en het kwaliteitslabel Echo Beach een beetje onwaardig. (www.echobeach.de)(mvh)

   
Glenn Jones
Against Which The Sea Continually Beats
(STRANGE ATTRACTORS AUDIO HOUSE/CLEAR SPOT)
Opvolger van de uit Boston afkomstige gitarist Glenn Jones’ impressionante solo debuut ‘This Is The Wind That Blows It Out’ uit 2004: een klein meesterwerk van akoestische gitaarfingerpickingcomposities waar weinig op aan te merken viel. Op ‘Against Which The Sea Continually Beats’ doet de man het nog een eens over: een verbluffende technische vaardigheid tentoon spreidend, zonder daarbij de originaliteit van de composities uit het oog te verliezen. Toegegeven, echt grote verrassingen vallen er niet te rapen op dit album. Maar in de steeds groter wordende toestroom aan modieuze gitaristen die teruggrijpen naar (www.strange-attractors.com)(bdp)

   
King Automatic
I Walk My Murderous Intentions Home
(VOODOO RHYTHM/CLEAR SPOT)
Eenmansorkest King Automatic, schuilnaam voor de Fransman Jay die eerder furore maakte als drummer bij zowel Thundercrack als The Squares, gaat bij de opvolger van zijn al niet te versmaden debuut ‘Automatic Ray’ (eveneens op Voodoo Rhythm) nog een stapje verder in zijn queeste naar het perfecte trashy rock’n’rollnummer. Het Farfisa-orgeltje dat op het debuut nog maar sporadisch van zich liet horen, is deze keer prominent aanwezig. Het maakt deze opvolger iets minder rauw, iets melodieuzer ook maar daar hebben we niets op tegen. Alle nummers staan strak overeind en op wat achtergrondzang na doet Jay het ook dit keer helemaal op zijn eentje. Drummen, orgeltje rammen, zingen, harp!!!, gitaartje mishandelen, allemaal tegelijk natuurlijk. Je moet hem bezig gezien hebben om het te geloven. Allemaal in één take op de band gezet, wat had je verwacht van een act die onder de hoede van Beatman de wereld aan het veroveren is. Jay is een orkest op zichzelf die er moeiteloos garagekrakers als ‘Coffee And Speed’, ‘Miss Phenomenal’ en ‘She’s Fine She’s Mine’ doorjaagt, terwijl wij lustig meestampen met de muziek. Geen covers ook deze keer, alleen maar nummers die Jay zelf componeerde. Door toevoeging van wat surfinvloeden in de garageblues en het kermiswalsje ‘The Sinner’ zorgt King Automatic tevens voor wat afwisseling. Op ‘It’s A Girl Thing’ komt een zangeresje dat ons doet denken aan de stem van Miss Pussycat mee kwelen, de King helemaal opwaarderend tot het Europese antwoord op de even fantastische Quintron. King Automatic mag nog sujetten in zijn gedachten afslachten. (www.voodoorhythm.com)(pb)

   
Kubus & Bang Bang
Learning Curve
(TOP NOTCH/PIAS)
Deze cd is wellicht per ongeluk op mijn stapeltje te bespreken plaatjes beland. Erg vinden we het deze keer niet. Het is namelijk al heel lang geleden dat we nog eens een goedgemaakte oldschool hiphopcd hebben gehoord of opgezet. Hiphop is dan ook niet één van onze favoriete muziekgenres, integendeel. Een beetje opkwelen over wat beats en live een potje brabbelen en rondspringen terwijl iemand plaatjes manipuleert, neen, het is niet onze dada. Een draaitafel en wat geleuter is ook wat we op deze plaat aantreffen, maar het is dermate goed gedaan dat we er toch stilletjes van genieten. Kubus zet een interessante flow van niet aflatende beats neer terwijl Londen’s nieuwste sensatie Bang Bang zijn teksten uitbraakt, vertelt, doorspekt met slang waar we dikwijls geen touw aan kunnen vastknopen. Kubus is binnen de Nederlandse scene dan ook niet van de minsten. Deze producer van experimentele hiphop werkte samen met Opgezwolle, Duvelduvel, Typhoon en Jawat. Dit is inmiddels Kubus’ derde volledige album en deze keer verkoos hij om samen te werken met een man die zijn roots voor de helft in Jamaica en voor de andere helft in Ierland heeft liggen. Vanuit Londen verzeilde de zwaar getatoeëerde Bang Bang in Amsterdam en hij stuurde al snel aan op een samenwerking met Kubus, waarvan 'Learning Curve' het uitstekende resultaat is. Bang Bang verhaalt over zijn vroegere straatleven, waar drugs en criminaliteit steeds op de loer lagen en zijn evolutie tot volwaardige rapper, zijn keuze voor muziek boven geweld verklarend. Kubus legt daaronder een stevig beattapijtje dat de city speak van Bang Bang stevig ondersteunt. Vergelijkingen zijn moeilijk te trekken. Het dichtste liggen The Streets en Audio Bullys, maar eigenlijk is dit een album dat vooral op zichzelf dient te worden beluisterd. Wat kenners ervan vinden, zal me trouwens worst wezen, ik zet deze schijf later deze week wel nog eens op. Zo leuk is ie. (www.kubus-biets.nl)(pb)

   

Logh
North
(BAD TASTE RECORDS / SUBURBAN/BERTUS)
papercuts
Can't Go Back
(GNOMONSONG/KONKURRENT)
Na ‘The Raging Sun’ is het toch nooit meer helemaal goed gekomen met Logh, zeker niet getuige het nieuwste album ‘North’. ‘The Raging Sun’ bevatte alles: fantastische songs, spanningsvolle, sferische, ijzersterke composities en alles schitterend verwerkt in gitaarmuziek. Daarna ging alles bergafwaarts. Flauwtjes, dat is wat de muziek van het Zweedse Logh vandaag de dag is. De band heeft het album zelf opgenomen en Pelle Gunnerfeldt van Fireside heeft het afgemixt. Misschien had hij beter ook de opnames kunnen doen, want dan was er misschien nog wat diepgang te bespeuren. Het niveau ligt wel hoog, bijvoorbeeld bij ‘The Invitation’, maar het geheel blijft niet haken. Toch valt het meer op dan de zeikerige en pretentieuze folkpop van Papercuts. De band rondom Jason Quever komt met de tweede plaat uit bij het label Gnomonsong, waar Devendra Banhart een belangrijke rol in speelt. Tijdloos zijn de songs wel, maar echt zo interessant als de labelbaas ze kan maken, doet Quever en consorten niet. Dat is jammer, al levert het een paar aardige nummers op. Luister maar eens naar ‘James Brown’ of het tragische ‘Unavailable’. Toch is het niet bepaald wereldschokkend te noemen. (logh.se)(nh)

   

Loney, Dear
Sologne
(DEAR JOHN/MUNICH RECORDS)
Amandine
Solace In Sore Hands
(FAT CAT RECORDS/PIAS)
In Zweden is er blijkbaar een boom aan de gang van op americana geschoeide pop. Amadine probeert de invloeden als Songs: Ohia en The Band een plaats te geven in hun geluid. Alleen komen ze niet aan de enkels van hun voorbeelden. Daarvoor zijn de songs net iets te flets en voorspelbaar. Ze boeken wel vooruitgang want de vorige platen waren echt ondermaats uitgewerkt. Hun donkere songs behandelen thema’s als schuld en boete. Ze halen ook invloeden uit de Zweedse literatuur. Amandine grossiert in americana die smaakt als coke zero. Je weet dat het cola is, maar je weet ook dat het niet the real thing is. Een plaatje voor in de herfstige tijden van mijn bestaan. Jammer genoeg voor hen komt er een nieuwe lente aan. (www.amandinemusic.com). Loney, Dear, de onemanband van multi-instrumentalist Emil Svanängen, is gelukkig van een ander niveau. Deze plaat werd al in 2004 opgenomen in de kelder van het ouderlijke huis op een oude computer en was tot nu alleen beschikbaar als cd-r. Gelukkig is daar verandering in gekomen. Want de minimale folk van Loney, Dear roept herinneringen op aan illustere voorbeelden als Eliott Smith en Sufjan Stevens. Live wordt deze onemanband een negenkoppig monster dat intense muziek voortbrengt. Tekstueel brengt Emil Svanängen ook boeiende verhalen over frustratie, liefde en verwarring. Een mooie, gelaagde plaat is het gevolg. (www.loneydear.com). Americana en indie folk uit het Hoge Noorden. Het kan dus nog wel wat worden. Nog niet zo gek, die Zweden.(mt)

   
Lord Jamar
The 5% album
(BABYGRANDE/KONKURRENT)
‘ The 5% album’ is het debuut van hiphopveteraan Lord Jamar. Jamar is vooral bekend als lid van Brand Nubian, de crew die hij samen met Sadat X en Grand Puba eind jaren 1980 oprichtte. Daarnaast was Jamar recent ook te zien in de laatste serie van The Sopranos waar hij een hiphopster speelt die samen met Anthony Soprano in het ziekenhuis belandt. Op ‘The 5% album’ krijgt Jamar hulp van zijn Brand Nubian maatjes maar ook van RZA en Raekwon van Wu Tang Clan. Daarnaast mogen ook heel wat ‘zonen van’ op deze plaat hun eerste stappen zetten. Zo vinden we naast Jamars eigen zoon (Young Lord), Young Justice (de zoon van GZA) ook Ol’ Dirty Bastards zoon, u hebt het goed geraden Young Dirty Bastard, terug op ‘The 5% album’. Tekstueel draait de plaat om de geloofsovertuiging van Jamar. Wie daar in geïnteresseerd is krijgt ook voldoende leesvoer, want bij de cd zit een boekje met meer uitleg over ‘The five percenters’ een geloofsovertuiging die bij heel wat Amerikaanse hiphoppers populair blijkt te zijn. Muzikaal valt er van een oude hond als Jamar niet veel nieuws meer te verwachten. Wie bekend is met het werk van Brand Nubian zal zich aan deze plaat geen buil vallen. Maar het is wel duidelijk dat het vet van de soep is bij de leden van de eens zo controversiële en progressieve hiphopcrew. Het is meer van hetzelfde als wat de groep al sinds begin jaren 1990 serveert. De jongens zijn dan ondertussen allemaal bijna 40. Midlifecrisis? Of gewoon oude honden die geen nieuwe truukjes meer aankunnen?(kp)

   
Lugubrum
De Ware Hond
(OLD GREY HAIR RECORDS)
Degenen die Lugubrum aan het werk hebben gezien op het alweer succesvolle en op voorhand uitverkochte en daarmee veel te drukke Kraak-festival zal al doorhebben dat het Gentse Lugubrum een specialleke is. Met elke release lijkt de band verder weg te evolueren van zijn oorspronkelijke, eerder rommelig klinkende, boersk blek metal. Behoorlijk cult in de USA en ook stilaan bij ons erkenning krijgend, zet de band zijn queeste verder. Hun gesmaakte support voor Sunno))) (Paradiso, 2005) werd vastgelegd op ‘Live In Amsterdam: Trampled Brass/Midget Robes’ en dat optreden heeft blijkbaar behoorlijk wat invloed gehad op de sound. Niet dat de typisch Vlaamse eigenheid verloren is gegaan, maar de Sunno)))-invloed is stilaan doorgedrongen. Veel tempowissels en de orkschreeuw van Barditus worden in jazzstructuren gegoten, terwijl de saxofoonuithalen van Bhodidharma beheerster en meer gedoseerd in het totaalgeluid worden gemixt. Vier nummers in drie kwartier staan er op ‘De Ware Hond’, die een samengaan van intense drones, black en een scheut punkrock vormen en die genres met elkaar verzoenen in een vrije, bij wijlen aan Sun Ra en The Boredoms refererend geluid. Geen steelse stonerriffs te bekennen deze keer, wel een overdonderende aanslag op de goede smaak. Het kan ook niet anders, want Lugubrum is en blijft een collectief met een gezonde fascinatie voor varkenskoppen en dwergen, of een configuratie van beide. De plaat is in twee stukken opgedeeld. De twee eerste bewegingen werden live in de studio opgenomen in Stavelot op digitale apparatuur, de twee laatste bewegingen op analoge apparatuur. We hadden het zelf niet eens gemerkt. Lugubrum bewijst met deze schijf dat ook met een iets gepolijster geluid de initiële doodsmissie met overtuiging op het plebs kan worden losgelaten. Een blijvertje. (www.oldgreyhair.com - www.lugubrum.com)(pb)

   
Makasu Hath Core
Makasu Hath Core
(KAPOTTE RADIO/(EIGEN BEHEER))
Allememaggies, wat een bak lawaai weet Makasu Hath Core te produceren. Al bij het eerste nummer wordt het duidelijk. Het themaatje van Dallas wordt in een verzengend tempo aan flarden geschoten, en dan breken de eerste zweetdruppels los. Want stond daar niet dat dit album een lengte van 75 minuten had? Ja, dat klopt. O hemel, dat wordt een zware zit. Natuurlijk kan het altijd harder, sneller en heftiger, maar dat hoeft niet persé hoor jongens! Deze oren zijn inmiddels wat gewend, maar toch is dit debuutalbum van de Belgen een aanslag op de eeltige trommelvliezen. Godsamme wat een bak teringherrie. En het erge is dat Makasu Hath Core vast alleen maar trots is als je hun muziek zo beoordeelt. Toch maar even Nailbomb luisteren om lekker tot rust te komen. (www.makasuhathcore.be)(avdh)

   
Maleza
Noche Azul
(EIGEN BEHEER)
Vorige Gonzo stelde men de Braziliaanse punk scene voor. Deze cd komt ook uit deze richting, de republiek Panama (Centraal Amerika). De voertaal daar is het Spaans. Iets wat voor fans van bands zoals Migala, Viva Las Vegas, Lisboä, Manta Ray en andere geen barrière meer mag zijn. Marco Luque is de voorman van Maleza, een band die bestaat uit mensen met elk een andere muzikale achtergrond die gaat van klassiek en barok tot punk, salsa en jazz. Naast het breed interesse spectrum zijn het ook allemaal gedreven en ervaren muzikanten die elkaar de ruimte geven om te musiceren. De verscheidenheid aan invloeden en interesse reflecteert zich in het gevarieerde geluid van Maleza. Het album gaat van start met het magistrale gitzwarte ‘2500 Vidas’ een moeilijk te overklassen song. Maar Maleza borduurt nooit verder op één goede riff, geluidsstructuur of akkoorden schema. Er staan even sterke op jazz geïnspireerde nummers, mijmerende zuiderse pop songs en klassiek aandoende chansons op ‘Noche Azul’. Nog een uitschieter die we met naam vermelden is de tequila punk van ‘El Espectro’ die zo op de soundtrack van Tarantino’s ‘From Dusk Till Dawn’ kan. Maleza levert een verrassend sterk plaatje af, het zal wel niet te koop zijn bij de plaatselijke vestiging van de Free Record Shop maar doorwinterde parelvissers vinden zeker hun weg naar dit kleinood. (www.impluka.com/grupomaleza)(tw)

   

Iomos Marad
Go ahead
(ALL NATURAL, INC./KONKURRENT)
The Pacifics & Illmind
The Case
(ALL NATURAL/KONKURRENT)
Het grote manco van veel hiphopplaten is het gebrek aan constante kwaliteit. Op zowat iedere release, van gelijk welke hiphopper, vind je wel vullertjes. Tracks die erop gezet lijken te zijn om aan de vereiste lengte van een fullcd te komen. Voorbeelden hoef ik vast niet op te noemen, hoe groter de naam, hoe meer vullertjes de artiest zich meent te kunnen permitteren. Het All Natural label uit Chicago lost dit anders op. Hun recentste releases zijn EP’s. Al het vet is er op deze platen van af gesneden. Wat overblijft zijn alleen de sterke tracks. All Natural werd eind jaren 1990 opgericht door de gelijknamige rapcrew. Ze hebben ondertussen een eigen stal van rappers en producers rond zich verzameld die de The Family Tree wordt genoemd. Een beetje vergelijkbaar met wat Stones Throw doet dus. De crews van The Family Tree liggen qua klankkleur en benadering in elkaars verlengde. Geen blingbling hoppers hier, maar sociaal bewuste teksten op lekkere beats. Zoals Iomos Marad. Die bracht in 2003 zijn debuut ‘Deep Rooted’ uit. De plaat werd overal zeer lovend ontvangen. Maar een opvolger bleef uit. Marad had even genoeg van de muziekbizz. Hij wou zich echt nuttig maken en ging met kinderen werken. Vier jaar later is er nu toch Go Ahead. Negen tracks krijgt Marad op deze ep. En negen keer zit het er knal op. Lekkere jazzy beats, sterke raps, af en toe een soulfull vrouwenstemmetje: dit is hiphop zoals hij moet klinken. Wat de stem betreft doet Marad wat aan Talib Kweli denken. En ook de productie is af. Wat wil een mens nog meer? Ook The Pacifics komen uit dezelfde stal als Iomos Marad. Deze drie Filipino’s werken op The Case samen met producer Illmind. Zeven tracks krijgen ze om hun ding te doen, maar dat is ruim voldoende om ondergetekende te overtuigen van hun kwaliteiten. Zet de swingende opener ‘Matches’ je nogwat op het verkeerde been met zijn vette hiphopbeat, na een paar nummers wordt pas duidelijk dat dit in se een soulplaat geworden is. Zij het dan eentje op hiphopbeats. Vooral op de tracks waar The Pacifics vocale hulp krijgen van leden van Contriband (een band uit Chicago die hiphop, rock, soul en nog meer genres in de mix gooit, KP) is dit merkbaar. Beste track is ‘Watch’ waar Tanya Reid nog een extra soulinjectie aan geeft met haar fantastische stem. Wie zei er ook weer dat hiphop dood was? (www.allnaturalhiphop.com)(kp)

   
Massappeal
Nobody Likes A Thinker
(RELAPSE/SUBURBAN)
Relapse dook nog eens de archieven in en komt deze keer met een stel opnames op de proppen van de Australische band Massappeal. Actief in de periode 1985-1994 speelde de band een stevig potje hardcore annex speedmetal, zeg maar een mix van Black Flag en Slayer in zijn vroegste dagen. Dit alles in een typisch Australisch kleedje gegoten natuurlijk. De mini ‘Nobody Likes A Thinker’, die de plaat opent, wordt in de underground als een klassieker aanzien, al snappen we zelf aan geen kanten waar deze band deze reputatie vandaan haalt. De legendarische compilatie ‘Peace’ (Radikal Rekords) staat bol van bands die qua klank in deze lijn liggen, maar het trucje veel beter onder de knie hebben. Denk Reagan Youth, D.R.I., Articles Of Faith, Iconoclast en we kunnen zo nog even door gaan. Zeven nummers telde de originele plaat die hier met maar liefst zeventien bonusnummers op cd wordt heruitgebracht. Het bomvolle schijfje (net geen tachtig minuten) is daardoor een ware uitputtingsslag. De single ‘Bar Of Life’, de demo ‘Young, Dumb And Naive’, een compilatietrack en diverse live-opnames van de tournee die Massappeal in 1987 ondernam met D.R.I. sieren dit schijfje. Geschiedkundigen en hardcoreverzamelaars slaan nu hun slag. (www.relapse.com)(pb)

   
Momentum 4
Rising Fall
(LEO RECORDS)
De Zwitserse pianist John Wolf Brennan werkt onverdroten verder aan zijn stilaan behoorlijk uitgebreide oeuvre. Momentum is een van zijn bands, die telkens van bezetting wijzigt, vandaar de toevoeging van een cijfer aan de groepsnaam. Elk cijfer staat voor een andere personeelsbezetting. Deze keer vinden we naast Brennan basklarinettist Gene Coleman, die al aanwezig was in een vorige bezetting, saxofonist Thomas K.J. Mejer (speelt op deze opname sopranino en contrabas) en tubaïst Marc Unternährer. De tot nu toe enige constante leek slagwerker Christian Wolfarth, maar die doet deze keer niet mee. Momentum, in tegenstelling tot Pago Libre waarvoor de meeste stukken uitgaan van gecomponeerde muziek, is vooral een improvisatiegroep, waarin vlot wordt geëxperimenteerd met allerlei klanken. De hoofdrol is weggelegd voor de blazers, wat behoorlijk evident is met drie van de vier muzikanten die de grenzen van een veelvoud aan blaasinstrumenten verkennen. Brennan’s pianospel is veelal ondersteunend waarbij hij zich meer met het binnenwerk van het instrument bezig houdt dan met de toetsen. De vrees voor oeverloos gefreak blijkt ongegrond, want de vier mannen luisteren heel goed naar elkaar, waardoor veelal ingetogen sfeerstukjes ontstaan. Zoekend naar elkaars klankkleur, zich in de ander begevend, krijgen we zo een sfeervol uurtje fascinerende improv voor de kiezen. In een aantal stukken (‘Give It Back To Me’ bijvoorbeeld) gaat het kwartet er heftig tegenaan, en ook Brennan krijgt zijn solomoment met ‘Spot The L’. ‘Rising Fall’ is daarmee een van de beste releases die we tot nog toe hoorden waar Brennan aan meewerkte. (www.brennan.ch)(pb)


   
My Brightest Diamond
Tear It Down
(ASTHMATIC KITTY)
Afgelopen jaar maakte My Brightest Diamond haar debuut met ‘Bring Me the Workhorse’. Een mooie plaat waarin jongedame Shara Worden klonk als een combinatie van Tori Amos, PJ Harvey en Kate Bush gewikkeld in een kreukelend doek van inventieve popmuziek. Overal werd het debuut goed ontvangen, waardoor het, in navolging van onder andere Bloc Party, Kings of Convenience en Beck, hoognodig tijd werd om de plaat te laten remixen. Maar waar sommige remixalbums kant noch wal raken, komen er op ‘Tear it Down’ wel enkele fraai vermaakte songs naar voren. Bijvoorbeeld de bewerking van ‘Freak Out’ in de ‘Gold Chains Panique Mix’. Of ‘Workhorse’, in de lome bewerking van Lusine. Maar eigenlijk moeten, al betreft het hier interessante geluidsknutselaars, als Nimnomadic, Stakka, Murcof en Siamese Sisters, de nummers van ‘Bring Me the Workhorse’ blijven zoals ze waren. Want dan komt My Brightest Diamond simpelweg het beste tot zijn recht. (www.mybrightestdiamond.com)(nh)

   
My Cat Is An Alien
Il Suono Venuto Dallo Spazio
(VICTO/KONKURRENT)
Het broederlijk duo My Cat Is An Alien heeft in de loop der jaren al een indrukwekkende discografie opgebouwd en het einde lijkt nog lang niet in zicht. ‘Il Suono Venuto Dallo Spazio’ is een live registratie van een concert dat het Italiaanse droneduo in 2006 op het Victoriaville muziekfestival ten gehore gaf. Eerder bracht dat al fascinerende resultaten in de vorm van een samenwerking tussen Anthony Braxton en Wolf Eyes (‘Black Vomit’) en Anthony Braxton en Fred Frith (‘Duo 2005’). De twee stukken op ‘Il Suono Venuto Dallo Spazio’ vormen één lange trip door het sci-fi universum van de broers. Drones opgewekt door lichtzwaarden op bekkens te laten stuiteren, belletjes die in een hemels koor van spacy feedback samenkomen, gitaren die eindeloos doorgalmen en de nodige elektronische effecten. Werken van MCIAA hebben doorgaans een nogal kunstmatig, haast synthetisch karakter, heel anders dan bijvoorbeeld het organische, aardse van collectieven als Sunburned Hand Of The Man en MV/EE & The Bummer Road. Daardoor weten de stukken vaak niet voldoende te intrigeren, het glijdt een beetje langs je heen, ‘Il Suono Venuto Dallo Spazio’ vormt echter een mooie uitzondering op die regel en door de dynamische spanningsboog weten deze twee stukken bij elke luisterbeurt meer te fascineren. (www.mycatisanalien.com)(joh)

   
Nadja
Touched
(ALIEN8 RECORDINGS)
Een jaar na het verpletterende ‘Truth Becomes Death’ droppen Aidan Baker en Leah Buckareff een tweede album via het Canadese Alien8 Recordings. Baker is productiever dan ooit en dat zowel onder eigen naam als met Nadja. Het aantal releases is simpelweg niet bij te houden. In mei verschijnt op Conspiracy bovendien een volwaardig album in samenwerking met Fear Falls Burning (in navolging van de vorig jaar verschenen, maar al lang uitverkochte split ‘We Have Departed The Circle Blisfully’), terwijl bijna simultaan de met extra materiaal geüpgrade vinylversie van ‘Bodycage’ (Profound Lore ‘05) verschijnt op Equation. En dat is slechts het topje van de ijsberg. Op korte tijd is Nadja uitgegroeid tot één van de markantste namen uit de doom/sludge/droneshoek met enkel Khanate, (vroege) Earth, Boris of Sunn 0))) als noemenswaardige concurrenten. Tegelijkertijd lopen die vergelijkingen flink mank. Nadja is immers anders. De logge, narcoleptische (machinale) drumritmes brengen de tijden waarin Swans en Godflesh de underground domineerden terug, maar door de aanwezigheid van subtiele (ambient) elektronica vindt Nadja dan weer houvast bij hedendaagse producers zoals Tim Hecker of Christian Fennesz. De gitaarpartijen zijn schatplichtig aan My Bloody Valentine en de shoegazers uit het verleden; en Jesu of The Angelic Process wat het heden betreft. De drones ten slotte borduren verder op het oeuvre van Troum. Veel invloeden en referenties dus, maar ook niet meer dan dat. De nieuwe cd is de verdere consolidatie van de Nadjasound. Verrassen doet ‘Touched’ echter op geen enkele manier. In zijn totaliteit is het misschien wat minder heftig dan zijn voorganger, maar essentiële verschillen zijn er niet. Tenzij misschien in Bakers manier van zingen. Die is bij momenten zelfs vrij van effecten. Wat het ook zij, we hebben de toekomst van metal gehoord. Ze heet Nadja. (www.netrover.com/~amizen/nadja.htm)(swat)

   
Of Mexican Descent
Exitos Y Mas Exitos
(TEMPORARY WHATEVER/KONKURRENT)
Of Mexican Descent is een underground hiphop duo uit LA. De muziek op deze cd is tien jaar oud, maar verdient het zeker nog om gehoord te worden. ‘Exitos y Mas Exitos’ kwam in 1997 enkel op plaat uit. De tracks van deze LP zijn nu samen met tien bonustracks op een cd gestanst. Of Mexican Descent bestaat uit het duo 2Mex en Xololanxinxo. 2Mex is ook bekend van The Visionaries en zijn werk met Busdriver. De muziek op ‘Exitos y Mas Exitos’ klinkt zeker niet gedateerd. Het is zelfs heel wat frisser dan veel van wat we de laatste tijd nog te horen krijgen. Het duo put op deze plaat gretig uit rockmuziek. Samples kunnen bij hen zowel uit metalgitaren als uit een psychedelisch orgeltje bestaan. Tekstueel gaat het, zoals verwacht, vooral over sociale problemen. Over hoe het is om op te groeien als een Latino in Los Angeles. De boodschap die de heren willen overbrengen, is blijkbaar erg belangrijk voor hun. De flow van de raps wordt er zelfs ondergeschikt aan gemaakt. ‘Exitos y mas Exitos’ is geen baanbrekende release geweest maar is zeker leuk voor de liefhebbers van de LA undergroundhiphopsound. Een cd-heruitgave van dit vergeten juweeltje is dus zeker op zijn plaats.(kp)

   

Ogre
Seven Hells
Acid King
The Early Years
(LEAF HOUND/CLEAR SPOT)
De opvolger voor het debuut ‘Dawn Of The Proto-Man’ uit 2003 van het trio Ogre gaat gehuld in een hoesje waarop een schitterende ets van gezellige mens Gustave Doré prijkt. De band vertrekt van het vertrouwde Black Sabbath-geluid (hun eerste vier platen) en gaat er zijn eigenzinnige gangetje mee. Het is en blijft klassieke doom zonder dat het trio zich aan de stereotypen van het genre houdt. ‘Seven Hells’ is dan ook hoe een band die idolaat is van Sabbath vandaag de dag toch interessant en inventief kan klinken. De solo’s zijn machtig, de ritmesectie zet zijn logste poten voor en ook de zanger behoort tot de besten binnen het stoner / doomsegment. De band kiest dan ook nog eens voor lange, tranceverwekkende nummers, waarvan de zeven minuten durende opener ‘Dogmen (Of Planet Earth)’ meteen een goed voorbeeld is. ‘Soldier Of Misfortune’ opent met helikopter en mitrailleurvuur en klinkt als een voor de eeuwigheid bestemde epische antioorlogssong. Voor ‘The Gas’ gooit het trio een scheut boogierock in de mix, terwijl ‘Women On Fire’ als een geslaagde jamsessie door onze oren jaagt. Om zich helemaal in de lijn van Cactus, Pentagram en Led Zeppelin te etaleren, gooien ze er in ‘Sperm Whale’ een drumsolo tegenaan op het niveau van ‘Moby Dick’. Het kan, een drumsolo die niet tenenkrullend vervelend blijkt te zijn. ‘Seven Hells’ is gewoon verplichte kost voor Roadburngangers en andere doomheads. Acid King is doorheen de jaren een referentie voor sludgy, doomy stoner geworden. Hoog tijd dus om het al een hele tijd niet meer te verkrijgen debuut opnieuw uit te brengen. Onder handen genomen door Billy Anderson, die werkte met alle grootheden binnen het genre, klinken de debuut 10inch en de debuutcd ‘Zoroastar’ beter dan ooit. Beide platen verschenen in respectievelijk 1994 en 1995 op Sympathy For The Record Industry en kenden toen alleen in de underground wat succes. Lori S., ooit nog actief bij The Melvins, zet met haar duivelse keelgat meteen de toon voor een potje feminiene sludge waar veel mannelijke genregenoten een puntje kunnen aan zuigen. De 10inch werd toentertijd geproduceerd door Dale Crover, die op ‘The Midway’ het achtergrondkoortje verzorgt. Dat zou al referentie genoeg moeten zijn inzake de kwaliteit van deze band, die in originele bezetting deze twee magnifieke schijfjes uitbracht. Later in de carrière van Acid King, met als enige constante Lori zelve, was de coherentie wel eens zoek of klonken de songs te middelmatig. Op deze cd is daar nog niets van te merken. De veertien nummers hebben nog niets aan urgentie en kracht ingeboet. We danken het Japanse Leaf Hound en labelbaas Toreno voor dit mooi gebaar. (www.leafhound.com - www.acidking.com - www.ogrerock.com)(pb)

   
Palehorse
Amongst The Flock
(BRIDGE NINE/SUBURBAN)
Palehorse uit Connecticut, actief sinds 2003, is sinds de dood van tweede gitarist John Tamas (RIP 25 juli 2005) een kwartet dat stevig aan de hardcoresnelweg bouwt. Elf nummers in vijfentwintig minuten draait de band erdoor, stevig, gemeend en van poten en oren voorzien. Maar origineel? Verre van. Dit is een plaatje voor liefhebbers van Ringworm en Integrity, die bij het horen van deze klanken ongetwijfeld helemaal uit hun dak gaan. Nuchter als we zijn beluisteren we dit schijfje meermaals en vinden het wel oké maar dan ook niet meer dan dat. We hebben al zo dikwijls dit soort solide hardcore gehoord dat het ons worst mag wezen welk bandje het nu weer is. De gelijkvormigheid met veel genregenoten is zo groot dat het als band bijna niet meer te doen is om op te vallen. Het zwarte hoesje helpt een beetje, de verbetenheid van de vier heren doet de rest. (www.hardlifepromotion.nl)(pb)

   
Panacea
Ink Is My Drink
(RAWKUS)
Hoewel de groep rond rapper Raw Poetic en samplemeester K-Murdock al een tijdje meedraait in het ondergrondse circuit van Washington, zullen veel luisteraars hen op dit album voor het eerst bezig horen. Een uitgebreide distributieovereenkomst met het Rawkus-label zorgt ervoor dat hun werk nu ook in Europa vlot verkrijgbaar is. Zo te horen werd de Europese rapfan al die jaren niet echt onthouden van spectaculair materiaal. Om heel eerlijk te zijn: ‘Ink Is My Drink’ zit volgestouwd met middelmatig materiaal. Over het algemeen bevatten de beats van K-Murdock te weinig muzikale elementen om te kunnen blijven boeien: de loops zijn te kort, de gehanteerde technieken voorspelbaar. Hoewel enkele betere momenten (zoals ‘Burning Bush’ dat wat funkelementen in zich meedraagt, of het Californisch aandoende ‘Place On Earth’) niet ontbreken, overheerst vooral het déjà-vu-gevoel. Krakerige samples van oud vinyl, versnelde geluidsfragmentjes uit soulplaten, enzovoort: erg vernieuwend is dat anno 2007 allemaal niet meer. Daarenboven helpen de vrijwel identieke toonaarden en de wat vlakke klank de boel ook niet vooruit. Enkel ‘Starlite’ verdient nog een speciale vermelding als meest atypisch en origineelste nummer: hectische beats, elektronica en stemmingswisselingen houden de track spannend. Uiteindelijk slaagt langspeler ‘Ink Is My Drink’ wel niet in haar opzet – als de grooves saai zijn, wie luistert er dan nog naar de boodschap? (www.colorfulstorms.com)(jv)

