Blog

Actuele artikelen, interviews, opinies, festival- en concertverslagen & MEER.

Lloyd Cole, inderdaad, de Britse singersongwriter die samen met zijn Locomotions hitjes scoorde met onder meer ‘Rattlesnakes’ en ‘Perfect Skin’, bracht in 2013 het album ‘Selected Studies Vol. 1’ uit op Bureau B. Het was een samenwerking met Hans-Joachim Roedelius die een zeer geslaagd resultaat opleverde. Cole was al enkele jaren solo heel actief op het gebied van elektronische muziek. Zijn grote voorbeeld bleek Roedelius te zijn, waardoor hij deze samenwerking niet licht opvatte. Alvorens het opnemen van de plaat aan te vatten, maakte Cole heel wat meer muziek die nog niet eerder in welke vorm dan ook is verschenen. Het label vroeg hem echter om in de ongebruikte stukken te grasduinen, die allemaal gecreëerd zijn zonder gebruik te maken van keyboards, piano of computers. Die laatste werden uiteraard wel gebruikt voor het opnemen van de elektronische geluiden die Cole via het manipuleren van allerlei circuits in elkaar wist te knutselen. Elf stuks, soms wat ingekort, die soms helemaal op zichzelf staan en hier en daar duidelijk werden gemaakt met het oog op de inbreng van de Duitse grootmeester. De stukken klinken speels, ingetogen en inventief, waardoor geen enkel stuk prijsgeeft dat het veelal puur om experimenten ging, op zoek naar geluiden en klanken die konden dienen om samen met Roedelius verder uit te werken. ESB, voorheen Elektronische Staubband, wordt gevormd door Yann Tiersen, Lionel Laquerrière en Thomas Poli. De drie zijn verwoede aanhangers van analoge synthesizers en hebben elk een grote collectie apparatuur in hun verzameling zitten. Sinds 2010 komen ze geregeld samen voor concerten en in 2013 brachten ze een eerste single op de markt. Hun drukke werkschema laat niet veel ruimte om samen aan de slag te gaan om een plaat op te nemen, maar eind vorig jaar lukte het. Het trio dook tien dagen de studio in, elk met twee van zijn meest geliefkoosde synthesizers, en het kosmische jammen kon beginnen. De neerslag van die tiendaagse bestaat uit zeven nummers, waarvan het merendeel inderdaad de zweverige, kosmische kant opgaat. Alleen ‘Late’ geeft ruimte aan variatie, aan een verslavende laatavondbeat zelfs en ontvelt zich zo tot het meest verrassende stuk van dit album.

