Blog

Actuele artikelen, interviews, opinies, festival- en concertverslagen & MEER.

Blame Kandinsky is een vijftal uit Athene dat sinds 2012 verwoed om zich heen schopt. Explosieve metalcore en mathcore worden op een hoop gegooid en aan gort geschreeuwd door de brulboei van dienst. Ondertussen rijgde de band de concerten aan elkaar, tot ze vonden dat ze voldoende op elkaar waren ingespeeld om hun bij wijlen behoorlijk chaotisch aandoende muziek in goede banen te leiden en uit te brengen. Zes nummers werden uitgekozen, waarvan ‘Varnish 11 st Illinois’ begint met een streepje blues om daarna los te barsten. Twee van de zes nummers steken er met kop en schouders bovenuit. Dat komt vooral door superieur riffwerk dat bij de resterende songs niet slecht maar ook weinig memorabel is. Met ‘Nascency.Admittance.Guilt.Rebirth’ en ‘Beautiful Savages’ weten deze Grieken de middelmatigheid te overstijgen en zorgen er zo voor dat hun debuut-ep toch de moeite wordt. De zesde plaat van het Portugese collectief Simbiose, de opvolger voor het drie jaar geleden verschenen ‘Economical Terrorism’, is er opnieuw eentje om de oren uit te kuisen. Crust en grindcore gaan hand in hand bij deze Portugezen, die ook nog eens in hun moedertaal de boel op stelten zetten. Lange nummers, daar doet een band als deze niet aan natuurlijk. We horen de plaatgroeven lopen als intro, waarna ‘Ignorancia Colectiva’ meteen uit zijn voegen barst. Veertien furieuze nummers met uiteraard sociaal-politiek commentaar (hiervoor geloven we de bio zonder aarzeling) die aanleunen bij genregrootheden als Napalm Death en Disfear. En dat ze goed zijn in hun soort, is ook Bri Doom van de legendarische band Doom niet ontgaan. Hij verzorgt een ferme gitaarsolo in ‘Deixós Falar…’. Niet dat we het hadden opgemerkt. Solliciteren om bij Relapse te worden getekend, dat is dit ‘Trapped’. Het uit Perth afkomstige trio Ur Draugr zet zijn eerste stapjes aan het blackened death metalfront middels een ep die net geen twintig minuten in beslag neemt. Opener ‘Unseen Golgotha’ zet nog relatief rustig in maar ontaardt al snel in een alsmaar donkerder en chaotisch stuk black metal. Het tien minuten in beslag nemende titelnummer bevat niet alleen het geweld van het drietal zelf. De band krijgt assistentie van gitarist Daniel Wiggins om het festijn nog wat gewelddadiger te maken. Gelukkig weet Ur Draugr te doseren en sluipen er geregeld rustpuntjes in het geheel, al mocht dat stukje progrockgesoleer van diezelfde Wiggins wel ietwat compacter. Gelukkig brult Drew James Griffiths de boel al snel aan gort en wordt de death al snel gedomineerd door hemelse moderne black metal. Geen schel geluid te bespeuren hier. Wel een degelijke productie van een band die weet hoe ze zwart en heavy tegelijk horen te klinken.

Uit San Fernando Valley komt het kwartet Prima Donna aandraven met een ferme portie punkrock, rock-‘n-roll en glamrock. De band debuteerde met de single ‘Eat Your Heart Out’ op Puke N Vomit Records in 2007 en timmert sindsdien onafgebroken aan de weg naar roem. Het elf nummers tellende ‘Nine Lives And Forty Fives’ is hun vierde plaat, die net als de voorgangers vol staat met referenties naar een verleden dat zich net zo goed weerspiegelt in de resem bands waarmee ze reeds de zalen afschuimden: Adam Ant, The Dictators, Eddie and the Hot Rods, Glen Matlock & The Philistines en met hun poppunkende maten van Green Day. Little Steven is een grote fan van het geluid van deze bende, die als een samensmelting klinkt van voornoemde bands. ‘Born Yesterday’ duidt op dat retrogevoel, en klinkt als David Bowie in zijn glamperiode, T-Rex, en zelfs een tikje als vroege Rubettes en Mud. ‘I’m On Fire’, oorspronkelijk van Dwight Twilley (uit ‘Sincerely’ uit 1976) klinkt als stadionrock zoals Little Steven die zelf maakt. De Blondie-cover ‘Rip Her To Shreds’ (uit het debuut) klinkt met zijn uitgebreide blazerssectie als New York Dolls, terwijl ‘Eat Your Heart Out’ wat weg heeft van Iggy Pop. Het maffe orgeltje doet hier eveneens wonderen. ‘Rock And Roll Is Dead’ (The Rubinoos) klinkt al net zo rauw, punky en glam als de rest van de plaat. Geen poppunk te bespeuren hier, gelukkig maar. Wel een portie onversneden brutale rock’n’roll waarbij het leuk uit het dak gaan is. Drieëndertig minuten in een tijdscapsule terug naar het eind van de jaren 1970. Het moet kunnen.