   
David Papapostolou
One And Two
(EIGEN BEHEER)
De naam van deze improvisator klinkt Grieks, hij is een Fransman en verblijft reeds enige tijd in Bristol. Een wereldburger. Zijn in eigen beheer uitgebracht debuutcd’tje bevat drie elektro-akoestische tracks die samen net iets meer dan twintig minuten muziek bevatten, die gelden als een visitekaartje en een zelfinvitatie om gelijkgestemden te overtuigen van zijn kunnen. Papapostolou zou dan ook niet liever hebben dan dat hij wordt uitgenodigd om in allerlei wisselende bezettingen zijn steentje te mogen bijdragen in de improvisatiescène. En met dit werkstukje kan dat geen probleem meer vormen. De drie nummers kregen de welsprekende titels ‘gc’, ‘gs’ en ‘g’ mee, waarbij de g staat voor akoestische gitaar, c voor cello en s voor saxofoon. Niet dat hij die instrumenten op een orthodoxe manier bespeelt. Integendeel. Papapostolou beschouwt de drie instrumenten als voorwerpen, dingen om te manipuleren. De drie tracks werden in hoogstens twee takes opgenomen. Daarbij werd eerst het eerste instrument opgenomen, waarna bij de tweede take het tweede instrument als onmiddellijk antwoord op take één eraan werd toegevoegd. Het resultaat is een wondermooi, ingetogen klankentapijt waarbij we geregeld de oren moeten spitsen om te horen wat er gaande is. Zijn volgende schijfje mag voor ons best wat langer duren. (david-p.blogspot.com)(pb)

   
Pete Philly & Perquisite
Remindstate
(UNEXPECTED/ANTI/EPITAPH)
Ook Pete Philly & Perquisite komen niet uit het niets - alles heeft een begin vermoed ik - maar toch was hun debuutalbum 'Mindstate' vorig jaar een verrassing van jewelste. 'Mindstate' loopt na tal van luisterbeurten nog steeds over van funky, soms bloedhete hiphop die ook jazz, soul en house het licht in de ogen gunt. Remixplaten zijn zelden een goed idee en kunnen het feest danig verstoren, maar in dit geval valt de schade heel goed mee. Ik ben niet echt een fan van Laidback Luke of Darin G. en Nicolay is me te braaf, maar de keuze om je nummers te laten bewerken door zowel het Metropole Orchestra als de New Generation Big Band? Respect! Bovendien lenen de nummers zich heel goed tot grote arrangementen. Het gezelschap is overigens ook redelijk internationaal met Seiji (Bugz In The Attic) uit Londen, DJ Mitsu The Beats uit Japan en enkele lokale helden zoals C-Mon & Kypski, die een heel vette funktrack afleveren. Sommige hiphopremixes voegen weinig toe aan het origineel en uiteraard mist de remixversie een beetje de flow van het album, maar 'Remindstate' mag er best zijn. Op naar het volgende album, jongens. (www.ourmindstate.com)(ft)

   
The Piscean Group
The Piscean Group
(R2/BBE/PIAS)
Deze EP is niet echt de eerste kennismaking met The Piscean Group. Ze zijn goede maatjes met Osunlade en waren te horen op zijn jongste album voor BBE, 'Aquarian Moon'. De band komt ook uit het Amerikaanse Saint Louis en brengt in deze zes nummers vooral funk met, naar eigen zeggen, veel invloeden van Prince en het Minneapolis van de jaren 1980. De sound is dus minder ruw dan bijvoorbeeld Quantic Soul Orchestra, maar zit heel goed in elkaar. Kan moeilijk anders met vakman Osunlade als producer natuurlijk. Nu eens gooit hij er strijkers bij, dan weer uit afrobeat geleende fluit of een blazersectie, aangebracht door zijn eigen I'lle Orchestra. De band kan behoorlijk swingen, maar het midtempo 'Talisman' is de uitschieter. 'Motorcross' is een uitstap naar jazz die hen bijzonder goed ligt. Een vol album en een reeks concerten in onze contreien zal moeten uitwijzen of ze gewoon goed dan wel fantastisch zijn. Ik sta in ieder geval open voor meer. (www.bbemusic.com)(ft)

   

Gruff Rhyss
Candylion
David Kitt
Not Fade Away
(ROUGH TRADE)
Twee singer-songwriters. De ene afkomstig uit Wales, de andere uit Ierland. Gruff Rhys kennen we nog van Super Furry Animals. Op zijn tweede soloplaat verzamelde hij nummers die hij maakte tijdens de vorige tour met zijn groep. Nummers die zijn gezongen in het Engels, Spaans en Welsh. De songs gezongen in het Welsh zijn voor mij onverstaanbaar. Tja, als je titels hebt als “Ffrwydriad Yn Y Ffurfafen” kunnen wij daar echt geen touw aan vastknopen. Net zoals we geen touw kunnen vastknopen aan het verhaal dat op zijn myspace staat over beren in Micronesië. Hier en daar wordt in de songs ook gestoeid met elektronica. Gruff Rhys laat op dit album zijn akoestische zelf de bovenhand krijgen. Dit in tegenstelling tot het meer rockende geluid van Super Furry Animals. Was zijn solodebuut nogal schetsmatig dan is er hier een sprake van een coherenter geheel. (www.myspace.com/candylionmusic). De uit Ierland afkomstige David Kitt is grootgebracht in een muzikale familie. Zijn vader en ooms vormden een in Ierland succesvolle folkgroep. Daarnaast had zijn familie ook een zeer sterk politiek engagement. Zijn vader is ondertussen politiek actief in het nationale Ierse parlement, de zoon heeft de rol als muzikant overgenomen. Op zijn vijfde album brengt David Kitt klassieke songs met zijn kenmerkende ietwat nasale stem. Op deze plaat werkt hij samen met Romeo en Michelle Stoddart van The Magic Numbers en Lisa Hannigan die we kennen van haar samenwerking met Damien Rice. Ergens in die hoek valt ook David Kitt te situeren. Soms iets te gepolijst, naar mijn zin. Er wordt degelijk werk afgeleverd maar ook niet meer dan dat. Aangezien degelijkheid een nieuw credo lijkt in de politiek kan hij daar misschien op een ander moment in zijn leven nog voordeel uit halen. Voorlopig mag hij muzikant blijven. (www.davidkitt.com).(mt)

   
RJD2
The Third Hand
(XL RECORDINGS/V2)
Meneer Krohn, waar zijn we precies mee bezig? Bewijzen dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie bieden voor de toekomst? Dat lukt goed op ‘The Third Hand’. Weg bij label Def Jux meent Krohn ook gelijk maar de last van de instrumentale hiphop van zich af te moeten schudden. Af en toe komt er nog een ijzersterke beat bovendrijven, maar iets te vaak besluit Krohn dat hij liever zelf wil zingen en bakt wat eigenaardige popliedjes. Dan meld je iedereen dat ze platen van RJD2 blind kunnen aanschaffen en dan produceert hij dit werkje. Noem ons een behoudend conservatief type, maar als dit het alternatief is, doe dan maar die oude vertrouwde RJD2 maar snel terug. (www.rjd2site.com)(avdh)

   
Tabu Ley Rochereau
Classic Titles
(CANTOS/PIAS)
In tegenstelling tot vele van zijn collega-muzikanten uit dezelfde regio, liet Congolees Tabu Ley Rochereau zich gedurende zijn gehele muziekcarrière vrolijk beïnvloeden door andere muziekstijlen dan de in Congo razend populaire afrikapop. Op ‘Classic Titles’, deel uitmakend van een compilatiereeks van wereldmuziek, valt dit inderdaad op. De nummers kenmerken zich duidelijk als Afrikaanse popmuziek, doch subtiele injecties van soulinvloeden (‘Karibou Ya Bintou’), knipoogjes naar de koperblazers uit de jazzwereld (‘Marie Lou’), of inwerkingen van Franse pop uit de jaren 1960 bieden een duidelijke meerwaarde ten opzichte van andere afrikapop. De geselecteerde nummers uit de periode 1965 tot 1975 zijn vooral interessant uit historisch oogpunt. Het is daarom uiterst jammer dat Cantos niet voorzag in een begeleidend boekje met achtergrondinformatie of vertalingen van de liedjes. Hoewel Rochereaus muziek op het Afrikaanse continent een grote rol speelde, biedt deze verzamelaar weinig inzicht in die situatie en de opmerkelijke (muzikale) levensloop van Tabu Ley. (www.frochotmusic.com)(jv)

   
RTX
Western Xterminator
(DRAG CITY/KONKURRENT)
Jennifer Herrema is terug. En als Jennifer Herrema terug is dan zullen we dat weten ook. De voormalige Royal Trux helft presteert het in ieder geval om iedereen die haar een beetje kent op het verkeerde been te zetten met het titelnummer waarmee 'Western Xterminator' opent. Psychedelische fluiten, bezwerende percussie en een achteroverhangende Herrema die het bewerkstelligt om vier jaar freakfolk in vijf minuten te persen. Verrassend en lekker mysterieus, een zeldzaam sfeervolle start van iemand die normaal gesproken wel van hakken en zagen houdt. De rest van het album is dan ook van een heel ander soort freaky. ‘Balls to Pass’ barst van de bluesy riffs en galmende gitaarsolo’s, ‘Black Bananas’ is een soort glamrock interpretatie van stonerrock en het afsluitende ‘Rats Will Kill’ is een bizarre samensmelting van trash en progrock. 'Western Xterminator' is vooral hard en gemeen, soms hoeft dat niet meer te zijn. (www.truxrox.com)(joh)

   
Sludgefeast
Shitrock Motherfuckers
(UNDERTOW)
Het hoesje en de naam van deze band doen sludge of doom verwachten, maar niets is minder waar. Een ongelooflijk vervormde garagepunksound is wat we in de maag krijgen gesplitst. Het eerste nummer hebben ze speciaal voor de jonge kinderen redelijk proper en weinig overstuurd opgenomen, kwestie van een goede indruk te maken. Daarna volgen tien nummers die in één namiddag op de band werden gezet, in een echte studio! En daar zijn ze fier op. Alleen al omdat ze erin zijn geslaagd hun muziek zo overstuurd te doen klinken én live in één ruk op te nemen. Denk aan Gaunt ten tijde van de magistrale single ‘Jim Motherfucker’ en ook aan de ruige, vlotte en even aanstekelijke nummers van de machtige Oblivians. Deze band schudt wereldnummers uit de pols alsof het niets is. Als we hun eigen grootspraak mogen geloven, namen ze op die bewuste namiddag honderd nummers op, maar met de tien die hier staan te blinken, zijn we al heel tevreden. Daarna volgen nog een vijftal, voor ons behoorlijk overbodige, instrumentaaltjes. Om vervelend te doen heeft Sludgefeast de bijgeleverde info in een onmogelijke kleurencombinatie en een niet te lezen lettertype gezet. ‘Shitrock Motherfuckers’ blijkt daarenboven een conceptplaat te zijn, waarbij alle nummers gebaseerd zijn op voorhistorische videospelletjes. Schitterende lo-fi shitrock is dit, twintig minuten lang of wat had je gedacht? Dat Sludgefeast lange nummers speelde? Wanneer je de cd in de pc dropt, krijg je nog twintig extra mp3s. Op de website van de band is daarenboven een internet-only single te downloaden. Doen! (www.sludgefeast.com)(pb)

   
Soweto Kinch
A Life in the Day of B19. Tales of the Towerblock
(RUB RECORDINGS/LOWLANDS)
Een wit cd-schijfje met daarop Soweto Kinch. Geen hoesje, geen verdere informatie. Geïntrigeerd stop ik de cd in de lade en duw op play. Een vrouwenstem begint een verhaal te vertellen. Over 3 jongeren uit Birmingham die in dezelfde flat wonen. Over hun dromen en ambities. Als haar verhaal afgelopen is start een ongelofelijk lekker groovend jazznummer. Instemmend geknik in de huiskamer. Dit klinkt lekker. Nummer drie begint en – wacht eens even – is dit nog dezelfde cd?, vette beats, een rapper die zich met moeite niet in zijn woorden verslikt. Hiphop. Al komt die mooie altsax die ons in het tweede nummer was opgevallen nog eens terug. Als het vierde nummer terug pure jazz blijkt te zijn is de verrassing al wat weggeëbd. Wat overblijft is genieten. Van ieder nummer op deze ‘A Life in the Day of B19. Tales of the Towerblock’, of het nu pure jazz is of meer een hiphopnummer. Soweto Kinch is een jonge jazzsaxofonist die ook zwaar beïnvloed is door hiphop. En net daar ligt het verschil met de doorsnee hiphopper die al eens iets samplet van een jazzplaat. Soweto Kinch is een jazzman die hiphop in de muziek brengt en niet omgekeerd. ‘A Life in the Day of B19. Tales of the Towerblock’ is trouwens nog maar het eerste deel van Soweto Kinchs conceptverhaal. Het volgende deel, waarvan Kinch beloofd dat het muzikaal nog sterker zal zijn, zal deze zomer al in de winkels liggen.(kp)

   
Sun Dial
Shards Of God
(ACME/CLEAR SPOT)
‘ Shards Of God’ is een retrospectieve in de ware zin des woords. Deze nieuwe plaat van het legendarische Britse psychorockgezelschap Sun Dial bevat namelijk niet alleen een aantal onuitgegeven tracks (het uit 2005 daterende ‘Magic Mountain’ en ‘The Skies Above’ uit 2003) maar ook alternatieve takes en nummers van nu onvindbare singles. Alle nummers kregen een nieuwe mastering, gebaseerd op de originele analoge tapes. Kwestie dat bandleider Gary Ramon er alles wilde aan doen om deze compilatie met een optimaal geluid op de markt te brengen. Het parcours leidt ons doorheen de volledige carrière van de band, startend bij het debuut ‘Other Way Out’ (1990) tot en met hun laatste release ‘Zen For Sale’(2003). Alleen het album ‘Libertine’ krijgt geen aandacht, omdat Ramon niet tevreden is over deze overgeproduceerde plaat. Die komt later dit jaar opnieuw uit, maar dan met de originele rauwe demo-opnames. Als opstap naar de heruitgebrachte platen ‘Other Way Out’ en ‘Return Journey’ (beide op Relapse, zie Gonzo #74) is deze compilatie een schitterend initiatief die de veelzijdigheid van Sun Dial dik in de verf zet. Rauw psychedelische fuzzgitaren in ‘Exploding In Your Mind’ en ‘Ghost Machine’ gaan over in de nog steeds mysterieus klinkende single ‘Nova’, inclusief mellotron. De zachte kant wordt benaderd via ‘Blue Sugar’ terwijl afsluiter ‘Sunstroke / Mind Train’ de uitfreakende psychrockkant van de band toont. Variatie troef dus, met knipoogjes naar Yo La Tengo en Spacemen 3, maar net zo goed refererend aan Pink Floyd. Sun Dial treedt dit jaar aan op Roadburn, maar wie geen kaartje heeft zal moeten wachten op een andere gelegenheid. (www.sundial.org.uk - www.acmerecords.co.uk)(pb)

   
Vieux Farka Touré
Vieux Farka Touré
(MODIBA / WORLD VILLAGE/HARMONIA MUNDI)
Slechts een luttele 4 maanden na het heengaan van de koning van de desert blues , Ali Farka Touré, is zijn oudste zoon Vieux in zijn voetsporen getreden. Het is zijn debuutalbum en tevens een hommage aan zijn vader. Ook staan op deze CD twee stukken, Tabara en Diallo waarin vader en zoon nog samen te horen zijn. Kort voor het overlijden van Ali Farka zijn deze in de studio Bogolan te Bamako (Mali) opgenomen. Om enige schijn te vermijden dat zoonlief onverdiend naar voren wordt geschoven doet Toumani Diabaté ook 2 tracks mee. Vieux is een nog jonge gast die van zijn vader in het leger moest. Maar omdat hij net zo bokkig als zijn vader is nam hij de gitaar ter hand en toog in 1999 tegen diens wens van zijn vader naar het conservatorium in Bamako. Dit om zijn spel op de gitaar te verbeteren. Als Malinees muzikant zit je dan snel op een niveau waar de meeste westerse muzikanten niet aan kunnen tippen. Vieux heeft gezien zijn jonge leeftijd een stem die verassend volwassen klinkt. De verschillende nummers op dit album met verschillende rijke arrangementen doen ook helemaal niet zo jeugdig aan als je zou verwachten voor een debuutalbum. Vieux is al rijp of zijn vader heeft hem hierbij een handje geholpen. Hij opent het album verassend met een meer dansbaar nummer; je zou eigenlijk meer een langzame openingstrack in deze traditie verwachten. Vervolgens zijn de 2e en 3e track zijn vervolgens toch weer traditioneel in een langzame woestijn groove uit de regio. Nummer 4 is echter weer een onvervalste Malinese reggaetrack waar je de jeugd van Vieux in hoort. Vaders’ blues- Songhai- en Malinese traditie word in ere gehouden en ververst. Dit is desert blues anno 2007. (www.myspace.com/vieuxfarkatoure)
   
The High Llamas
Can Cladders
(DRAG CITY/MUNICH)
Soul in een wit jasje, dat is wellicht een van de omschrijvingen voor the High Llamas die hout snijdt. Ook op hun nieuwste plaat 'Can Cladders' komen de mierzoete en soms uiterst gladde arrangementen van het miniorkestje van Sean O’Hagan om de hoek kijken. Over deze klanken heen kabbelen, net als voorheen, de heerlijke vrolijke deunen, die doen denken aan de lieflijke Westcoast-pop uit California. Toch blijft het nog altijd een verrassend gegeven voor een stel Londoners, want de vaste referenties als Burt Bacharach of Brian Wilson zaten toch ietsje dichter bij de bron. Het maakt voor Sean O’Hagan niets uit, want de man voegt met 'Can Cladders' nummer acht aan zijn uiterst constante oevre toe. Het mooie van deze toevoeging is vooral terug te vinden in enkele schitterende nummers, als ‘Bacaroo’, ‘The Old Spring Town’ of ‘Clarion Union Hall’. Herkenbaar, maar toch spannend en beklijvend, qua stijl, melodie en opbouw. Nee, O’ Hagan is nog steeds niet van het juiste pad afgeweken. (www.highllamas.com)(nh)

   

Tokyo Police Club
A Lesson In Crime
(MEMPHIS INDUSTRIES/COOPERATIVE MUSIC)
Larsson
This Is
(ASTRONAUT/MUNICH)
Tijd voor twee groepjes waarbij het vooruit moet gaan. Dus we gaan het kort houden. Hebben we geleerd op een cursus time management. Nadat ze eerder waren gesplit kwam een Canadees viertal weer samen om het ‘post-punk meets indie’-groepje Tokyo Police Club op te richten. Voordat hun debuut officieel werd uitgebracht werden ze door NME al uitgeroepen tot één van de groepen van 2007. Als wij dat zien gaan al onze ingebouwde alarmsignalen al op oranje. Ze torsen dus een zwaar lot en bezwijken eronder. Hip en snel, maar blijvend ? Het lijkt ons niet. Als je één nummer hebt gehoord, ken je de zeven andere ook. Een dreinend orgel, handclaps en een snerpende gitaar. (www.tokyopoliceclub.com). Op hun debuut klinkt het Leuvense vijftal Larsson als een kruising tussen The Strokes en T-Rex. Zit u daarop te wachten ? Hol dan maar naar de platenwinkel. Wij worden er hier ondertussen niet echt warm van. Bij deze plaat geldt dezelfde vuistregel als bij die van Tokyo Police Club. Eén song kennen is de andere negen kennen. Attitude moet je de zanger van dit groepje niet leren. Maar hoe gevaarlijk ben je nog als je het schopt tot groepje van de week in Debby en Nancy’s Happy Hour ? (www.thisislarsson.com). Shit, weer te veel tijd besteed aan het schrijven van deze review. Zo goed was die cursus time management ook niet als we eraan terugdenken. Hij was een uur later gedaan dan gepland. Ongeveer de lengte van deze twee plaatjes samengeteld.(mt)

   

Tokyo Sex Destruction
Singles
(OVERCOME/SONIC RENDEZ-VOUS)
The Chimney Brothers
Mick Jagger ‘Had Italian Drugs’
(MUZE/SONIC)
Shortstack
The History Of Cut Nails In America
(GYPSY EYES)
Barcelona zendt zijn zonen uit. Gelukkig zijn ze niet met zoveel als de hype I'm From Barcelona (die dan nog eens uit Zweden blijken te komen), anders zouden we een invasie vermoeden. Knuppels zijn het wel, recht uit een achterbuurtgarage. Rock-’n-roll met een punky attitude met een surfje hier en daar (omdat het water zo aanlokkelijk bleek) is wat de band ons voorschotelt op hun veel te lange plaat. Kort en krachtig, dat verwachten we van een plaat die punkrock hoog in het vaandel voert. Oeverloos geëmmer is niet waarop we zitten te wachten. En dit is dan nog een verzamelaar van hun singles. Dat voorspelt weinig goeds voor een regulier album. Hier en daar duikt wel een lichtpuntje op. Het met jazzy elementen doorspekte ‘When The Shadows Cross The River’, de bossanova van ‘Summer Days’ en het aan The Make-Up herinnerende ‘Your Best Friend Is Dead’ zijn in elk geval leuk. Een beetje soul geeft extra cachet en ook de covers van Music Machine en Los Canarios kunnen ermee door. En toch, we hebben nog steeds geen Spaanse band gehoord die de Basken van Pleasure Fuckers ook maar in de verte evenaart. The Chimney Brothers bestaan uit vier Amsterdammers die weliswaar hun inspiratie haalden uit de jaren 1950 maar vergaten een beetje rauwe wildheid aan hun bluesy garagerock toe te voegen. De liedjes die op dit schijfje staan te pronken zijn helemaal niet slecht hoor, ze zijn mooi geproduceerd en zitten goed in elkaar, maar zo braaf, jongens toch. We dachten in eerste instantie met een schoolbandje te maken te hebben dat ouders en directie moest overtuigen van hun goede wil. Een beetje surf, een beetje country en een ballade houden de boel niet overeind, net zo min als de vele covers, waaronder ‘I’m All For You’ van André Williams en ‘Arabesque’ van Henry Mancini. Alleen op te zetten bij theevisite met gevoelige oren. Het amper veertig minuten durende tweede schijfje van het Amerikaanse Shortstack (Allentown, Pennsylvania) is dan een stuk leuker om naar te luisteren. Ruig klinkt de band nergens, maar hun eigenzinnige mix van rockabilly en country werkt wel. De band kiest ervoor om grotendeels instrumentaal te blijven en doet bij momenten wat denken aan een rustige versie van The Stray Cats. Openingsnummer ‘Wiseblood’ is gebaseerd op de boeken van Flannery O’Connor en handelt over geloof, de hel en verdoemenis in het Zuiden. De onderbuik van de Amerikaanse cultuur dus, in een countrybillyjasje gegoten. ‘Man In Love’ is een geslaagde cover van het origineel van Charlie Feathers, een man die net als Merle Travis een duidelijke stempel op Shortstack zet. Eerlijke muziek is dit, heerlijk achteroverleunen terwijl ze het over andermans miserie hebben. Enig nadeel aan deze plaat is dat ze nergens de aandacht naar zich toe trekt, maar rustig op de achtergrond voortkabbelt, de staande bas ten spijt. ‘The History Of Cut Nails In America’ is gewoon een lekker schijfje voor een zompige zomerdag. (www.overcomerecords.com - www.muze-records.nl - www.sonic.nl)(pb)

   
Trypanosoma
A Study In Power
(ECHOMUSIC)
Het cdtje van Trypanosoma (slaapziekte) is jammer genoeg slechts op 150 exemplaren uitgebracht. Kwaliteit wordt niet altijd beloond met een gewone release, dat is bij deze duidelijk. Trypansoma is een duo bestaande uit Stylianos Tziritas and Makis Papassimakopoulos, die samen musiceren sinds 2004. Daarnaast zijn ze allebei in diverse projecten actief geweest. Het schijfje bevat zes nummers, opgenomen in één sessie op een zomernacht in 2006, zonder overdubs en real time mixing zoals het hoesje er trots bij vermeldt. Gastbijdrages zijn er van Kostas Stergiou die Fender Rhodes bespeelt en Hedwige Hurel zorgt voor zwoel klinkende, Franse spreekzang. ‘Matchlock’ opent met de bekende ‘Für Elise’- melodie waarna ook nog het popliedje ‘Toute Ma Vie’ op een knettergekke manier wordt verhaspeld. Vanaf ‘Red Sky In The Morning’ komt een diepe beat om de hoek piepen, geruggensteund door klarinet, tenorsax, groovebox, bas, theremin en breekbare rommel. ‘General Staff Study’, een uitgepuurde drone die na een paar minuten door blazers aan flarden wordt gereten, klinkt als de soundtrack bij het existentialisme van Sartre en Camus. In de tweede helft van de plaat komen alsmaar meer beats het klankenpalet verrijken, culminerend in afsluiter ‘A Tzagra Can Stll Kill An Arrogant Artist (That’s Why I’m Using It)’, die als een clubtrack voor gedeformeerden klinkt. ‘A Study In Power’ is experimentele elektronica met herkenbare beats voor slapeloze nachten (www.echomusic.gr)(pb)

   
Various Artists
Antilounge 4
(BAF SOUNDSYSTEM/(EIGEN BEHEER))
Keihard gaan ze in Den Haag. Ze zijn inmiddels aan deel vier van de serie Antilounge bezig, een verzameling van de Haagse elektronica. Den Haag biedt inmiddels het beste aan elektronica wat er in Nederland te vinden is. Wie het niet gelooft moet het hier maar eens naluisteren, of op de voorgaande delen van Antilounge. Divers is het in ieder geval, Charly & Gallus maken sterke dubstep, Sobcheck imponeert met energieke elektronica 2562 aka Dogdaze borduurt leuk verder op een Mr. Oizo-geluid, Thye bombardeert de luisteraar met verzengende breakcore en Star-Kid gaat lekker retro. Misschien halen ze het talent daar uit de zeewind, dan is het te hopen dat die uit westelijke richting blijft waaien en dat de kwaliteitselektronica zich zal verspreiden over de rest van het land. (www.bafsoundsytem.com)(avdh)

   
Various Artists
Grannittin
(ESC.REC./(EIGEN BEHEER))
Grannittin is een briljant idee. Voor het beeldende kunst project ‘Mevrouw De Vries’ werden bejaarden uitgenodigd om objecten uit hun leefomgeving op ware grootte na te breien. Tijdens een van deze sessies nam Robert Witt het geluid van de breinaalden op met behulp van contactmicrofoons. Live bewerkte hij dit geluid tot muziek. En zo worden breipatronen muzikale patronen. Dankzij vele enthousiaste remixers is het mogelijk om 2 cd’s te vullen met interpretaties van de originele brei-opnames. Staplerfahrer doet dat zacht en minimaal, Goem gaat voor een strak patroon, Xaf duikt de jungle in, Transfolmer breit er een gitaargeluid aan vast, Maga laat de pennen avontuurlijk tikken, er zijn maar liefst twee sterke breiwerkjes van Toxic Chicken te horen en bij slo-fi is het bijna funky te noemen. Een mooi project, met een dito bijproduct want de cd’s worden gevat in een gebreid hoesje. (www.escrec.com/robertwitt)(avdh)

   
Various Artists
Springs, RE:Makes And Mixes of RF
(ODD SHAPED CASE/LOWLANDS)
Bezig baasje Ryan Francesconi leek het een goed idee om materiaal van zijn drie vorige albums “Views of Distant Towns”, “Falls” en “Interno” te laten bewerken en remixen door bevriende artiesten. RF zoals hij zich laat noemen is een multigetalenteerd artiest afkomstig uit San Francisco. Naast muzikant is hij ook computerprogrammeur. Hij ontwierp onder andere de in de duistere elektronicamilieus bekende softsynth Spongefork. Eén van de eerste programma’s die toeliet om makkelijk te improviseren met elektronische muziek en computers. In zijn muziek wil hij zijn organische klanken aanvullen met veldopnames, spannende elektronica en een popgevoel. Aangezien hij een voorkeur heeft voor muziek uit de geteisterde Balkan speelt hij niet alleen de typische Westerse instrumenten maar ook bouzouki en kaval. Zijn zeer precieze, subtiele muziek wordt hier met wisselend resultaat onder handen genomen door onder andere .Tape., Sora, RDL en Midori Hirano. Het resultaat is een donkere ambientplaat vol subtiele zachtjes in de ziel snijdende nummers. Een ziel die gekweld is maar ook licht toelaat. Een boeiend experiment van een al even boeiende persoonlijkheid. (www.are-f.com)(mt)

   
Villains
Drenched In The Poisons
(AURORA BOREALIS/BANG!)
Desecrator, Killusion, Teeth, Witchwhipper en Nightstriker vormen sinds 2004 het uit New York City afkomstige deathpunkgezelschap The Villains. Bestaande uit leden en ex-leden van bands als Unearthly Trance, Thralldom, Cattlepress, Hemlock en The Dying Light bedelft dit agressief uit de hoek komende kwartet ons onder een portie klassieke death annex grind dat herinneringen oproept aan klassieke bands als Venom, Darkthrone en Eyehategod. Lomp, vunzig, wild om zich heen slaande, gedeformeerde mokerslagen worden in een hels tempo afgevuurd. Soms lijkt het wel alsof Antiseen, vaandeldraagers van The Confederacy Of Scum, hun versie van grind aan het neerzetten zijn. De acht nummers in amper een half uur handelen over zuipen, geweld, drugs, gewillige dames en nog veel meer zuipen. Alleen sommige stukken zang die zozeer de hoogte ingaan dat we denken met Rob Halford (Judas Priest) te maken te hebben, ontsieren deze anderszins schitterende aanval op ons brave zieltje. Gooi wat flessen tegen de muren, gooi jezelf in de brokstukken en zet ‘Torture Is Too Kind’ nog eens op.(pb)

   
XCor
Evolution
(SONIC SOUL)
De naam van het Tilburgse Psychick Warriors ov Gaia heeft nog steeds een bijzondere klank. In 1994 verlaat Robbert Heynen deze band en gaat hij muzikaal verder onder de naam Exquisite Corpse, hij wordt in dit project bijgestaan door Debbie Jones. Nu is er onder de noemer Xcor het album waar de twee in 1996 mee bezig waren toen hun platenlabel failliet ging. Het album met de titel ‘Evolution’ werd niet uitgebracht en Debbie Jones stierf helaas al in 2005. Op het Sonic Soul-label wordt tien jaar later dan toch het album uitgebracht. Dankzij niet-westerse invloeden en geluiden weten de twee een zelfde soort trance op te wekken als de techno en house dat kunnen, de muziek van Xcor heeft echter een heel andere sfeer dan voornoemde stijlen, terwijl ze er ook dicht bij in de buurt blijven. De associatie die deze invloeden bij velen toch oproept is die van mythe en duisternis. Dat geeft dit album, dat iets aan de lange kant is, een speciaal randje. Goed dat het album er uiteindelijk toch nog gekomen is. (www.sonic-soul.ca)(avdh)

   
Yes Boss
Look Busy
(DANCE TO THE RADIO)
Achter de naam Yes Boss schuilen twee lads uit Leeds. Noah Brown en Gavin ‘Gavron’ Lawson brengen op ‘Look Busy’ een smakelijke cocktail van hiphop, grime en een scheutje elektro. In Groot-Brittanië worden ze door een aantal journalisten al als the next big thing voorgesteld. En we moeten toegeven sommige van de nummers hebben wel degelijk potentieel. Deze plaat zal het zeker goed doen op de dansvloer. Maar de nieuwe ‘The Streets’? Doubtful lads. Qua rapstijl zit Noah wel dicht in de buurt van Mike Skinner. Dezelfde slepende rhymes over ‘birds en booze’, alleen het dialect klinkt een tikkie anders. De heren komen immers uit het Leeds, het noorden van Engeland. De cd opent sterk, maar 'Yes Boss' kan het niveau helaas niet de hele plaat volhouden. Ergens halfweg zakt alles wat in elkaar. Een paar ongeïnspireerde middelmatige nummers halen ons cijfer flink naar beneden. Met dit materiaal had men een leuke debuut-ep kunnen samenstellen.(kp)

EXTRA RECENSIES GONZO #79
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo #79

The Besnard Lakes
The Besnard Lakes are the Dark Horse
(JAGJAGUWAR/KONKURRENT)
Jace Lasek heeft samen met zijn lief Olga Goreas enkele jaren geleden een schitterende plaat gemaakt met de titel ‘Volume 1’. Daar is nu vervolg op gekomen. Niet echt Volume 2 te noemen, maar een verruiming van het geluid en nog meer op zoek naar spanning in rust. Denk aan de rust van Low of aan Pink Floyd ten tijde van ‘Wish You Were Here’. Een mix van Slowcore en Postende Rock om het in stijlen uit te drukken. Dit Canadees duo heeft zich bij laten staan door een groot aantal muzikanten die allen een rolletje spelen in de muzikale uitbarsting van en rondom Montreal. Toch valt the Besnard Lakes op The Besnard Lakes Are the Dark Horse behoorlijk uit de boot vergeleken met streekgenoten Stars, Islands, Arcade Fire of Godspeed. ‘Rides the Rails’ doet zelfs heel erg denken aan de licht-psychedelische pop van Jefferson Airplane. Het duurt soms even voordat het kwartje valt, maar dan weet je het ook zeker: een intrigerende plaat. (www.thebesnardlakes.com/)(nh)
   