Protestmuziek voor gevorderden op een met de hand gedubde (zelf geflikkerd dus), in gelimiteerde oplage beschikbare cassette is wat het improvisatiekwartet Set Self On Fire uit Chicago op hun debuut presenteert. Het kwartet voelt zich verwant met The Art Ensemble Of Chicago, en ruimer de hele ACCM-beweging die uit die freejazzpioniers ontstond. Van die freejazz is op hun speelse nummers, vier stuks, behalve de intentie en de vrijheid die wordt genomen, eigenlijk niet zo veel te merken. Ben Lamar Gay (kornet, stem, melodica), Daniel Van Duerm (keyboards, cassetterecorders), Reid Karris (geprepareerde gitaar, live sampling) en Brendan McAlinden (drums) hebben het eerder voorzien op het spelplezier tijdens een gezamenlijke muzikale trip die raakpunten heeft met freakfolk, jazz en rituele muziek. De wereld is een gekkenhuis, en daar mag een stukje gekke muziek bij worden ontwikkeld, zo lijkt het opzet van Set Self On Fire. Vooral het inventieve slagwerk, de verrassend goed klinkende cornet en de geflipte keyboards (‘Stop.Drop.Burn’) zorgen voor een intense luistertrip. De Australische percussionist Will Guthrie debuteerde in 2003 met ‘Building Blocks’ en werkt sindsdien aan een uitermate eigenzinnig oeuvre waarbij percussie, uiteraard, centraal staat. Zijn trio The Ames Room -terrorjazz noemt hij het- is misschien iets bekender dan zijn solowerk, of een van zijn vele andere projecten. Hij weet met de lp ‘Sacrée Obsession’ net zo goed onze oren te verwennen. Twee lang uitgesponnen stukken, elk een kant van de lp, die een ander facet laten horen. In ‘Timelapse’ laat hij de belletjes, de trommelslagen en cimbalen resoneren, de geluiden die worden verwekt in de ruimte (een kapel) optimaal benuttend, ze de tijd geven om door te dringen. ‘Pacemaker’ daarentegen gaat voor repetitie en hypnotiserende en tegelijk heftige percussie die als het ware tot een sjamanistisch ritueel verwordt. Hij werkt met volume, de omgeving en zijn drumstel, dat er toch net wat anders uit ziet dan het doorsnee drumstel. Daar voegt hij subtiel wat elektronica aan toe, om zijn geluid nog wat voller te laten klinken. Mooie tip van drummer René Aquarius van Dead Neanderthals, die samen met zijn kompaan Otto Kokke, contrabassiste Martina Verhoeven en haar echtgenoot Dirk Serries als Fantoom het album ‘Sluimer’ zopas op de wereld losliet. Serries en Dead Neanderthals werkten eerder al samen, en het smaakte naar meer. Verhoeven heeft ondertussen, naast haar werk als fotografe, de muzikale smaak te pakken en leerde zichzelf contrabas spelen. Het kwartet ging zonder vooropgestelde ideeën de studio in, met de intentie om één stuk te maken voor een album. ‘Sluimer’ mag dan ter plekke zijn verzonnen, het stuk klinkt behoorlijk coherent. Saxofonist Kokke gaat voortdurend in duel met de anderen, terwijl Aquarius meestal rustig drums toevoegt en iedereen de autodidactische Verhoeven de ruimte geeft om haar kunnen te etaleren. Serries vult de gaatjes, knutselt, puurt de geluiden uit en schaafde nadien aan het nummer om het wat op te poetsen. Het resultaat is uiteindelijk een mooi voorbeeld van hedendaagse experimentele en geïmproviseerde jazz die toch niemand de gordijnen zal injagen.

Het hoesje van het derde album van Midday Veil uit Seattle zet ons zowaar helemaal op het verkeerde been. We dachten een portie onversneden thrash uit de jaren 1980 door de strot geramd te krijgen. Niets van. Geen metal te bespeuren, in de verste verte niet. Wel komt dit stel aandraven met zeven etherisch aandoende nummers die baden in virtuoos synthesizerspel. Of keyboards, want dat is eigenlijk het instrument dat zangeres en liedjesschrijfster Emily Pothast gebruikt. Ze heeft er ook maar meteen een conceptalbum van gemaakt, over (zelf-)destructie en de invloed op de omgeving van dit al dan niet verantwoord gedrag. Compagnon van het eerste uur, David Golightly, zet het groepsgeluid pas echt in de kijker. Zijn muzikale kennis en zijn virtuositeit met de toetsen zorgt voor een soort kosmische disco die niet valt te weerstaan. Nieuweling Garrett Moore voegt daar efficiënte percussie aan toe. Bassist Jayson Kochen en gitarist Timm Mason vervolledigen het collectief, dat voor ‘This Wilderness’ wordt bijgestaan door niemand minder dan Bernie Worrell (Parliament, Funkadelic), Eyvind Kang, percussionist Tor Dietrichson en saxofonist Skerik. Waar precies hun gastbijdrages vallen te horen, wisten we niet uit te vogelen. Wat we wel weten is dat Midday Veil muziek maakt die heel moeilijk in een hokje valt te plaatsen. Midday Veil klinkt bevreemdend, buitenaards en wondermooi tegelijk waarbij de prachtige stem van Pothast duidelijk een meerwaarde biedt. Of hoe een spuuglelijke hoes zeer misleidend kan werken.