Cluster, zijnde het duo Hans-Joachim Roedelius en Dieter Moebius, sproot voort uit Kluster toen Conrad Schnitzler er de brui aan gaf. Ze maakten nog een achttal platen, die net als het voorgaande werk worden beschouwd als voorlopers van de elektronische muziek, ambient en krautrock. In 1981 hield het op, tot Cluster in 1990 opnieuw opdook. Het duo maakte een aantal fel gesmaakte platen en slaagde er zelfs in om tournees te doen, zowel in thuisland Duitsland, Europa en, in dit geval het relevantst, door de Verenigde Staten en Japan. De reeksen optredens golden meteen als een vaarwel aan hun luisteraars, en daar kon Cluster alleen maar gediversifieerd voor de dag komen. Voor het Amerikaanse luik koos het duo voor het luidere, minder te verwachten aspect uit hun catalogus. Beangstigende soundscapes, onverwachte (of net wel, voor wie Cluster een beetje kent) ritmische uitbarstingen en heel wat speelse elementen. Het lijkt alsof de twee wilden aantonen dat ze helemaal geen new age en ambient maakten, maar pure, soms bijna dansbare elektronische muziek die boordevol, eerder donkere, emoties zit. Al duikt hier en daar, wat had u gedacht, een fragment verstilling op. Voor het Japanse luik, met optredens in Osaka en Tokio, koos Cluster net wel voor de meer atmosferische stukken. Of niet, want schijn bedriegt. De meeste stukken zijn inderdaad intiemer en rustiger, edoch, soms klinkt Cluster bijna als The Residents. Uiteraard is alles digitaal bij deze incarnatie van Cluster, en is er ook van analoge apparatuur nog nauwelijks sprake. Ook de opnames zelf, die werden gemaakt, en voor deze uitgaven nog wat werden opgepoetst, klinken ei zo na perfect. In het eerste stuk van de Japanse show horen we bijvoorbeeld heel duidelijk de toetsaanslagen op een keyboard die klinkt als een piano, waar bij de Amerikaanse shows de nadruk eerder lag op dreigende drones, uiteraard dreigend op de manier van Cluster, waar speelse accenten en interrumperende geluiden voor verstrooiing en verstoring zorgen. Beide cd’s geven een mooi beeld van waar Cluster op dat ogenblik naartoe was geëvolueerd. Tegelijk zijn ze een uitstekend overzicht van de diverse kwaliteiten van beide heren, als solisten of samen, en zijn, misschien ongewild, een perfecte instap in de wondere wereld die Cluster was en is.

Picastro uit Toronto, Canada is vooral de groep rond zangeres Liz Hysen. Sinds 1998 bestiert ze Picastro als enige constante in een regelmatig wisselende bezetting. Die bezettingen worden voornamelijk gekozen met de muziek die ze voor ogen heeft. De dame durft namelijk nogal eens van gemoed te veranderen voor haar platen. Folk, postrock, avantrock of meer singersonggerichte muziek, ze draait er haar hand niet voor om. Wel constant is haar lijzige stem, die alle aandacht naar zich toe trekt. En de behoorlijk spooky sfeer die ook op het vijfde album ‘You’ pertinent aanwezig is, kan als een rode draad doorheen haar oeuvre worden beschouwd. Brandon Valdivia (drums) en Nick Storring (cello) zijn twee van de muzikanten waarmee ze al eerder werkte en die ook nu hand- en spandiensten verlenen, en op indrukwekkende wijze, dat mag gezegd worden. Waar de plaat traag op gang komt met een paar redelijk gewone ingetogen liedjes, gaat Picastro op de tweede helft van de plaat aan het experimenteren. De zang moet niet meer binnen de gewone Picastro-lijntjes kleuren, en ook de cello krijgt alle ruimte, wat tot memorabele avelinkse liedjes leidt als ‘Judas Claim’, ‘State Man’ of ‘Baron In The Trees’. Evan Clarke, Tony Dekker (Great Lake Swimmers), Alex Lukashevsky, Colleen Kinsella en Caleb Mulkerin (beiden Big Blood, Cereberus Shoal) geven acte de présence en voegen kleine accentjes toe. Picastro, eigenlijk gewoon Hysen, werkte eerder al uitgebreid met Great Lake Swimmers en Nadja, wat verklaart waarom ze in een alsmaar grotere vijver muzikanten voor het kiezen heeft. De eigenzinnige liedjes op dit ‘You’ staan ver van de postrock van vroeger en zijn eerder experimentele popliedjes die nooit de hitparade zullen halen. Daarvoor zijn ze gewoon te mooi.