Bent Object (DVD)
[Foam]
(FOTON)
Met de release van de DVD ‘In Human Format’ brengen Bent Object en [Foam] een neerslag van hun samenwerking. Bent Object is de samenwerking tussen de Nieuw-Zeelandse danseres en zangeres Susane Bentley en de Belgische elektronicamuzikant Peter Van Hoesen, lid van het Fotoncollectief en een deejay met faam. [Foam] op hun beurt zijn het videocollectief rond Nik Gaffney en Mja Kuzmanovic. Op ‘In Format’ brengt het viertal een intrigerende inkijk in hun werk. De twaalf stukken glijden soepel in elkaar over, soms is er een vage link tussen de verschillende stukken, maar meestal staan ze los van elkaar. Geluid en beeld vallen vaak samen en spelen in bepaalde stuken mooi op elkaar in en refereren op die manier aan het werk van Coldcut die met hun videomixing een bescheiden revolutie ontketenden. Wat ‘In Human Format’ boeiend maakt is de snelheid waarmee alles voorbij glijdt en hoe men kleine technieken dingen suggereert en de verbeelding stimuleert. Kleurlagen worden weggeschrapt tot een vaag beeld overblijft dat op zijn beurt vervliegt of een vage schim ontvouwt zich tot een postmodern bewegend schilderij. Ook de muzikale bijdrages van Peter Van Hoesen zwermen alle richtingen uit. Nu eens is hij met zijn antiritmische patronen schatplichtige aan het Warplabel, dan weer dompelt hij de luisteraar/kijker onder in een bad vol elektronische noise, terwijl het slotnummer klinkt als een nummer van Orbital dat in een breakcoreversie een tweede leven krijgt. DVD’s van dit kaliber worden in groten getale op ons losgelaten en houden vaak niet lang stand. ‘In Human Format’ is een uitzondering op die regel en kan het uur soepel rondmaken. Mooi werk. (pds)
   

The Bullfight
One Was A Snake
(LIVING ROOM RECORDS/KONKURRENT)
Excon
Excon
(ZABEL MUZIEK)
Tijd voor twee jonge, Nederlandse bands die naarstig aan de weg timmeren. De eerste is The Bullfight uit Rotterdam. Yep, de connotaties met rode lappen en stieren gaan we achterwege laten. Maar toch een groep om in de gaten te houden. Als was het maar omdat de stem van de zanger bij ons vage herinneringen oproept aan een jonge Nick Cave. Muziek die uitgaat van de eigen kracht en niet van het sluiten van compromissen. Door de opbouw van nummers blijft er voldoende variatie aanwezig in de songs. Interessante debuutplaat noemen wij zoiets. (www.thebullfight.nl). Het debuut van Excon is al sinds juni 2005 uit op het Amsterdamse Zabel Muziek. Deze plaat heeft pas kort geleden Gonzo HQ bereikt. Eenzelfde duistere sfeer als bij The Bullfight overheerst de muziek van deze band. Denk Smog, Codeïne of Low. Excon is Jeroen Veldman en Wouter Bosker. Een duo dat erin slaagt om spaarzaam instrumentarium een aantal boeiende songs op te bouwen. Hier en daar sluipt de eenvormigheid wel binnen. Interessant als debuut, maar alles net iets strakker uitwerken is de boodschap. (www.excon.nl) Ach ja, blijven timmeren jongens want dan kunnen deze twee bands in de toekomst nog interessante dingen afleveren.(mt)

   
DAM
Dedication
(RED CIRCLE MUSIC/COAST TO COAST)
Dam betekent onsterfelijk in het Arabisch. Gezien de herkomst van de leden van deze groep is dat maar goed ook. Terwijl veel Israëliërs en Palestijnen elkaar nog steeds dood blijven slaan, bombarderen en schoppen maken de leden van Dam muziek. Dam betekent ook bloed in het Hebreeuws. Thematiek te over dus voor de leden van deze Rap/Hip hop band, geboren en getogen in de achterbuurten van Lod, een gemengd Arabisch - Joodse stad nabij Jeruzalem. Hun inspiratie vinden ze bij Nas, Common, 2 Pac en Mos Def maar gelukkig ook bij het Franse Saïan Supa Crew en MBS (Le Micro Brise Le Silence). Bling, sex en westers bendegeweld is dus verre van het belangrijkste thema voor deze gasten. Dam maakt Arabische en Hebreeuwse rap met oosters melodische invloeden die qua ritmes en productie onmiskenbaar westers aandoet. Wat dat betreft vind ik ze zelfs sterker dan Clotaire K, een Libanees woonachtig in Frankrijk, die naar mijn mening af en toe te veel een MTV image nastreeft. Dam heeft in twee tracks de refreinen laten zingen door een groep jochies (zie cover). Afgezien van het feit dat het niet schattig klinkt dringt ook direct de boodschap door dat het leven in Lod om leven en overleven draait. Daarnaast rappen ze over hun worsteling met dagelijks geweld, het Palestijnse recht voor gelijkheid, hun gevecht tegen discriminatie, terrorisme, over drugs en vrouwenrechten. En het klinkt ook nog. In 2001 werd de titeltrack Min Irhabi (Wie is de terrorist?) van het gelijknamige album meer dan 1 miljoen keer gedownload van Arabrap.net. Reden temeer dus om een oor te wijden aan deze band. (ht)

   
The Dead C.
Vain, Erudite And Stupid
(BA DA BING!)
Toch leuk als je kunt zeggen dat groepen als Sonic Youth, Comets On Fire en Black Dice jou tot hun favorieten rekenen. Maar houdt dat ook wat in? Niet in het geval van The Dead C., een trio uit Nieuw Zeeland, dat al een kleine twintig jaar aan de weg timmert met vage, vuige lo-fi impronoise. Om hun 20ste verjaardag te vieren, stelden ze de dubbel-cd 'Vain, Erudite And Stupid' samen uit materiaal van de afgelopen twintig jaar. Maar ze hadden dit net zo goed na kunnen laten en hun instrumenten aan de wilgen hangen. Ik zie niet in, wie op deze plaat heeft zitten wachten. De meeste nummers bestaan uit lagen noise waarin nu eens gitaren doorbreken, dan weer een dof slagwerk, of een mistige flard vocalen. Het is leuk om geluidsmuren op te bouwen, maar zelfs dan moet het niet ontaarden in vage klanklagen waarin weinig meer te herkennen valt.,Je kunt natuurlijk zeggen dat het oude opnamen zijn, en dat de meer recente nummers een betere geluidskwaliteit tonen. Helaas is dat niet het geval. De drie muzikanten van The Dead C. hebben duidelijk een voorkeur voor anti-esthetische gitaarnoise, waarbij een krakkemikkige microfoon beter is dan een state of the art microfoon. Dat is natuurlijk prima, maar val dan niemand er mee lastig. (kpo)


   
El guapo stuntteam
Accusation Blues
(SUBURBAN)
Knallen doet dit alleszins. En ongetwijfeld is er een publiek voor El Guapo Stuntteam. Er is ook een publiek voor het autosalon. Zie ook: www.autosalon.be.(sb)

   

Empty Cage Quartet
Hello The Damage!
(PFMENTUM)
Trio Isbin/Gauthier/Walton
Venice Suite
(JAZZ'HALO)
Twee sets van het concert dat het Empty Cage Quartet (voorheen The MTKJ) in thuisstad Los Angeles gaf op 30 december 2005, zijn netjes over twee cd’s verdeeld. Het Café Metropol was de plaats waar de vier heren, met als spil saxofonist Jason Mears en trompettist Kris Tiner, hun composities op een wild publiek afvuurden. Die twee schreven de meeste nummers, al is dat schrijven relatief. Het zijn eerder geraamtes waarrond de nummers worden opgehangen, want de band laat zeer veel ruimte voor vrije improvisatie. Een dergelijke manier van spelen vraagt uiterste concentratie van de vier muzikanten, en net die concentratie zorgt ervoor dat het Empty Cage Quartet de hele tijdsduur uiterst bevlogen musiceert. Gefreak is hier nergens te bespeuren, evenmin als stukken die de aandacht trekken op één van de vier om zijn muzikale virtuositeit middels ellenlange solo’s te etaleren. Soleren doen de heren genoeg, maar alleen ten dienste van de gespeelde suite, als deel van een wonderlijk klinkend geheel. Het kwartet brengt behoorlijk rustige zwijmeljazz die het moet hebben van subtiliteit, vakmanschap en minutieuze interactie tussen vier begaafde muzikanten. Met succes overigens getuige het applaus van het publiek. Zonder ook maar ergens in kopieergedrag te vervallen, roept deze dubbel-cd de geest van Anthony Braxton en Ornette Coleman op. Het moet een memorabele decemberavond zijn geweest, daar in Los Angeles twee jaar geleden. (www.pfmentum.com) De cd van het trio bestaande uit gitarist Gilbert Isbin, violist Jeff Gauthier en contrabassist annex pianist Scott Walton heeft Brugge als vertrekpunt. Op een regenachtige dag wilde Jos Demol, labelbaas van Jazz’halo, een stadswandeling maken met Jeff Gauthier, labelbaas van het in stijlvolle jazz grossierende Cryptogramophone. Het regende echter voortdurend pijpenstelen waardoor de wandeling letterlijk in het water viel. Demol stelde Jeff dan maar in een Brugse bruine kroeg voor aan Gilbert Isbin, waarbij de vonk tussen die twee muzikanten meteen voor gensters zorgde. Gauthier nodigde Isbin uit om in Los Angeles samen een paar concerten te spelen en toen de opnames daarvan naderhand werden beluisterd, besloten de heren om samen een cd te maken. Zowel Isbin als Gauthier vonden dat hun duo best wel een contrabassist kon gebruiken, waarop Demol hen in contact bracht met Scott Walton (Vinny Golia Quintet). Demol mag de drie muzikanten dan wel hebben samengebracht, ze lijken wel voor elkaar geboren. De muziek, in twee dagen opgenomen in de studio van Gauthier, klinkt hemels. Isbin heeft de overhand in het schrijven van alle composities, maar laat telkens voldoende ruimte voor improvisatie, waar ze alle drie ruimschoots gebruik van maken. Het resultaat is jazz die klinkt als klassiek aandoende kamermuziek. ‘The Venice Suite’ laat het trio horen, waarin vooral het inventieve pianospel van Walton in positieve zin opvalt. ‘The Brugge Suite’ laat de chemie van het oorspronkelijke duo opnieuw tot leven komen. Akoestische gitaar en viool roepen de hoogdagen van een cultureel opbloeiend Brugge op. Verrassend is afsluiter ‘River Man’, oorspronkelijk van de hand van Nick Drake. Het nummer ondergaat gedwee de kamermuziekbehandeling van het trio, dat een internationale opstap voor onze Vlaamse Gilbert Isbin kan worden. Brugge telt weer mee in de jazzwereld. (www.jazzhalo.be)(pb)

   
Fuck The Facts
Stigmata High-Five
(RELAPSE/SUBURBAN)
Na jaren in de marge te hebben geploeterd en een reeks platen te hebben uitgebracht op een resem obscure labeltjes, krijgt het uit Ottowa, Canada afkomstige Fuck The Facts de kans om op Relapse te werken aan een grotere naamsbekendheid. Of het zal lukken, valt nog af te wachten want de mix van grind, mathmetal en hardcore dat het kwartet ons voorschotelt, is niet makkelijk te behappen. Ongelooflijk technisch gespeeld, dat zeker, maar de coherentie binnen de nummers is nogal eens zoek. De band springt voortdurend van de hak op de tak en speelt een paar nummers binnen één track, tegelijk, elke twintig seconden. Hou er dan maar je kop bij Jandorie. Als Melanie Mongeon dan ook nog eens haar keelgat openzet, vliegen we helemaal de muur op. Wat een ongestructureerde herrie! En toch, na ettelijke keren luisteren ontwaren we melodielijnen, herkennen we de verschillende nummers binnen nummers en beginnen we het plaatje zowaar te doorgronden. Fuck The Facts zal nooit ons geliefkoosde herriebandje worden, maar dit extreem technisch volgeramde halfuurtje is zeker aangewezen voor fans van Dillinger Escape Plan, Converge en Agoraphobic Nosebleed, al is Fuck The Facts nog een heel stuk chaotischer en extremer. Ja, dat kon nog. (www.relapse.com)(pb)

   
Lee Hazlewood
Cake Or Death
(BPX/BERTUS)
Net voor het doek definitief valt voor Lee Hazlewood, de man is namelijk terminaal ziek, bezorgt hij ons nog één finale plaat. Hij bezorgde de wereld o.a. de ontelbaar keer gecoverde popklassiekers ‘Some Velvet Morning’ en ‘These Boots Are Made For Walking’ (Nee, herinner ons niet aan de versie van het blonde - ‘big tits, no brains’ - huppelkutje Jessica Simpson). Op deze afscheidsplaat probeert hij een, niet altijd geslaagde, samenvatting te geven van zijn muzikale oeuvre. Van country naar jazz via klassiek en terug. Dat humor in de teksten hem niet vreemd is bewijst het speelse ‘Fred Freud’. Hierin speelt hij met namen en stukken muziek van klassieke componisten. Naast humor is er ook plaats voor ernst. Hij haalt op een paar nummers snoeihard uit naar de huidige Amerikaanse president en samenleving. In ‘Anthem’ haalt hij op melodie van het Amerikaanse volkslied het republikeinse gedachtengoed onderuit. Ontroering of klefheid ? We zijn er nog niet uit als we de versie horen van ‘Some Velvet Morning’ op deze plaat. Een duet van grootvader Lee Hazlewood met zijn achtjarige kleindochter Phaedra. Bijzonder is deze versie alleszins. In het slotnummer van deze plaat, ‘T.O.M. (The Old Man)’ neemt hij echt definitief afscheid. Op weg naar een onbekende bestemming.
(www.leehazlewood.net)(mt)

   

Hellsonics
Demon Queen
Milwaukee Wildmen
Strike Back
(DRUNKABILLY/SUBURBAN)
Hellsonics hebben Antwerpen als hun rock’n’rollbasiskamp en bestoken van daaruit de rock- en psychobillyscène. Dertien nummers staan er op hun schijfje, niet allemaal van eigen hand jammer genoeg. De cover van Nancy Sinatra’s ‘These Boots Are Made For Walking’ valt wel mee, maar dat nummer is ondertussen sufgecoverd. Dan maar liever hun versie van het net zo klassieke ‘Shout’ dat beter bij hun stoute imago en bij de zwoele rockstem van frontvrouw Killie D. past. Probleem met dit schijfje is de zwakke productie. Het kan dan wel de bedoeling zijn om alles lekker rauw en in één keer op de band te zwieren, maar zoals de nummers er nu op staan rammelt het geluid aan alle kanten. Jammer, zeker voor een kwartet dat sinds hun ontstaan in 2002 een stevige podiumreputatie aan het opbouwen is. Het is natuurlijk niet evident om de liedjes van een rauwe, wild om zich heen slaande band goed op te nemen, maar dit is echt wel een beetje te lo-fi. We luisteren daar echter gewoon doorheen, en dan horen we potige rock’n’roll waar aan te horen is dat Hellsonics in om het even welk feestzaaltje de boel op stelten weet te zetten. Dan hebben Milwaukee Wildmen het al een stuk beter voor elkaar, maar het trio timmert dan ook al meer dan tien jaar aan de psychobillyroad to hell. De ervaring straalt van deze band af, en al is ook hier het geluid van de tien nummers niet super, het rammelt een stuk minder en imponeert daardoor een stuk meer. Snelle drums, een ongelooflijk goed klinkende contrabas en typische psychogitaarlijntjes worden aangevuld met aan hardcore refererende snelheden en hier en daar wat country om de plaat wat variatie mee te geven. De gaspedaal gaat er van bij plaatopener ‘Feel Like Dying’ goed op, en blijft omzeggens het volledige half uur ingedrukt. Onderweg rammen ze eventjes ‘Camouflage’ van Stan Ridgeway in elkaar en afsluiten doen ze met een eerbetoon aan hun helden middels een cover van ‘Slow Down You Grave Robbing Bastard’, inderdaad, de klassieker van die andere wildemannen van de psychobilly, The Meteors. Tussendoor komen krakers als ‘Eurotrash’, ‘Personal Demons’ en ‘Refuse To Loose’ voorbij, die gegarandeerd elk feestje op gang kunnen trekken. Which is nice. (www.drunkabilly.com)(pb)

   
Honcho
Burning In Water, Drowning In Fire
(BUZZVILLE/SUBURBAN)
Oops, wat hebben we hier? Een flauwe plezante die de titel voor Honcho’s cd mocht verzinnen? Tja, zou kunnen, want een band die zijn plaat opent met ‘Some Say’ en dat een eigen nummer noemt, is ver heen. Jimi Hendrix is wat we horen, in een stonerkleedje dan. Het erna volgende ‘Seeing Red’ haalt ZZ Top door de stonermengelaar, en ook hier krullen onze tenen tot ze er zeer van doen. Als ze dan ook nog eens beginnen met een ‘ooooohhhh’-koortje krijgen we er helemaal het vliegend schijt van. De halfweg ingezette basgroove maakt iets goed, maar niet echt veel. Zouden we echt deze volledige cd laten spelen om onze recensieopdracht naar behoren te vervullen? Ja dan maar, want zo zijn we. Steeds in voor een klein beetje zwarte hoop, misschien is het volgende nummer beter? ‘Messenger Messiah’ is inderdaad een ietsepietsie beter, al blijft het mediocre standaardstoner. Voor ‘Hangover Blues’ nemen ze alweer wat gas terug, en vallen de stereotype stonertrucjes nog meer op. Potdorie, nog vijf nummers, die we niet één voor één gaan overlopen. Alleen al het ingehouden ‘Through’, bah, wat een bagger. Gewoon doorspoelen deze hap. Uit Noorwegen komen ze (ze waren er beter gebleven) en de plaat dateert al uit 2004. We hadden ze toen grandioos over het hoofd gezien, en dat hadden we deze keer ook beter gedaan. (www.longfellowdeeds.com)(pb)

   
Melancholia Estatica
Melancholia Estatica
(ATMF/INFERNUS REX)
Rauw, rauwer dan bloeddoordrenkt slachtafval, vunzig, recht op het bakkes, Melancholia Estatica kan het maar doet het niet altijd even overtuigend. Vier nummers ouderwetse black metal staan er op dit debuut, dat een groot half uurtje van onze zwarte ziel vergt. De band gaat furieus van start, maar al na tweeënhalve minuut wordt er gas teruggenomen voor een melancholisch tussenstukje dat te veel neigt naar gothic aandoende zwartzakkerij die ons heel wat minder weet te bekoren. Intense haat, agressie en gevaar komen we slechts mondjesmaat tegen op deze plaat. In elk nummer voegt de band teveel melodieus aandoende, brave stukken in die de angel uit de duiveltjes halen. Donker klinkt Melancholia Estatica wel, daar niet van, maar het blijft grossieren in grijstinten. Het opwekken van melancholie, eenzaamheid en depressies is wat dit eenmansproject betracht maar waar het niet over de hele lijn in slaagt. Forgotten Tomb, Epheles en Arcturus zijn referenties waar Melancholia Estatica iets mee kan. (www.atmf.net - www.infernusrex.com)(pb)

   
OMFO
We are the shepherds
(ESSAY RECORDINGS)
Afgelopen november is het tweede album van Our Man From Odessa, of OMFO verschenen. Deze man, Gherman Popov komt rechtstreeks uit de Oekraïne met fraaie op vintage synthesizers gespeelde ruimtevaart muziek, gebaseerd op traditionele themaatjes uit landen als Azerbeidzjan en Roemenië. Popov laat het echter ook niet na Tango themaatjes af te laten wisselen met hoempapa- en borrelnootjesmuziek a la Tonny Eyck. In dit prachtige amalgaam vinden we verder Russische ballades, Azerbeidjaanse vechtliederen op een housebeat in 9/8ste maat, naast Roemeense herdersliedjes die in een ruimtestation passen. Smullen dus. OMFO is multi-instrumentalist en bespeeld -naast zijn synthesizers- op dit album verschillende mondharpen, Kaval en andere fluiten uit Oost-Europa. Hij wordt op dit album begeleid door Vasile Nedea (Roemenië, cymbalon, accordeon) Rassul Kazimov (Azerbeidzjan, tar, een Iranese luit) Bakhtiyar Eybaliyev (Azerbeidzjan, percussie, zang) en niemand minder als Fay Lovsky op theremin, celesta en zingende zaag. Omfo’s eerste album, Trans Balkan Express was minder sterk qua liedstructuur. Op dit album is hij sterk gegroeid echter en is de hele cyclus van nummers een echt avontuur van a tot z geworden. Het album is geproduceerd door Atom tm oftewel het brein achter Señor Coconut. Mij is onbekend wat diens invloed is. Wellicht wat kleine muzikale grapjes, verder als dat kom ik niet. Ze hebben de tracks tussen de Omfo’s thuisbasis in Amsterdam en Santiago (Chili) waar Atom tm woonachtig is, heen en weer laten pendelen. Jammer is wat mij betreft de productie van het gehele geluid, dat van mij iets vetter had mogen zijn. Maar het heeft ook wel zijn charme. Het lijkt op deze manier lichte kitsch of huiskamermuziek. Enkele tracks van dit album zijn gebruikt in de Borat film. Ik durf wel te stellen dat dit alles een geheel van muzikale geniale gekheid is.

(ht)

   
Orne
The Conjuration By The Fire
(BLACK WIDOW/CLEAR SPOT)
Orne is een Finse band die debuteert met een collectie songs die eerder als demo werden verspreid. Het is het nevenproject van Kimi Kärki, voor de gelegenheid omgedoopt tot Peter Vicar, gitarist van het doomgezelschap Reverend Bizarre. Het hoesje is een schilderij van de Ier Harry Clarke (1889-1931) met de titel ‘Methinks A Million Fools In A Choir’, bedoeld als illustratie bij Goethe’s ‘Faust’. In het boekje komen we filmstills tegen uit films van Mario Bava, het nummer ‘Anton’ verwijst naar satanist Anton LaVey en H.P. Lovecraft wordt uitgebreid geciteerd. Verwijzingen naar invloedrijke doombands zijn de mispels in de taart. Literaire en filmische eruditie van de donkere kanten van de kunst blijken echter niet voldoende om een geslaagd muzikaal werkstuk in elkaar te draaien. De zanger irriteert al snel en er wordt met weinig originaliteit en vindingrijkheid gemusiceerd. Alhoewel de eerste riffs die refereren aan Black Sabbath pas halfweg de plaat opduiken, zit de band aan de verkeerde kant van de heavy rock. Deep Purple en Uriah Heep zijn nu eenmaal niet van de hipste of interessantste bands om muzikaal te herbronnen. Orne slaagt er wel over de hele lijn in om een donker en droefgeestig sfeertje te creëren dat dan wel weer past bij de gothic horror waar de heren duidelijk wild van lopen. De gesproken intro en outro komen het best uit de verf, al doet de band er alles aan om met een uitgebreid instrumentarium, waar we voor dit genre atypische instrumenten als een saxofoon en een rhodes piano horen, om onze aandacht vast te houden. Orne doet hard zijn best maar behoort tot het doompeloton. Die hoes blijft echter schitterend. (www.blackwidow.it)(pb)

   

The Ruby Suns
The Ruby Suns
(MEMPHIS INDUSTRIES/V2)
Sister Vanilla
Little Pop Rock
(CHEMIKAL UNDERGROUND/KONKURRENT)
Welcome
Sirs
(FAT CAT/PIAS)
De invloed van de psychedelische pop uit de jaren 1960 is nooit veraf bij deze drie plaatjes. De naar Nieuw-Zeeland uitgeweken Californiër Ryan McPhun verzamelde rond zich een achtkoppige collectief. Een groep die zomerse aanstekelijke popliedjes maakt met invloeden van The Beach Boys en Van Dyke Parks. Er wordt echt ombeschaamd gegraaid in de muzikale erfenis van de genoemde artiesten. Ondertussen geniet ik verder van mijn ‘Kiwi Dream’-cocktail. (www.myspace.com/ryanmcphunandtherubysuns). Sister Vanilla is het groepje van Linda Reid. De familienaam doet misschien een belletje rinkelen ? Nee ? Zij is de zus van Jim en William Reid van Jesus & Mary Chain. Zij spelen mee op het album, niet in de live-groep. Heldere poppy melodieën soms overgoten met de bekende fuzzy-gitaren. (www.myspace.com/sister_vanilla). Derde en laatste in dit rijtje is Welcome. Een vijftal afkomstig uit Seattle. Hun rammelende garagerock met invloeden uit de psychedelica kan onvoldoende beklijven. De opnames gebeurden in een kelder, vaak in één enkele take. Daardoor klinkt alles net te onaf. Nadat je de plaat hebt beluisterd, heb je niet snel de neiging ze nog eens op te zetten. Iets langer werken aan de volgende plaat, jongens. (www.myspace.com/yrwelcome).
(mt)

   
The Sacred Sailors
Golden Dawn
(PITSHARK/CLEAR SPOT)
Bam Bamam Records en Pitshark Records sloegen de koppen tegeneen en besloten om de opvolger van het in 2004 bij Lonestar Records uitgekomen ‘We Gave It All To You’ uit te brengen. Nochtans was de titel van het debuut van deze sinds 2001 musicerende Zweedse band duidelijk genoeg: het vet was al van de soep met hun eerste cd. Wie zijn garagerock graag eenzijdig, monotoon, gedateerd en middelmatig heeft en bovendien ook nog houdt van een zanger die zich nauwelijks van het behang weet te onderscheiden, is goed af, want dat menske krijgt veertien zulke liedjes voorgeschoteld. Wij zijn echter iets kieskeuriger dan dat. Onze kleine van negen maanden, die zich net nog volledig liet gaan op ‘To Hell With The Lords’ van Lords Of Altamont (zie in de gedrukte editie van deze gonzo), begon na twee liedjes al lastig te doen, zijn handjes bewogen niet meer mee op de muziek en dat betekent meestal dat hij het net als zijn pa maar niets vindt. Als de biografie dan ook nog spreekt over Grand Funk Railroad, Bob Seger & The Last Heard, The Flaming Sideburns en Kula Shaker, kunnen we plots weer rennen en laten deze plaat mijlenver achter ons. De verwijzing naar Shocking Blue en Roky Erickson vinden we een regelrechte schande, want de eerste schreef toch de klassieker ‘Venus’ en de tweede is gewoon lekker gek en maakte een resem schitterende liedjes. U bent gewaarschuwd als u deze cd ziet liggen. Laat hem waar hij is. (www.pitshark.com - www.thesacredsailors.com)(pb)

   
Second Base
The Risk To Lose It All
(BURNED STAR/FUNTIME)
Hageland punkrock, versie eenentwintigste eeuw. Na drie jaar ploeteren in de ondergrond krijgt het trio dat Second Base vormt de kans om zijn kunnen middels hun debuut wereldkundig te maken. Of ze potten gaan breken, valt af te wachten. Daar zal het jonge grut dat interesse betoont voor behoorlijk goed en zeker heel integere punkpoprock over beslissen. Wat wij, als oude rotzakken, horen is poppunk met hier en daar een interessante riff, een op zijn tijd zeer welkome versnelling, behoorlijke liedjes die net niet blijven hangen en een compleet overbodige ballade als afsluiter. De plaat is geproduceerd door Patrick Delabie, een goede keuze voor deze plaat die doet denken aan Millencolin en No Fun At All. De band nodigde een paar gelijkgestemden van verwante bands als Homer, Human Degree en Five Days Off uit om gastvocalen te verzorgen en slaagt er zo in het gevoel van een hernieuwde Hagelandscène op hun debuut te etaleren. ‘The Risk To Lose It All’ is daarmee een geslaagd debuut te noemen van een bandje dat een schone toekomst tegemoet kan gaan. Eerst de puberpuistjes kwijt en dan er volop én minder braaf tegenaan en ze komen er zeker. (www.burnedstar.be - www.secondbase.be)(pb)

   
Sennen
Automatic Writing
(ZABEL MUZIEK/(EIGEN BEHEER))
Teruggegooid worden naar de gloriedagen van postrock is geen straf en de ezelsoren hebben gouden haren. Echter leven we in de tegenwoordige tijd en zo ziet Sennen dat ook. De vierkoppige Utrechtse band bestaat al sinds 2000 en oriënteerde zich in den beginne vooral op zang totdat op een dag bij een concert spontaan besloten werd niet meer te zingen, nooit en nimmer. De pagina sloeg om, er was geen weg meer terug en de talloze pedalen, bij de laatste telling meer dan 15 stuks(!), vormen nu de voorhoede in het wijde klankenpalet en gitaardrones vormen de kleur voor de achtergrond. Referenties naar huisstijl bands behoren achterwege gelaten te worden, maar als we eieren voor ons geld moeten kiezen dan eten we eenmalig schrokkend een portie Do Say Make Think met een Tortoise sausje binnen. Maar ach, het recht van deze aanduiding is slechts een zuchtje in de wind bij de open vlaktes die Sennen oproept, zodat de hokjesgeest op afstand blijft. 'Automatic Writing' is het tweede album op het Utrechtse Zabel label en maakt in een dik half uur de ronde. Memorabel, nostalgisch en melancholisch zijn de sleutelwoorden voor de verkregen sfeer die in de kleren zit als de geur van wierook na een avond alternatief ontspannen. Postrock voor fijnproevers met een goede neus voor kwaliteit. Via de website van de band kunnen songs van dit album gratis gedownload worden. (www.sennen.info)(s.b)

   
Suffocation
Suffocation
(RELAPSE/SUBURBAN)
Ooit begon Relapse (in 1990) als label met de release van het debuut ‘Human Waste’ van de nu legendarische deathmetalpioniers Suffocation. Het label wroette lustig verder en is ondertussen uitgegroeid tot een der grotere spelers in het extreme genre. Suffocation stond na een indrukwekkende start een paar jaar op non-actief maar bracht na meer dan tien jaar stilte in 2004 plots de cd ‘Souls To Deny’ op de markt, waarop de band bewees dat ze nog steeds tot de voorhoede behoren als het gaat om technische death metal. De opvolger ervan, het simpelweg ‘Suffocation’ getitelde werkstuk, is een plaat die het vertrouwen in het kunnen van deze pioniers alleen maar bevestigt. Niets nieuws onder de donderwolken, wel een portie onvervalste death metal met doordenderende blastpassages, groovende riffs en een nog steeds indrukwekkende grunt. Brutaler dan ooit en met de nog steeds onmenselijk klinkende vocalen van Frank Mullen speelt de band intenser en preciezer dan ooit en benadert tevens voor het eerst echt de sound die de band op het podium neerzet. Ze worden dan ook niet voor niets de goden van de death metal genoemd, zeker als het om hun liveprestaties draait. Dit album bevat elf beukende tracks waar elke deadhead houvast aan heeft. Suffocation klinkt zoals ze al altijd klonken en altijd zullen klinken. En zo hoort het voor deze ouderwets knallende band. (www.relapse.com)(pb)

   

Swirl People
Swirl It Up
(I'll Be A) Freak For You
(AROMA/N.E.W.S.)
De vraag of (funky) house al dan niet dood is – na de boom van rond de eeuwwisseling gewurgd door een overvloed aan platte troep, muzakcompilaties en A&R managers van grote labels met dollars in de ogen –, blijkt in België nog steeds irrelevant. Er is een behoorlijke scene met participerende clubs en (jonge) promotoren, met internationale gasten die graag het land aandoen, met nieuw deejaytalent bij de vleet en met een oudere garde die enthousiast aan de kar blijft trekken. Tot die laatste categorie behoort onmiskenbaar het producersduo Swirl People. Dimitri Dewever en deejay Raoul Belmans kiezen niet voor een queeste richting vernieuwing persé, maar opteren voor een evolutie binnen hun eigen, vertrouwde stijl. En dat lukt op dit derde album naar behoren: na jaren actief te zijn binnen dit afgebakende genre en met talloze ep’s op hun naam geschreven te hebben, is het geluid Swirl People herkenbaar geworden maar daarbij ook ongekend fris gebleven. Bovendien lukt het de Leuvenaars net als bij hun voorgaande albums om ‘Swirl It Up’ coherent en aangenaam luisterbaar te houden, eerder dan brokken dansvloermateriaal af te leveren. Bij hen is de oplossing voor het probleem van veel producers die aan een langspeler beginnen vrij simpel maar tot in de puntjes uitgewerkt: maak van de clubversies ingekorte, aangenaam luisterbare edits en pas deze netjes in de traditionele flow van een album. Zo werd een clubkraker als ‘When I Think Of You’ – de 12inch was haast een all star package, met zang van Dj Heather en een boompty remix van Derrick Carter – omgebouwd tot een radiovriendelijk nummer dat een poos niet weg te branden was van een aantal zenders. De overige gasten die knappe zangpartijen leverden, zijn toevallige maar met zorg geselecteerde passanten zoals bijvoorbeeld Ingrid Hakanson, die van ‘Luscious’ een track maakt die zijn titel verdient. Dit laatste gegeven maakt dat livesets van Swirl People praktisch zeer moeilijk worden. Komt daar bij dat de jongens bijzonder kritisch zijn, kwaliteit bij hen voorop staat en zij zoiets dus niet licht opvatten om op die manier snel en makkelijk succes te oogsten. Er mag bij de Swirl Peepz ook al eens gelachen worden, zoals ‘To The Restaurant’ en ‘Ride The Pony’ aantonen. Vermeldenswaard is verder nog ‘Wotcha Gonna Do’, een ware klassieker die van verse raps werd voorzien door TLP – hetgeen nog blijkt te werken ook. Toch bekoren tracks als ‘The Greatest Time’ en ‘Play Along’ ons het meest, maar wij waren dan ook al een aantal maal getuige van hun effectiviteit in een clubomgeving, waar ze olie op het vuur gooiden bij een uitzinnig dansende menigte. Dat potentieel draagt ook de 12inch versie van ‘(I’ll Be A) Freak For You’ in ruime mate in zich. Vooral de remix door Miles Maeda (zie GC 75) op deze vijftigste Aromarelease laat zich opmerken door toevoeging van vettige Chicago housebeats en geluiden die rechtstreeks uit het begin jaren 1990 lijken te zijn overgepompt. Nog slechts één woord: toewijding.
(www.swirlpeople.com)(tn)