Andreas Wolfinger en Tim Shapland wisselen voortdurend gitaar, basgitaar en zang voor hun nummers. Alleen drummer Bruno Patzer mag steevast zijn zelfde plaats innemen. Het houdt de muzikanten in elk geval gefocust. Dat mag ook wel, want de muziek van het Brits/Duitse trio klinkt niet alleen gedreven maar tevens gevarieerd. De leden zaten eerder in relatief onbekende bands als Gruppe 80, The Moorat Fingers, The Cool Jerks, Cross Stitched Eyes en Shakin Nasties. Veel garage en punk aldus, genres die ruimschoots aanwezig zijn op het debuut van DefektDefekt, al vormt de basis deze keer vooral de Britse postpunk uit de periode 1979-1981. ‘Machine’ bijvoorbeeld heeft hetzelfde hakkerige gitaartje als vroege Gang Of Four, al is DefektDefekt ervaren genoeg om elke vorm van doorslagjes te vermijden. De band treedt frequent op in het voorprogramma van Sleaford Mods, al haalt DefektDefekt slechts zelden hetzelfde niveau. Daarvoor klinkt het trio niet brutaal en urgent genoeg. Toch weten ze heel wat liedjes van een meezingbaar punkgehalte te voorzien, zoals dat ook veel gebeurde bij vroege Britse postpunk in zijn minst experimentele vorm. Probleem is echter, en dat zal ook bij het gros van de voorgaande bandjes van het drietal het geval zijn geweest, dat het gros van de nummers onderling inwisselbaar zijn en zelden het niveau gemiddeld weten te overstijgen. Het blijft voornamelijk bij goed bedoelde pogingen, eerlijke intenties en een poging om hun voorliefde voor vroege (post-)punk te ventileren. Met ‘Automaten’, in het Duits voor de afwisseling, wordt er nog een vreemde Neue Deutsche Welle-eend tussen de rest gegooid, waar we het nut niet echt van snappen. Leuk maar niet meer dan dat.

Na albums op Soundflat en Subversiv belandt het trio The Jackets eindelijk op Voodoo Rhythm. Beiden resideren in Bern, Zwitserland, dus dit lijkt eerder evident dan niet. Frontvrouw Jackie Brutsche, bassist Samuel Schmidiger en drummer Cgris Rosales zaten voor de formatie van The Jackets in 2007 in bands als The Get Lost, Mad Cowgirl Disease en de vele incarnaties van Reverend Beat-Man. De elf nummers die op ‘Shadows Of Sound’ een plekje vonden, klinken tevens eindelijk zoals The Jackets horen te klinken. Analoog opgenomen, niet te gepolijst waardoor de ruwe kantjes van de ritmetandem en de stem van Brutsche het beste tot hun recht komen. Brutsche speelt weliswaar absoluut niet grandioos op gitaar, maar in de muziek die wordt gespeeld (fuzzy garage), is dat van minder belang. Haar stem heeft een lichte knik, een beetje tussen Grace Slick en Chrissie Hynde in. ‘Living The Past’ neigt ietwat naar een ballade, en de mondharmonica in ‘Watch You Cry’ geeft aan dat nummer een lichte bluestint, die mooi samengaat met de rammelige garagerock die The Jackets spelen. ‘Keep Yourself Alive’ is dan weer een mooi voorbeeld van een dansbaar liedje dat het beste uit de jaren 1960 naar boven haalt. ‘Hands Off Me’ is een garageprotestsong, waar de frontvrouw duidelijk maakt dat niet iedereen zomaar aan haar moet gaan zitten. Zonder de aimabele stem van Brutsche zouden The Jackets ongetwijfeld klinken als het gros van dit soort bandjes. Ze schijnt tevens ook nog eens een wilde dame te zijn als ze op een podium staat, dus wat kunnen we ons nog meer wensen.

Gitarist Gary Siperko is een bezig baasje tegenwoordig. Niet alleen brengt Rocket From The Tombs, de legendarische band waar hij deel van uit maakt en waaruit Dead Boys en Pere Ubu ontsproten, op 13 november een nieuwe plaat uit (‘Black Record’), ook de Whiskey Daredevils hebben net hun alweer zevende plaat uit. In die band zit ook zanger Greg Miller, die we nog kennen van Cowslingers, en dan kan u het al een beetje raden. Dit kwartet speelt rootsy country met een punkrockattitude en laat een verwantschap horen met onder meer Reverend Horton Heat en Southern Culture On The Skids. Die bands durven ook al eens wat liedjes uit de mouw schudden die net niet zeemzoet zijn, soms een beetje te poppy en te braaf maar meestal toch aanstekelijk als de pest. Dat is ook het geval met Whiskey Daredevils, dat uptempo nummers als ‘Don’t Talk To Connie’ afwisselt met trage deuntjes als ‘Wall For Her’. Een portie rockabilly mag uiteraard evenmin ontbreken. Daarvoor hebben ze nummers als ‘Always’ uit de mouwen geschud, waardoor ‘Nashville Surprise’ een aangenaam plaatje is geworden dat een rothumeur aanzienlijk kan verlichten. Na een break van acht jaar gooit Steakknife er als herboren zestien nummers tegenaan in een goed half uur. Het zijn, zoals we van dit kwintet gewend zijn, felle punknummers in de lijn van Angry Samoans en een gedreven Jesus Lizard. Bovenal echter, en dit voornamelijk door toedoen van zanger Lee Hollis, klinkt deze plaat als één van de vroege werkstukken van Dead Kennedys. Muzikaal én door de verwante Jello Biafra-stem van Hollis is er geen ontkomen aan. Gelukkig doet Steakknife de imitatie op heerlijke wijze en met de nodige flair en humor. Wie heeft anders als band twee gitaristen, de ene met de right guitar en de andere met de wrong guitar?

Sarah Chernoff, Cameron Parker en Max St. John vormen sinds 2010 het trio Superhumanoids, met standplaats Los Angeles. In de begindagen van de band waren ze nog met zijn vieren en hadden ze een echte drummer in de gelederen. Toen maakte het viertal pure droompop met hier en daar een knipoogje naar de jaren 1960. Voor het in 2013 verschenen ‘Exhibitionists’ wilde de band breder en zich meer toeleggen op new wave gebaseerd op elektronica en drummachines. De echte drummer kon gaan en zangeres Chernoff, die en grote adoratie heeft voor al die wulpse R&B-zangeresjes, perfectioneerde haar eigen, etherisch aandoende zangtalent. Toen het trio in het opnameproces zat voor onderhavige nieuwe plaat, deden ze een tour met Erasure. Het deed Superhumanoids beseffen dat er nog veel werk aan de winkel was. Ze wilden namelijk meer een mengeling van dansmuziek en rock maken, een beetje zoals bijvoorbeeld The Darkside het deed. Een goede beslissing, zo blijkt. Het engelenstemmetje van Chernoff werkt namelijk zowel in de meer dansbare nummers als in de meer rockgerichte of etherisch zwevende stukken. Daarmee lijkt de groep in een definitieve plooi te zijn gevallen, waardoor er ook geen missers op ‘Do You Feel OK?’ staan. Donker klinken of diep graven doen ze echter niet. Het mag allemaal een beetje licht klinken, aangenaam om te horen, zonder de confrontatie op te zoeken. En soms, zoals in dit geval, is dat goed genoeg. Het Turijnse duo lichtte het nummer ‘Vanillacola’ uit hun recentste album ‘Don’t Take It Personally’ (zie GC#123). Het poppy dansnummer belicht slechts één van de vele aspecten van Niagara, hun meest toegankelijke kant. De zang zit hier quasi perfect ingegoten in een heerlijk toegankelijk deuntje. Om het nummer in al zijn facetten te laten open bloeien, liet het duo Fennesz en XIII het nummer door de remixmolen halen. Die van XIII doet ons weinig, die van Fennesz daarentegen toont aan dat het initiële nummer dusdanig sterk is dat de Oostenrijker het helemaal naar zijn hand kan zetten en er iets compleet anders me kan brouwen. Een nummer dat nog weinig met het origineel heeft te maken maar dat wel de experimenteerdrang van Niagara zeer zal bevredigen.