   

Various Artists
All My Dead Friends
Foundation Hope
The Faded Reveries
(COLD MEAT INDUSTRY/CLEAR SPOT)
We weten dat ondoden zich traag voortbewegen, maar CMI blijft al heel lang ter plaatse trappelen. Ooit waren de compilaties van de Zweedse keurslager pareltjes waarop invloedrijke projecten als In Slaughter Natives, Deutsch Nepal of Brighter Death Now hun wormstekig gelaat aan de wereld toonden. Tegenwoordig moeten we het helaas stellen met hun minder bekwame volgelingen (Atrium Carceri, Golgatha). De neiging om meer ruimte te geven aan neofolk (ROME) en militaire pop/industrial (Decadence, Pimentola, Tharmapsal) is ook twijfelachtig gezien ook deze genres al jaren in hetzelfde cirkeltje marcheren. En als Coph Nia voor de zoveelste keer ‘Hymn To Lucifer’ van Aleister Crowley opgraaft, kunnen we alleen maar glimlachen. De zweverige heavenly voices windwichten van All My Faith Lost hebben we ook al eerder en beter gehoord.Tussen de Macht en de Glorie valt een Schaduw. Het Nederlandse Foundation Hope is één van de meer optimistische dode vrienden. Vanachter een kindergraf openbaart Joep Smalling ijle dark ambient, die heel wat religieuze mosterd haalt bij Raison d’Etre. En ja hoor, uitgerekend Peter Andersson tekent voor de oerdegelijke mastering van de cd ‘The Faded Reveries’. Kortom een geïnspireerde, maar weinig inspirerende cirkel, die doet denken aan het (in dit genre bijzonder populaire) beeld van een slang die haar eigen staart opeet. (www.coldmeat.se)(pv)

   
Various Artists
Bole 2 Harlem Vol 1.
(SOUNDS OF THE MUSHROOM)
Vers uit New York komt deze concept cd met een kruising tussen voornamelijk Ethiopische zang, westerse moderne ritmes, Nyabingi, en verschillende wereldse ritmes en melodieën uit diverse windstreken zoals Braziliaanse Batucadu en Afrobeat. Wat direct opvalt, is de combinatie van opgewekte en melancholische Ethiopische zang en raps met westerse beats. Dat is nieuw in het wereldse popcircuit. Verder is de productie van de tracks goed, uitgewogen, het klinkt als een klok en de nummers staan ook op zijn benen qua vorm. De voornaamste vocaliste Tigist Shibawaw klinkt niet alleen als de bekende zangeres Gigi (Shibabaw), maar blijkt ook nog eens haar zus te zijn. Ze heeft het zelfde zachte timbre en licht gebroken toonvastheid. Er zit een onschuld in het timbre en Ethiopische stemgebruik van deze zussen waarvan je zou kunnen denken dat ze nooit veelvuldig gezongen hebben. Wat mij betreft blinken echter alleen die tracks uit op deze cd waar een uitgewogen kruising tussen de Ethiopische ritmiek en/of melodiek en moderne ritmes of baslijnen getroffen word. Het klinkt misschien puristisch maar dit album was krachtiger geworden als ze de combinatie van een kleiner aantal muziekparameters wat meer hadden uitgediept. Van de in totaal veertien titels zijn zes stuks heel sterk en die andere zijn niet slecht, maar helemaal passen in dit conceptalbum doen ze niet echt. Van mij hadden ze langer op dit album mogen kauwen, dan was het pas echt een topper geworden. De potentie voor deel 2 is absoluut te vinden op deze cd. (ht)

   
Various Artists
Inner Asian Pop
(COLORS MUSIC / IRMA RECORDS)
Inner Asian Pop is een ongekend frisse verzamelaar uitgebracht door het Italiaanse blad Colors. Dit magazine doet verslag in een blad, in documentaires en op verzamel cd’s over diverse hedendaagse, moderne en traditionele cultuurverschijnselen over de hele wereld. Tot nu toe brachten ze cd’s over Favela Beats, Cumbia, Scandinavische en Ottomaanse muziek uit. Het leuke van deze serie is dat ze totaal los van wat er in het westen gepromoot en gedistribueerd hun muziekkeuze maken. Je bent echt op reis dus; je komt geen artiesten tegen die al op zoveel andere westerse (wereld)muziekverzamelaars staan. Inner Asian Pop bevat tracks uit popmuziek uit Tadzjikistan, Turkmenistan, Kazakhstan, Oezbekistan en Kirgizië. Er staat veel moderne en veelal elektronische muziek op die je op de daar populaire radio kunt verwachten. Er zitten een paar pareltjes bij, zoals het feestelijk in 7/8e maat stomende Hotechah van de Tadzjiek Ubaidullo Karomatov en een melancholisch feestelijke synthesizer track gezongen door Dalila & Fazo. En nog een onmiskenbaar traditionele Kargiraa keelzang titel in Pink Floyd stijl(!) door de zanger Roksonaki uit Kazakhstan. Daarnaast staat er een live video-opname van een akoestische versie van een van de tracks op dit album. Sommige sterren zijn wereldberoemd in hun land, andere totaal onbekend en dat maakt deze verzamelaar er niet minder leuk om. Colors Magazine beschikt over zijn bronnen en middelen en heeft een fotoverslag in een veertig bladzijden tellend boekje aan deze cd toegevoegd. Het betreft glasheldere en hard gekleurde foto’s van onder andere boerenfamilies, leden van de communistische jongerenbeweging, twaalf jarige pin ups, close ups van mensen van diverse afkomst uit alle leeftijdsgroepen, en zwaar gedecoreerde mannen die al 35 jaar tuinman zijn in een en hetzelfde park blijken te zijn. Alles samen een prachtige illustratie van deze regio. (ht)

   
Various Artists
Sur La Mer Samp-Le-Mer
(5RC)
Sinds 1997 was 5 Rue Christine (5RC) een thuishaven voor experimentele rockmuziek. Was, zeg ik, want 2007 is het laatste jaar waarin ze albums zullen uitbrengen. De oprichter Slim Moon gaat in de toekomst werken bij Nonesuch Records. Op deze haast postume verzamelaar vind je een uitgebreid overzicht van waar het label voor stond met bands als Xiu Xiu, The No-Neck Blues Band, Wooden Wand and the Vanishing Voice, The Robot Ate Me en natuurlijk Deerhoof. De band waarvoor het label uiteindelijk is opgericht. Variatie troef dus op deze verzamelaar maar toch altijd met eenzelfde gevoel voor experiment. Muziek voor de 21ste eeuw. Soms dansbaar, als je onze spastische bewegingen dansen kunt noemen, soms verstilde schoonheid. Tja, jammer dat dit soort labels verdwijnen. Na 10 jaar ploeteren in de marge was het duidelijk tijd om iets anders te gaan doen. (www.5rc.com)(mt)

   
Warpig
Warpig
(RELAPSE/SUBURBAN)
Relapse brengt wel eens meer een plaat van jaren her opnieuw onder de aandacht. Dat zijn dan meestal klassiekers uit de deathmetal-geschiedenis die al lang niet meer zijn te vinden. Warpig is toch iets andere koek. De band wordt omschreven als een van de voorvaders van de doom, maar wat we op deze plaat te horen krijgen is een amalgaam van foute bands als Barclay James Harvest, Iron Butterfly (luister het sfeervol beginnende en in orgelklanken uitdijende ‘U.X.I.B.’) en Yes, symfonische rock met een foute jaren 1970-stempel dus. Gelukkig geldt dat niet voor alle nummers. ‘Melody With Balls’ verenigt het beste van Pentagram en Blue Öyster Cult en kan alsnog een klassieker worden. Met het succes van retrorockers Wolfmother in het achterhoofd en de essentiële heruitgaven van Pentagramplaten die het label deed, is Warpig misschien welkom voor mensen die op zoek zijn naar de voorgangers van de psychedelische protometal, mensen die ook platen in huis (willen) hebben van Wishbone Ash, Manfred Mann of Savoy Brown, allemaal tijdgenoten van Warpig waarmee de band het podium deelde. Fanaten van de extremere metal die Relapse normaal uitbrengt, laten deze schijf met plezier in het schap. (www.relapse.com)(pb)

EXTRA RECENSIES GONZO #78
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo #78

A.G.
Get Dirty Radio
(LOOK RECORDS/ROUGH TRADE)
Met Madlib, J Dilla, Oh No en Tommy Tee achter de productieknoppen is het wel duidelijk waar dit hiphopalbum te plaatsen valt en op welk niveau. New Yorker A.G. (Andre the Giant) doet een sterke poging om met de Oostkust de hegemonie in de hiphopwereld terug te verdienen. Daar heb je inderdaad deze productionele hoogvliegers voor nodig, maar zelf mag je in je flow ook geen steken laten vallen. AG doet dat niet, maar voegt ook niks toe aan wat welke willekeurig andere sterke undergroundrapper van dit album had kunnen maken. Die sprankeling en dat heilig vuur, wat de echt groten scheidt van de goede grote gemene deler, is bij AG niet aanwezig. Zodoende is ‘Get Dirty Radio’ zeer prettig om naar te luisteren, maar komt het net te kort voor de absolute top. (www.lookrecords.com/ag.html)(avdh)
   
Avia Gardner
Mill Farm
(INTR-VERSION/LOWLANDS)
De Brusselaar Jérôme Deuson ofte Amute is niet de enige die op Intr-Version een nieuwe plaat uitbrengt. Gelijktijdig met de release van ‘The Seahorse Limbo’ komt ook ‘Mill Farm’ van Avia Gardner uit. De groep rond labelmanager Mitchell Akiyama en Jenna Robertson uit Montréal brengt frêle, hoofdzakelijk akoestische popsongs met een tikkeltje elektronica en vindt hiermee aansluiting met de nog steeds sterk aangroeiende lichting nieuwe folkartiesten. In 1995 had niemand kunnen voorspellen dat goed tien jaar laten de crossover met folk een van de belangrijkste subgenres van de elektronica zou worden. ‘Mill Farm’, opgenomen in het afgelegen platteland van Massachusettes, is minder scherp dan men op hun website laat uitschijnen. Eén enkele keer, zoals in ‘Winter’s Fucking Overyeah’ en 'Jars Of Steam' wat niet toevallig de schaarse interessante nummers op de plaat zijn, schuift de groep de richting van Myspacevrienden Animal Collective uit. In hoofdzaak blijft ‘Mill Farm’ een braaf en vrijblijvend folkplaatje dat zich niet kan onderscheiden van het peloton. De terugkeer van Joanna Newson is de echte aanrader van deze maand. (www.intr-version.com)(pds)

   

Awkward I
Am The King Of In Between
(SUBROUTINE)
The Walt
Song Promo
(EIGEN BEHEER)
Zoals de track 13 compilatie bij de vorige Gonzo bewees gebeurt er veel interessants in de Nederlandse underground. De tweede van een reeks van vier gelimiteerde E.P.’s van de Groningse singer-songwriter Awkward I (pseudoniem van Djurre De Haan) weet ons bij het nekvel te grijpen. De stem herinnert ons vaagweg aan Lou Barlow. Dit 3-inch kleinood werd met minimale middelen opgenomen in de kelder van zijn huis. (www.subroutine.nl/artists/awi.php) De leden van Utrechtse The Walt kennen elkaar van groepen als We vs Death, Kismet, Stellenbosch en Down Of Awakening. Ze brengen emocore in de stijl van At The Drive In. Er klinken ook verre echo’s van een groep als McClusky. Op deze 4 nummers tellende E.P. geven ze een proeve van hun kunne. Beide E.P.’s tonen aan dat er vanalles broeit in de Nederlandse underground. Deze muzikale projecten moeten nog een groeiproces doormaken. Trouwens beide platen zijn verpakt in mooi artwork. En dat geeft deze E.P.'s net dat beetje extra waardoor ze boven het korenveld uitsteken. We houden ze in het oog. (www.thewalt.nl)(mt)

   
Blackstrap
Steal My Horses And Run
(SALLY FORTH RECORDS/V2)
Na het goed ontvangen ‘Ghost Children’, uit 2003, is Blackstrap terug met een tweede, ‘Steal My Horses And Run’. Ondertussen heeft de band het eind jaren 1980 geluid van de Britse Shoegazers weten te verruimen met meer melodie en meer songgevoelige nummers. De grote aandacht van de pers voor hun debuut resulteerde in een groot aantal optredens in zowel thuisland Zweden als in Nederland en België, waardoor ze veelvuldig de mogelijkheid hadden om nieuwe nummers uit te testen. Dat resultaat en met vernieuwde inspiratie uit de muziek van Stereolab, The Jesus And Mary Chain en Spiritualized, kan de tweede plaat met een gerust hart de buitenwereld in. En deze vijfmansband uit de stal van het Nederlandse Sally Forth, heeft niet veel om voor te schamen. Een pareltje als ‘Rough Parade’, waarin Maria Lindén een hoofdrol speelt, doet aan veel denken, maar behoudt wel voldoende een eigenzinnig karakter. Ook de dromerige nummers ‘The Open Road’ en ‘Repulsion’ drijven op de bekende voorbeelden, maar zijn uiterst schoon gemaakt. ‘Steal My Horses and Run’ vormt ondanks enkele missers aan het begin – onder andere ‘Winning Speech’, ‘City Beat’, ‘Lay Down Low’ – een mooie en meer volwassen opvolger van het debuut. Goed gedaan, dus, en petje af. (www.blackstrap.net)(nh)
   
Breamgod
Breamgod
(FULL HOUSE/BERTUS)
Het Finse Breamgod is al actief sinds 1997 maar komt nu pas met zijn amper een half uur durend debuut op de proppen. Als een band zoveel tijd neemt voor zijn eerste release verwacht de luisteraar natuurlijk een wereldplaat maar dat krijgen we jammer genoeg niet. De muziek is dan wel simpel en efficiënt maar is eerder al door klasbakken Hatebreed en Madball tot in de puntjes gedefinieerd. Geëvolueerd van oldschool hardcoreband tot moshpitmetalformatie klinkt de band nog steeds als een hobbyband met een doordeweekse brulboei en veel zichzelf constant herhalende riffs die al snel eentonig worden. De negen nummers luisteren vlot weg maar de plaat kent slechts één uitschieter: de track ‘Scars’ met gastzang van St.Hood’s Sami. Bijna tien jaar bezig en slechts één opvallend nummer, dat is toch wel heel weinig. Herkansing binnen tien jaar? (www.fullhouserecords.com)(pb)

   
Bridge 61
Journal
(ATAVISTIC/DE KONKURRENT)
Aan goeie invloeden geen gebrek bij het viertal van Bridge 61. Sommige tracks werden opgedragen aan persoonlijke helden, zoals de experimentele rockers van This Heat of freejazz-icoon Sonny Sharrock. Helaas zal Bridge 61 zelf voorlopig niet aan het lijstje illustere voorgangers toegevoegd kunnen worden. De ideeën die het kwartet op 'Journal' vertolkt, bieden op zich een interessante blik op de grens tussen freejazz en fusion. Jammer genoeg laat de uitvoering meermaals te wensen over. Nochtans beschikken saxofonist Ken Vandermark en drummer Tim Daisy (allebei van The Vandermark 5) over goede papieren, en met uitzondering van nieuwkomer Jason Stein (basklarinet) verzamelde bassist Nate McBride ook heel wat referenties. Toch klinkt het ensemble niet strak genoeg en meermaals bekruipt je het gevoel dat deze gelegenheidsformatie te snel de studio indook, zonder eerst echt op elkaar ingespeeld te zijn. Het typische 'Nothing's Open' of 'Shatter' zijn in wezen boeiende nummers die de leefwerelden van ruige rock, funk en geïmproviseerde jazz tegenover elkaar plaatsen, doch boeten veel van hun kracht in door het te vrijblijvende cachet en het slordige samenspel. Het rustigere '29 Miles of Black Snow' is dan wel weer raak, maar dergelijke momenten zijn te vaak afwezig op dit debuut. (www.atavistic.com)(jv)
   
BT
This Binary Universe
(BINARY ACOUSTICS/BERTUS)
Om meteen met de deur in huis te vallen, 'This Binary Universe' is een bijzonder zwakke elektronica-plaat. Indien u Brian Trifon, de man die schuilgaat achter dit project, niet onmiddellijk kan thuisbrengen, hoeft u dat niet te verontrusten. Trifon opereert vooral in het commerciëlere circuit en voorzag reeds films als 'The Fast and The Furious' van een soundtrack, of componeerde liedjes voor computerspelletjes. Op zijn website laat hij trouwens uitschijnen dat er enkel in muziek die op de nieuwste technologieën gebaseerd is, echte geluidsmogelijkheden zijn. Bizar. Wat er ook van zij, de nummers op 'This Binary Universe' laten deze ervaringen en ideeëngoed duidelijk naar voren komen. Het zijn stuk voor stuk vrij lange tracks, die risico schuwen en een classificatie als muzak ambiëren. Misplaatste oriëntaalse mystiek in 'See You on the Other Side' staat merkwaardig genoeg zij aan zij met synthesizer-demodeuntjes zoals 'The Internal Locus'. De andere nummers vormen beschamend grauw achtergrondbehang. Al bij al is dit een zielloze bedoening. (www.btmusic.com)(jv)

   
The Bullfight
Once Was A Snake
(LIVING ROOM RECORDS/KONKURRENT)
Een middelmatige band, die verander je niet in een grote jongen. Ook niet als je daar de sterproducer uit de Hollandse polder, Corno Zwetsloot, erbij haalt. Zijn kunsten met samples en inventieve invallen reiken normaalgesproken ver, maar soms houdt het op. Voor de Rotterdammer formatie the Bullfight is dit spijtig genoeg het geval. Hoe goed ze hun best ook doen om via de donkere invloeden van Nick Cave en Morrissey een eigen geluid te creëren. Toegegeven, het werkt goed door in de spannende songs ‘No Thorns, No Roses’, ‘Needle & Suds’ en ‘The Starving Cult’. Maar de rest van de plaat kan niet voorkomen dat de hoop en vooruitgesnelde berichten resulteren in een teleurstelling. Of dit komt door de vele gezichten van de band, het hinken op verschillende ideeën of door de iets te pathetische overgave van zanger Nick Verhoeven. Het is lastig, die spreekwoordelijke vinger erop te leggen. ‘Once was a snake’ voelt eerder aan als een zoektocht, terwijl de plek waarnaar ze op zoek zijn, nooit gevonden wordt. Zo blijft het stuurloos en blijft het voor de toehoorders lastig de aandacht vast te houden. Daarnaast komt hun muzikale verhaal bekend voor en jammer genoeg is daardoor mijn verbazing over the Bullfight te beperkt om over te gaan op de jubelstemming. (www.thebullfight.nl)(nh)
   
François-Eudes Chanfrault
Computer Assisted Sunset
(MK2 MUSIC)
Het gebeurt slechts heel zelden dat muzikanten zogenaamde elektro-akoestische composities schrijven die een potentieel bezitten om toegankelijk te zijn voor een breder publiek. De Franse François-Eudes Chanfrault poogt hierin verandering te brengen. Hoewel hij een klassieke opleiding genoot, houdt hij zich tegenwoordig vooral bezig met veellagige soundscapes. Zijn jongste langspeler, 'Computer Assisted Sunset' genaamd, verzamelt een heleboel thema's, geschreven voor en gedragen door elektronica, piano en strijkkwartet. Op papier klinkt dat allemaal veelbelovend; de werkelijkheid zet de toehoorder gezwind met beide voeten terug op de grond. We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat er iets teveel commerciële toegevingen plaatsvonden. Zo klinkt de gerecupereerde filmmuziek 'How I Killed Bambi Part I - The Hospital Theme' vooral naar het einde toe toch wel wat melig. Ook een nummer zoals 'The Park' heeft al een vorig leven als soundtrack achter de rug. 'Black Bird' is dan weer weinig spectaculaire treuzelpop. Op sommige momenten lijkt het de goeie richting uit te gaan: 'Solaris' opent met een drone van orgelgeluiden, waar na verloop van tijd geprocessede feedback tegenaan wordt geplakt. Niet slecht, wel te clichématig om nog van betekenis te zijn. Neen, tweedehands filmmuziek met een vernislaagje ernst is vooralsnog iets volledig anders dan ernstige muziek. (www.mk2music.com)(jv)

   
Doddodo
Greatereat Doddodo
(EIGEN BEHEER)
Breakcore uit Japan is gewoon heet. punt uit. Is het de kitsch, de maniakale uitvoering, de stampot aan overweldigende ritmes? (www.k4.dion.ne.jp/~doddodo/)(s.b)
   
The Early Years
The Early Years
(BEGGARS BANQUET/BEGGARS BANQUET)
Het welbekende verhaal van een beginnende Britse band: middels een demo opgepikt worden door BBC Radio 1. Daarna kan het beginnende bandje op allerlei festivals spelen en bekender worden door MTV of een reclamespotje van een bekend schoenenmerk. Dat is dan wel weer een stapje verder, en voor veel bands te ver. Maar op dat hoge niveau zit The Early Years op dit moment. Zij werden opgepikt door Steve Lamacq, door MTV2 en Nike gebruikte hun muziek voor een commercial. Op dat moment moest het debuut nog komen, maar die is er nu. Een debuut volgestouwd met geluiden die uit allerlei hoeken en gaten lijkt te komen, waarbij er geen ruimte is voor rust. Maar dat heeft The Early Years blijkbaar niet nodig, want het geeft het publiek wat het wil. Een toegankelijke mix van Spiritualized, The Verve en The Velvet Underground. Toch is de zit tot aan het einde van dit debuut een lange. Temeer omdat de muzikale clichés op dit album te over zijn. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het tenenkrommende ‘Brown Hearts’. Mooier is het meest pure nummer van de plaat ‘Song For Elizabeth’ of het meest afwijkende en op zeventiger jaren elektronica geschoeide ‘Musik Der Frühen Jahre’. Maar dat zijn twee uit een oogst van tien nummers; dat valt dus behoorlijk tegen. Ondanks de grote aandacht, valt er voor de liefhebber op dit goed geproduceerde debuut weinig te beleven. (www.theearlyyears.org.uk)(nh)
   
The Fine Arts Showcase
Radiola
(STICKMAN/KONKURRENT)
Wat een vervelend album! De plaat telt slechts één nummer dat echt de moeite waard is en ook dat nummer duurt wat te lang. Gustaf Kjellvander is een Zweedse singer-songwriter die eerder actief was in weinigzeggende bands als Sideshow Bob en Songs Of Soil. De man maakt popnummers en daarmee is alles dan ook gezegd. De muziek van de man is weinig verrassend en vernieuwend. Kjellvander is duidelijk beïnvloed door popgroepjes uit de jaren zestig als The Byrds en The Turtles, maar ook door Leonard Cohen en Jesus And The Mary Chain. Zelf voegt hij daar weinig aan toe. Radiola is dan ook een plaat vol lome popmuziek die een ziel mist. De plaat kabbelt maar wat voort en als ze dan eindelijk dat laatste nummer uitspeelt heb je niet direct zin om ook maar één nummer te herbeluisteren.(hv)
   
Fish Karma
The Theory Of Intelligent Design
(ALTERNATIVE TENTACLES/SONIC RENDEZ-VOUS)
De titel van deze plaat zegt al veel over deze band op het label van oppercriticus Jello Biafra. In Amerika maakt de stelling dat het Darwinisme een hoop zever in goddelijke pakjes is, opnieuw opgang en dat is meteen een van de zaken waartegen Fish Karma, uit Tucson, Arizona, in zijn teksten tekeer gaat. Christendom, geïnstitutionaliseerde religie in het algemeen, Amerikaanse wanpolitiek, het broeikaseffect en zo nog wel een en ander wat misloopt op moederkloot aarde wordt aan de kaak gesteld. Ongeveer de helft van de nummers kan als typische AT-punkrock worden gecatalogeerd, met stevige riffjes om toch enigszins in het hoofd te blijven hangen terwijl de rest protestsongs op akoestische gitaar zijn die doen denken aan het vroegste werk van opperzaag Bob Dylan. Wereldverbeteraars godbetert, waren die niet samen met de geitenwollen sokken kapot gewassen? (www.alternativetentacles.com)(pb)
   
Five O'Clock Heroes
Bend To The Breaks
(PIAS/PIAS)
Frisse bijtijdse pop, dat doet denken aan hele andere tijden. Aan de dagen van ellende, rellen en onrust. Uit een tijd waar waarin Paul Weller nog groot was met The Jam. Die tijd proberen de jongens van Five O’Clock Heroes op te roepen en het lukt ze behoorlijk. Al moet de kanttekening geplaatst worden dat de band piepjong is en uit Amerika komt. Waardoor invloeden van typisch Britse sterren als Elvis Costello en the Police ietwat vreemd klinkt, al lijkt het Five O’Clock Heroes niet te deren. Hun debuut telt twaalf heerlijk in het gehoor liggende en toegankelijke postpunkhitjes in spé. Dat deze puntige songs niet altijd even scherp zijn als ze bij hun collega’s op het Britse land gemaakt worden, mag de pret niet drukken. Want Five O’Clock Heroes hebben genoeg in huis om hun debuut te kunnen laten concurreren. Bijvoorbeeld vanwege de single ‘Time On My Hands’ of een nummer als ‘Stay The Night’, waarmee ze zonder enige moeite een grote festivalweide in beweging kunnen brengen. Waarbij ze bands als Razorlight, the Kooks en The Dead ’60 een eind achter zich kunnen laten, want de pop van Five O’Clock Heroes klinkt een stuk vrolijker, een stuk toegankelijker en een stuk luchtiger. De ideale combinatie voor dit soort bands. En daarbij heeft Five O’Clock Heroes goed naar de voorbeelden en het verleden gekeken. (www.thefiveoclockheroes.com)(nh)

   

French Toast
Ingleside Terrace
The Evens
Get Evens
(DISCHORD/BANG!)
De heren Jerry Busher en James Canty gaan al een tijdje mee in de muziekscene van Washington DC. Zo doken de heren op in verschillende formaties, van Nation of Ulysses tot aan Fugazi. Vanaf 2001 zijn ze, met wisselende bandleden, bezig onder de naam French Toast en onlangs verscheen hun tweede, uit improvisatie en jams voortgekomen plaat, die de titel ‘Ingleside Terrace’ gekregen heeft. Het resultaat is Amerikaanse indie, in een mooi gegoten vorm, dat je in de hoek van de bandjes als Q and not U, Supersystem en Fugazi moet zoeken. Al doet French Toast wel onder voor hun voorbeelden; ook al zijn er genoeg punten op ‘Ingleside Terrace’ te vinden die de moeite waard zijn. Wat te denken van ‘Treason’, ‘The Letter’ of het mooie als Yo La Tengo klinkende ‘Brejnev’. Toch spreekt stad- en labelgenoot The Evens meer tot de verbeelding. Deze tweemansformatie, met oudgedienden Ian Mackaye van Fugazi en Amy Farina van the Warmers in de gelederen, heeft op hun tweede plaat ‘Get Evens’ een tiental nummers gezet, die de aandacht trekken. Het zijn tien indiesongs met allemaal een duidelijke lofi-uitstraling, wat mede komt door de subtiele invulling van een baritongitaar, drums en de stemmen van Farina en MacKaye, waardoor The Evens op het stoere kleine broertje van Pinback lijken. Maar The Evens klinkt wat dat betreft traditioneler, bijvoorbeeld met ‘Cut from the Cloth’, maar met een nummer als ‘You Fell Down’ ook meer noisy. En de kleine oneffenheden in ritmes en timing tussendoor, maakt Get Evens tot een opvallende en rustige verschijning binnen het Dischord label. (www.dischord.com)(nh)
   
Furniture
Twilight Chases The Sun
(EARSOFA)
Vanuit het verre oosten komt Furniture met hun verzameling aan ideeën die onder de noemer ‘Twilight Chases The Sun’ de wereld over gaat. En die ideeën kun je kortweg in drieën verdelen. Aan de ene kant zoeken de vier mannen van Furniture in de richting van My Bloody Valentine, al komen ze niet veel verder dan een slappe variant van het voorbeeld. De zang is wel schitterend weggewerkt in het geluid, zoals dat ook bij The Jesus And Mary Chain gebeurde. Het tweede deel van de plaat werkt in de richting van de bombast van Godspeed. Het derde deel slaat door naar de toegankelijke kant van een samenwerking tussen Mogwai en Aphex Twin. En die ideeën worden op ‘Twilight Chases The Sun’ uitgesmeerd over niet altijd even sterke stukken, die samen tien nummers vormen en samen iets meer dan een uur klokken. Hier en daar ontspringen er fantastische vurige stukken uit kabbelende lijntjes, maar plotsklaps over kunnen slaan in iets voor de hand liggends of in stukken die volledig over the top zijn. Dat neemt niet weg dat de aandacht veelvuldig erbij gehouden kan worden, want wat ze doen is wel interessant. Maar niet vernieuwend. Dat hoeft natuurlijk ook niet altijd, want met prijsnummers als ‘I Am Ying’, ‘Now I’m Gonna Take A Vacation’ en ‘Hush, The Dead Are Dreaming’ staat ‘Twilight Chases The Sun’ als een huis. En de diversiteit werkt door in het doel van de band, namelijk het schrijven van een potentiële soundtrack voor een nog te maken film. Met dat in het achterhoofd is het doel zeker bereikt. (www.earsofa.com)(nh)

   

Gallows
Orchestra Of Wolves
Send More Paramedics
The Awakening
(IN AT THE DEEP END RECORDS)
Gallows, uit het Britse Watford, debuteert met een antwoord op de Amerikaanse band The Bronx. Ultrafelle en snoeiharde hardcore dus, bloedserieus en explosief, met brulboei Frank Carter die de longen uit zijn lijf schreeuwt. Vooral het gitaarspel van Laurent Barnard mag er zijn. Ook het hier en daar te horen orgeltje onderscheidt deze band van de meute hardcorebands. Het kwartet is nauwelijks een jaar bezig, kende reeds de nodige bezettingswissels en tegenslagen maar klinkt desondanks als een stel oude ratten in het genre, een prestatie op zich. Voordien waren de diverse leden dan ook actief in combo’s als My Dad Joe en Winter In June, bandnamen die nogal wat emo-achtergrond doen vermoeden. Gelukkig is op ‘Orchestra Of Wolves’ alleen sprake van hardcoregeweld. Vroege Dischord-punk, J.R.Ewing en Swing Kids zijn doorslaggevende referentiepunten voor The Gallows, die veelvuldig optreden met hun maatjes van Send More Paramedics. De vier rottende individuen die deel uitmaken van dit zombiegezelschap rammen een flinke pot zombietrash bij elkaar. Denk aan Slayer die een verbond heeft gesloten met The Misfits om samen de soundtrack te schrijven voor een slasher van een zombiefilm. Het eerste schijfje bevat vijftien wilde, psychotische trashsongs met een ferme scheut hardcore en wat zombiefilmsamples erin. Vermeldenswaardig is dat zowel Ken Owen als Jeff Walker van het legendarische Carcass een potje mee komen brullen op twee nummers. Op schijfje twee horen we de soundtrack voor de imaginaire zombiefilm ‘The Awakening’ die de band heeft verzonnen. Geld voor de film is er natuurlijk niet, maar de muziek is er wel al. Orkestrale synthesizerdeuntjes zijn het geworden, helemaal in de stijl van de muziek die John Carpenter voor zijn horrorfilms pleegt te maken. Nu nog de beelden erbij verzinnen, want die muziek zit echt wel snor (hebben zombies snorren?). Op het cd-romgedeelte ook nog de synopsis van die film en twee videootjes. (www.iatde.com)(pb)
   
Hail
Hello Debris
(RER MAGACORP)
Ik heb moeite met ‘Hello Debris’ van Hail (de groep van Susanne Lewis en Bob Drake). Er staan fijne nummers op dit album die je meenemen naar zonnige streken, de meerderheid van de songs zetten mij echter aan het twijfelen. De stem van Lewis klinkt niet altijd even aangenaam. In ieder geval is het nog geen aquiered taste en Bob Drake mag dan wel een ster van een geluidstechnicus zijn, veel nummers op ‘Hello Debris’ klinken ronduit overgeproduceerd. Het is natuurlijk sympathiek dat het duo al jaren en jaren tegen de klippen in blijft doen wat het belangrijk vindt. Dat het de opnamen voor deze plaat (en vorige) maakte tussen de bedrijven door, zo goedkoop mogelijk, zonder ooit voor studiotijd te hoeven betalen. Ja, dat is sympathiek, maar als je in de persinformatie tussen de regels leest dat je dit sympathieke eigenlijk moet opvatten als een teken van genialiteit, dan zet ik m’n poot helemaal schrap. Ten onrechte? Ik hoop het, maar vooralsnog overtuigt het me niet.(kpo)
   