Gitarist Roel Paulussen en drummer Jelle Stevens vormen samen het Limburgse duo SardoniS. De derde plaat, opvolger voor ‘II’ uit 2012, laat een band horen die zich nog verder heeft ontplooid, is gegroeid, ervaring heeft opgedaan, en daardoor zijn vertrouwde geluid kon verfijnen en uitbenen tegelijk. Het handelsmerk van het duo is vooral loodzware instrumentale muziek, die tegelijk zijn inspiratie haalt uit doom, stoner en sludge. Vijf lange nummers prijken op het album, die eigenlijk alle vijf net een beetje te lang duren. Paulussen en Stevens doen hun uiterste best om magistrale riffs uit hun mouw te schudden, slagen daar ook geregeld in, maar het is toch een hele boterham, zo’n veertig minuten instrumentale heavy muziek die soms nergens heen gaat. Vooral de tragere stukken durven al eens ietwat te vervelen. Dat ze het zeker kunnen, bewijst de heerlijke riff waarop ‘Roaming The Valley’ drijft. Een heel verslavende riff, die ze voor ons part nog heel wat langer mochten gebruiken. Het uitgesponnen sluitstuk, toch een twaalf minuten, ‘Forward To The Abyss’, is wél een geslaagde excursie. Zacht, rustig aanzetten voor een paar minuten, plots de beuk erin en dan alle mogelijke variaties van die twee eerste delen van het nummer de revue laten passeren. De power van een concert is nauwelijks op plaat te vatten. SardoniS doet een poging en geeft met ‘III’ vooral een voorproefje van wat het van man tot man in een donker zaaltje kan zijn/worden.

‘We’re Loud’ is een compilatie die fier het motto onbekend mag dragen. Geen van de zeventien bands, vertegenwoordigd met één, twee of drie nummers, telkens mooi na elkaar geplaatst, zal veel belletjes doen rinkelen. Misschien hier en daar bij een fanatieke verzamelaar van obscure punk, maar daar zal het ook bij blijven. Hoofdverdachte van deze compilatie is notoire punk en tijdens de periode 1993-1999, waaruit deze opnames stammen, heel dikwijls heroïneverslaafde Jaime Paul Lamb. Hij bezat echter een onweerstaanbare drang om tijdens zijn zwerftochten door diverse staten van de USA telkens bandjes te beginnen en opnames te maken met zijn Yamaha MT50, op vier sporen. Die opnames werden indertijd steevast opgenomen op cassettes. De meeste zagen een microrelease of helemaal geen release. Bazooka Joe groef zich een weg doorheen de stapels cassettes en maakte een selectie voor dit drieëndertig nummers tellende album. Tim Warren deed de mastering en zorgt er zo voor dat alle opnames dezelfde rommelige kwaliteit behielden, zodat het als één geheel blijft klinken. Bazooka Joe en Lamb zelf schreven de hoesnota’s. Powerpop, punkrock en hier en daar een stukje harder werk neigend naar Flipper is wat we horen. ‘Rip Your Cunt’ van Mega & The Nyrdz opent de plaat, zonder een blad voor de mond te nemen, dat spreekt. De meeste van de bandnamen zijn al net zo obscuur als de nummers zelf: Ricky & The Buttz, Barf Bags en Lukey & The Chicken Slitz zijn maar een paar voorbeelden. Liefhebbers van reeksen als ‘Back From The Grave’ en ‘Killed By Death’ zullen dit album ongetwijfeld ten zeerste weten te waarderen. De reeks ‘Psychedelic States’ is inmiddels aan zijn eenentwintigste deeltje toe, het vierde dat de staat Florida als onderwerp heeft. Zoals gewoonlijk in deze serie zijn de meeste liedjes en bands obscure onbekenden die echter heerlijke muziekjes hebben geschreven in de glorieuze jaren 1960. Een alsmaar groter wordend probleem voor de samenstellers is dat van veel van deze nummers nog nauwelijks een drager valt te achterhalen. Sommige van de songs komen dan ook van gewone cassettes, aangeleverd door mensen die een originele cassette hadden gekopieerd. Gelukkig valt dit soort zaken nauwelijks te horen en kunnen we opnieuw genieten van heerlijk zomerse, licht psychedelische pop en rock van bandjes als The Absolutes, The Wrong Numbers, The Raven en A Quest. Het gros van deze verzameling doet trouwens absoluut niet onder voor de wel bekend geworden bands uit die tijd, wat het luisteren naar deze pareltjes uit lang vervlogen tijden des te leuker maakt.