Lilian Hak
Love’s Victory March
(STEAMIN' SOUNDWORKS)
Dat Duitsland een patent heeft op de elektronica weten we al jaren en een tig labels zijn daar het voorbeeld van. Het succes van dance-labels als Shitkatapult, Karaoke Kalk, Kitty-Yo trekt aan, bijvoorbeeld voor het Berlijnse label Steamin’ Soundworks. Maar zij komen verrassend genoeg met ‘Love’s Victory March’, de tweede plaat van de Nederlandse Lilian Hak op de proppen. En dat doen ze overigens behoorlijk fel. Nou ja, fel. Nederland kent Lilian Hak al enige tijd, vanwege haar succesvolle debuut ‘Silence Feels Safe’, waarmee ze als voorprogramma van the Kills langs de Nederlandse zalen ging en meerdere keren op de Parade stond. Maar voor Duitse begrippen klinkt Hak fel, want de rust en ruimte die er doorgaans in de Duitse elektronica zit, is op ‘Love’s Victory March’ deels thuisgelaten. Hak heeft goed naar het Zweedse the Knife geluisterd en werkt dat door in haar overwegend elektronische begeleidingsmuziek. Verder heeft ze als support act van the Kills goed naar het hoofdprogramma gekeken en geluisterd, want zo hier en daar zijn er duidelijk vergelijkingen te maken tussen Hak en Kills-voorvrouw VV. Toch heeft ‘Love’s Victory March’ op den duur een vervelende werking, dat voorkomen had kunnen worden met meer nummers als ‘Please’ en ‘Room’. Maar ondanks deze kleine kanttekening, heeft Lilian Hak haar succes een nieuwe impuls kunnen geven en nu maar duimendraaien dat dit succes overslaat naar Duitsland. Want dat verdient ze wel. (www.lilianhak.nl)(nh)
   
André Herman Düne
Täglich Brot New York - Berlin
(RADBAB RECORDS/KONKURRENT)
Gaat het eindelijk goed met de ondergrondse Zweedse folkband Herman Düne, haakt songschrijvende helft André tijdelijk af om gelijk maar met een solo-album te komen vol minimalistische folknummers. David Herman Düne en Neman Herman Düne mogen dus het komende succes van Herman Düne’s album ‘Giant’ zelf oogsten, terwijl we hier André lauweren om zijn solowerk ‘Täglich Brot, New York – Berlin’. In dit nieuwste van de vele soloprojecten van André Herman Düne heeft hij zijn nummers geschreven in New York en opgenomen in Berlijn, waarbij vooral ‘Berlin Song’ een mooie ode aan de typische Berlijnse metro is. Net als bij de band Herman Düne zijn ook bij André solo invloeden van Neil Young, Lou Barlow, Will Oldham en Bob Dylan aan te wijzen. Maar André solo houdt het vanzelfsprekend iets kleiner. Hier en daar komt een gastmuzikant voorbijfietsen, maar dit project draagt overduidelijk een lo-fi singer-songwriterstempel. Zonder gejengel, zonder saaiheid, maar met genoeg kracht om vaker te beluisteren.(avdh)
   
Incantation
Onward To Golgotha
(RELAPSE/SUBURBAN)
De blasfemische boodschappen van dit gezelschap, afkomstig uit New Jersey, terroriseren nog steeds de platenbakken, zelfs na vijftien jaar. Het recent verschenen ‘Primordial Domination’ is daar het superieur en ontegenzeglijk bewijs van. Daarop horen we donkere riffs en de ongelooflijk diepe grunt van John McEntee, die op het debuut nog onmenselijker klonk toen het nog Craig Pillard was die zijn stembanden mishandelde. Dat debuut wordt nu door Relapse opnieuw op de markt gebracht en maar goed ook. De wat oudere death metal-fan heeft deze plaat natuurlijk al meer dan een decennium in huis maar voor de nieuwkomers: dit is verplichte kots want zoals Incantation het genre beoefent, zijn er in de loop der tijden maar weinig geweest. Heavy as fuck klonken ze toen al, en dat is ook te zien deze keer, want er wordt een dvd bijgeleverd waarop drie Amerikaanse concerten uit 1992, waarop te zien en te horen is hoe hondsbrutaal deze band ook toen al was. De geluids- en beeldkwaliteit is niet super, want de concerten werden alle drie van VHS omgezet naar dvd, maar dat wordt keurig vermeld, ook op het hoesje. Compromisloze death metal, brutaal en satanistisch, klinkt ‘Onward To Golgotha’ nog steeds supervet en bewijst de plaat nogmaals tot het allerbeste van het genre te behoren. Luister maar naar klassieke tracks als ‘Blasphemous Creamtion’ of ‘Christening The Afterbirth’ en ook u wordt binnenkort cremaclown. (www.relapse.com)(pb)
   
The Infant Cycle/Arc
Periodical II
(THE CEILING)
Enkel het hoesontwerp verwijst nog naar het originele opzet (een reeks van 7inches) maar het split project rond The Infant Cycle heeft uiteindelijk zijn weg gevonden naar streng gelimiteerd (tachtig exemplaren) 3inch cd-formaat. De serie bestaat steeds uit een track van moederproject The Infant Cycle en een bevriende artiest uit vaderland Canada. Voor nummer twee werd Aidan Baker alias Arc geïnviteerd. Beide deelnemers mikken op de dreun, zij het via een volledig verschillende werkwijze. Zo klinkt The Infant Cycle veel experimenteler met zijn mix van vervormde concrete geluiden (onder andere vogels, platengroeven, cimbalen en keukengerei). Arc levert basismateriaal voor zijn cd ‘The Circle Is Not Round’ (zie Gonzo 74) dat zoals gewoonlijk zweeft op resonerende gitaarkasten, eenvoudige akkoorden en etnische percussie. In elk geval zijn deze ‘Periodicals’ een aangename manier om kennis te maken met enkele ontontgonnen geluiden uit de Canadese ondergrond. (www.theceiling.ca)(pv)
   
In Julia's Mindscene
A Collection of Suns & Moons from Around the World
(BONTE KOE RECORDS/(EIGEN BEHEER))
De hand in eigen boezem gestoken; Utrecht met zijn lage grachten en oude stadskern is ook de thuishaven voor het Bonte Koe Records label (zie G77). Sinds 2003 brengt men eigenzinnige mengstijlen uit die de Utrechtse creatievelingen een nieuwe uitlaat hebben gegeven. Zo ook het 2e album van In Julia's Mindscene. Neen, deze formatie telt geen vrouwen en dus ook geen Julia, voor wie het zich afvroeg. De kernleden Mark Versteegen, Martijn Buser, Gijs van der Heijden en Pitrik Koerts nemen respectievelijk zang en gitaar, percussie, piano en de bas voor hun rekening, met daarbij behulpzame bijdragen van de saxofoon, trompet en viool en hun bespelers. De loftrompet blaast een weemoedige melodie als intro, waarna er in 'Rickety Brickety Raggerty Braggerty' een sublieme krautrock extase opgebouwd wordt in 7 wondervolle minuten. Teruggekeerd naar de rustieke sferen van het schone bruine cafe is de aanzet gegeven voor meer songwriter en cafe jazz georienteerde composities, elk met een andere windhoek. Aangeschoten gedachtes aan het Penguin Cafe Orchestra, een Tortoise zonder een uitgeleefd schild en zelfs een mespuntje Tom Waits doemen op uit het niets en blijven in de rook hangen boven de defecte afzuigkap. De gepensioneerde zatte rakker aan de bar zal de vast de bel eens laten klingelen als er een oude jazz klassieker nagespeeld zou worden. Op uw gezondheid inderdaad, Lowieke. De vraag die rest is; wanneer zal die verwachtingsvolle lading met krautrockbrouwsel verschijnen? Mehr bitte! (www.injuliasmindscene.nl)(s.b)
   
Bert Joris
Dangerous Liaison
(TALENT)
Ik heb het nooit begrepen, maar veel jazzmuzikanten lijken het vroeg of laat nodig te vinden banden aan te halen met het klassieke veld. Als dat gebeurt na een verstrekte compositieopdracht, kan ik daar nog wel inkomen –je kunt nu eenmaal nee zeggen tegen het geld dat een deel van je hypotheek betaalt-, maar dat wil niet zeggen dat het resultaat grotere kans van slagen heeft. Slagen kan een fusie tussen jazz en klassiek alleen als de componist/improvisator iets eigens toe te voegen heeft aan het veld. De pogingen die bijvoorbeeld iemand als Ornette Coleman in deze richting heeft gedaan, hebben in ieder geval iets interessants opgeleverd. Zo ook die van Gunther Schuller met enkele van zijn zogeheten ‘Thirhijfy’-experimenten. Maar dat kan helaas niet gezegd worden van wat de Belg Bert Joris (op zich een kei van een trompettist) presenteert op ‘Dangerous Liaison’, waarop hij het Brussels Jazz Orchestra verbindt aan het Koninklijk Vlaams Philharmonisch Orkest onder leiding van dirigent Danielle Callegari. Vanaf de eerste momenten blijkt de misvatting groot. Het gevolg: jazz blijft jazz, klassiek (lees: orkestmuziek) blijft klassiek en een fusie komt geen enkel moment tot stand. En erger: wat er in bijna alle gevallen klinkt overtreft zelden het karakter van grote kitsch. De titel van deze cd -‘Dangerous Liaison’- mag dan nog zoveel beloven, het schijfje belandt bij mij regelrecht in de afvalbak.(kpo)
   
Kaptain Sun
Blood, Rock’n’Roll & Black Angels
(METAL BREED/CLEAR SPOT)
Het is eens wat anders. Een band die een mix maakt tussen Dave Wyndorf’s Monster Magnet en Zakk Wylde’s Black Label Society met een Metallica-riedeltje als afronder. Het resultaat is geen heavy metal maar eerder zwaar aangezette psychedelische heavy rock zonder de ellenlange solo’s en zweefpartijen die een mens bij dergelijke omschrijving zou verwachten. Denk ook richting At The Gates, een Cathedral die in vorm is of Entombed in zijn beste momenten. Negen compacte bikersongs in nauwelijks een half uur, om maar te zeggen dat Kaptain Sun to the point blijft musiceren, de hele plaat lang. Het kwartet wuifde de regenboogjes, madeliefjes en andere hippieparafernalia die bij sixties psychedelica horen en die nog opdoken op hun debuut ‘Rainbowride’ definitief vaarwel ten gunste van heavy rock’n’roll die nauw bij stoner aanleunt, zoals we die elke dag met plezier wensen te consumeren. Een ruige strot, lekkere groovy riffs en inventief drumwerk, geen franjes, geen getalm maar zweet, bloed en bier, veel bier. We zetten met plezier de nummers ‘Evil Demon’ of ‘Self Destruction’ op bij ons ontbijt, kwestie van de dag in de juiste stemming te beginnen. (www.metalbreedrecords.tk - www.kaptainsun.com)(pb)
   

The Kidnappers
Ransom Notes And Telephone Calls
The Mojomatics
Songs For Faraway Lovers
(ALIEN SNATCH/CLEAR SPOT)
Het debuut van het Duitse powerpunkpoptrio The Kidnappers is na drie jaar al toe aan een heruitgave. Een beetje wonderlijk is dit wel want vermoedelijk zullen alle geïnteresseerden in deze band de plaat (toentertijd alleen op vinyl) al in 2003 hebben aangeschaft. Veel nieuwe zieltjes zal deze heruitgave dan ook niet opleveren, want al zijn de liedjes helemaal niet slecht, super zijn ze evenmin. Liefhebbers van het betere punkliedje die geen platenspeler meer in huis hebben, krijgen er bij deze release de onvindbare single ‘Spanish Girls’ (Zaxxon Records) bovenop. De drie covers die de band speelt geven meteen een indicatie van het punkhol waarin ze zijn te situeren: ‘Everybody Hates Me’ van Loli & The Chones, ‘Hey!They!They!’ van Teengenerate en ‘Cool Kids’ van The Fevers. Superenthousiast spelen The Kidnappers hun liedjes, die ongetwijfeld voor een zuipfestijn en dito danspartij zorgen bij een concert maar op plaat niet echt overtuigen. De tikfouten in het bijgeleverde boekje wijten we aan de computer en niet aan de drie jonge Duitsers:-). The Mojomatics uit Wenen doen het in tegenstelling tot The Kidnappers met zijn tweetjes en toch klinken ze als een volledige band. Ze kiezen voor punk met behoorlijk wat invloeden uit blues en country, waardoor hun liedjes soms meer als punkballades gaan klinken. Daar is natuurlijk niets mis mee, luister maar naar ‘Leave This Town’ of ‘Stealin’ Stealin’’. Jammer genoeg zijn dat twee van de beste nummers van deze voor het overige weinig overtuigende release. Het rammelt allemaal lekker door, met naast tien eigen liedjes ook twee herbewerkte traditionals en de twee adoreren de Mississippi Deltablues en zouden naar New Orleans zwemmen als dat mogelijk was, maar missen nog enige maturiteit. Fans van de bandjes rond Billy Childish dienen ‘Songs For Faraway Lovers’ zeker een kans te geven. Hun songschrijvertalent kan dan al niet aan dat van Childish tippen, de plaat ademt wel dezelfde sfeer uit. Zoals het in deze scène past is dit vooral een singlesband, maar voor een ruimere bekendheid is deze plaat een redelijk geslaagde opvolger voor het debuut ‘A Sweet Mama Is Gonna Hoodoo Me’. (www.aliensnatch.com)(pb)
   
Koop
Koop Islands
(!K7/PIAS)
Vijf jaar hebben we moeten wachten op de nieuwe Koop. 'Waltz For Koop' was een bom die het Zweedse duo Magnus Zingmark en Oscar Simonsson wereldwijd succes opleverde en hen bijgevolg ook lang liet touren. Veel is er in die vijf jaar niet veranderd aan het Koop-geluid: nog steeds gaat hun hart uit naar pre-fusion jazz, vooral big-band en swing. Voor Koop Islands haalden ze wel wat inspiratie op de Caraïben en uit cabaret en dat is te horen, respectievelijk in het exotische 'Let's Elope' en het zeer opgewekte 'Come To Me'. Hier wordt zelfs de meest depressieve medemens op slag vrolijk van. De oosterse chanteuse Yukimi Nagano blijft een ijzersterke troef, met haar breekbare, hemelsmooie stem. Ook de Londense jazz-nar Earl Zinger is weer van de partij met zijn grappige maar puntige teksten. De eerste helft van de plaat is dankzij al deze ingrediënten om van te smullen, maar helaas kunnen Zingmark en Simonsson het geen vol album volhouden. En dat is des te pijnlijker als je weet dat de plaat maar drieëndertig (33!) minuten duurt. 'Moonbounce' is een instrumentaal niemendalletje dat we liever (en beter) van Nicola Conte zouden horen en 'Drum Rhythm A' is al helemaal overbodig. 'Beyond The Sun' is alleen interessant omwille van de tekst van Earl Zinger. Een laatste tussenkomst van Yukimi Nagano kan de boel niet meer redden. Samengevat: vijf jaar wachten op vijf heel sterke nummers, samen goed voor nog geen negentien minuten. Het had een fantastische ep kunnen zijn, om nog maar te zwijgen van de afgrijselijke hoes. Selectief downloaden dus. (www.k7.com)(ft)
   
La Ira De Dios
Archaeopterix
(NASONI/CLEAR SPOT)
Het debuut ‘Hacia El Sol Roje’ (Gonzo #71) van het uit Lima, Peru opererende La Ira De Dios was al een niet te versmaden psychedelische trip, die met opvolger ‘Archaeopterix’ ruimschoots wordt overtroffen. Vijf lang uitgesponnen tracks staan er op, waarbij jammen letterlijk mag worden genomen. Dit is spacerock waarvoor dat woord werd uitgevonden, met beukende bassen, inventieve drumpartijen en zwevende gitaarsolo’s, dit alles natuurlijk voorzien van een hele batterij geluidseffecten. Zoals de meeste Zuid-Amerikaanse bands in het genre is de zang in het Spaans, maar dit is bij dit kwartet zeker geen manco. Graven in het onderbewuste, zweeftapijten creërend die verslavend werken zonder verdovende middelen. Dat ze het ook iets subtieler en rustiger kunnen, bewijzen ze met het vierentwintig minuten durende slotnummer ‘Cordillera’. Als Hawkwind Peruaanse roots zou hebben en nog steeds relevante psychedelica zouden maken, klonken ze als deze plaat. Geef de paddestoelen nog maar eens door. (www.nasoni-records.com)(pb)
   

Letum
Broken
Medusa's Spell
Mercurian Behaviour
(COLD MEAT INDUSTRY/CLEAR SPOT)
Het éénmansproject van Mathias Henriksson lijkt zich definitief te nestelen in de dark ambient schaduw van Grote Broer Raison d’Etre. Lichtschuw gebrom vindt het gezelschap van zweverige keyboards, concrete geluiden (we gokken op de neerstortende dakpannen van een vervallen kapel), vervormde stemmen, en oneigenlijk gebruik van kerkattributen (koren, klokken enzovoort). Kortom, de typische sound waarmee het CMI label origineel uitpakte...in 1987! We kunnen dan ook een marmeren vraagteken plaatsen bij de relevantie van deze cd, maar gezien Raison d’Etre tegenwoordig andere inspiratiebronnen heeft aangeboord, kan dit kwalitatief doorslagje misschien hier en daar een leemte opvullen? En we blijven op bekend terrein met een moorddadig conceptalbum van Mara Lasi en Daniele Serra (Chirleison). Ook hier primeren gebeeldhouwde koppen en kerkinterieurs. Bij kaarslicht wordt ons een tiendelige blik gegund in de onrustige geest van een moordenaar. De muziek is een degelijk maar onopvallend mengsel van typische neofolk, aangevuld met eenvoudige pianocomposities en enkele dissonante loops. Zoals wel vaker bij Italiaanse projecten, zit het venijn in de stem: Serra klink even geloofwaardig dreigend als een dolgelukkige Romeinse ijsjesventer op een warme zomerdag, hierbij niet geholpen door een gebrekkige kennis van de Engelse taal. We wachten dus op een instrumentale versie, alvorens we ons laten betoveren. (www.coldmeat.se)(pv)

   
Lowdown
Antidote
(BLACK BALLOON/BERTUS)
‘ Antidote’ is de opvolger voor het in 2003 verschenen debuut ‘Unknown’ en in die tussentijd is het Noorse Lowdown van een kwintet gereduceerd tot een kwartet. Niet dat er muzikaal veel veranderd is. Sommige voetbalploegen spelen beter als er een speler een rode kaart kreeg, het lijkt alsof Lowdown die kant opgaat, want met zijn vieren klinken ze strakker en feller dan ooit. Oerdegelijke metal met een zware grunt, een heel groovy hedendaagse sound in een mix van Daniel Bergstrand (alweer) die schatplichtig is aan zowel Pantera als Chimaira. Voor de variatie zorgt bijvoorbeeld het akoestische en heel rustige tussendoortje ‘…And Reborn’ of de uitfadende pianoriedel die de onvervalste death metal van ‘Stick It In’ tot een onverwacht einde brengt. De wereld veroveren en stadions uitverkopen zal Lowdown voorlopig zeker niet doen, maar met deze degelijke tweede plaat kunnen ze ongetwijfeld wat metalzieltjes winnen. Beter dan gemiddeld en al klinkt de plaat nergens origineel, ze verveelt geen seconde. (www.blackballoonrecords.com)(pb)
   
Noonakai
All My Journeys
(RED WEATHER RECORDS)
Noonakai is het soloproject van de in Leeds residerende Irfan Shah. Het geluid van Noonakai klinkt heel laidback. Heel wat synthesizers dus, aangevuld met drums en kleine clicks. De teksten van gastzangeres Karen Pirie passen trouwens perfect bij de muziek. Shah haalde de mosterd bij de electrojazz, al maakt Noonakai net iets spannendere muziek. Het tweede nummer op de single, ‘Escape’, is van heel wat minder betoverende klasse. Het is een mak nummer dat weinig spannend is. Ideaal om op de achtergrond te draaien tijdens een cocktailparty, maar meer niet.(hv)

   
Tara Jane ONeil
In Circles
(QUARTERSTICK RECORDS)
Tara Jane ONeil zit met haar muziek, haar schrijverij en haar kunsten al jaren stevig geworteld in de Amerikaanse indie-scene. Voordat ze haar eigen platen maakte deed ze als muzikant onder andere mee op werk van Papa M, The Naysayer en Sebadoh. Maar dat is geweest, want rond 2000 ging Tara Jane ONeil zich steeds meer concentreren op haar eigen werk, dat steeds in een hoog tempo tot stand kwam. ‘In Circles’ is haar inmiddels haar zesde langspeler en een hele mooie bovendien. Met een gezonde invloed van de Neofolk-beweging wordt er rustig langs de tien nummers gelopen, die ONeil met minimale begeleiding inkleed met lieflijke verhalen. Die overigens niet altijd heel duidelijk zijn, doordat de stem van Tara Jane ietwat weggemixt is in het geluid. Ook doet ONeil denken aan het dromerige zusje van CatPower, al klaagt ze beduidend minder dan mevrouw Chan Marshall. Maar het schone aan ‘In Circles’ is dat het haar is gelukt om, bijvoorbeeld in ‘Need No Pony’, een bepaalde sfeer op te zetten, wat (Smog) ook vaak in zijn muziek naar voren haalt. Dat maakt ‘In Circles’ tot een intrigerende Singer/Songwriter-plaat van een uiterst creatieve dame. Eentje die haar creativiteit op een goede manier weet om te zetten in wonderschone muziek. (www.tarajaneoneil.com)(nh)
   
Primus
Blame It On The Fish (DVD)
(FRIZZLE FRY / PRAWN SONG/BERTUS)
Een reguliere concertfilm op DVD verscheen reeds een tijdje geleden. ‘Hallucino-Genetics Live 2004’ werd gefilmd in juni 2004 in Chicago, alwaar de band een fenomenaal concert neerzette dat deed terugdenken aan de beginjaren van het opnieuw samengekomen trio. Tweeëneenhalf uur muziek stond er op, waaronder de uitvoering van het volledige klassieke album ‘Frizzle Fry’. De tweede dvd van het geschifte drietal rond Les Claypool is een compleet ander paar gerafelde mouwen. Gefilmd gedurende de ‘Tour De Fromage’ van 2003 biedt dit schijfje een goed uur durende documentaire, bijeen gegooid door Matthew J. Powers. Gegooid, jazeker, want de beelden volgen elkaar niet alleen onsamenhangend maar ook heel flitsend op. Heel vermoeiend om naar te kijken, ook omdat er eigenlijk geen rode draad te bespeuren valt, alleen een grote opgeblazen gele eend. Flarden uit concerten, soundchecks, backstagebeelden, in en uit de bus, stukjes interview, publieksbeelden, allerlei natuurbeelden van de zotste beesten eerst, wat arty geflash en dat alles kriskras door elkaar. Net zo chaotisch als het brein van Claypool dachten we zo. Als bonus nog anderhalf uur extra beeldmateriaal en een interview met de band in het jaar 2065, met een zwaar geschminkte, er stokoud uitziende Claypool. Leuk voor even maar een half uur is wel wat veel. Dit schijfje is er echt eentje voor de rabiate Primus-fans. Een ietwat gewonere fan is veel beter af met de concertregistratie waarover in het begin van dit stukje sprake is.(pb)
   
Ratatat
Classics
(XL/V2)
Een forse vooruitgang in vergelijking met hun titelloze debuut uit 2003. Enkele jaren geleden leken ze wel klonen van de Franse duo’s Air en Daft Punk. ‘Ratatat’ klonk niet spannend genoeg, te eentonig en te weinig experimenteel. Nog steeds blinkt de band niet uit in creativiteit en experiment, toch kunnen we zeggen dat hun geluid geëvolueerd is. Gitaren zijn veel prominenter aanwezig. Vooral het gebruik van de slidegitaar is een leuke aanwinst voor Ratatat. Vooral de nummers ‘Montanita’ en ‘Lex’, niet toevallig de eerste twee tracks op het album klinken heel fris. Af en toe krijg je het gevoel dat Mike Stroud en Evan Mast voor deze plaat beïnvloed werden door de Nashvillecountry van pakweg My Morning Jacket of door rustige nummers van Neil Young. Opvallend is dat de gitaar veel prominenter aanwezig is dan op het debuut en dat is helemaal niet slecht. De elektronica die nog aanwezig is op het album klinkt veelal mak, snel in elkaar geflenst met weinig oog voor detail. Rustige momenten worden spits afgewisseld met snellere passages. En dat resulteert in funky kitsch zoals op ‘Wildcat’ en ‘Kennedy’, waar we ons in een fout moment wel in kunnen vinden. Toch kent het album heel wat zwakke passages. ‘Gettysburg’ is een vervelend nummer dat eindeloos lijkt voort te denderen en ‘Tropicana’ lijkt wel een kruising tussen britpopgeneuzel en Air. ‘Classics is niet zoals de naam doet vermoeden een plaat vol tijdloze nummers, wel integendeel het schetst het verhaal van een band die balanceert op een afgrond. Soms weten ze zich op een clevere manier te redden, maar andere keren vallen ze genadeloos naar beneden. Ratatat blijft een vreemde band.(hv)
   
Ratos De Porao
Homem Inimigo Do Homem
(ALTERNATIVE TENTACLES/SONIC RENDEZ-VOUS)
Ratos De Porao werd opgericht in Brazilië in 1982 en behoort daarmee onvermijdelijk tot de rijke hardcoretraditie van die tijd. Voor hun vijventwintigjarige bestaan veranderde de band zijn naam van Periferia S.A., dat met zijn naar zichzelf getiteld debuut (Gonzo #71) krek hetzelfde als Ratos De Porao klonk, terug naar de oorspronkelijke naam om er nog eens een ongebreideld heftige hardcorelap op te geven. Dit is hoe plaatjes op het ooit belangrijke Alternative Tentacles horen te klinken. Politiek geladen, dat zeker, dat is altijd zo geweest en is ook zo gebleven, maar waar veel van de nieuwere releases op het label poppy of zelfs teensletsend hippieachtig klinken, is dit oldschool-hardcore. Heftig, ruig, intens, brutaal, krachtig en zich metend met het beste werk van GBH, Discharge en The Exploited. Politiek punkjournalisme met als onderwerp seksschandalen in de katholieke kerk, slavenarbeid op het Braziliaanse platteland, de commerciële waanzin van would-be punkpopbandjes en het dagelijkse leven in Sao Paulo, alles in het Portugees uiteraard. Dat is zeker geen belemmering om nog eens ouderwets pogoënd enkele lastige buren een stevige trap te verkopen. Een verbale mitrailleur voert de band aan in de rechttoe rechtaan onvervalst agressieve en kritische hardcore. De band belooft nog een kwart eeuw verder te gaan, tot ze er bij neervallen. Van ons mogen ze. (www.alternativetentacles.com)(pb)
   
Risto
Aurinko Aurinko Plaa Plaa Plaa
(FONAL/CLEAR SPOT)
Een eclectische plaat is het minste wat van dit nieuwe schijfje op het Finse Fonallabel kan worden gezegd. Net als de meerderheid van de bandjes op het gerenommeerde label, denk aan Paavoharju, Shogun Kunitoki, TV-Resistori en Islaja, is ook Risto niet verstoken van dwarse eigenzinnigheid. Een lijn valt in de verzameling van tien liedjes in iets meer dan een half uur niet te trekken. Ballades, indiepoprock, naïeve pop, akoestische folk, funky folkdisco, kinderlijk aandoende liedjes, Finse pop met de bekende twist, het volgt elkaar op of loopt elkaar net zo goed voor de voeten. Het maandblad Ruis omschrijft Risto als de trendzetters inzake chiro rock’n’roll en daar zijn we het eigenlijk volkomen mee eens. Geen freakfolk dus deze keer, of weird folk of hoe het beestje ook mag heten, maar vervreemdende neopop waar we eigenlijk niet zoveel aan vinden. De liedjes zijn wel raar en averechts, maar beklijven niet en klinken te losjes om indruk te maken. Misschien vinden we over vijf jaar, als we de cd nog eens opzetten, iets compleet anders maar voorlopig vinden we dit het meest ondermaatse plaatje dat we tot nog toe van Fonal mochten aanhoren. (www.fonal.com)(pb)
   
Jerry Rojas / Peter A. Schmid
Songbook
Peter A. Schmidt / Ned Rothenberg / Matthias Ziegler
El Nino
(CREATIVE WORKS)
Twee keer horen we de Zwitserse virtuoze blazer Peter A. Schmidt, een keer in een duo met gitarist Jerry Rojas en een keer in een trio met medeblazers Matthias Ziegler en Ned Rothenberg. Deze laatste is natuurlijk veruit de bekendste van het stel door zijn connecties met de gerenommeerde Knitting Factory. ‘Songbook’ bevat zestien stukjes die samen net geen uur duren. De gitaarloopjes van Rojas zijn inventief en speels tegelijk maar het is vooral Schmidt die het laken naar zich toetrekt. Zijn klarinet, A Klarinet en Taragot zitten vooraan in de mix en eisen bijna voortdurend alle aandacht op. Een beetje teveel ook soms, waardoor het samenspel tussen de twee muzikanten wat verloren dreigt te gaan. Nochtans schreven ze beiden ongeveer de helft van de tracks, dus het is niet onmiddellijk een kwestie van ego’s. Zeker niet gezien beiden al samen musiceren sinds 1994, toen ze elkaar bij het voetbal spelen ontmoetten. Dit anekdotische karakter trekt zich ook door in de muziek. Zo is de afsluitende ballade ‘Ball ade’ (‘Ball Goodbye’) een afscheid aan hun geliefde voetbalspel. Frappant is dat deze cd in één enkele dag op de band werd gezet, zonder dat het pure improvisatie is. De heren wilden structuur in hun nummers, zoals in echte songs het geval is. Vandaar dat we flarden blues en hier en daar een speels walsje aantreffen, waarop beiden verder borduren, al improviserend. Deze werkwijze verklaart het speelse karakter van deze cd, waarbij we ei zo na een deuntje mee kunnen neuriën (enkel in ons hoofd uiteraard, we zijn menslievend vandaag). Oudere nummers worden afgewisseld met heel recent werk, zonder dat ook maar ergens de coherentie zoek raakt. Markant is tevens dat Schmidt hier en daar een baslijntje placeert met zijn klarinet die nauwelijks van een basgitaar is te onderscheiden. Knap heet zoiets. Improvisatie en rockriffs (Rojas’ habitat) stijl Led Zeppelin en Pink Floyd gaan hier klank in klank met een schitterend liedjesboek als resultaat. Op ‘El Nino’ horen we drie solisten die zoeken naar gemeenschappelijke grond. Alle drie zijn het gerenommeerde improvisatoren gespecialiseerd in een waaier aan blaasinstrumenten. Rothenberg leerde Schmidt kennen via hun wederzijdse kameraad Evan Parker en samen namen ze reeds de geslaagde cd ‘En Passage’ (Gonzo # 64) op. Rothenberg zag een verdere samenwerking wel zitten en deze keer mocht langdurig muzikale Schmidt-vriend Ziegler ook een toontje meeblazen. Met zijn drieën speelden ze twee concerten waarna ze ‘El Nino’ op de band zetten. Acht Instant Compositions blazen de drie heren bij elkaar, waarin veel ruimte aan elkaar wordt gegeven. Aandachtig luisteren laat de inherente schoonheid beter tot zijn recht komen dan de cd op de achtergrond zijn rondjes laten draaien, al kan dat op een hoog volume eveneens verrijkend overkomen. Moeilijke muziek voor moeilijke mensen. (www.creativeworks.ch)(pb)
   
Rosa Ensemble
The Blind Spot
(DE BONTE KOE RECORDS/YOU MAKE MUSIC)
Zes jaar hebben de muzikanten van het Nederlandse Rosa Ensemble aan hun nieuwste album, 'The Blind Spot', gewerkt. De plaat kwam niet tot stand als resultaat van een duidelijk afgebakend project, maar vormt de uiteindelijke verwerking van eerder geschreven nummers (balancerend tussen zogenaamd 'ernstige' minimale muziek en invloeden uit diverse popstijlen) en ervaringen opgedaan tijdens zowel live-optredens als studiosessies. Eigenlijk maakt het totstandkomingsproces voor de luisteraar bitter weinig uit. Feit is, dat de aanpak van 'The Blind Spot' resulteerde in een degelijke plaat, niet ver af van de leefwereld van The Legendary Pink Dots. Minimale muziek, met duidelijk herkenbare wortels uit de film- en theaterwereld. De rijke instrumentatie (o.a. marimba, saxofoon, viool, Rhodes en gitaar) levert samen met de goed gedoseerde elektronica en enkele fijne buitenmuzikale geluidjes een interessantere luisterervaring dan het meeste werk uit hetzelfde genre biedt. Heerlijke laatavondmuziek die zweeft tussen klassiek, akoestische soundscape en luisterpop en waar je al naargelang je voorkeur, aandachtig kunt naar luisteren of die je kan laten fungeren als persoonlijke soundtrack. (www.rosaensemble.nl)(jv)
   