Soapkills verrees eind jaren 1990 uit de puinhopen van de Libanese burgeroorlog. Zeid Hamdan en Yasmine Hamdan, allebei geboren in Beiroet maar geen familie, zochten en vonden een combinatie tussen traditionele Arabische muziek en elektronische dub en trip hop, een stijl die later sierlijk omschreven werd als oriëntaalse triphop. Ze brachten tussen 2001 en 2005 een drietal albums uit die bij ons in het westen zo goed als onopgemerkt bleven. In de Arabische wereld verkreeg Soapkills echter een cult-status die bleef groeien zelfs nadat Zeid en Yasmine in 2005 besloten hun eigen weg te gaan. Nu, tien jaar later komt Crammed Discs met een The Best Of uitgave. Samengesteld onder het toeziend oog van de bandleden zelf biedt het album een aangename, veilige reis doorheen de wereld die Soapkills heet. Het Arabische element zit hem vooral in Yasmine Hamdans zang die zacht en zuiver over het gehele album klinkt. Arabische samples zijn er ook maar deze zijn veelal subtiel en ver in de mix gelegd. De zang wordt gedragen door Zeids minimale ritmes, soms begeleid met gitaar, trompet en andere akoestische instrumenten. De associatie met triphop komt niet uit de lucht vallen. Van voor tot achter heeft het album een loom, traag tempo zonder dynamische verschillen. Het hele triphopding doet wat gedateerd aan, maar de Arabische zang geeft het geheel een exotisch tintje en je kan het album van voor tot achter uitdraaien zonder dat je storende of verwrongen elementen tegenkomt. De nummers klinken eenvoudig maar ze zitten goed in elkaar. Opeens raak je betoverd door een melodie en je favoriete liedje lijkt telkens een ander te wezen. Dit is het soort album waar je elke keer weer naar kunt grijpen en waar je gehecht aan kunt raken. Daar kan je er niet genoeg van in je verzameling hebben.

Mike Dobber, één van de bezielers van het kleine Barreuh label (labelreport zie GC#126), heeft na enkele alleen digitaal (sommige via cassette) te verkrijgen releases eindelijk een langspeler in elkaar geknutseld. Dat mocht ook wel, zeker gezien Dobber eerder bekend is voor zijn samenwerkingen met andere artiesten of als de lawaaimaker van onder meer NIKOO en Klaus Womb & Penny Super Pony Strip. Dat Dobber, afkomstig uit Eindhoven, wel van wat woordspelletjes houdt, wordt al duidelijk met zijn muzikale alias voor dit project, dat meestal wordt afgekort tot A Million Squeeks. Ook de titel van zijn voorgaande, langste werk ‘Oh My Bottomless Pit Of Despair’ is een tandenbreker, net als de titel van zijn eerste langspeler. Uiteraard digitaal én op cassette (met downloadcode), want dat is het formaat dat het beste past bij Barreuh. Voor de zes nummers die we te horen krijgen, gebruikt Dobber uiteraard zijn expertise als het om noise gaat, al houdt hij het hier vooral bij licht storende geluiden, gekraak, gepiep, tapemanipulaties en snelheidsmanipulaties. Die maken het soms behoorlijk melodieuze geluid dat hij voortbrengt op allerlei toetsinstrumenten. Uiteraard manipuleert hij elk geluid, haalt ze door de effectenmolen, al klinken sommige stukken toch bijna als een gewone piano. Meestal is de aanzet een melodie op piano of keyboard, die dikwijls neigt naar licht klassiek, die dan stilaan wordt aangezet met drones, vervormde stemmen en allerlei eerder opgenomen geluiden. Daardoor klinkt deze cassette heel wat toegankelijker dan we eigenlijk, op basis van ‘s mans andere projecten en verleden, zouden verwachten. De stoorelementen zijn namelijk eerder details, die nooit de glijdende, vloeiende noten en melodieën in de weg staan. Verrassend goed.