Silicone Soul
Save Our Souls
(SOMA/ROUGH TRADE)
Sinds Craig Morrison en Graeme Reedie in de jaren negentig hun gitaren inruilden voor draaitafels, is het Schotse duo continu geroemd om hun kwaliteitshouse. Maar langzaam keren de twee terug naar hun instrumentale roots, de synthesizers zijn weer afgestoft, de gitaar is geregeld te horen en Reedie waagt zich zelfs een keer aan enkele zacht gezongen vocalen. Het geluid van Silicone Soul is wat de housers diep plachten te noemen. De melodie krijgt volop de ruimte, het neigt eerder naar de donkere dan naar de opgewekte kant en voor remixers zit het materiaal vol elementen om lekker mee uit te pakken op de dansvloer, hoewel de Schotten met de originele nummers toch ook genoeg beweging in de zaal moeten krijgen. Wat mijn persoonlijk oordeel betreft klinkt ‘Save Our Souls’ vaak te eentonig, maar dat zijn de houseliefhebbers absoluut niet met me eens. Zij hebben dan ook alle reden om enorm veel plezier te beleven aan deze nieuwe release van Silicone Soul. (www.somarecords.com/artists/siliconesoul/)(avdh)
   
Lukas Simonis
Stots
(Z6/KORM PLASTICS/STAALPLAAT)
Lukas Simonis is één van die sympathieke muzikale prutsers (en dat bedoel ik hier absoluut niet negatief; je kunt het ook doe-het-zelvers noemen), die grossiert in kleine meesterwerkjes (de laatste Coolhaven- en Liana Flu Winks-cd’s!). Maar zelfs als een cd het ‘gepruts’-niveau nauwelijks overstijgt, valt er zoveel van te genieten, dat het toch minstens geslaagd genoemd kan worden. ‘Slots’ hangt daar tussen in. Een aantal keren denk ik inderdaad: ‘meesterlijk, Lukas, wat ben je toch een kanjer’, op andere momenten ontlokt hij me toch minstens een welwillende glimlach (‘Begoulesj’). Inhoudelijk laveert Simonis op ‘Slots’ tussen zijn visie van wat rock zou moeten zijn (vrij, opstandig, recalcitrant, avontuurlijk, tegendraads, eclectisch, enz.) en zijn visie op elektronische muziek met tapes vol rare klanken en soundscapes, waarin buitenopnamen te pas en te onpas opduiken. Hij doet dat in z’n eentje, zonder hulp van buitenaf, hetgeen mijn bewondering voor het eindresultaat doet stijgen. Samenvattend moet ik concluderen dat de uiteindelijke balans doorbuigt naar het ‘meesterlijke’! (www.xs4all.nl/~lukas/english/lukas.html)(kpo)
   
Slunt
One Night Stand
(REPOSSESSION)
Een vunzige, van ranzige seks overladen rockband zou Slunt graag willen zijn. Het gemengd dubbel laat een hele diversiteit aan standjes toe, maar om een degelijke plaat te maken zal de band rond frontvrouw Abby Gennet toch nog veel moeten oefenen. Rampetampen of hun instrumenten bespelen en er aanstekelijke liedjes mee maken, de keuze is aan Slunt zelf. Nu maken de New Yorkers vooral sleazerock die heel erg flirt met The Runaways en Joan Jett met of zonder The Blacks. En dat is niet onmiddellijk het soort muziek waar wij op zitten te wachten. Met een paar pinten teveel op in een louche bar waar schaars geklede straatmadeliefjes hun pokdalige tronie verschuilen achter roze licht werkt deze muziek allicht een stuk beter, maar vanuit de luie zetel is er geen ruk aan. Om echt vunzig te zijn klinkt het allemaal veel te braaf en op een paar uitzonderingen na staan er niet eens degelijke liedjes op. En het hoesje? Dat hebben we er niet bij gekregen. (www.repossessionrecords.com)(pb)
   
Solaire
... And Then I Strapped Explosives To My Body
(DYING GIRAFFE RECORDINGS/SONIC RENDEZVOUS)
Ze zijn nog niet zo lang bezig, maar hebben toch een indrukwekkende plaat afgeleverd. Iets wat normaalgesproken alleen weggelegd lijkt aan hype-gevoelige bands uit Engeland. Maar Solaire bewijst dat het ook binnen het genre van de postrock kan. De band komt uit Rotterdam en heeft zich als doel gesteld om puntig en krachtig het genre te benaderen en daarbij zich te laten beïnvloeden door Sigur Ros, Modest Mouse en Godspeed. En dat is ze op ‘…And Then I Strapped Explosives To My Body’ behoorlijk goed gelukt. Bijvoorbeeld in het boeiende ‘Three Hours into Spring’, waarin verschillende gitaren tegen elkaar indruisen en waarbij je vanaf het begin al een geluidseruptie verwacht, maar als explosie komt, dan is het toch wel weer heel mooi gedaan. Net als ‘1:1.618’, wat heel sterk doet denken aan de begindagen van Mogwai. Daarnaast heeft Solaire die cleane sound van We vs. Death, zonder dat er bij de Rotterdammers een trompet aan te pas komt. Een mooi debuut, met mooie, krachtige lijnen van beheerste gitaren, die op de juiste momenten losgaan. Daar waar nodig, maar toch verrassend genoeg om aandachtig te luisteren. Chapeau. (www.dyinggiraffe-recordings.com)(nh)
   
Stereotyp
Keepin' Me
(G-STONE/LOWLANDS)
Stefan Moerth zit op zijn plaats bij G-Stone, het label van Kruder & Dorfmeister. K&D zijn sinds dag één sterk beïnvloed door Lee "Scratch" Perry en hun muziek kan eigenlijk best omschreven worden als digitale dub, al dan niet gemengd met soul, jazz en bossa nova (het woord lounge durft niemand nog in de mond nemen, hoop ik?). Moerth's eerste album mengde dub, dancehall, hiphop en soul en met 'Keepin' Me' bouwt hij daar nu op verder. Die mix van ingrediënten heeft ook Massive Attack naar wereldwijd succes geleid en ik zie niet in waarom het met Stereotyp niet zou kunnen gebeuren. Moerth is een perfectionist en zou blijkbaar 90% van zijn tijd in de studio doorbrengen. En dat is er aan te horen. Niet dat het geheel overgeproduced klinkt, integendeel. Soms heb je het de indruk dat de nummers van alle overbodige geluiden gestript zijn, maar ze klinken heel goed. Understated heet zoiets in het Engels. Spaarzame beats, vaak heel donker, tussen elektronisch en organisch. 'Ladies Do' had van The Neptunes kunnen zijn. De vocalisten zijn zeker ook mede verantwoordelijk voor de sterkte van de plaat. Sandra Kurzweil doet ons Lauryn Hill nu echt wel helemaal vergeten en Cesar Sampson is haar mannelijke tegenpool, die ook met minuscule house overweg kan in 'Take The Weight'. Ook Wu Tang-lid Capadonna mag een stukje komen meerappen. Van afsluiter 'Fool For You', met Tower of Power-zanger Hubert Tubbs, krijg ik telkens weer kippenvel. Grote klasse die een groot publiek verdient. (www.g-stoned.com)(ft)
   

The Frames
The Cost
(ANTI/PIAS)
Magnolia Electric Co.
Fading Trails
(SECRETLY CANADIAN/KONKURRENT)
Degelijkheid. Daar bouw je een trouwe fanbasis mee op. Nadeel is wel dat je moeilijk nieuwe fans wint. Deze twee groepen voldoen misschien wel aan deze omschrijving. Nadat hij Songs: Ohia op welverdiende rust stuurde, ging Jason Molina verder onder de naam Magnolia Electric Co. Nu, al drie platen lang, exploreert deze uit de buurt van Lake Erie afkomstige artiest zijn countryrock kant. Een geluid dat echo’s bevat van Neil Young , My Morning Jacket en Will Oldham. Centraal in de sound van de groep blijft de kenmerkende stem van Jason Molina. Melancholisch en pakkend, maar nooit vervelend. Dezelfde invloeden en voorbeelden kunnen ook worden gelinkt aan de Ierse groep The Frames. De groep rond singer-songwriter Glen Hansard. Een groep met een uitstekende livereputatie. Dit bewezen ze op de liveplaat “Set-List”. De voorganger “Burn The Maps” bevestigde hun status als één van de populairste groepen in Ierland. Daarbuiten lukt het misschien iets minder. Of deze plaat daarin verandering kan brengen weten we niet. Wat we vaststellen is dat de teksten doorspekt blijven met een soms bijtende zwarte humor. Ons konden deze platen bekoren, maar om nu te zeggen dat ze in ons eindejaarslijstje zullen staan, dat is iets anders. Daarvoor prikkelen ze ons net te weinig. Degelijkheid, is daar iets mis mee ? Nee, er zijn zelfs politici die daar hun hele imago op bouwen. Alleen, degelijkheid kan ook snel een synoniem voor saai worden. Opletten dus. (www.theframes.ie - www.magnoliaelectricco.com)(mt)
   

Tilly And The Wall
Bottoms Of Barrels
(MOSHI MOSHI/COOPERATIVE MUSIC)
Channels
Waiting For The Next End Of The World
(DISCHORD/KONKURRENT)
Na hun debuut “Wild Like Children” is het uit Omaha, Nebraska, afkomstige Tilly And The Wall terug met deze “Bottoms of Barrels”. Een mélange van 1960’s pop en indierock. Naast de handklaps van zangeressen Neely Jenkins en Kianna Alarid maken ze ook gebruik van het versterkte geluid van de tapdansschoenen van Jamie Williams. Yep, you guessed it kids, de percussie van deze groep is behoorlijk bizar te noemen. Een aantal van de leden komen uit de pre-Bright Eyes-groep van Conor Oberst, Park Avenue. Leuk plaatje. Vooral om met onze Oldsmobile 442 uit 1969 over de vlakten van Nebraska te cruisen. (www.moshimoshimusic.com). Channels is het project van J. Robbins die we kennen van Jawbox en Burning Airlines. Net als in zijn vorige groepen domineren de hoekige ritmes en melodieuze refreinen. Strakke drummer ook. Alleen verzandt het geluid soms in eenvormigheid. In de V.S. heeft J. Robbins een zekere aanhang, maar het valt te vrezen dat het geluid van deze groep andermaal iets te doorsnee is om een echte doorbraak te forceren. Ondertussen scheuren wij in onze Oldsmobile 442 de zonsondergang tegemoet. (www.dischord.com)(mt)
   
Tristeza
En Nuestro Desafio
(BETTER LOOKING/SONIC RENDEZ-VOUS)
Het heeft er een tijdje naar uitgezien dat Tristeza na het vertrek van Jimmy Lavalle (The Album Leaf) zou doodbloeden, maar de groep herpakte zich en na een aantal degelijke ep’s kwam vorig jaar de uitstekende langspeler ‘A Colores’ uit. Na nog een tussendoortje is er nu ‘En Nuestro Desafio’: deze release bestaat uit negen audiotracks en een dvd, maar bevat maar een fractie aan memorabele momenten. Het luistergedeelte, een half uurtje muziek, is een collage van losse ideeën: minimalistische en ijle tracks van enkele minuten die nauwelijks de aandacht vasthouden. Enkel het titelnummer springt eruit: een repetitieve krautrocktrack die op goedkeurend geknik kan rekenen. Het kijkgedeelte is een verzameling onvaste, met de handcamera gedraaide beelden van landschappen onderweg. Bewerkt met kleureffecten en ondersteund door ijle brokjes muziek creëert dit een abstract universum dat bij live-projectie en gedrenkt in alcohol wellicht werkt, maar thuis op het scherm alleen maar verveling oproept. Bonus is een doordeweekse videoclip van ‘Stumble on Air’, een prima track uit ‘A Colores’. Interessant als tussendoortje, maar niet meer dan dat. (www.trstz.com)(dvv)
   
Uzeda
Stella
(TOUCH & GO/KONKURRENT)
Siciliaanse mathrock, dat hoor je niet vaak. Uzeda is dan ook een klasse apart en niet alleen op Sicilië. Met een fabuleuze frontvrouw als Giovanna Cacciola als grootste troef en ingenieuze, maar niet té moeilijke betonrock als rotsvaste ondergrond hoort Uzeda zonder te dollen zeker thuis in een rijtje waar ook U.S. Maple en Shellac onderdak vinden. ‘Stella’ is de vierde release van de groep en het lukt ze om op dit album een lans te breken voor een afstervend genre als mathrock. Eerlijk gezegd weet Uzeda mathrock veel breder te maken dan ooit tevoren en dat is niet de minste verdienste. Cacciola gebruikt haar strot als verleidend wapen maar beukt er net zo hard in met diepe oerkreten. De ene keer een brutale Björk, de andere een hevig gefrustreerde Andrea Zollo (van Pretty Girls Make Graves). ‘Wailing’ is daarvan een mooi voorbeeld waarin Cacciola moeiteloos van de een naar de ander overschakelt terwijl vurig kronkelende gitaren de song met metalen stekels vastpinnen. De lege, schone produktie van Albini past als geen ander bij Uzeda en de wisselwerking van loeistrakke band en een visionair als Albini maakt van ‘Stella’ een instant mathrock-klassieker. (www.tgrec.com/bands/band.php?id=84)(joh)
   

Various Artists
Brownswood Bubblers
The Heritage Orchestra
The Heritage Orchestra
(BROWNSWOOD/LOWLANDS)
BBC-dj Gilles Peterson heeft niet alleen een onfeilbare smaak, de man heeft ook een nieuw label. De dagen dat hij Talkin' Loud naar een Mercury Music Prize leidde met Roni Size/Reprazent liggen al een tijdje achter ons en Peterson vond de tijd rijp om vernieuwende soulmuziek een plaats te geven in de hedendaagse muziekwereld. Vandaar dus Brownswood Recordings. Peterson heeft zijn reputatie volledig te danken aan zijn ruime interpretatie van soul. In zijn radioprogramma en dj-sets gaat hij voortdurend op zoek naar de link tussen Detroit techno, samba, drum&bass, hiphop, broken beats, jazz, bossa nova en house en logischerwijs vindt hij die ook. Die link heet, inderdaad, Soul. Brownswood Bubblers is de eerste in een reeks verzamelaars die moet dienen als ontdekkingsreis, maar is toch niet zo sterk als zijn Worldwide-cd's (genoemd naar zijn show voor de BBC). Minder variatie, maar misschien was dat ook wel de bedoeling. Rednose District, Ben Westbeech, Colonel Red, Nicole Willis en Steve Spacek zijn al bekende namen die heel sterk voor de dag komen. Helaas is de stroop aan het einde van de reis iets te zoet. Dan gaat het meer richting r&b. Daar bevinden zich ook talenten, maar ze lijken hier iets teveel op elkaar om te blijven boeien. Brownswood is een label dat we zeker in de gaten zullen houden, maar meer dan veelbelovend durven we de Bubblers voorlopig niet noemen. Ondertussen is er ook een eerste artiestalbum verschenen. (www.brownwoodrecordings.com). The Heritage Ochestra is een bigband in de letterlijke betekenis van het woord: in hun huidige bezetting treden ze op met minstens drieënveertig (43!) muzikanten. In geen tijd werden ze een fenomeen in de Engelse jazzwereld. Lees het volledige verhaal maar eens na op hun webstek. De sterke composities van Jules Buckley en de productie van Chris Wheeler liggen eigenlijk dichter bij jazzfunk en het is uniek om die muziek te horen van een bigband. Daar zit zeker de samenwerking met saxofonist Chris Bowden (4Hero, Herbaliser) voor iets tussen. Echte new jazz. (www.theheritageorchestra.com)(ft)

   
Various Artists
Hip Hop Forever III
(BBE/RAPSTER)
Op Hip Hop Forever III mixt Dj Jazzy Jeff, wie herinnert zich hem nog van zijn hitje Summertime samen met de irritante Will – als ik op mijn dak ga staan heb ik geen satellietschotel nodig – Smith, 26 tracks aan mekaar. Veel van het materiaal op deze compilatie is bekend werk van grote acts uit het genre. Gang Starr is maar liefst drie keer vertegenwoordigd, The Pharcyde twee maal. Daarnaast zijn er ook tracks van Eric B. & Rakim, A Tribe Called Quest, Mobb Deep, Biz Markie en Jay Dee. De grote namen worden afgewisseld met (nobele) onbekenden zoals Phat Kat en Mister Complex die best leuke nummers toeleveren. Wie niet bekend is met het werk uit de jaren 1990 van voornoemde namen haalt met Hip Hop Forever III een aardige compilatie in huis. Voor alle anderen is dit quantité négligable.(kp)
   
Various Artists
Now That's What I Call Memphis!
(MEMPHIS INDUSTRIES/V2)
Een verzamelaar met de stad Memphis in de titel. Meteen komen beelden van allerlei soul- en funkmuzikanten bij me op. Ook een eigentijdse countryverzamelaar behoort tot de mogelijkheden. Niets is echter minder waar. Deze compilatie heeft weinig met de stad Memphis te maken. Now That’s What I Call Memphis! is veeleer een staalkaart van het Memphis Industries label en die hebben heel wat veelbelovende bands in hun rangen. Zo leveren zowel The Go! Team en The Russian Futurists een nummer voor deze compilatie. Beide bands verdienden al hun strepen met enkele verfrissende, poppy albums. De plaat duurt amper een half uurtje en gaat in een razend tempo vooruit. De plaat bevat enkele verrassende en verfrissende gitaarpopnummers zoals ‘Panda’ van de Finse band Dungen en ‘This Loneliness’ van El Perro Del Mar. Beide bands maken dromerige en catchynummers die je na het beluisteren laten verlangen naar meer. Verder telt de verzamelaar ook wat mindere nummers zoals ‘Something To Bang’ van Absentee en The Pipettes met ‘Your Kisses Are Wasted On Me’.(hv)
   
Geoff White
Nevertheless
(BACKGROUND/LOWLANDS)
Geoff White. [Aeroc], [Jackstone]. Columbus, Ohio -> Barcelona, Spanje. = www.edit-audio.com. Force Inc., Morris/ Audio, Cytrax, Spectral Sound, Ghostly, ...­ Klik [Aan]. Click [House] + erg diepe, dubby en soms dreigende en donkere dancetracks. Sfeervol rollend rond een rrrrrrrrrr ronkende beat: kliks, bombom poms, klaks en [cut]sssss naar - breaks - die schijnbaar elektronisch schuim laten opborrelen. Weer afbouwen. Naar volgende track (forward) als een vloeiende mix. Min. Max. Exit. Ssshh. [Uit]... + endless repeat. (www.background-records.de)(tn)
   
Spanky Wilson & The Quantic Soul Orchestra
I'm Thankful
(TRU THOUGHTS/LOWLANDS)
Wie eerder dit jaar de platen van Nicole Willis (GC75) en Alice Russell goed vond, mag blindelings overgaan tot de aanschaf van deze plaat. Spanky Wilson is een soulzangeres die in de jaren 1960 en 1970 van zich liet horen bij iedereen van Marvin Gaye en Jimmy Smith tot Lalo Schifrin en Willie Bobo. Haar cover van de Cream-klassieker 'Sunshine Of Your Love' is een favoriet bij rare groove dj's en verzamelaars, waaronder ook de Britse producer Will Holland. Quantic is Holland's uitlaatklep voor nujazz, afro- en andere breakbeats (laatste wapenfeit: 'An Announcement To Answer', ook op Tru Thoughts); zijn groep, Quantic Soul Orchestra, is zowat de beste live funkband van het moment. In de studio gaat trouwens geen spatje van die live-energie verloren, getuige 'Stampede' (2003) en 'Pushin' On' (2005). Op die twee albums zorgde Alice Russell voor de vocals, maar nu haalde hij dus Spanky Wilson uit de (bijna-)vergeetput. Bovendien nodigde hij nog enkele extra muzikanten uit, waaronder trombonist en levende legende Phil Ranelin (bekend van Tribe Records uit Detroit). Wilson heeft duidelijk nog niets van haar swing verloren en mag inderdaad thankful zijn dat Holland haar ging opzoeken. Het rustige titelnummer of het spetterende 'You Cant Judge...', niets is haar teveel. Onweerstaanbaar. (www.tru-thoughts.co.uk)(ft)
   

Xiu Xiu
Tu Mi Piaci
June Panic
Bellybuttonless Boy
(ACUARELA/BANG!)
Het Spaanse Acuarela maakt er een erezaak van om naast goeie underground van eigen bodem kleinere releases uit te brengen van toonaangevende groepen uit het buitenland. Xiu Xiu vult de Acuarela-ep met een vijftal covers van uiteenlopende artiesten: songs van onder meer Nina Simone, Pussy Cat Dolls en Bauhaus krijgen een Xiu Xiu-behandeling en zijn als afgewerkt product haast onherkenbaar. Het leukst is de bewerking van ‘All We Ever Wanted Was Everything’ van Bauhaus: deze versie begint met kabbelende elektronica, vervolgt met ijle Long Fin Killie-achtige gezangen en eindigt in gezongen leuzen op een industriële achtergrond. Lachen! Maar ook: goed! June Panic, vaste klant op Secretly Canadian (Early Day Miners), is in zijn doordeweekse banaliteit een beetje de tegenpool van Xiu Xiu. Op deze ‘Bellybuttonless Boy’, eveneens op Acuarela, staan zes ongeïnspireerde cowboyrocknummers met klaagzang die vaagweg doen denken aan Tom Petty van een slecht jaar.(dvv)

EXTRA RECENSIES GONZO #77
Veel meer recensies zijn te vinden in Gonzo #77

72 Blues
Said I Would
Konqistador
Courage Riot
(ARTS VICTORIA/UNDERTOW / MUNICH)
Australië zendt zijn blueszonen uit, het soort dat wel eens een scheut trash in zijn oergeluid wenst te gooien. 72 Blues en Konqistador bijvoorbeeld. Leden van beide bands zijn uiteindelijk in Detroit verzeild, terwijl een paar van hen in Melbourne bleven. Ze delen ook een aantal groepsleden maar maken toch heel andere muziek. 72 Blues doet wat de naam zegt en speelt een mengeling van country blues, swamp blues, preacherblues en gospel. Ze doen dat niet onaardig, al klinken een aantal tracks, zeker op de eerste helft van de plaat, nogal stuurloos. Uitschieters als ‘Way Down’, ‘Harmonihum’ en ‘Lawd A Lonesome Sorry’ zijn echter lekker vet en gaan terug naar de wortels van het genre, een beetje zoals Don Howland met zijn Bassholes dat ook doet. Rauw, van de duivel bezeten, door de drank achtervolgd en de bevlogen gekheid van de grootstad (Melbourne en Detroit) uitstralend kunnen deze heren op termijn zeker potten breken. Volgende keer een plaat met alleen maar stoffige krakers en we zullen zeer tevreden zijn. In ‘Loneside My Bed’ horen we zelfs flarden Led Zeppelin terug, en dat zijn dan wel oude rukkers, de blues zat wel in hun aderen. Met Konqistador’s debuut hebben we het heel wat moeilijker. Opgericht in Detroit maar voor de helft bestaande uit 72Blues horen we in een diversiteit aan talen (Turks, Engels, Spaans, Frans) van blues doordrenkte heavy rock die ons echter teveel aan de foute jaren 1970 hardrock doet denken. Eigenlijk hebben we geen idee wat er precies mis is met deze plaat, maar telkens weer is de conclusie dezelfde: we weten alleen de afsluiter ‘Evil Gotten Evil Spent’ echt te smaken. ‘Courage Riot’ is zo’n plaat waar we ons na beluisteren niets meer van herinneren behalve dat het een rockplaat was. En ook de volgende keer dat de plaat heeft opgestaan, weten we niets beters te verzinnen (www.undertow-recordings.com)(pb)
   
Automag
Hellbound
(ROCKADROME/CLEAR SPOT)
Automag, afkomstig uit North Carolina, is een band die het niet van vernieuwing moet hebben maar wel van oerdegelijke kwaliteit. Waarom zouden we experimenteren als we gewoon heel goed zijn in het maken van heavy southern rock, dacht het trio. En gelijk hebben ze, want dit als een conceptplaat opgevat debuut klinkt als een klok. Het is heavy rock uit de jaren 1970 waarop een laagje Alice In Chains en Clutch werd aangebracht. Het vreemde aan de plaat is dat de tien songs niet één geheel vormen zoals we dat gewoon zijn bij conceptplaten. Elk nummer hoort bij een scène uit een kortverhaal dat in het fraai vormgegeven digipack staat afgedrukt, samen met de teksten. Bedoeling hiervan was om toch elk nummer op zichzelf te laten staan en de luisteraar de vrijheid te geven om de songs te interpreteren zoals die zelf willen. Allemaal veel blabla vinden we zelf. We luisteren meestal niet echt naar de teksten bij dit soort muziek, maar zijn het de riffs die ons al dan niet meeslepen. Automag geeft er een behoorlijke lap op en we gaan gewillig mee op de southern stonerreis. De riffs zijn dan ook zeer oké. ‘Hellbound’ is tot in de puntjes verzorgde heavy rock waarmee de band gegarandeerd menig podium onveilig zal maken. (www.rockadrome.com)(pb)
   
Available Jelly
Bilbao Song
(RAMBOY)
Ondanks een bijna twintigjarige carrière en vijf albums geniet de Nederlands-Amerikaanse jazzgroep Available Jelly onverdiend genoeg geen al te grote bekendheid. Misschien komt in die toestand verandering met hun nieuwste album, 'Bilbao Song'. Het sextet heeft de luisteraar in ieder geval genoeg nieuws te bieden. Bezieler van het bonte gezelschap is klarinetspeler Michael Moore die in het verleden met een hele rits artiesten samenspeelde - Misha Mengelberg, Marilyn Crispell en Gerry Hemingway zijn zonder twijfel de bekendsten onder hen. De helft van het materiaal op de cd is afkomstig uit Moores pen. In zijn composities laat hij dan ook blijken een geestesgenoot van voornoemde muzikanten te zijn. Zenuwachtige stadsjazz of nét langzaam opgebouwde stukken (zoals b.v. 'Selat Sunda'): Moore voelt zich in veel disciplines thuis. De andere tracks vormen een uitgelezen afwisseling van onorthodoxe covers (een Birmese traditional, Burt Bacharach en vanzelfsprekend ook Kurt Weill) - wat al een indicatie geeft voor hoe spannend Avaiable Jelly het kan maken. Ook de zeer wijdbeense bijdragen van cornetspeler Eric Boeren ('Jackdaws and Blackbirds' en het meer traditionele 'Wollic' zijn beiden van zijn hand) maken het geheel meer dan de moeite waard. (www.ramboyrecordings.com)(jv)
   

Aidan Baker
Oneiromancer
(DIE STADT)
The Sea Swells A Bit...
(A SILENT PLACE/SMALL VOICES/LOWLANDS)
Volgens een populair serpentgerucht hebben we drieduizend dreunplaten in onze kast staan (we blijven ontkennen). Toch is het punt gemaakt: hoeveel dreunreleases heeft iemand nodig? Zeggen dat Aidan Baker (ARC) er op zijn eentje minstens vijfhonderd gemaakt heeft, is een al even begrijpelijke overdrijving. Zijn nieuwe lichting onderscheidt zich van de vorige door de typische basis (dreunende elektrische gitaren) te versnijden met tapeloops, drummachines en vocalen. Driehonderd snelle kopers ontvangen van Die Stadt een exclusief gitaargestuurde live cd (Toronto, 2005) als bonus. De hoes van 'The Sea Swells A Bit...' (‘De Grote Golf’ van Katsushika Hokusai ) zijn we al vaker tegengekomen, en dat geldt ook voor de bijhorende geluiden. Drie lange tracks sleuren ons stijlvol de oceanische diepte in middels een combinatie van gitaardrones, woordeloos sirenegezang, rituele drums en postrock. Ach, drieduizend of drieduizendendrie, wie treurt er om enkele mondjes meer? In elk geval behoren deze cd's tot het betere, meer gevarieerde, werk van hun productieve maker. (www.asilentplace.it) (www.diestadtmusik.de)(pv)
   
Barth
Under The Trampoline
(ICI D'AILLEURS/BANG!)
De Franse singer-songwriter Barthelemy Corbelet zit achter dit project. Al enkele jaren opereert hij onder de naam Barth en dit is al zijn tweede album. ‘Under The Trampoline’ is van bedenkelijke kwaliteit. De man maakt weinig verrassende folknummers, met af en toe een etnische inslag. Barth probeert krampachtig als een kruising tussen Beck en John Lennen te klinken, maar faalt glansloos. Door de weinig spannende songstructuren en het beperkte instrumentarium (voornamelijk gitaar, aangevuld met wat vioolsamples), heb je het gevoel dat de plaat maar wat voortkabbelt. Na het vierde nummer is de aandacht al volledig verslapt en vraag je je af wat de zin is om nog verder te luisteren. Met het nummer ‘Cookie’, net over halfweg de plaat volgt nog een ultieme stuiptrekking om het album dan toch wat interessanter te maken. Het nummer opent veelbelovend met een klagende saxofoon, aangevuld met dubby gitaren. Na 30 seconden is het verdict hard: er staat geen enkel goed nummer op deze plaat. Toch kan ik me voorstellen dat dit album in Frankrijk wel hoge toppen scheert. Nummers als ‘Miss Glacee’ en ‘Plastered Uncle’s Advice’ lijken wel de officiële soundtrack bij een wandeling door Parijs.(hv)
   
The Black Keys
Magic Potion
(NONESUCH/V2)
De eerste tonen van alweer het vierde album van het duo The Black Keys, zijnde gitarist Dan Auerbach en drummer / toetsenist Patrick Carney, zetten ons even op het verkeerde been. We dachten met een reïncarnatie van Ram Jam te maken te hebben, en eentje daarvan is meer dan voldoende, dankjewel. Zoals gewoonlijk namen de twee heren hun plaat op in hun uitvalsbasis Akron, Ohio. Ook deze keer richtten ze een eigen studio in, de derde al, nadat de vorige vergeven van de ratten bleek te zijn. Veel verschil maakt het echter allemaal niet. De muziek van het duo is nog steeds geënt op de roots van het bluesgenre, met de Mississippi-Deltablues als ijkpunt. Junior Kimbrough en R.L.Burnside zijn de grote helden maar het niveau van die twee overleden knarren halen The Black Keys nergens. Ze kunnen het wel natuurlijk, en ze zaten net als voornoemden tot voor kort op het Fat Possum-label, maar de nummers op ‘Magic Potion’ klinken te gepolijst, missen wat bezieling en het ontbreekt aan een eigen geluid. Het zit wel allemaal goed in elkaar hoor, en mankementjes zijn niet te horen, maar net daar wringt het schoentje. Blues is niet bedoeld om zo proper te klinken, alsof iemand met cif het ongepolijste heeft weggepoetst. (www.theblackkeys.com)(pb)
   
Peter Brötzmann, Albert Mangelsdorff, Gunter Sommer
Pica Pica
(ATAVISTIC/KONKURRENT)
Bij improvisatie of vrije muziek is de live-belevenis, het moment van instant composing, van groot belang. Niet de uitgeschreven partijen, maar het spel, de interpretatie, het onderzoek, de creativiteit, de interactie op het moment van vertolken kunnen het optreden spannend, verrassend en uniek maken. Om die essentiële live-momenten te vangen, heeft het aan free jazz en improvisatie gewijde label FMP (Free Music Production) sinds 1969 dan ook een grote hoeveelheid live-opnamen uitgebracht, waaronder vele van medeoprichter Peter Brötzmann. Zo’n ruime documentatie omvat niet louter hoogtepunten, ook niet voor Brötzmann: gevierd rietblazer en groot improvisator, maar begrijpelijk ook wel eens met een mindere dag. Naar ik heb horen zeggen, want veel opnamen zijn niet meer of moeilijk te vinden. Het is daarom goed nieuws dat Atavistic uit de FMP-archieven nu ‘Pica Pica’ heruitbrengt. Deze opnamen, gemaakt in 1982 tijdens Jazzfest Unna, laten Brötzmann, trombonist Albert Mangelsdorff en drummer Günter Sommer horen in puike conditie. De plaat bevat twee lange stukken (twintig en zeventien minuten) en een vrolijke afsluiter van vier minuutjes. Brötzmann is energiek als altijd, maar met veel humor en zijn beruchte sonische uitbarstingen wisselen af met meer ingetogen spel. Sommer zorgt vooral voor doorlopend ratelende, dravende ritmes. Mangelsdorff bouwt met de drummer aan een stevige cadans, die constant naar een climax lijkt te werken, of zoekt samenspel met Brötzmann. Die scheurt of bezweert, klimt en daalt met zijn alt-, tenor- of baritonsax, of werpt Afrikaans aandoende slingers met de klarinetachtige tarogato. De gedrevenheid en het spelplezier van het trio zijn nog altijd herkenbaar op deze prachtplaat. (www.atavistic.com)(rm)
   
CirKus
Laylow
(WAGRAM/BANG!)
In de bio wordt druk gegoocheld met namen. Burt Ford, oprichter van CirKus, producete eerder de debuutalbums van Massive Atack, Tricky en Portishead. Zijn carrière raakte volledig in het slop en om de huur te kunnen betalen, producete hij kleine bandjes. Toen hij Karmil ontmoette, een jonge gitarist, turntablist en producer, kreeg hij terug zin in muziek. Zonder vooropgesteld plan begonnen ze samen enkele nummers in elkaar te steken. Karmil zorgde voor het muzikale gedeelte en Ford verzorgde de zanglijnen. Na iedere werkdag zaten ze beiden nog uren aan de songs te sleutelen. Om het geluid van CirKus wat meer fond te geven, werd de jonge zangeres Lolita Moon aangesproken om enkele partijen in te zingen. Ook de vriendin van Burt Ford, Neneh Cherry deed haar duit in het zakje. CirKus vermegt soul, triphop en hiphop en maakt er iets geheel eigen van. Het resultaat is een organische en dromerige plaat. Laylow zou een gepaste soundtrack zijn bij een warme nazomer. De stemmen van Moon, Cherry en Ford passen perfect samen en zorgen voor de magie van dit album. De plaat zit ook vol subtiliteiten, waardoor je na verschillende luisterbeurten nog steeds nieuwe dingen lijkt te horen. Ondanks de sterke aanwezigheid van triphop op het album, klinkt de plaat niet passé, integendeel. De band maakt wat Portishead anno 2006 zou maken. Puike plaat, een bescheiden verrassing!(hv)
   

Eric Cordier
Breizhiselad
M. Holterbach
Aare Am Marzilibad
(EREWHON/METAMKINE)
De muzikale wetenschapper Eric Cordier (NOL) gaat aan de slag met een ruwe brok Bretoense geschiedenis. De heruitgave (1960) van een 78toeren 10inch bevat de allereerste Bretoense liederen die ooit op plaat werden gezet. Nog niet zolang geleden, in tijden van centralistische Franse onderdrukking en censuur, was dit een misdrijf. De plaat heeft de tand des tijds niet zo goed doorstaan en bevat meer krassen dan groeven; sommige stukken zijn zelfs bijna volledig weggewist. Cordier haalt de originele gezangen en de nevengeluiden door een mangel van cut-ups, loops en delay. Wat overblijft is beklemmende religieuze muziek (engelenkoorzangen) vol tegengeluiden, waardoor deze cd zowel potten zal breken bij vrome historische als bij dark ambient liefhebbers. We vragen het ons elke ochtend af: welke geluiden hoort een fles die in een rivier drijft? Instrumentenuitvinder en installatiebouwer Manu Holterbach neemt de proef op de som, en stopt een microfoon in een hermetisch afgesloten fles. De readymade wordt vervolgens vastgemaakt aan een rots in de Zwitserse rivier de Aare. De registratie op deze 3inch mini cd doet nog het meest denken aan het sissende geluid dat ontsnapt bij het openen van een fles koolzuurhoudend mineraalwater. Wanneer er golven tegen de fles slaan, horen we de plonzen en bubbels die we zelf wel eens produceren als we een bad nemen. Door het feit dat dit alles zich in de unieke akoestiek van een glazen voorwerp afspeelt, krijgt het geheel uiteraard een onnatuurlijk claustrofobisch karakter. (www.radiantslab.com/erewhon)(pv)
   
The Datsuns
Smoke and Mirrors
(V2)
Zet je verstand op nul, draai de volumeknop volledig open en stampen met die voeten maar op het ritme van de beukende rocksongs. Zoals we dat van hen gewoon zijn hebben The Datsuns een no-nonsense rockalbum afgeleverd zonder franjes. Een dikke veertig minuten headbangen op bluesy retrorock met invloeden van heel wat rockbands uit de sixties en seventies. Vooral de invloed van The Stooges en Black Sabbath is prominent aanwezig. Geen originele plaat dus, verre van, net als op hun debuut ‘The Datsuns’ en opvolger ‘Outta Sight, Outta Mind’ recycleren ze al hun invloeden tot een min of meer eigen geheel. Enige verschil met hun voorgaande albums is dat er toch enige maturiteit in de rangen geslopen is, de band is ongetwijfeld gegroeid. Zo is het derde nummer zowaar opgebouwd rond een akoestische gitaar en is er op de achtergrond constant een keyboard aanwezig. Openingsnummer ‘Who Are You Stamping Your Foot For?’ doet verrassend veel denken aan The Hellacopters en doet precies wat de titel suggereert, je zin geven om het hele nummer door met je voeten mee te stampen. Het album raast in een sneltempo voorbij, maar weet toch af en toe te vervelen. Al zijn de nummers gebald en stevig, toch zijn de vooral op klassieke blues gestoelde songstructuren veel te voorspelbaar. Vooral de nummers ‘All Aboard’, ‘Blood Red’ en het ruim zeven minuten durende slotnummer ‘Too Little Fire’ gaan snel vervelen. Een middelmatig album zonder uitschieters dus.(hv)
   

Dolly Rocker Movement
Electric Sunshine
(OFF THE HIP/CLEAR SPOT)
Various Artists
Garagemental: Ultra Rare Garage And Psych Rock From The 60s
(ACE)
Het kwartet Dolly Rocker Movement, opgericht in 2002, is zo’n typisch Australisch (Sydney) garagerockbandje dat weinig opzienbarende primitieve rock-’n’-roll speelt. Wat hen onderscheidt van het peloton Aussie-bandjes is de stevige scheut orgelgedreven psychedelica die ze in hun nummers hebben verwerkt. In de beste tracks kruisen ze The Seeds en Syd Barrett (de band noemde zich naar één van zijn nummers) met Marc Bolan en The Byrds. Allemaal bandjes van lang geleden maar het viertal slaagt er toch in om lekker fris te klinken, een beetje zoals hun genregenoten The International Playboys maar dan beter. De jaren 1960 en psychedelica voeren zowel op het hoesje als in de muziek de boventoon natuurlijk, maar toch verveelt ‘Electric Sunshine’ geen moment, al helpt een nostalgische bui natuurlijk ook. Die wordt nog meer gevoed door de compilatie ‘Garagemental’. Ace is een label dat speciaal werd opgericht voor het uitbrengen van heruitgaven en compilaties met opnames uit de vroege Amerikaanse muziekgeschiedenis. Meestal betreft het opnames uit de jaren 1950 en nog vroeger, maar er duiken geregeld platen op die zich concentreren op The Golden Age Of Rock And Roll, de jaren 1960 dus. De nadruk op onderhavig exemplaar ligt op garage en psychedelisch aangedikte rock uit het Amerikaanse Midwesten. Het informatieve boekje geeft niet alleen uitleg over het Cuca Records-labeltje uit wiens catalogus wordt geput, maar eveneens over alle aanwezige bandjes. Daarmee onderscheidt deze reeks zich van heel wat gelijkwaardige series die zich halvelings in de illegaliteit bevinden en zich om auteursrechten geen zorgen maken. Alle zesentwintig nummers zijn niet alleen moeilijk te traceren, zes ervan werden nooit eerder uitgebracht waardoor zelfs een fervente verzamelaar van dit soort muziekjes zijn hartje kan ophalen. We herkennen bijvoorbeeld het origineel door Johnny Kidd And The Pirates maar door The Guess Who wereldberoemd gemaakte nummer ‘Shakin’ All Over’, hier in een zeer goede versie van Raylene & The Blue Angels. Probeer meteen ook maar de nummers van Joey Dee & The Come-Ons, Kiriae Crucible, The Plague of The Challengers om er een paar te noemen. Schitterende liedjes zijn het, op hillbilly en vroege rock’n’roll gebaseerde feel good muziek om alle somberheid te verdrijven. (www.offthehip.com.au - www.acerecords.co.uk)(pb)
   
Electrelane
Singles, B-Sides & Live
(TOO PURE/BEGGARS)
Het uit Brighton afkomstige Electrelane heeft de laatste jaren enkele personeelswissels gekend. De centrale as bleef echter altijd het duo Emma Gaze en Verity Suzman. Al sinds 2000 laten ze hun militante art-punk los op het publiek. In hun sound, dat zich ergens ophoudt ter hoogte van krautrock en indierock, is een hoofdrol weggelegd voor het karakteristieke geluid van een Farfisa-orgel. Ze koppelen de klank van dit jaren 1960 orgel aan moderne productietechnieken. Ze werkten in het verleden overigens al samen met Steve Albini. Hierdoor ontstaat een heel eigen sound die een hoogtepunt kende op hun vorige plaat 'The Power Out'. Zoals de titel het al zegt, vind je op deze plaat singles, b-sides en live-tracks. Je vindt onder andere hun eerste single “Film Music” en de b-kant “I Love You My Farfisa” (moeten we meer zeggen ?). Bij de livenummers valt vooral de cover van Bruce Springsteen’s 'I’m On Fire' op. Een overzicht van de groei van deze band van 2000 tot nu. Ondertussen wordt gewerkt aan een opvolger voor 'The Power Out'. Hopelijk even sterk, we stillen onze honger nu dan maar met deze verzamelaar. (www.electrelane.com)(mt)
   
Fat Ass Fuckers
Support Your Local Drunks
(EIGEN BEHEER)
Het is waar, dit in eigen beheer in elkaar geramde cd’tje duurt slechts tweeëntwintig minuten. Het is ook waar dat we nergens ook maar een snuifje vernieuwing horen, of muzikaal meesterschap, of pretentie. Fuck that. ‘T zal nog niet zijn als je zanger klinkt als Vivian van The Young Ones die met veel plezier zingt dat hij op jou zal pissen als ie daar zin in heeft. Het kwintet uit de omstreken van Geel bewondert The Ramones, The Damned en The Dwarves in gelijke mate, luister maar naar hun ‘Ballade De La Tourette’. De cartoonesk aandoende in- en outro omkaderen elf punkliedjes die druipen van plezier, punk’n’roll en vooral van bier. Het is waarschijnlijk de enige reden waarom deze vijf jonge gasten een punkbandje zijn begonnen, want dan krijg je al eens een extra kratje bier zonder ervoor te moeten betalen. Ze hebben de intentie om Dirty Scums naar de bierkroon te steken en de begindagen van El Guapo Stunt Team, toen die nog meer punk dan hardrockpose waren, terug op te roepen. De tent omverblazen en veel bier zuipen, en onnozele liedjes maken die toch catchy klinken, yep, zelfs ‘Beer Song #666’ is leuk. Als je nog een paar kratten bier in de aanbieding hebt, komen de Fat Ass Fuckers met grote dorst in je living spelen. (www.fatassfuckers.tk)(pb)
   
Flogging Molly
Whisky On A Sunday
(SIDEONEDUMMY/BERTUS)
‘ Whisky On A Sunday’ van de folkpunks Flogging Molly bevat zowel een cd als een dvd. Op de cd staan tien nummers, waarvan vier akoestisch, vijf live en één niet eerder uitgebracht nummer, opener ‘Laura’. Die track was een overblijfsel van de sessies die de band deed voor zijn vorige album ‘Within A Mile Of Home’ uit 2004, en kon net zo goed op die plaat hebben gestaan. Of op een andere Flogging Molly-plaat, want de band is altijd al vooral een live-monster geweest. De akoestische nummers dateren van een sessie die ze deden in de Sony Connect studio’s in 2005, terwijl de livenummers komen van hun homecomingconcert in het Wiltern Theater in Los Angeles. Datzelfde homecomingsconcert is de afsluiter van de bijgesloten dvd, waarop een heel interessante documentaire over de carrière van de band is te vinden. De documentaire, zeven kwartier beeld geschoten door Jim Dziura, werd over een periode van twee jaar en zeven landen ingeblikt. Alle aspecten van het leven in en rond Flogging Molly komen aan bod. Nummers opnemen in de studio, wedervaren op toer, het missen van thuis en de familie, en het groeien van een barband tot een mega-act die overal festivals op zijn kop weet te zetten. Alle zeven bandleden komen uitgebreid aan bod en vertellen honderduit over elkaar en de band, al ligt de focus toch op de charismatische bandleider Dave King. Hij is zanger/gitarist van de bende en de documentaire gaat uitgebreid in op zijn leven. Opgroeien in een verscheurd Dublin, de vroege dood van zijn vader, zijn emigratie naar de Verenigde Staten en de verboden terugkeer naar zijn vaderland toen zijn moeder op sterven lag, het zijn opmerkelijke gebeurtenissen in ’s mans leven die weerklank vinden in de teksten van zijn band. Dat die band garant staat voor een stevig folkpunkfeestje zal zowat iedere muziekliefhebber onderhand weten. Denk eigenlijk vooral aan The Pogues maar dan met een zanger die de drank wel onder controle heeft. Of iemand deze documentaire meer dan één keer zal bekijken, is de vraag natuurlijk. In elk geval is de bijgeleverde cd wel leuk. Zelfs voor iemand als ik die geen grote liefhebber van dit soort wildebrassende, doorzopen folkpunkrock is.(pb)
   
Matt Harding
Expectation
(MOSHI MOSHI/V2)
Heerlijke plaat voor een regenachtige herfstavond! Expectation staat vol intieme, melancholische en af en toe opzwepende popsongs. Al sinds zijn debuutplaat ‘Tomorrow’ knutselt Harding songs in elkaar met akoestische instrumenten aangevuld met een streepje elektronica. Op zijn derde album Expectation is dat niet anders, al moet je wel bekennen dat de man een zekere maturiteit verworven heeft. Je hoort duidelijk dat er veel meer tijd in de afwerking van de nummers werd gestoken. De plaat zit volgestouwd met allerlei samples, veelal haast onhoorbaar op de achtergrond, maar net dat zorgt ervoor dat Expectation zich onderscheidt van het grote peloton singer-songwriters. Geen weemoedig geklaag op dit album, Harding schept de intieme sfeer vooral door het minimale gebruik van gitaar, basgitaar en keyboard. Zelf beweert hij niet zozeer beïnvloed te zijn door muziek, dan wel door het werk van regisseur Stanley Kubrick. Toch doen de strakke baslijntjes denken aan de dromerige pop van Pinback, al heeft de sfeer, vooral dan de repetitieve gitaarpartijen meer weg van de rustige momenten van Mogwai. Expectation is een leuke plaat met de nodige afwisseling, al heb je het na enkele luisterbeurten wel gehad met het album.(hv)
   
Jimpster
Amour
(FREERANGE RECORDS)
Jimpster is al langer dan ik mij kan herinneren de uitlaatklep van een zekere Jamie Odell. Odell maakt downtempo en house. Dat levert soms eenvoudig mooie nummers op als 'In An Analogue Way' en 'Slippin', heel af en toe ook pareltjes als 'Left & Right' (met rapper Capitol A) en 'Seventh Wave', maar op 'Amour' staan helaas teveel brouwsels die me warm noch koud laten. De productie is top, dat wel, maar het resultaat is allesbehalve boeiend en hebben we al iets teveel gehoord. Gelukkig is Jamie Odell ook lid van The Bays, één van de meest opmerkelijke live bands van het moment, die nog steeds weigert in een studio te gaan zitten en op de record-toets te drukken. Meepikken als ze in de buurt zijn. (www.freerangerecords.co.uk)(ft)
   
Kid 606
Pretty Girls Make Raves
(TIGERBEAT 6 / VERY FRIENDLY/LOWLANDS)
Anno 2006 veroveren technostampotten meer festivals dan ooit tevoren en komt er een gemengde verschuiving tussen de normale dance festivals en de alternatievere festivals. Zo ook bij artiesten; men neme Miguel de Pedro alias Kid 606, al geruime tijd wonderkind af door eigen opzettelijke strategie omdat meneer meer lol maakt dan ooit tevoren, die op deze nieuwe langspeler meer flirt met recht-toe-recht-aan 4/4 techno dan ooit tevoren. De ruige geluidsexperimenten, minimal clicks en dancehall jungle rave behoren allemaal tot het verleden. Spijtig, verheugd, ambivalent, neutraal? Kies uw persoonlijke gemoedskleur. Diversiteit is hier zeker niet de zonde waarvoor gelovigen een kaarske moeten branden. De techno uitgestald in de etalage is beslist niet van het doorsnee kaliber maar wordt opgesierd door analoge new wave synth sferen die niet zou misstaan op een dansbaar broertje van het DFA label. Ouderwetse rave, vroege acid, Baltimore clubhouse en springerige electrorock a la de eigen Tigerbeat stal zijn de duidelijkste richtingaangevers in dit springerige broeiclubkaseffect. Het geluid is gericht op feesten van de zwaaiende gloeistaafjes, olijk gekleurd haar en vele zweetparelende lichamen. De spreekwoordelijke kinbetasters zullen hun telraam thuis kunnen laten staan, omdat er welhaast geen glitches of andere vertrouwde effecten te bespeuren zijn. Het feest is nu aan de jongere -nog onstuimige- garde en de electronica puristen weten nog niet of ze hun geld durven terug te eisen bij de kassa, neerkijkend op de schoenen, de baard nerveus aaiend, afwachtend. Overigens ligt het voortkabbelende tempo op en af rond de 130 BPM met als enige sjokkende eend in de bijt een afsluiter bestaand uit diep analoge illbient dub. Wellicht is dit het gemotiveerde CV om eens de goedgevulde Europese rave hallen binnen te komen? Het is deze hervonden gangmaker na jaren ondergronds ploeteren eigenlijk wel gegund. Make some noise! (www.tigerbeat6.com)(s.b)
   
Larsen
SeieS
(IMPORTANT RECORDS/KONKURRENT)
Lrsn ljkt ts t hbbn tgn ht gbrk vn klnkrs, mr hft wl n gd g vr gschkt cllbrtrs. Z wrdt zjn mldz mbnt ndrstnd dr Lustmord (prdct n ndrgrndgdrn), Jarboe (zng) n cllspl vn Julia Kent (Antony & The Johnsons). Dz nvrvrmd lmntn wrdn bjzndr knp glnkt n trg rtms n mrhlzg gtrgdrn. Hrdr ntn sbtl klnkschldrjtjs, d bjzndr m klrn bj hrfstg zmrs. W vln ns bjn schldg mdt w nt ts t lng gwcht hbbn m dt prltj t bsprkn. (www.importantrecords.com)(pv)
   
Laurent Garnier
Retrospective
(F COMMUNICATIONS/PIAS)
In de kolommen van dit blad schreef de reviewer van dienst bij de recensie van ‘Shot In The Dark’ dat Laurent Garnier meer talent heeft als deejay dan als muzikant. Twaalf jaar later ligt de overzichtscompilatie ‘Retrospective’ voor ons en de stelling lijkt nog steeds te kloppen. ‘Retrospective’, een dubbelaar want size does matter bij Garnier, is een geslaagde oefening in navelstaarderij geworden, een pompeus allegaartje van liveopnames en remixen waar niemand zat op te wachten. De vurige clubtrack ‘Acid Eiffel’ krijgt u hier in de liveversie en wordt door Bugge Wesseltoft vakkundig om zeep geholpen. Hier gaat een stuk geschiedenis. ‘Retrospective’ wil Laurent Garnier tonen als een volwassen muzikant die ooit begon als deejay, maar ontbolsterde als een bevlogen producer. Helaas mondt het uit in een pijnlijke vertoning die u nog het best wegspoelt met de ‘Excess Luggage’ , een vijfdelige mixserie die de man drie jaar terug uitbracht. Schoenmaker blijf bij uw leest, in dit geval achter uw platenspelers. (www.fcomm.fr)(pds)
   
Legendary Pink Dots
Your Children Placate You From Premature Graves
(ROIR/BERTUS)
Jezus houdt van alle kinderen, zelfs als ze katten in de fik steken. Zoals vanouds beweegt de schuchtere ziener Edward Ka-Spel zich voort met de voorberadenheid van een onheilsprofeet die een dorpskermis komt vergallen. Ook op deze cd trekt LPD alle invloedsregisters open. Hun gevarieerd luisterspel bevat de apocalyptische collages waarmee het een kwarteeuw geleden allemaal begon, maar ook verdraaide religieuze meditaties, freakende hoempapablazers, introvert gemurmel, een vleugje krautrock en psychedelische outro's. Minimaal pianospel en veldopnames van een behekste speelplaats worden aan flarden geblazen door industriële ritmes. De zielenherder is zelf waanzinnig, het moreel verval is onomkeerbaar en niemand zal gered worden. U nog het minst van al. (www.roir-usa.com)(pv)
   
Maximilian Hecker
I'll be a Virgin, I'll be a Mountain
(V2)
'Beter dan James Blunt'. 'Straffer dan Chris Martin'. Het zijn uitspraken die vele soortgenoten de oren zouden doen spitsen, maar wij, levend in een parallel universumpje, worden meteen een tikkeltje argwanend. Echt, nog beter dan Chris Martin? En wie de hel is James Blunt nu weer? De perstekst presenteert Herr Hecker als de enige Duitse songwriter met internationale uitstraling. En ja, we willen graag geloven dat van dit album meer verkocht zal worden dan van de 200 andere platen die in deze Gonzo de revue passeren. Niet dat we softies per definitie afschrijven, verre van. Maar er zijn indiesofties, en er zijn andere softies. En laat het duidelijk zijn dat Hecker veeleer tot het tweede kamp behoort. Waar hij zijn tong houdt, weten we niet, willen we ook niet weten, maar het is alvast niet in zijn wang. De Germaanse Green (Adam)? Neen, eerder een Teutonische Taylor (James). Tevergeefs speurden we naar het soort slimmigheden dat Stephin Merritt (Magnetic Fields) ook in zijn ergste balladebuien weet uit te kramen. Evenmin een spoor van het comfortabele "we zijn te lang naar school geweest, maar jij toch ook"- koffiehuisintimisme dat de Kings of Convenience van de ondraaglijke meligheid weet te redden. Hecker is minder stuitend banaal dan het platte commerciële prul dat de hitparades vult, maar voor ons is er meer nodig dan een geaffecteerde falsetto en roots in Baden-Würtemberg om als excentriek en exotisch geboekstaafd te staan.(gt)
   
Michael Moore Quintet
Osiris
(RAMBOY/TOONDIST)
De Amsterdamse Amerikaan Michael Moore behoort al jaren tot de top in de nieuwe jazz. Hij weet mij doorgaans te pakken met eigen composities, waarin hij boeiende, op verworvenheden uit het verleden, gebaseerde elementen combineert met eigentijdse eigenwijsheid en een interessante visie op waar de nieuwe jazz- en geïmproviseerde muziek naartoe zou moeten gaan. Die indruk deed ik op door te luisteren naar zijn omvangrijke oeuvre, grotendeels uitgebracht op zijn eigen label Ramboy. Michael Moore's recente kwintet-cd 'Osiris' doet mij echter ernstig twijfelen aan alles wat ik hierboven heb geschreven. Het lijkt bijna niet mogelijk dat een avonturier pur sang zoals Moore een saaie, voorspelbare jazz-cd als 'Osiris' het licht laat zien. De jazzmuziek uit de beginjaren van deze eeuw behoort allang niet meer tot de spannende impromuziek die daarvoor werd gemaakt. Natuurlijk zijn er uitzonderingen en Available Jelly, één van Moore’s vaste groepen, en Misha Mengelbergs ICP Orchestra, waarin Moore vast speelt, behoren daartoe. Maar zoals ook te zien is aan de tegenwoordig steeds minder opzienbarende en soms zelfs ronduit voorspelbare en saaie programmering van Nederlands belangrijkste jazzpodium, het BIMhuis in Amsterdam, wordt avontuur met de dag minder belangrijk gevonden. Alledaagse, oersaaie en degelijke doorsnee jazz lijkt daarvoor in de plaats gekomen. Het kwintet, waarmee Moore ‘Osiris’ maakte, past goed in dit teleurstellende tijdsbeeld. Moore maakte 'Osiris' met trompettist Eric Vloeimans, pianist Marc van Roon, bassist Paul Berner en drummer Owen Hart, Jr. Vloeimans en Van Roon zijn relatief jonge jazzmusici van conservatieve snit. De eerste weet daar met enige regelmaat aan te ontstijgen en is ook hier in optima conservatieve forma. Berner en Hart, Jr. ken ik niet. Dat zal aan mij liggen, nu ik de laatste jaren de echte jazz zo veel mogelijk links heb laten liggen. Aan de andere kant geven hun bijdragen aan 'Osiris' mij niet het idee dat ik veel gemist heb en dat ik hun spel vaker moet horen. Het ergste is, dat dat laatste eigenlijk voor iedereen op dit schijfje geldt. Moore is nog steeds een god op de klarinet en basklarinet en een superbe altsaxofonist. Maar zijn spel mag dan nog zo gaaf zijn, als de directe omgeving, in casu de meeste composities op deze cd (alle van Moore’s hand) en het voorspelbare spel van zijn begeleiders, daartoe geen aanleiding geven, belandt deze cd snel op de stapel nooit meer naar luisteren en het liefst zo snel mogelijk vergeten. (www.ramboyrecordings.com)(kpo)
   
Mountain Goats
Get Lonely
(4AD/BEGGARS)
Eenzaamheid is een weinig inspirerend thema. Dat is de spijtige conclusie na 45 minuten in het (excusez le mot) gezelschap van 'Get lonely'. Laat niemand aan de oprechtheid van onze spijt twijfelen: we dragen berggeit John Darnielle een erg warm hart toe. 'Sweden' (1995) was een lofiklassieker die ons in een vervlogen verleden al eens krakend overeind hielp te houden. Na het beresterke 'Tallahassee' (2002) en het zware maar krachtige 'The Sunset Tree' (2005) riepen we Darnielle uit tot 'misschien wel sterkste songschrijver van zijn generatie'. Het voorbehoud was te wijten aan het middelmatige intermezzo 'We Shall All Be Healed' (2004). Maar goed, iemand met meer albums dan de doorsnee groep nummers telt, vergeef je na een hit al eens een miss. 'Woke up new', het nummer dat als smaakmakertje de webwereld werd ingestuurd, deed nochtans het beste verhopen: een door strijkers gedragen up-tempo nummer over de naweeën van een relatiebreuk, met Darnielle tekstueel in topvorm. Niet dat 'Get lonely' voorts helemaal zonder verdienste is. De arrangementen zijn subtiel en de gastmuzikanten vormen een aangename, zij het vaak wat te jazzy en steriele aanvulling op Darnielles eerder beperkte muzikale bereik. Maar de plaat is sloom, mist drive en Darnielle is simpelweg niet op zijn best. 'Un homme seul est en mauvaise compagnie', wist een of andere Franse smartass al. En beklijvende beschouwingen levert het blijkbaar ook niet op.(gt)
   

Marko Nastic & Billy Nasty
Bordel EP
(EARRESISTIBLE MUSICK/INTERGROOVE)
Umek
I Am Ready EP
(ASTRODISCO/INTERGROOVE)
Joey Beltram, Gennarro Rossi & DJ Veztax
Convicts Revenge EP
(WETMUSIK/INTERGROOVE)
Techno komt in velerlei gedaantes, uit alle hoeken en gaten. Zo brengt het Sloveense Earresistible Musick de techno van de Sloveense helden Umek en Marko Nastic aan de man. De laatste heeft op de ‘Bordel EP’ de handen ineengeslagen met Billy Nasty voor twee zeer degelijke technobeukers. Umek gunt Astrodisco deze keer de eer zijn 12" uit te brengen. Een melodische kruising tussen electro, techno en in de verte misschien zelfs wat eurohouse. Een paar centimeter over het cheesy randje wat ons betreft. Het mooiste vuurwerk wordt afgestoken door oudgediende Joey Beltram die wederom zonder enige nuance, wat moet je er ook mee, een nummer van Gennarro Rossi bewerkt. Die mag daarna zijn kunnen laten horen en op de vleugels van Beltram slaagt hij daar met vlag en wimpel voor. DJ Veztax bouwt het feestje af op deze EP, de meest geslaagde van de genoemde drie.(avdh)
   
New Niks
Penguin Village
(NO CAN DO MUSIC/TOONDIST)
New Niks is de nieuwe formatie van slagwerker Arend Niks. Eerder timmerde Niks met de groep Niks aan de weg van de nieuwe jazz. New Niks is daarvan een licht elektrische versie. Op de eerste New Niks-cd ‘Penguin Village’ bespeelt Erwin Hoorweg een elektrische piano en Andreas Suntrop een elektrische gitaar. Niks beperkt zich tot het drumstel en Jasper le Clercq voegt aan het geheel de akoestische geluiden toe van zijn viool. De vraag rijst: is er behalve de wisselende bezetting ook echt wat veranderd? Eigenlijk niet. Schokkende zaken gebeuren er op dit schijfje niet. Alle elektrieke elementen ten spijt, en enkele echte elektrieke momenten daargelaten, is het overwegend een tamelijk akoestische aangelegenheid. Met als resultaat dat ik er niet echt warm van word. Wat dat betreft is New Niks een goed voorbeeld van wat ik elders in dit blad heb omschreven als de degelijke, maar saaie muziek die de beginjaren van deze eeuw voor nieuwe jazz doorgaat.(kpo)
   
Northwinds
Chimeres
(BLACK WIDOW/CLEAR SPOT)
Northwinds is een wisselend gezelschap Parijse dopeheads dat al jaren aan een heel eigenzinnige stonerweg timmert. Als basis neemt de band vooral de ingetogen, trage en rustiger kant van Black Sabbath als uitgangspunt. Daar blijft het echter niet bij, want aan dat overbekende geluid voegt Northwinds progressieve rock en Keltische folk toe. Ze graven diep in de magie en de occulte geschiedenis, met een voorkeur voor alles wat met de god Pan heeft te maken. De dreiging van duistere, nauwelijks toegankelijke wouden weet de band heel goed naar muziek om te zetten. Sombere Middeleeuws aandoende doom zei onze tafelgenote, ietwat bombastisch en net even anders voegden we er zelf aan toe. De teksten worden afwisselend in het Engels en het Frans gebracht en in beide talen weten de heren hun heksenweg te vinden. Een drietal covers verraden door welke bands Northwinds werd beïnvloed: Witchfynder General (‘Friends Of Hell’), Ange (‘Le Soir Du Diable’) en Hawkwind (‘Dragon And Fables’), en voeg daar ook maar die rukkers van Uriah Heep aan toe. De bijgeleverde DVD bevat drie tracks. Twee pover opgenomen livenummers uit heel verschillende tijden (1995 en 2004) en de behoorlijk statische videoclip die werd gemaakt voor ‘Winds Of Sorrow’, een nummer dat ook op de cd is terug te vinden. (www.blackwidow.it)(pb)
   
Outburst
Fair And Balanced
(OVERFIEND/ROCK INC)
Vijf trashers uit Tilburg tonen aan dat vele tegenslagen nog steeds niet inhouden dat ze hun debuut niet én boeiend kunnen maken én het nog uitbrengen ook. De opnames voor onderhavige plaat werden namelijk reeds in 2004 ingeblikt. De band werd toen getekend door het inmiddels failliet verklaarde Griekse label Black Lotus, maar hier is de plaat uiteindelijk dan toch. En gelijk hebben de vijf heren dat ze er alles aan hebben gedaan om dit geslaagd trashplaatje wereldkundig te maken. Jochem Jacobs (Textures) zette de sound van Outburst moddervet op de band Tjerk Maas, brulboei van dienst en tevens gastzanger op de vorig jaar verschenen plaat ‘Anomalies’ van Cephalic Carnage, trekt het strak spelende combo op gang en houdt de vaart er goed in, een bandleider waardig. Op ‘What The Eyes See’ komt Leonard Leal zijn ruilplicht vervullen en ook Textures-frontman Eric Kalsbeek brult een tandje mee, maar dan op de track ‘Attack Of The Overfiend’. De inventieve riffs vliegen ons in de negen nummers (intro en outro niet meegerekend) om de oren, Tjerk etaleert een ruim vocaal palet en de drums houden de groep lekker strak. Outburst speelde reeds supports voor Testament, The Haunted en Death Angel en doet qua geluid en kracht nauwelijks onder voor voornoemde trashgrootheden, wat zeker niet elke band in dit metalsegment kan zeggen. Haarzwierplaat van het moment. (www.outburstmetal.nl)(pb)
   