Een confessie. Een klein decennium geleden was ‘Blood Is Clean’ van Valet (Honey Owens, tevoren onder andere actief bij Jackie-O Motherfucker en Nudge) een Belangrijke Plaat voor ondergetekende. Owens’ dronesongs van waren angstaanjagend spookachtig en onweerstaanbaar tegelijkertijd. Het was van Palace Brothers‘ ‘Arise Therefore’ geleden dat we nog eens oprecht bang waren geweest van een plaat, maar met ‘Blood Is Clean’ was er eindelijk nog eens stevig stront aan de knikker. In 2008 was er nog ‘Naked Acid’, maar daarmee leek Valet een afgelopen verhaal. Toevalligerwijs hadden we ons een kleine maand geleden nog eens afgevraagd hoe het ook weer met Honey Owens zou gesteld zijn. Een rondje googlen leerde ons dat Owens zich sinds het eind van het vorige decennium had heruitgevonden als de helft van het beat-producende duo Miracles Club. Ondertussen werd Owens moeder en de combinatie met club life was niet meer zo vanzelfsprekend, dus nam ze de Valet-draad weer op. Maar tot onze niet geringe verbijstering gaat er onder die vlag vandaag een heel andere lading schuil. Valet is anno 2015 een trio dat eerder in dromerige shoegaze grossiert dan in dreigende dronesongs. We horen echo’s van Slowdive, The Jesus And Mary Chain en zelfs Lush. Prima referenties, allemaal, en ‘Nature’ is alles behalve een slechte plaat, maar – in de schaduw van de grootse herinnering die het oude werk voor ons is – helaas wel een kleine teleurstelling. De solo-onderneming Valet was een opwindende en soms verwarrende luisterervaring, terwijl het trio met dezelfde naam acht jaar later zich laat beluisteren als een nostalgische stijloefening: mooi maar nergens essentieel. En dat is jammer, want wij waren graag bang van Valet-oude-stijl.