Prima Donkey
Prima Donkey's Rythme Exotique
(RADIKAL DUKE ENTERTAINMENT/AB)
Prima Donkey zet de Antwerpse – ‘we speelden dan wel al in zeven groepen, maar het zijn toffe gasten die het vroegen en er was een krat bier, dus hey, nu spelen we d’r in acht’ – traditie voort. De groep is opgebouwd rond de kern van Donkey Diesel en bestaat verder uit tweederde Lais , drievijfde Anarchistische Abendunterhaltung , één Rudy Trouvé en één Geert Waegeman . Goed volk, moeder! Europeana, zo noemen ze het zelf, en da’s slim, want op ‘Rythme Exotique’ wordt met Oostblok-schmerzen, subtiele feedbacktapijten, swingbas en twang-gitaren gejongleerd alsof het de normaalste zaak ter wereld is. Ook qua strotwerk is diversiteit troef: Gunter Nagels munt uit in onmiskenbaar op Tom Waits geïnspireerd vocaal stuntwerk, Trouvé is zijn normale understated zelve en de dames Lais ruilen – bijvoorbeeld op ‘That’s it’ van opper-Seatsniffer Walter Broes – de folkmaniertjes in voor een zeer lekkere Southern snik. We stellen er ons graag – handen boven het beddegoed! - de cowboy-kostuumpjes bij voor. Naast een aantal nieuwe composities, bevat ‘Rythme Exotique’ vooral inventieve covers: nieuwe interpretaties van ‘eigen’ werk (Donkey Diesel, Gore Slut, DAAU, Kiss My Jazz), maar net zo goed vergrijpen de Donkeys zich aan Lumidee , Ministry en – daar gààt het laatste taboe – Kim Kay (in welke tearoom zou zij overigens serveren, vandaag?). Een paar huisfavorieten? Wel: niet alleen is ‘Heaven or Helsinki’ een bijzonder puik nummer dat zo op de soundtrack van Night on Earth had gekund, het bevat bovendien ook nog eens onze favoriete stofzuigergitaar van de nazomer. En ‘Double Hearted Girl’ is – gedragen door een opgewekt gitaar/saxofoon/klarinet-motiefje en stuwende contrabas – een zoet liefdeslied met nu eens Nagels, dan weer Jorunn Bauweraerts en Nathalie Delcroix op vocal duties: zeer mooi, maar – ook al geeft de tekst geen uitsluitsel (‘a lovely little story, a lovely little song (...) she was nature’s way of saying what no man could’) - we verwedden er drie tenen op (we blijven ons geluk niet pushen wat betreft vingers) dat het weer ‘ns totaal fout afliep. Favoriet drie, ‘Trash’ – bij Kiss My Jazz een goeie schets – wordt hier, met goed geplaatste papapaperdapapa’s en Waegeman’s theremin, in een bijzonder stijlvol kamerjasje gehesen. Echt sléchte nummers bevat ‘Rythme Exotique’ niét, maar ‘Gypsy Solitaire’ had met nochtans maar 3’45” minstens de helft korter gemogen en wat Prima Donkey aanvangt met Ministry’s ‘Jesus Built My Hotrod’ steunt té zeer op de gimmick om langer dan twee luisterbeurten mee te gaan. Het afsluitende ‘Elephant’ start weliswaar òòk zwak, maar tekent naar het einde toe – wanneer Buni Lenski en Geert Waegeman een venijnig duel aangaan op viool en theremin, en Bauweraerts en Delcroix het op een heerlijk vals kraaien zetten – wél voor het absolute hoogtepunt van deze plaat. We hadden graag afgesloten met een kanjer van een conclusie, maar die zult u zelf moeten trekken: deze recensie is al véél te lang. (www.donkeydiesel.be)(sb)
   
Red Sparowes - Made Out Of Babies - Battle Of Mice
Triad
(NEUROT/BANGDISTRIBUTION)
Een EP met telkens twee nummers van drie groepen. Het is weer eens iets anders. De verwarring wordt nog een beetje groter want Battle of Mice is de samenwerking tussen Julie Christmas van Made Out Of Babies en Josh Graham van Red Sparowes. Dit partnerschap is trouwens niet louter professioneel. Van Battle Of Mice komt binnenkort een plaat uit. Op deze plaat wordt de moeilijke relatie tussen Christmas en Graham ontleedt. Een voorproefje krijgen we hier al. Met een hoofdrol voor de schreeuwende stem van Christmas. Liefde is voor haar vechten. Vechten tot je alles en iedereen omver hebt geblazen met de klank die je stem voortbrengt. De muzikale ondertoon is gekenmerkt door het wilde gitaarspel van Graham. Net als de nummers van Battle Of Mice komen die van Made Out Of Babies uit een nog te verschijnen plaat. De nummers van Red Sparowes, Neurot’s Finest, zijn daarentegen oude bekenden, maar komen hier in een liveversie. We krijgen de bekende ingrediënten. Knallende drums, gespannen gitaren en gelaagde songstructuren. Ach ja, een EP die vooral een promo-instrument is dus. Maar wel mooi artwork van Seldon Hunt. (www.neurotrecordings.com)(mt)
   
Sandro Perri
Plays Polmo Polpo
(CONSTELLATION/BANGDISTRIBUTION)
Sandro Perri is Polmo Polpo, hij speelt het niet alleen. Sandro Perri is ook de helft van Glissandro 70, een andere band uit de Constellation-stal. De nummers op deze EP zijn een weerslag van de opnames die in de periode 2004-2006 werden gemaakt bij concerten die hij gaf in en rond Toronto. Concerten solo of met kleine bezettingen. In het openingsnummer “Romeo Heart (Slight Return)” zijn echter een negental mensen uit de improv-scène van Toronto aan de slag gegaan om dit nummer compleet te herinterpreteren. Ze proberen de originele melodie te bewerken en stoppen ze in een nieuw kleedje. Vanaf het tweede nummer duikt er hier en daar zang op. Ietwat onwennig zoekt de stem van Perri naar de uitgang in een nummer volgestopt met allerlei bizarre elektronische en andere geluiden. We horen vervormde gitaren en pulserende elektronica. Er wordt gezocht naar nieuwe melodielijnen. Een zoektocht die met vallen en opstaan verloopt. Onze favoriet op de plaat is “Circles”. Een nummer dat drijft op een ontstemde akoestische gitaar en de stem van Perri. Kan iemand ons helpen. We zoeken een uitweg uit de vicieuze cirkel waar we in zitten. Iemand ? (www.cstrecords.com)(mt)
   
Scissors For Lefty
Underhanded Romance
(ROUGH TRADE/KONKURRENT)
Al van de eerste noot is duidelijk waar deze band te situeren valt: Groot-Brittannië. Scissors For Lefty lijkt een duidelijke britpopexploot. Meteen duiken heel wat referenties op: Franz Ferdinand, Arctic Monkeys en noem maar op. Eigenaardig genoeg komt deze band helemaal niet uit Groot-Brittannië, maar uit Californië en hebben ze weinig te zien met hun Britse collega’s. Nochtans maakt de band no-nonsense rocknummers gestoeld op powerriffs, met hier en daar een bescheiden gitaarsolo. Toch weet de band zich te onderscheiden van de grijze massa. Door het slimme gebruik van een keyboard tillen ze ieder nummer een niveau hoger. Bovendien blijkt even later dat ze niet enkel sterk zijn in het kneden van mainstream rocksongs, maar dat ze ook enige disco-invloeden implementeren in hun muziek. Meteen is de link naar die andere Britse band, Pulp, ook gelegd. Met het nummer ‘X’s Are Forever’ bewijzen ze dat ze ook een downtempo nummer tot een goed einde kunnen brengen. Een dromerig nummer dat halverwege een uitbarsting kent. Scissors For Lefty voegt weinig tot niets toe aan de hype rond de vele nieuwe rockbandjes, maar weet toch een lekker in het oor liggende plaat te produceren. Een plaat om een opgewekt gevoel bij te krijgen.(hv)
   
Slo-Fi
Slo-Fi's Latest Hits
(ESC.REC.)
Roel Meelkop kennen we van zijn experimenten met THU20 en Mailcop, maar zijn neiging tot het produceren van acid techno was ons minder bekend. Op deze cdr gaat hij tienmaal repetitief loos met zeer dansvloergerichte minimale softwaretechno. Zijn andere interesses (onder andere veldopnames) blijven latent present. De strakke sound en de opzettelijk sobere vormgeving (geen hoes, geen titels) zal zeker in de smaak vallen bij liefhebbers van Goem, een project waar Meelkop trouwens ook een vinger in de pap heeft. (www.escrec.com)(pv)
   
Soiled
Nil By Visual
(ELM LODGE RECORDS/DENSE)
Industrial-light, experimentele donkere techno of heavy IDM? Soiled blijkt weer zo’n project te zijn dat moeilijk in een hokje te duwen is. Doen we hier niet moeilijk over, juichen we zelfs toe. Marcus H is met Soiled echter niet die spannende nieuwe weg ingeslagen die de stijlgrenzen overstijgt. Hij experimenteert met geluiden en ritmes, heeft de sequencer beter onder de duim dan de drummachine en zet soms aardig in maar weet niet altijd goed door te drukken. Met andere woorden, vaak kan de kin tussen duim en wijsvinger worden gevat en geconstateerd dat Soiled interessant klinkt. Dat is een aardige prestatie, maar in het ideale geval grijpt muziek je bij de lurven om je lange tijd niet los te laten. Dat is Soiled met dit werk nog niet gelukt, hoewel hij het wellicht best zou kunnen. (www.soiled.org.uk)(avdh)
   

Starkweather
Croatoan
Ansur
Axiom
(CANDLELIGHT/BERTUS)
Starkweather en Ansur zijn twee bands die elk op hun manier het begrip metal een beetje verder willen oprekken. Starkweather staat voor cult, Ansur zijn jonge honden aan het experimentele metalfront. Starkweather is een band die overal uitgebreid zijn tijd voor neemt. Philadelphia leent zich blijkbaar tot sloomheid. Het vorige album van de band, ‘Into The Wire’, dateert immers al van 1995! De meeste muziekliefhebbers zullen Starkweather dan ook al lang in een vergeetputje hebben zitten. Hun nieuwe splinterbom verscheen vorig jaar reeds op het fijne Hypertenion, maar hier is nu ook de cd-release. En daar zijn we potdikke blij mee. Een ongelooflijke pot agressieve herrie met diversiteit in de sound en zang als motto. Starkweather wordt beschouwd als de grondlegger van de metalcore, samen met Rorschach, en ze hebben doorheen de jaren niets aan brute eigenwijsheid ingeboet. De band klinkt nog net zo manisch en onconventioneel als in hun eerste jaren (ze begonnen eraan in 1990) en worden door bands als Dillinger Escape Plan, Converge en Cryptopsy als godfathers van het genre beschouwd. En ze hebben zwaar gelijk. Miljaar, dit een vette plaat zeg. Zeer maf vinden we de zang, die in nummers als ‘Taming Leeches With Fire’ wat mee heeft van de vroegste exploten van Virgin Prunes, al zullen de heren allicht nog nooit van die superband hebben gehoord. Perfectionistisch tot in hun kleinste botjes hebben ze ook dit keer weer alles uit de kast gehaald. Geproduceerd door Pierre Remillard (Cryptopsy), hoesontwerp van Paul Romani (ook Mastodon, Godflesh) en met gasten als Liam Wilson (Dillinger Escape Plan) en Jim Winters (Earth Crisis, Trumoil) laat de band niets aan het toeval over. Experimentele hardcore is eigenlijk een veel betere term dan het nauwe metalcorehokje. Zo avontuurlijk als Croatoan hadden we onze portie hardcore alweer een tijdje niet meer gehoord. Noors zijn ze, de mannen van Ansur, en hun eerste volwaardige album is er meteen eentje om in te kisten. Ze evolueerden door de jaren heen van een trio dat black metal speelde tot een kwartet dat wel nog invloeden van black heeft, maar net zo goed sludge, doom, metalcore, math en doommetal in zijn geluid gooit. Het lijkt een chaos maar is het nooit. De band neemt dan ook uitgebreid de tijd om zijn nummers uit te bouwen. Zes nummers in net geen drie kwartier, en er gebeurt zoveel in elk nummer dat het amper is bij te houden. Hondsbrutaal, dat is zeker en het chronologisch evoluerende verhaal doorheen de zes nummers helpt mee om de donkere tinten die het album uitstraalt nog van net iets meer kleur te ontdoen. De zang is zwaar vervormd en past daarmee perfect in het muzikale plaatje. Elke poging tot cleane zang zou de doodssteek hebben betekend voor ‘Axiom’. Mysterieus, verslavend, complex en hallucinaties opwekkend, alles in één Ansur. (www.holyterror.com/starkweather - www.ansursite.com - www.candlelightrecords.co.uk)(pb)
   

Surface 10
Surface Tensions
(DIN/GROOVE UNLIMITED)
Gagarin
Ard Nev
(GEO/LOWLANDS/KONKURRENT)
Voer voor de eclectische electronics-fijnproever. Dean de Benedictis experimenteert op z'n tweede album als Surface 10 met jazz, IDM, licht klassiek, ambient en vooral toverachtige melodieën, die plotseling vanuit het niets opduiken en de nummers fraai laten uitwaaieren. Vocale samples worden sporadisch gebruikt maar maken het geheel enkel nog bevreemdender en bijwijlen zelfs spooky. Zo wordt 'Days of Lovely Statistics' ingekleurd door een bezwerende opsomming van wiskundige berekeningen. 'Surface Tensions' zit boordevol details, maar de mood blijft downtempo gericht en laat een licht-psychotische indruk na. Het debuut van Surface 10 dateert reeds uit 2000, dit album klinkt in ieder geval als een werk van lange adem. Uitgebracht in beperkte oplage, de muzikale avonturier weet genoeg. Achter Gagarin gaat Graham Dowdall schuil, een bezig baasje op muzikaal gebied. Hij produceert schuifelende elektronica, ingevuld met broken beats, brommende bastonen en zweverige sonische golven. In dat schemergebied zijn tegenwoordig wel heel wat slaapkamer-knutselaars actief, maar door te werken met elkaar overlappende en inschuivende lagen blijft de spanning erin. De geluiden die hij uit z'n laptop tovert, zijn an sich niet erg bijzonder te noemen, maar qua compositie, variatie en ritmiek zitten de tracks gedegen in mekaar. (www.surface10.net - www.gagarin.org.uk)(lm)
   
The Tango Saloon
The Tango Saloon
(IPECAC/BANGDISTRIBUTION)
Australische avant-garde muzikanten maken een tangoplaat en wat voor één ! The Tango Saloon is ontsproten aan het brein van Julian Curwin die rond zich een vijftiental muzikanten verzamelde uit groepen als Monsieur Camembert, Darth Vegas en Mr. Bungle. Een plaat die het moet hebben van respect voor de traditionele tangomuziek en tegelijk voldoende ironische knipogen bevat om het leuk te houden. Die knipogen worden al snel duidelijk bij de openingstrack “Ouverture”. Traditionele tango die net op het randje van de goede smaak balanceert. En The Tango Saloon houdt deze balans goed op de rest van deze plaat. In het enige gezongen nummer “Libertango” is de tekst letterlijk gepikt van “I’ve Seen That Face Before” van Grace Jones. Knipogen, we hebben het gezegd. Het moet niet altijd donker zijn in ons hoofd, er mag ook eens gelachen worden en dat kunnen we hiermee wel. Een plaat die ergens zweeft tussen tango en de filmmuziek van Ennio Morricone. Ideaal voor een mooie nazomeravond. Jammer genoeg zullen we deze plaat niet vaak horen wanneer we weer eens een loungebar voorbijlopen waar ze naar ons gevoel altijd een soort van tango-light draaien. Dit in plaats van het echte spul. Op weg naar onze favoriete saloon bedenken we echter dat dit misschien niet meer dan een gimmick is. Of het meer dan een gimmick is, dat zullen we moeten afwachten. (members.optusnet.com.au/~germtheory/tango.html)(mt)
   
Various Artists
My Definition! - Nightmares On Wax
(APACE MUSIC/ROUGH TRADE)
Met veel grote woorden wordt een nieuwe verzamel-cd op ons losgelaten, die naar eigen zeggen heel vernieuwend zou zijn. 'My Definition' wil met artiesten uit verschillende genres hun muzikale achtergrond verkennen en hen daarbij volledige creatieve controle geven. Right... Wie de, overigens heel sterke, 'Life:Styles'-serie kent, weet dat 'My Definition' niet zo grensverleggend is als ze zelf geloven, maar dat neemt niet weg dat George Evelyn, alias dj E.A.S.E., alias Nightmares On Wax, een rustig kabbelende verzamelaar heeft samengesteld. Zoals te verwachten gaat het van funk over hiphop naar soul, maar behalve een paar uitschieters zijn er toch weinig verrassingen te vinden. Voer voor de fans. (www.nightmaresonwax.com)(ft)
   

Various Artists
Cooperative Music Vol. 2
(COOPERATIVE MUSIC/COOPERATIVE MUSIC)
Collection Eté 2006
(FARGO RECORDS/PIAS)
Twee uiteenlopende verzamelaars kwamen onze richting uit op de laatste CD-verdeling in Gonzo HQ. Een eerste verzamelaar was van het franse label Fargo Records dat zich specialiseert in Amerikaanse indiepop. Op deze dubbelaar “Collection Eté 2006” verzamelen ze classics van artiesten uit hun stal en nummers van platen die er binnenkort aankomen. Je vindt onder andere tracks van de Great Lake Swimmers, singer-songwriter Clem Snide, de aan Gram Parsons herinnerende Neal Casal en zo veel meer. Soms ook goed gekozen nummers, want “Commercial” van The Holy Ghost is echt wel het beste nummer van deze groep. Volgend jaar, als het niet sneller is, is deze verzamelaar waarschijnlijk te vinden in de afprijsbakken. Tja, de nieuwe collectie, mijnheer ! Maar nu geeft hij een goede dwarsdoorsnede van waar Fargo Records voor staat. De tweede was van Cooperative Music. Een koepel die een heleboel kleine independents verenigt. Samen staan ze sterker. Hierop kan je o.a. het zomerhitje “Young Folks” van Peter Bjorn And John vinden naast nummers van uiteenlopende groepen van The Knife over The Album Leaf tot Midlake. Op het tweede schijfje vind je een twintigtal clips van o.a. de reeds genoemde groepen. Clips die aantonen dat er wel nog mooie, grappige of gewoon spannende clips worden gemaakt. Schitterend promomateriaal toch dit soort verzamelaars, maar waarde op lange termijn zoals vaak te verwaarlozen. (www.cooperativemusic.com - www.fargorecords.com)(mt)
   
Wednesday 13
Fang Bang
(RYKODISC)
Het toeval wil dat we net de dvd ‘Roadrage’als achtergrondbeeld- annex –geluid hebben bekeken en beluisterd en we daar Murderdolls hun song ‘Dead In Hollywood’ zagen uitvoeren. Geeneens echt heavy muziek maar die mannen maar volledig uit hun dak gaan. Hun uiterlijk past nauwelijks bij de doodbrave heavy rock die ze spelen. Shockerend moest dat zijn, amehoela. En dat is ook het euvel waar de tweede plaat van vroegere Murder Doll Wednesday 13 aan lijdt. Dat was al zo op zijn solodebuut ‘Transylvania 90210’ uit 2005 en er is geen zier veranderd. Doordeweekse horrormetal, zoals het genre waarin hij zich profileert heet, terugkerend naar zijn jaren bij Frankenstein Drag Queens maar eigenlijk gewoon pogend degelijke punkrock te spelen. Proberend, jazeker. Geef ons maar Electric Frankenstein om in de monsters te blijven. Ik denk dat mijn parkiet wel geshockeerd was door deze plaat, want die begon te krijsen van armoede. Dat beest is dan ook niet gewend dergelijke muzikale doordeweeksheid te verteren.(pb)
   
Wunmi
A.L.A.
(DOCUMENTED/ROUGH TRADE)
Wunmi werd geboren in Londen maar groeide op in Nigeria. Op haar 14e keerde ze terug naar haar geboortestad, maar voelde er zich een outsider. Ze werd styliste en danseres en liet zich voor het eerst opmerken in de videoclip van Soul II Soul's 'Back To Life' (voor wie het zich kan herinneren: zij was het slanke silhouet met de lange dreadlocks). Algauw werd ze een icoon van de Londense underground clubcultuur. Ze bleef veel reizen en kwam in New York in contact met Masters At Work. Met hen nam ze de klassieke singles 'M.A.W. Expensive' (een Fela Kuti cover) en 'Ekabo' op, die de blauwdruk waren voor de afrohouse van mensen als Joe Clausell en Osunlade, met wie ze ook in de studio zat. Ook Bugz In The Attic ('Zombie', hun bijdrage aan 'Red Hot & Riot'), King Britt en Truby Trio brachten nummers op smaak met haar sterke zangtalent. 'A.L.A.', wat staat voor African Living Abroad, is haar debuutalbum. Ze werkt daarop opnieuw samen met oa. Truby Trio, Pasta Boys en Seiji van de Bugz. Het zal de luisteraar niet verbazen dat ze ons vooral afrobeat voorschotelt. 'Greedy Body' en de jazzy titelsong werken zeker aanstekelijk, maar andere nummers tappen iets teveel uit hetzelfde vaatje. Halfweg vinden we twee rustiger nummers die doen denken aan Zap Mama, maar de reggaecover van 'Message In A Bottle' is totaal overbodig. 'Left 2 Right' is wel goed, maar Seiji valt te opvallend in herhaling in 'Good Foot Charlie'. Wunmi moet niemand meer overtuigen dat ze kan zingen, maar blijkt toch niet in staat om een overtuigend album af te leveren. (www.myspace.com/wunmigirl)(ft)

EXTRA REVIEWS GONZO #76
Veel meer reviews zijn te vinden in Gonzo #76

4T4
Fortification
(FORMAT/LOWLANDS)
De Vlaamse producer 4T4, vooral bekend van zijn rol bij 't Hof van Commerce en Ultrasonic 7, presenteert met 'Fortification' de eerste echte soloplaat onder zijn eigen naam. Loop niet vooruit: op deze cd geen moddervette souldance zoals destijds met Ultrasonic 7. Dat recept, in het begin fris klinkend, verloor na een paar singles veel van zijn oorspronkelijke glans. De sluwe 4T4 zag dat op tijd in en laat dan ook op één liedje na ('Split') het afgesloten hoofdstuk achter zich. Niet dat 'Fortification' een volledig andere weg inslaat; integendeel, 4T4 brengt een uitgekiende combinatie van poppy disco, soul en house aan de man. De langspeler schiet met haar radiovriendelijke genrecombinaties tekort om een trendsetter in het danswereldje te zijn, wat niet weg dat de tracks uitermate professioneel in elkaar zitten - de stuwende funky disco van 'It's Just Begin' (inclusief lekker dissonante gitaarsolo!) en het rustiger 'Everything Can Wait' vallen daarbij in positieve zin op. De vocale hulppartijen van Gabriel Rios en (meest overschatte muzikant te lande) Arno vormen helaas slechts een flinterdun commercieel schaamlapje om de verkoop aan te zwengelen: zulke trucs doen afbreuk aan de opzet van het geheel. Degelijke amusementsmuziek, vakkundig geproduced, doch wel niet essentieel. (www.dj4t4.com)(jv)
   
Gunter Adler
Hallo Herr Adler,Ich Hab Sie Im Fernsehen Gesehen. Es Hat Mir Gut Gefallen
(GAGARIN RECORDS/A-MUSIK)
Vrouwen die hun gezicht moeten scheren, het fenomeen is ons al langer bekend. Op een bedje van kinderlijk eenvoudige elektronica (denk: Anne Laplantine) en subtiele geluidsexperimentjes, draagt Adler (alias Jyrgen Hall en Groenland Orchester) deze 12inch op aan zijn badende groupies uit de Moulin Rouge. Kernwoorden zijn zwarte latex, humor, blauwe vrouwen en frottage. Hoogtepunt 'Keine Komplizen' kan enkele potten (Martiniglazen) breken in de minimale electroscene. De rest is amusement voor mensen die regelmatig badschuimpiramides op hun hoofd bouwen. (www.gagarinrecords.com)(pv)


   

Alog
Islands Of Memory
Larytta
Larytta
(CREAKED RECORDS/(EIGEN BEHEER))
In het noorden van Europa wordt er wel heel makkelijk naar de golvende melodielijn gegrepen. De hoogvliegers in dit genre hebben een prachtige standaard gezet, maar als streekgenoot wil je dan toch ook origineel uit de Scandinavische hoek komen, toch? Bij de Noren van Alog lukt dat wat onze mening betreft niet. Espen Sommer Eide en Dag-Are Haugan kunnen sommige luisteraars goed bekoren met hun combinaties van verschillende elektronische stijlen, deze luisteraar is daar niet van overtuigd. De glooiende melodiehellingen zijn nog tot daar aan toe, maar met de rommelige songstructuren diskwalificeert dit Noorse duo zich voor een positief oordeel. Hun Zwitserse labelgenoten zijn meer van het bouwen. Christian Pahud en Guy Meldem stapelen stukjes muziek op elkaar om zo elektronica tegen pop te laten schuren. Daartoe worden de meest uiteenlopende loopjes gebruikt. Een omschrijving die doet denken aan Jason Forrest, die zijn popliefde serieuzer neemt dan de Zwitsers. Voor Larytta lijkt deze richting te veel een speeltje om te overtuigen. (www.creakedrecords.com)(avdh)
   
Amusement Parks On Fire
Out Of The Angeles
(COOP/V2)
Michael Feericks vorig jaar verschenen debuut maakte indruk, de twintiger nam alles in zijn eentje op. Van zang tot gitaar en van keyboards tot drums. Het leverde een op momenten stomende plaat op met overduidelijke referenties naar de wat hardere shoegaze van Chapterhouse, Yo La Tengo-lese noisepop en in de verte de hard-zacht dynamiek van Mogwai. De Britse pers schalde massaal de loftrompetten en Feerick besloot het ijzer te smeden wanneer het heet is; amper een jaar later ligt ‘Out Of The Angeles’ te snakken naar nog een ronde luid schallend koper. Fans van het eerste uur kunnen tevreden zijn want ‘Out Of The Angeles’ is vooral veel van hetzelfde. Het is duidelijk dat Feerick zijn jaren 1990 shoegaze verzameling koestert en ook hier galmen de gitaren weer continu de oneindigheid in. Dat hij nog steeds niet kan zingen valt steeds minder op in die maalstroom van gitaar en drums. Live is dat een stuk pijnlijker. Het is wel jammer dat hij al die oude trucs steeds herhaalt en met niks nieuws komt, je zou zeggen dat we, sinds shoegaze weer verdween in de mist van de fantasie, er tijd genoeg was om een hoop nieuwe inspiratie op te doen en behalve wat instrumentale, klassiek getinte tussendoortjes (‘At Last the Night’ en ‘So Mote It Be’) is ‘Out Of The Angeles’ te middelmatig om die loftrompetten op deze plek van stal te halen. (www.amusementparksonfire.com/)(joh)
   
Apocalyptica
Amplified. A Decade Of Reinventing The Cello
(UNIVERSAL)
Het Finse Apocalyptica, ooit begonnen als hobbyproject van vier cellostudenten van de Sibelius Academie in Helsinki, bestaat tien jaar en dat dient met verve te worden gevierd. Niemand had de heren ooit kunnen voorspellen dat hun initiële adoratie voor Metallica en het erbij horende debuutalbum ‘Apocalyptica Plays Metallica By Four Cellos’ zou resulteren in verkoopsucces en uitverkochte zalen. Het debuut ging niet alleen meer dan één miljoen keer over de toonbank, de erna volgende platen lieten een band horen die stilaan weg evolueerde van de initieel gebrachte metalcovers naar een eigen geluid met zelf gecomponeerde nummers, waarin plaats werd gemaakt voor drums en vandaag de dag zelfs zanglijnen. Een paar bezettingswissels niet te na gesproken, blijft de basis van de band natuurlijk de cello, maar wie zou de hulp van een superdrummer als Dave Lombardo niet in zijn voordeel ombuigen? De feestplaat is een dubbel-cd geworden, waarop schijf één de instrumentale carrière van de band behelst. Geen stem te horen, wel een aantal klassieke Metallica-covers (‘Enter Sandman’, ‘Master Of Puppets’), maar ook eigen composities, met of zonder drums. Het leuke is dat die eigen tracks kwalitatief evenwaardig zijn aan de vroege klassiekers van de band. Alle platen worden aangedaan, dus we horen nummers van ‘Inquisition Symphony’, ‘Cult’, ‘Apocalyptica’ en ‘Reflections’ en één eerder onuitgebracht nummer, een geniale cover van ‘Angel Of Death’. Op het tweede schijfje is het de beurt aan acht nummers met gastzangers. Één onuitgegeven track (met Max Cavalera) naast zeven nummers die op platen als ‘Reflections Revised’ of de speciale editie van ‘Cult’ stonden. Op afsluiter ‘Seemann’ na, waarin oudtante Nina Hagen nog eens van zich laat horen, zeggen deze nummers ons weinig tot niets. De diverse stemmen voegen weinig toe aan de originele nummers, integendeel, de zang maakt de tracks doordeweeks, gewoontjes, mediocre en eigenlijk gewoon slap.(pb)
   
Aranis
Untitled
(EIGEN BEHEER/LOWLANDS)
Een Antwerps zevental met wortels in Troissoeur gebruikt klassieke instrumenten (piano, viool, contrabas en dwarsfluit), gitaar en accordeon om te komen tot een moderne mix van klassiek, minimalisme (Philip Glass is nooit ver uit de buurt) en folk. De stukken lijken droefgeestig te beginnen, maar ontploffen na verloop van tijd in wervelende volksmuziek. Wanneer er gezongen wordt, gebeurt dit in een zelfontworpen fonetisch taaltje (gedenk Urban Trad). Ondanks dit dubieus vergelijkingsmateriaal kan het vakmanschap en de compositorische kracht van deze cd (knap gemastered door Daniël B. van Front 242) ons overtuigen om Aranis verder in de gaten te houden. In een eerlijke wereld zou dit debuut een brug kunnen slaan tussen de traditionele klassieke muziek en de meer avontuurlijke (maar vaak technisch minder vaardige) neoklassieke folkprojecten uit de muzikale ondergrond. (www.aranis.be)(pv)
   

Birds Of Prey
Weight Of The Wound
(RELAPSE/SUBURBAN)
Spawn Of Possession
Noctambulant
(NEUROTIC/BERTUS)
After All
This Violent Decline
Gurd
Bang!
(DOCKYARD 1/ROCK INC)
Birds Of Prey is wat een supergroep zou kunnen worden genoemd. Een hobbyproject ook van een stel stoere binken die hun sporen reeds verdiend hebben met bands als Alabama Thunderpussy, Burnt By The Sun, Discordance Axis, Beaten Back To Pure en zo nog een heel stel. Zeg maar Erik Larson en Dave Witte, aangevuld met enkele minder vooraanstaande figuren. Geen keyboards, geen breakdowns, geen pretentie of onzin, old school death metal zou het worden en dat is het ook. Tien nummers in zesendertig minuten lang. Tot in de titels toe, met als voorbeelden ‘Buttfucked With A Shotgun Barrell’ en ‘The Old Lady Rots’, roept de band de gloriedagen van het genre op. Jammer eigenlijk dat Birds Of Prey door de middelmatige tracks een beetje aan hun doel voorbijschieten. De heren zullen zich wellicht rot geamuseerd hebben, wij jammer genoeg niet echt. De lieflijke klassieke intro die ‘Noctambulant’ van de technische death metal groep Spawn Of Possession opent, zet ons eventjes op het verkeerde been. Maar het Zweedse vijftal ramt er voor de rest van de plaat behoorlijk op los, zonder genade. Bij momenten gaat de pedaal heel diep en vliegen de technisch virtuoos gespeelde riffs ons om de oren, om even nadien tot rustiger passages te evolueren. De diepe grunts van Jonas Renvaktar graven diep in de rocheldeath die de band brengt. Denk daarbij vooral aan het vroege werk van Cannibal Corpse. Pat O’Brien van datzelfde Cannibal Corpse vervult een gastrol en de band toerde in 2004 met Spawn Of Possession in hun kielzog. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de sound een beetje gelijkaardig is geworden. Is dat erg? Neen, door de technisch superieur gebrachte death blijven we schoon tot op het einde van de schijf bij de les. ‘Noctambulant’ is gewoon een schitterende zomerplaat. (www.neurotic-records.com) Het Brugse After All moet het eerder hebben van een stevige portie trashmetal. Snelheid, ijzersterke riffs en melodieuze stukken vormen samen compacte nummers waarbij de zang van Piet Focroul de aandacht weet vast te houden, ook op de momenten dat hij zich aan propere zang waagt. De vijf heren hebben de laatste jaren al heel wat podiumervaring opgedaan tijdens Europese tournees met helden als Overkill, Prong, Anthrax, Candlemass, Destruction en zelfs King Diamond, die allemaal hun invloed hebben gehad op het geluid van After All. Het vele spelen heeft de band zeker geen windeieren gelegd. Technisch zijn ze er een stuk op vooruitgegaan en ook de opbouw van de nummers is prima. De plaat straalt ei zo na een livefeel uit, en dat is een prestatie die wellicht toe te schrijven is aan de productie van Fredril Nordström, die voordien al werkte met In Flames, Soilwork en Arch Enemy. Het Zwitserse Gurd is inmiddels al aan zijn achtste cd toe. Ook nu weer slagen ze er niet in om echt brokken te maken, al zit het merendeel van de nummers best goed in elkaar en horen we slechts snuifjes nu-metal doorheen een anders lekker potje stevige metal die soms wat weg heeft van Prong in zijn latere periode of nog Machinehead. Vooral op de eerste helft van de plaat wordt er bezield gemusiceerd door het kwartet, waarna de boel helemaal in elkaar zakt. Daar doet een volledig overbodige cover van Black Sabbath-klassieker ‘Children Of The Grave’ natuurlijk ook geen goed aan. Het instrumentaaltje ‘The Prelude’ gaat vooraf aan de goed doorraggende afsluiter ‘The Storm’ die het eerder van death metal moet hebben. De pose die de vier heren echter op de bandfoto aannemen, als Queen ten tijde van ‘Bohemian Rapsody’ doet onze wenkbrauwen fronsen. Dergelijke pretentie hadden we niet van dit kwartet verwacht, zeker gezien een al bij al toch behoorlijk zwakke nieuwe plaat. (www.dockyard1.com)(pb)
   
Botanica
Berlin Hi-Fi
(RENT A DOG/LOWLANDS)
Te plaatsen onder de noemer beklijvend en je op de huid zittend tot de laatste seconde: 'Berlin Hi-Fi' van Botanica. Niet alleen de stem van zanger Paul Wallisch is beklijvend, ook de zweverige gitaren zitten perfect. De band toerde uitvoerig in het voorprogramma van Madrugada en dat hoor je er wel