Philadelphia’s fijnsten Espers lijken alweer een leven geleden, en ondertussen is Meg Baird aan haar derde soloplaat toe. In tussentijd bevond Baird zich aan de zijden van Will Oldham, Kurt Vile en Steve Gunn en bovendien richtte ze onlangs met Charles Saufley (Assemble Head In Sunburst Sound, Comets on Fire), Noel Van Harmonson (Comets On Fire) en Ethan Miller (Howling Rain) het misthoornpsychedelica-ensemble Heron Oblivion op.
In tegenstelling tot de eerder sobere voorgangers ‘Dear Companion’ en ‘Seasons On Earth’ is ‘Don’t Weigh Down…’ een behoorlijk georchestreerde affaire. De basis wordt nog steeds gelegd door Bairds stem – nu eens angeliek, dan weer aards – en haar subtiele tokkels. Voor de arrangementen werkte Baird samen met bovengenoemde Charlie Saufley. het geluid mag dan iets rijkelijker zijn dan op haar eerdere solowerk, toch blijft Baird als soloartieste bij een klassiekere klank zweren – een toefje elektrische gitaar hier, wat subtiele lapsteel en piano daar – dan de bij momenten feestelijk psychedelische Espers.
Het eindresultaat is subtieler, en het genot zit ‘m in vaak in het detail: die bloedstollende finale van ‘I Don’t Mind’, het microscopische ‘Leaving Song’ dat slechts één minuut nodig heeft om – met een handvol op elkaar gestapelde vocalen – je de adem af te snijden en het naar de sappige heiden van Albion riekende ‘Mosquito Hawks’, waarop Baird zowaar als het jonge zusje van Sandy Denny klinkt.
Baird wisselde onlangs Philadelphia in voor San Francisco, en het is dan ook onmogelijk om een aantal songtitels niét in die context te lezen: ‘Past Houses’, ‘Leaving Song’ en ‘Even the Walls Don’t Want You to Go’: dit is een plaat die uit al haar gaten heimwee-op-voorhand ademt, zelfs als je je niet concentreert op de vaak in galm begraven teksten.
De romantische piano-reprise van ‘Past Houses’ is een beetje van het goede teveel – maar dat is detailkritiek. Meg Baird is een original, en ‘Don’t Weigh Down…’ klinkt ongetwijfeld binnen twintig jaar nog even bij de tijd als de plaat dertig jaar geleden zou geklonken hebben.

De naam van het label zegt het eigenlijk al helemaal: cinema en exploitation zitten in de naam Cineploit. Het Italiaanse label heeft twee reeksen lopen: Cine en Exploit. In die laaste, nog bescheiden reeks, zit ondermeer een eerbetoon aan de film ‘Scanners’ van David Cronenberg door Thelema. De reeks Cine bevat muziek bij films, ja, wat anders, door onder meer Thelema, het schitterende Zoltan, Orgasmo Sonore, Oscillotron, Rashomon en uiteraard ook Sospetto. Vreemd genoeg is Sospetto een Duitse band, die echter idolaat is van Italiaanse filmgenres. Policiers, horrorfilms of Giallo. Voor hun derde album kiest Sospetto voor vier verschillende muzikale filmgenres, al is ons het verschil niet altijd even duidelijk. Soit, de cd (of dubbelelpee) valt uiteen in vier stukken, vier verschillende films. ‘Intrappolati Harem Di Satana’, ‘L’Exposition De Geneviève’, ‘Schwarzes Licht’ en ‘Devil’s Cops In Angel County’. Twintig nummers in totaal die sferische synthesizermuziek etaleren die inderdaad hel filmisch aandoet. De toevoeging van hier en daar wat zanglijnen, heeft het stel nummers wat extra cachet. Uitblinken doet Sospetto met het een kwartier durende ‘Schwarzes Licht’, waarin ze de diverse hoeken van hun muzikale kunnen optimaal verkennen en in een meeslepend stuk weten te gieten. Mondo is een Italiaans filmgenre uit de jaren 1960 met een ietwat documentair karakter. Een perfecte naam voor een label dat zich toelegt op het uitbrengen van muziek die kan dienen bij dergelijke documentaires. Library Music is de andere grote inspiratiebron voor Francesco De Bellis, de man achter het label, en zijn geestesgenoten. Sinds 2013 verschenen vier ep’s, eentje voor elk seizoen, die nu worden gebundeld op één cd. Wie wat waar speelt is van weinig tot geen belang, vinden de makers van de muziek zelf. Een beetje zoekwerk leert dat ‘Precipizio’ werd gemaakt door De Bellis zelf onder de naam L.U.C.A., ‘Laguna’ door ROTLA (Raiders Of The Lost ARP), ‘Dune’ door Studio 22 (een samenwerking van De Bellis met Federico Costantini) en ‘Selva’ door Odeon. niet dat het wat uitmaakt. De nummers passen allemaal bij elkaar, zijn inwisselbaar, en zitten wat vastgeroest in net niet dansbare, oubollige synthesizermuziek die geen potten breekt. Onze aandacht verslapt net zo snel als bij voornoemde documentaires.